Net als de films van Ingmar Bergman (1918-2007) gelden de films van Andrei Tarkovski (1932-1986) als moeilijke films. Voor het grote publiek blijft het oeuvre van Bergman en Tarkovski een gesloten boek maar voor een selecte groep cinefielen en filmcritici wereldwijd zijn ze het neusje van de zalm. Dat een bepaalde mate van ontoegankelijkheid grote aantrekkingskracht heeft op de elite lijkt een natuurwet. Natuurlijk kun je je met een voorliefde voor moeilijke en ontoegankelijke kunst onderscheiden van de massa, maar dat verklaart niet waarom Bergman en Tarkovski door de elite in het hart gesloten worden. De kijker moet bij de lange takes en traagheid van Tarkovski een offer brengen en alleen door dat offer kunnen er geheimen prijsgegeven worden en krijgt de beschouwer toegang. Voor wie dat offer teveel (tijd) kost, blijft het waarschijnlijk een trage, vervelende, onduidelijke film.

Tarkovski was zichzelf zeer bewust van de betekenis van het offer. In zijn twee laatste films Nostalghia (1983) en Offret (1986) die hij in ballingschap in resp. Italië en Zweden maakte, staat het brengen van een offer door de hoofdfiguur centraal. Het onderwerp religie wordt door Tarkovski in een vorm gegoten waar de intellectueel niet voor terugdeinst. Zijn vertelling is dichterlijk, suggestief, gelaagd en raadselachtig en trekt een soort damp rond de kijker op die hem in contact brengt met het ondefinieerbare dat zijn intellect overstijgt.
In zijn beschouwingen over filmkunst die hij publiceerde in de bundel De verzegelde tijd (1977) schrijft Tarkovski dat de lange takes nodig zijn om de werkelijke tijd in de filmische tijd toe te laten. In de meeste films wordt de tijd vernietigd, wordt het wachten ingedikt tot een beeld van wachten. Maar Tarkovski ziet het levensgrote belang van wachten in en haalt het wachten binnen in zijn films als een offer dat hij van zijn publiek vraagt.
In een volgende aflevering meer over de film Nostalghia.
In het hoofdstuk Uitverkoren volkeren: politiek messianisme van Aardse Machten (2005) beschrijft Michael Burleigh de vrijheidsstrijd in de negentiende eeuw van achtereenvolgens de Grieken, de Polen, de Ieren en de Italianen. Hij begint het hoofdstuk met een uiteenzetting van het nationalisme dat begint tijdens de Verlichting bij Rousseau en Herder en dat in de 
Een paar minuten bladeren in een tijdschrift of boek over grafische of industriële vormgeving rond 1960 is voor mij genoeg om verliefd te worden op een tijdsbeeld. Inmiddels heb ik dan ook een heel rijtje boeken verzameld waarmee ik deze verliefdheid koester. In 1960 stond het modernisme op een hoogtepunt. De wereldtentoonstelling in Brussel van 1958 was het momentum dat Europa de Tweede Wereldoorlog te boven was gekomen. Door de wederopbouw was er een nieuwe wereld tevoorschijn gekomen. Het toverwoord was modern. En modern betekende ook optimistisch en internationaal. We waren collectief in een brave new world ondergedompeld, gezuiverd van nare herinneringen en omringd door anonieme vormen uit de geometrie en het rijk der ééncelligen. Historisme was als sneeuw voor de zon verdwenen. De toekomst was alles, het verleden niets.














