Pinksteren 2009

vandaag viert de Orthodoxe Kerk haar geboortefeest
Alain Badiou over Paulus: universalisme vs. differentie-denken

Vorig weekend schreef Willem jan Otten in Letter & Geest (Trouw) ter gelegenheid van (Westers) Pinksteren over de drie woorden van het Christendom : ‘Christus is verrezen’. Hij besprak o.a. het boek van de Franse filosoof en romancier Alain Badiou, Paulus -De fundering van het universalisme. Dit boekje is in een Nederlandse vertaling bij Ten Have in de Agora-reeks verschenen.

 

Pinksteren

Paulus -De fundering van het universalisme
Badious interesse in het universalisme is (…) geen religieuze. In de eerste plaats vindt hij in dit universalisme een alternatief voor het ‘differentie-denken’ dat decennialang bij Franse wijsgerige tijdgenoten zoals Deleuze en Derrida de boventoon heeft gevoerd. Dit denken benadrukt het belang van particularisme en differentie. Voor Badiou daarentegen zijn verschillen en particulariteiten het allergewoonste wat er is, zoals hij in het boekje De ethiek provocerend opmerkt. Alleen dat wat deze verschillen overstijgt en doorkruist en zo iedereen gelijkelijk aangaat vormt een uitzondering op dit doodgewone en verdient daarom met recht de kwalificatie ‘événement’.
Bron: bespreking Alain Badiou [ 8weekly.nl ]

Niet zozeer de gedachte, maar de trouw daaraan is zijn onderwerp. En hij maakt gaandeweg duidelijk dat deze trouw van Paulus
een vrij mens maakt.

Willem Jan Otten over Badiou

PaulusBadiou noemt Paulus bij herhaling, en met diepe sympathie, „de geniale anti-filosoof„. Hij rekent af met iedereen die in Paulus een religieuze dwingeland of een alle vooruitgang blokkerende godsdienstfanaat ziet, speciaal met Nietzsche. Het boek heeft een postmodernistische agenda. Badiou wil iets zeggen over „waarheid„. Die kan volgens hem nooit een kwestie van weten en kennis zijn, ook niet van herinneren, maar van al verkondigend trouw blijven aan een beseffende gebeurtenis, een „evenement„.
 
Trouw blijven aan iets wat in je opkomt, en tegen alles ingaat wat je voorheen wist, en niet beredeneerd of gelegitimeerd kan worden – dat fascineert Badiou. Niet zozeer de gedachte, maar de trouw daaraan is zijn onderwerp. En hij maakt gaandeweg duidelijk dat deze trouw van Paulus een vrij mens maakt. Iemand die, om zijn eigen woorden (in de Galatenbrief) te spreken, „in de vrijheid stond waarin Christus u gelaten heeft“.
 
Badiou gaat neuriënd en schouderophalend voorbij aan de discussie waaraan moderne geloofscolumnisten en filmers verslaafd zijn: kan Jezus heus bestaan hebben? Was hij bezig met het stichten van een religie? Hij was Jood, kan hij zich dan Zoon van God genoemd hebben? Kan hij uit de dood zijn opgestaan?
 
Badiou gelooft niet, ook niet in „Christus is verrezen„, en toch laat hij zijn hele betoog draaien om Paulus„ trouw aan deze woorden. En ik vraag me af of er een hedendaagse theoloog is die me dichter bij de mateloze betekenis van deze woorden zou kunnen brengen dan Badiou heeft gedaan.Volgens Badiou beweert Paulus met de drie woorden niets anders dan dat Christus in hem, Paulus, is verrezen.
 
Bron: de drie woorden van het Christendom [ trouw.nl ]

de langste dag

D-Day van Antony Beevor is in het Nederlands vertaald

Beevor, D-DayD-Day is vandaag 65 jaar geleden. Er is over de landing in Normandië al een bibliotheek volgeschreven. Toch heeft de Britse historicus Antony Beevor het aangedurfd een nieuw boek over D-Day te schrijven. Maar komt hij ook met nieuwe feiten en nieuwe interpretaties? Antony Beevor is toch wel iemand van wie je dat mag verwachten. Hij schreef al twee bestsellers over de Slag om Stalingrad en de Slag om Berlijn en vooral dat laatste boek bevatte veel nieuws omdat Beevor na het einde van de Sovjet Unie in de jaren negentig als een van de eerste toegang werd gegeven tot de archieven in Moskou. Ook wanneer dit boek weinig nieuws zou bevatten, blijft het een ervaring om Beevor‘s toegankelijke, beeldende en nauwgezette stijl te volgen.

Beevor, D-Day„Nooit eerder in de oorlogsgeschiedenis,„ schreef Stalin aan Churchill, „heeft zo„n onderneming plaatsgevonden.„ Het was inderdaad verreweg de grootste vlootinvasie ooit vertoond. De deelnemers aan de invasie over Het Kanaal – soldaten, zeelieden, piloten – zullen het beeld nooit vergeten, net zo min als de verraste Duitse verdedigers aan de Normandische kust. De schaal van de onderneming en de nauwgezette planning waren zonder precedent, maar hoewel de bruggenhoofden relatief snel waren aangelegd, was de volgende fase van de strijd veel moeilijker dan verwacht. Het Normandische heggenlandschap was ideaal voor de verdediging, en de Duitsers, in het bijzonder de divisies van de Waffen-SS, vochten meedogenloos voor hun laatste kans. Aan de hand van nooit eerder gebruikt materiaal uit meer dan dertig archieven in zes landen laat Antony Beevor zien hoe de Britse, Canadese en Amerikaanse troepen verzeild raakten in gevechten waarvan de hevigheid die van het Oostfront evenaarde. Het aantal slachtoffers groeide, evenals de spanning tussen de leiders aan gene zijde. Franse burgers raakten ongewild verstrikt in de gevechten en kregen groot leed te verduren. Zelfs de vreugde om de bevrijding had een keerzijde. De oorlog in Noord-Frankrijk drukte niet alleen een stempel op een generatie, maar op de hele naoorlogse wereld en had een bepalende invloed op de verhouding tussen Amerika en Europa. Net als in zijn eerdere bestsellers over Stalingrad en de bevrijding van Berlijn, maakt Antony Beevor de werkelijke ervaring van oorlog voelbaar.
 
Bron: amboanthos.nl

antonybeevor.com

rear window

vier uitzichten van ‘driehoog achter’ van 1794 tot 1844
de ‘snapshots’ van David, Blechen, Daguerre en Menzel

Driehoog achter is het uitzicht uit een klein zolderraam soms het weinige contact dat een (arme) schilder met de buitenwereld heeft. Dat is natuurlijk helemaal zo als je gevangen gezet wordt. Dat overkwam Jean Jacques Louis David in 1794. Een jaar daarvoor had hij nog een tekening gemaakt van Marie-Antoinette op weg naar het schavot. En nu was het hem zelf bijna overkomen. Na de val van Robespierre was er een aanklacht tegen David ingediend en ontsnapte hij tenauwerdood aan de dood. Hij werd gevangen gezet en keek vanuit zijn cel op de Jardin du Luxembourg. Daar maakte hij toen een olieverfschilderijtje van het uitzicht dat tegenwoordig in het Louvre hangt .

Jean Jacques Louis David en Adolph Menzel
boven: Jean Jacques Louis David, uitzicht op de Jardin du Luxembourg (1794) en onder: Adolph Menzel, Hinterhaus und Hof (1844)
Ondanks de droge en niet gemanipuleerde compositie oogt het bovenste tafereel duidelijk als een schilderij, terwijl de onderste voorstelling veel meer van een foto heeft. Tussen beide schilderijen zit vijftig jaar, de periode waarin de fotografie ontstond.

De Duitse realist Adolph Menzel waarover ik al eerder schreef, schilderde vijftig jaar later ook een uitzicht. Hij zat niet gevangen en schilderde het tafereel vrijwillig. Uit overtuiging. Omdat hij realist was. Een schijnbaar onbeduidend uitzicht hoorde er voor hem gewoon bij. Dat was toen nog helemaal niet vanzelfsprekend. Geïnspireerd door de Constables die hij in 1839 in Berlijn had gezien, begon hij schetsmatig in olieverf de wereld om hem heen vast te leggen en Hinterhaus und Hof uit 1844 is daar een prachtig voorbeeld van.

Louis-Jacques-Mandé Daguerre, 1839
Boulevard du Temple Parijs 1839
door Louis-Jacques-Mandé Daguerre

Het nieuwe medium van de fotografie opende vanaf 1840 een nieuw venster op de werkelijkheid. In 1839 maakte Louis-Jacques-Mandé Daguerre de bovenstaande opname, een van de eerste ‘foto’s’ (lees: daguerreotypie) uit de geschiedenis. Dat er op straat geen mensen zijn te bekennen, komt omdat er in 1839 nog een lange sluitertijd nodig was. Alleen de schoenpoetser en zijn klant op de straathoek zijn vereeuwigd, de voorbijgangers zijn vervluchtigd. Dergelijke beelden hadden hun uitwerking op de schilderkunst die zich nu samen met het nieuwe medium tegenover een veel ruimere werkelijkheid bevond. Schijnbaar onbeduidende voorstellingen bleken ook tot het domein van de schilderkunst te horen nu er een soort ‘achterraam op de wereld’ was bijgekomen. De realisten en impressionisten begonnen in navolging van de fotografie de alledaagse werkelijkheid te omarmen. De schilderijen van David (1794), Menzel (1844) en Blechen (1833) zijn bijzonder, omdat zij geschilderd zijn voor 1845, toen realisme en impressionisme nog niet waren ‘uitgevonden’ en de fotografie nog niet of nauwelijks een rol speelde. Daarbij onderscheiden deze taferelen zich ook van het Hollandse realisme uit de 17e eeuw omdat iedere vorm van moralisme achterwege blijft. Het gaat om de naakte feiten, niets meer en niets minder.

Carl Blechen, Blick auf Dächer und Gärten (1833)
Dieses Gemälde zeigt den Ausblick aus einem rückwärtigen Fenster in Carl Blechens (1798-1840) Wohnung in der Berliner Kochstraße. Die Szene ist nicht zuletzt deshalb interessant, weil sie die ungleiche Natur der städtischen Entwicklung Berlins dokumentiert. Die Kochstraße lag nur wenige Häuserblöcke südlich von Schinkels berühmtem Schauspielhaus am Gendarmenmarkt. Ihre Nähe zu den Repräsentativbauten Berlins zeigt sich im linken Bildhintergrund, wo die Rückseiten der prachtvollen Bauten zu sehen sind, welche sich entlang der Friedrichstraße zogen. Der Stadtteil, in dem die Kochstraße lag, war jedoch wesentlich bescheidener und hauptsächlich von Handwerkern und anderen Facharbeitern bewohnt. Obwohl Blechen eine Professur für Landschaftsmalerei an der Berliner Akademie innehatte und die Unterstützung kultureller Größen wie Bettina von Arnim genoss, erzielten seine Gemälde keine besonders hohen Preise und verkauften sich schlechter als er es für angemessen hielt. In den 1880er Jahren wurde Blechen durch eine Retrospektive in der Berliner Nationalgalerie aus der Vergessenheit geholt.

Blechen
Carl Blechen
Blick auf Dächer und Gärten, 1833

Wie Adolf von Menzel, wurde auch Blechen später von Kritikern und Künstlern gelobt, deren modernistischer Kunstgeschmack sie nur einen begrenzten Teil des großen Schaffens dieses Malers schätzen ließ. Diese Ansicht von Dächern und Gärten wäre von ihnen beispielsweise für den groben Pinselstrich, das einfache, alltägliche Thema und den willkürlichen Bildausschnitt gelobt worden. Wie auch Menzels Balkonzimmer, das mehr als ein Jahrzehnt später entstand, scheint der Blick auf Dächer und Gärten aus dem reinen Festhalten des Künstlers seiner persönlichen Wahrnehmung der engsten Umgebung hervorgegangen zu sein. Die Vorstellung, dass ein Kunstwerk in erster Linie als Ausdruck der einzigartigen, subjektiven Idee des Künstlers geschätzt werden sollte – nicht als Darstellung einer Geschichte, einer Form des Lobes Gottes oder der Monarchie oder der Darstellung eines schönen Anblicks – ist natürlich auf die Romantik zurückzuführen.

Bron: germanhistorydocs.ghi-dc.org