De Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty is een typische existentialistische denker uit het midden van de vorige eeuw. In de postmoderne tijd (na 1975) raakte hij in de vergetelheid. Op dit moment lees ik weer eens in De fenomenologie van Merleau-Ponty dat Prof. R.C.Kwant schreef kort na de tragische dood van Merleau-Ponty in 1961. Voor mij als schilder wint de existentiële fenomenologie die Merleau-Ponty ontwikkeld heeft, nog altijd aan actualiteit. Dat komt omdat deze mij bewust blijft maken van de wijze waarop ik de wereld waarneem.
Merleau-Ponty neemt het radicale empirisme van George Berkeley: ‘esse est percipi’ (‘zijn is waargenomen worden’) en het kentheoretische kader van Immanuel Kant als zijn vertrekpunt. De mens neemt niet de dingen zélf waar, maar de vormen waarin deze door onze perceptie en receptie worden gegoten. Wat we waarnemen zijn dus mentale illusies van de dingen. Uit deze innerlijke waarneming kun je een ‘derde oog’ afleiden en wordt alle waarneming uiteindelijk een geestelijk proces. In de fenomenologie wordt de cartesiaanse dualiteit tussen lichaam en geest opgeheven. Het zgn. ‘lichaam-subject‘ gaat voor Merleau-Ponty aan deze door de ratio geconstrueerde ‘subject-object’ tegenstelling vooraf. Met dit kernbegrip wil hij de diepe en geheimzinnige verstrengeling tussen lichaam en geest benadrukken.
Merleau-Ponty verwijst vooral naar de moderne schilders Cézanne, Klee en Delaunay, die het zien zélf probeerden te zien. Je zou kunnen zeggen dat ze in hun schilderijen het zien willen kwadrateren. De moderne schilderkunst probeert de vertrouwde verschijningsvormen te verbrijzelen om in hun essentie door te kunnen dringen. De kubisten gooien zelfs de ruimte op hun schilderij bewust aan diggelen om door de scherven heen in contact te kunnen komen met de essentie van al het zichtbare. Ze komen zo tot eigen (meta)visies: Volgens Cézanne bijvoorbeeld bestaat de zichtbare wereld uit kubussen, bollen en kegels, maar volgens Mondriaan liggen universele verhoudingen aan deze wereld ten grondslag. Moderne schilderkunst geeft niet het zichtbare weer, maar probeert de mogelijkheidsvoorwaarde van het zichtbare zichtbaar te maken.
geeft niet het zichtbare weer
maar maakt zichtbaar
Paul Klee
Merleau-Ponty‘s filosofie, zeer sterk beïnvloed door Edmund Husserl (Merleau-Ponty voerde bepaalde aspecten van de fenomenologie van Husserl door in zijn eigen werk, dat voor een belangrijk deel o.a. was gebaseerd op onderzoek van Husserl’s manuscripten), moet gerekend worden tot het domein van de fenomenologie. Zijn twee belangrijkste werken zijn La structure du comportement (1942) en Phénoménologie de la Perception (1945). Hierin komt onder andere naar voren dat la perception (de waarneming) als uitgangspunt moet worden gezien in de filosofie, als een eigen actieve dimensie. Centraal daarin staat een verwerping van het cartesiaanse ‘cogito’, en daarmee van het (volgens Merleau-Ponty) misleidende onderscheid tussen het object en de ‘cogito’. Middels en vanuit deze verwerping poogt Merleau-Ponty een kritiek te formuleren op de reductionistische tendens die de wetenschappen beheerst. In zijn fenomenologie speelt het lichaam, als middel van zowel waarneming als expressie, een centrale rol: “mijn lichaam bepaalt het gemeenschappelijke weefsel van alle objecten en het is, in ieder geval wat betreft de waargenomen wereld, het algemene instrument van mijn begrijpen”. Het werk van Merleau-Ponty heeft onder andere een sterke invloed gehad op de ‘heideggeriaanse’ contemporaine denker Hubert Dreyfus, die in zijn What computers still can’t do een evaluatie geeft van en fenomenologische reflectie op de gang van zaken binnen het vakgebied van de Kunstmatige intelligentie. Zijn werk krijgt ook enige aandacht binnen de neuropsychologie. Cognitiewetenschappers als Oliver Sacks en Antonio Damasio tenderen naar een bewustzijns-denken zoals dat bij Merleau-Ponty terug te vinden is.Bron: nl.wikipedia.org
Maurice Merleau-Ponty
oog en geest [ 1996, Uitg. Ambo ] | de wereld waarnemen [ 2003, Uitg. Boom ]
John Adams (1735-1826) ging in de zomer van 1780 naar Amsterdam om in de Republiek der Verenigde Nederlanden politieke en financiële steun te vinden voor de Amerikaanse opstand tegen de Engelsen. Zijn zonen John Quincy (13) en Charles (10) vergezelden hem. Aanvankelijk kreeg Adams weinig voet aan de grond in Holland, en in elk geval durfden de bankiers geen lening aan zonder sanctie van de Staten-Generaal. Wel stonden zij sympathiek tegenover het streven, terwijl de stadhouder Engelsgezind was. Adams begreep weinig van de Nederlandse verhoudingen. Toen het tij leek te keren ten gunste van de opstandelingen, was de Republiek bereid om na Frankrijk als tweede staat diplomatieke banden aan te gaan met de Verenigde Staten. Zo werd Adams op 19 april 1782 geaccrediteerd als gezant van de VS. In juni lukte het hem om een lening te krijgen van Amsterdamse kooplieden en bankiers met een waarde van vijf miljoen gulden, destijds een aanzienlijk bedrag. (Er is een syndicaat gevormd tussen de Staphorsten, de Willinks en De la Lande & Fijnje om een lening voor de Verenigde Staten te organiseren.) Het was de eerste buitenlandse lening aan de VS. In oktober 1782 ondertekende Adams namens de VS een vriendschaps- en handelsverdrag tussen zijn land en de Republiek. Na het tekenen van de vrede tussen de VS en Engeland in Versailles in 1783, waarbij hij aanwezig was, werd Adams de eerste gezant in Londen (1785), met Den Haag als bijpost. In 1788 keerde hij terug naar de VS. In 1987 werd het John Adams Institute opgericht, gevestigd te Amsterdam en gericht op culturele uitwisseling tussen Nederland en de VS.
Johanna van Castilië huwde op 20 oktober 1496 met Filips de Schone in de Sint-Gummaruskerk in Lier. Na de dood van een aantal familieleden, haar enige broer Juan, haar oudste zus koningin Isabella van Portugal en dier zoon Miguel werd zij in 1502 door de Cortes erkend als troonopvolgster van de Spaanse koninkrijken Castilië en Aragón. Na haar moeders dood in november 1504 werd ze koningin van Castilië, maar bleek ongeschikt om te regeren. Deze taak werd waargenomen door haar vader Ferdinand en daarna voor korte tijd door haar man Filips. Tot op heden bestaat er in Lier een groot gebouw, genaamd Hof van Aragón.
Reeds tijdens haar verblijf in de Nederlanden, toen zij haar echtgenoot Filips achterna gereisd was, vertoonde Johanna tekenen van onevenwichtig gedrag, maar toen Filips in september 1506 stierf, raakte zij geestelijk volledig de weg kwijt. Zijn lijk werd gebalsemd en in een loden kist gelegd, die Johanna in haar slaapkamer liet plaatsen. Elke ochtend liet ze de kist openen in de hoop dat Filips tot leven zou zijn gekomen. Ook als zij op reis ging nam ze het lijk van haar echtgenoot met zich mee. Uiteindelijk werd Johanna krankzinnig verklaard en haar vader, Ferdinand, wist haar ervan te overtuigen dat Filips moest worden begraven. Ze werd opgesloten in een kasteel te Tordesillas, waar zij ook verbleef tijdens het bewind van haar zoon Karel V (in Spanje Karel I), die haar koel en liefdeloos behandelde. Tijdens de opstand van de comunidades in Castiliëin 1520 werd zij even door de steden als koningin erkend, maar toen de opstand nog hetzelfde jaar werd onderdrukt, bleef zij voorgoed in dezelfde vesting opgesloten. Zij leefde nog heel lang in totale afzondering, tot zij er in 1555 overleed. Officieel is ze steeds koningin van Castilië gebleven.













