Couperus en het voorbijgaan … [ 3 ]

gelezen: De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Louis Couperus

In de zgn. “Haagse romans” De boeken der kleine zielen en Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… heeft “voorbijgaan” een specifieke betekenis. In het voorbijgaan blijft het verleden present. Het is nog (steeds) niet voorbij, maar het is “aan het voorbijgaan”. De romanfiguren van Couperus voeren een strijd met hun verleden. In De kleine zielen gaat het om een schandaal van vijftien jaar geleden, in Van oude menschen draait het zelfs om een moord van zestig jaar geleden. Zo is het voorbijgaan… bij Couperus het determinisme op z’n staart getrapt. Uiteraard met zijn geliefde beletselteken (…)

de kleine zielenIn de eerste twee boeken der kleine zielen (De kleine zielen en Het late leven) staat Constance van der Welcke centraal. Als “gevallen vrouw” en “verloren dochter” uit de vooraanstaande Haagse familie Van Lowe, heeft ze alles wat voor haar familie zo belangrijk was (en voor sommigen nog steeds is) verloren. Aanzien en positie zijn schijn gebleken. Na haar schandaal is ze samen met Henri van der Welcke uit haar milieu verbannen naar Brussel. Het enige wat ze nog verlangt, is een beetje warmte van haar familie. En vooral authenticiteit. Na vijftien jaar ballingschap in Brussel wordt ze samen met Henri weliswaar weer opgenomen in haar familie, maar haar broers en zussen doen dit vooral voor hun oude moeder, die nog de illusie koestert dat de familie een hechte eenheid is.

Constance en Henri mogen deelnemen aan de zondagmiddagen wanneer de hele familie Van Lowe in het huis van moeder bijeen komt, maar moeten in Den Haag genoegen nemen met een leven in de marge. Samen met hun dertienjarige zoon Addy nemen ze hun intrek in een huis aan de Kerkhoflaan. Henri vloekt dat ze “zitten te verdommen aan de Kerkhoflaan!” De familiebijeenkomsten bij moeders zijn eerder een toneelstuk dat opgevoerd wordt omwille van de lieve vrede en voor de oude matriarch, dan uit genegenheid. Toch ontwikkelt dat laatste zich wel tussen Constance en haar broers Paul en Gerrit.

Met haar zeven jaar jongere broer Paul deelt ze haar positie van toeschouwer in haar familie. Samen zien ze door de schijn heen en hebben soms medelijden met “de kleine zielen”. Niet vanuit de hoogte, want daarvoor zijn ze zich te bewust dat ze zelf ook deel uitmaken van de familie Van Lowe. Ze zien hoe nijdig hun zus Adolphine op haar oudste zus Bertha is omdat deze beter getrouwd is en toegang heeft gehouden aan het hof, een voorwaarde om tot de hoogste Haagse kringen te kunnen worden gerekend. Het gezin van Adolphine is, in tegenstelling tot dat van Bertha, verburgerlijkt en dus al een paar sporten afgedaald op de maatschappelijke ladder. Constance en Paul zien er het kleine, het benepene van.

Met Gerrit, die in leeftijd dichter bij haar staat, deelt ze vooral jeugdherinneringen. Omdat hun vader vroeger gouveneur-generaal van Nederlands-Indië was, woonde de familie Van Lowe in Buitenzorg. Gerrit herinnert Constance eraan dat ze een dromerig meisje was. Ze liet zich graag meevoeren in kinderlijke fantasieën. Constance heeft een dubbele houding tegenover haar jeugd. Stiekem koestert ze haar jeugdherinneringen aan Buitenzorg, maar als volwassen vrouw veroordeelt ze deze en acht ze zich te oud.

het late levenIn het tweede deel Het late leven komt Constance in contact met Max Brauws, een oud-studiegenoot van Henri van der Welcke. Max heeft een zwak voor Henri omdat hij Henri een groot kind vindt. Constance en Max blijken zielsverwanten. In de relatie tussen Constance van der Welcke en Max Brauws laat Couperus zien hoe opvoeding en milieu ons bepalen. Evenals Constance en Henri komt Max uit een hoger milieu.

De moderne lezer moet zich realiseren dat het maatschappelijke leven in 1899 (waarin Het Late leven zich afpeelt) volledig bepaald werd door klassenverhoudingen. Als je tot een bepaald milieu behoorde, was je min of meer je hele leven veroordeeld tot dat milieu. Als Max vertelt dat hij in de Verenigde Staten geweest is en Henri en Constance vraagt wat hij daar gedaan heeft, aarzelt hij om het te vertellen. Als hij tenslotte bekent dat hij er als havenarbeider gewerkt heeft, zijn Henri en Constance geschokt. Als arbeider?! Waarom is hij vrijwillig afgedaald tot de laagste regionen van de maatschappij? Is hij gek geworden?

Later vertelt Max aan Constance dat zijn idealisme om één te worden met de arbeiders tevergeefs geweest is. Hij bekent haar: “Toch bleef ik hen minachten om hun min ideaal. Dat was … om mij bloed en geboorte … maar vooral om mijn meerdere beschaving en studie. En toen werd ik heel moedeloos en dacht ik: ik zal mij nooit hun broeder voelen. Ik blijf een heer. Een meneer. Het is niet mijn schuld, maar de schuld van alles, van het hele verleden… Toen … ineens, zonder overgang… ben ik teruggekeerd naar Europa” Door opvoeding en milieu zijn we veroordeeld tot de klasse waartoe we behoren. Een dubbeltje wordt nooit een kwartje en omgekeerd. Omdat we allang niet meer in een standenmaatschappij leven is dit moeilijk te begrijpen. Juist in het land van de onbegrensde mogelijkheden waar Brauws arbeider wilde zijn, kon ook het omgekeerde: In de VS kon de krantenjongen het tot miljardair schoppen. Maar wat Brauws voelde, zat dieper: de krantenjongen zou in wezen altijd krantenjongen blijven.

Friedrich Nietzsche (1844-1900) schreef in Also sprach Zarathustra II: Von der Erlösung (1885) over het onwrikbare verleden. “Willen bevrijdt: maar hoe heet datgene wat zelfs de bevrijder nog in ketenen slaat? “Het was”: zo heet het knarsen der tanden en de eenzaamste treurnis van de wil. Onmachtig jegens wat is gedaan – is hij een boze toeschouwer van heel het verleden. De wil kan niet achterwaarts willen; dat hij de tijd niet kan breken…is zijn eenzaamste treurnis… Dat de tijd niet terugloopt stemt de wil verbolgen; “wat was” – zo heet de steen die hij niet kan wentelen. En dus wentelt hij stenen uit verbolgenheid en wrevel en wreekt hij zich op degene die niet, zoals hij, verbolgenheid en wrevel voelt. Zo werd de wil, de bevrijder, een pijniger: en neemt hij wraak op al wat kan lijden, wreekt hij zich omdat hij niet terug kan. Dit, dit alleen is bepalend voor de wraak: de weerzin tegen de tijd en zijn “het was”.
vertaling: Stephan Peters

Constance is gefascineerd door het verlangen van Brauws om te ontsnappen aan zijn afkomst en milieu. Zij ziet de betrekkelijkheid van het kleine Haagse wereldje van de familie Van Lowe. Ook haar zoon Addy ziet dit. Aan het einde van deel een loopt het uit op een familieruzie, nota bene op de wekelijkse familiebijeenkomst ten huize van de oude moeder Van Lowe. Constance eist van haar zus Bertha en haar man, de minister Van Naghel van Voorde, rehablitatie en daarmee weer toegang tot het hogere Haagse milieu. Henri bemoeit zich ermee en er ontstaat een scene waarbij Constance en Henri te horen krijgen dat ze niet naar Den Haag hadden moeten komen maar in Brussel hadden moeten blijven. Addy staat erbij en kijkt ernaar. “Hij zag nu zijn moeder in een stoel hangen als een lijk … En hij dacht, terwijl een minachtende lach zijn nauwelijks bedonsde jongenslippen krulde: – Het is alles om niets…”

(wordt vervolgd…)

Couperus en het voorbijgaan … [ 2 ]

gelezen: De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Louis Couperus

In de zgn. “Haagse romans” De boeken der kleine zielen en Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… heeft “voorbijgaan” een specifieke betekenis. In het voorbijgaan blijft het verleden present. Het is nog (steeds) niet voorbij, maar het is “aan het voorbijgaan”. De romanfiguren van Couperus voeren een strijd met hun verleden. In De kleine zielen gaat het om een schandaal van vijftien jaar geleden, in Van oude menschen draait het zelfs om een moord van zestig jaar geleden. Zo is het voorbijgaan… bij Couperus het determinisme op z’n staart getrapt. Uiteraard met zijn geliefde beletselteken (…)

de kleine zielenLouis Couperus heeft drie Haagse romans geschreven: Eline Vere (1889), De boeken der kleine zielen (1901-1903) en Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (1906). Eigenlijk zijn het zes boeken als je De boeken de kleine zielen als vier boeken telt. Ze werden tussen 1901, 1902 en 1903 in vier delen uitgegeven. Ik las in januari het eerste deel (De kleine zielen). En ik las Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan. Er zijn veel parallellen tussen deze twee boeken. Natuurlijk omdat ze beiden in het Haags-Indische milieu afspelen, de wereld die Couperus van huis uit zo goed kende. En het zijn allebei familieromans met psychologische diepteboringen.

Opvallend daarbij is de worsteling met het verleden. De “dingen” zijn niet voorbij maar aan het voorbijgaan. En in dat voorbijgaan blijven ze aanwezig. In Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan heeft Couperus dit voorbijgaan dus letterlijk in de titel opgenomen. Ook in De boeken der kleine zielen wordt de hoofdpersoon door het verleden achtervolgd.

De hoofdpersoon in het eerste deel (De kleine zielen) is Constance van der Welcke. Ze is een van de acht kinderen uit de familie Van Lowe die tot de Haagse upperclass gerekend wordt. Haar vader was ooit gouveneur-generaal van Nederlands-Indië. Als meisje van begin twintig werd ze uitgehuwelijkt aan De Staffelaer, een voorname relatie van haar vader, die veertig jaar ouder was. Dat was in Haagse kringen heel gewoon in de negentiende eeuw. Vrijwel altijd had de veel oudere echtgenoot een hoge maatschappelijke positie en door het uithuwelijken van een (veel jongere) dochter kon de familie zich op hoog niveau handhaven. Dat deze ruil in de consumptie van het huwelijk meestal tot onvrede leidde mag duidelijk zijn! Zo ook bij Constance. Met De Staffelaer gaat ze in Rome wonen waar ze in de hoogste diplomatieke kringen verkeert.

De ijdele Constance voelt zich als een vis in het water in de Romeinse high society, die net nog een stapje hoger staat als de hogere klasse in Den Haagse. Haar ouders mogen tevreden zijn: door Constance wordt de hoge positie van de familie Van Lowe geconsolideerd. Maar dan slaat het noodlot toe: Constance wordt verliefd op Henri van der Welcke, een veel jongere collega van haar ruim zestigjarige echtgenoot. Ze hebben een affaire, het komt uit en al gauw is het ook in Den Haag bekend. De eer van de familie Van Lowe wordt ernstig aangetast door het schandaal dat hun dochter veroorzaakt heeft. De vader van Constance sterft kort daarop en de familie meent dat hij het schandaal niet heeft kunnen verwerken. Constance is voor de wereld een gevallen vrouw geworden en voor haar familie de verloren dochter. De vermogende ouders Van der Welcke zorgen ervoor dat hun zoon met Constance in Londen kan trouwen. Naar Rome en Den Haag kunnen ze niet meer terugkeren want iedereen weet van het schandaal. Constance en Henri gaan in Brussel wonen waar hun zoon Addy geboren wordt.

Het eerste hoofdstuk van De kleine zielen begin met de terugkeer van Constance bij haar familie in Den Haag. Haar vier broers en drie zussen hebben besloten haar weer in de familie op te nemen. Niet omdat ze dat zelf willen maar omwille van hun oude moeder, de weduwe Van Lowe. Voor Constance is haar terugkeer naar Den Haag heel belangrijk. Met Henri leidde ze een eenzaam leven in Brussel. Het schandaal in Rome had de diplomatieke carrière van haar man geknakt en hij nam haar dat kwalijk. Zij had hem immers verleid. Van de aanvankelijke passie was al snel niets meer over en hun huwelijk was in feite slechts schijn. Hun zoon Addy was het lichtpuntje in hun leven. Door terug te gaan naar haar familie hoopt Constance weer geborgenheid te vinden na vijftien eenzame jaren in Brussel. Inmiddels is ze 42 en voelt ze zich oud. Ze heeft niets meer met de wereld van de high society waar ze als meisje zo gevoelig voor was, het enige dat ze verlangt is een beetje geborgenheid bij haar familie.

De boeken der kleine zielen
Dramatis personae – De boeken der kleine zielen
(klik op afbeelding voor vergroting)

Couperus heeft dus opnieuw een vrouwelijke hoofdpersoon geschapen, bijna twintig jaar ouder dan Eline Vere, die het leven in de hoogste kringen door en door kent (net als Couperus zelf) en die naar een uitweg zoekt. “Is dit leven? ‘…” vraagt Constance zich telkens af en het schijnt haar toe dat ze nog nooit echt geleefd heeft. Het schandaal en de vijftien eenzame jaren in Brussel hebben haar gelouterd waardoor ze zich van de betrekkelijkheid en de schijn van het leven van haar familie bewust geworden is. Haar oudste zus Bertha is getrouwd met minister Van Naghel van Voorde en volgt het zelfde “traject” als zij ooit met De Staffelaer waarbij alles gericht is op de juiste connecties en het bewaken van de positie van de familie.

Zo blijkt er tussen Bertha en haar jongere zus Adolphine al standsverschil in de familie is geslopen. Adolphine is getrouwd met Piet Saetzema, een hogere ambtenaar, maar met een lagere positie als minister Van Naghel van Voorde. De familie Saetzema is daardoor verburgelijkt en hebben deel aan andere coterieën (bubbels) dan de familie Van Naghel van Voorde. Als Bertha haar “jours”(formele diners) geeft, dan is alleen de Haagse upper class uitgenodigd. Voor haar broers en zussen geeft ze afzonderlijke diners. Door haar harde kleerschool is de high society voor Constance een benepen wereldje geworden. Ze ziet dan ook voornamelijk “kleine zielen”. Deze observatie kan ze delen met haar broer Paul, die tegelijkertijd een alter ego is van Couperus zelf. “Ik zie teveel door alles heen”, bekent hij zijn zuster.

Door de veelheid aan personages leent de familieroman zich tot zeer omvangrijke romans en romancycli. Couperus was niet de enige die in het eerste kwart van de twintigste eeuw aan een romancyclus werkte. In het jaar waarin Couperus het eerste deel van De kleine zielen schreef, verscheen in Duitsland Buddenbrooks van Thomas Mann. In Engeland zou John Galsworthy tussen 1906 en 1922 de trilogie The Forsyte Saga schrijven. In Frankrijk begon Marcel Proust in 1907 aan een nog omvangrijker werk: À la recherche du temps perdu verscheen tussen 1913 en 1922 in zeven romans. Emile Zola was mogelijk de grondlegger van de naturalistische familiekroniek. Hij deed het zeer grondig: Les Rougon-Macquart, histoire naturelle et sociale d’une famille sous le Second Empire verscheen tussen 1870 en 1893 in maar liefst twintig (!) romans. Daarmee is deze romancyclus ook een unieke kroniek van het Tweede Franse Keizerrijk (1852-1870)

(wordt vervolgd …)

Couperus en het voorbijgaan … [ 1 ]

gelezen: De boeken der kleine zielen (1901-1903) van Louis Couperus

In de zgn. “Haagse romans” De boeken der kleine zielen en Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… heeft “voorbijgaan” een specifieke betekenis. In het voorbijgaan blijft het verleden present. Het is nog (steeds) niet voorbij, maar het is “aan het voorbijgaan”. De romanfiguren van Couperus voeren een strijd met hun verleden. In De kleine zielen gaat het om een schandaal van vijftien jaar geleden, in Van oude menschen draait het zelfs om een moord van zestig jaar geleden. Zo is “het voorbijgaan…” bij Couperus het determinisme op z’n staart getrapt. Uiteraard met zijn geliefde beletselteken (…)

Het naturalisme was in de tweede helft van de negentiende eeuw in de literatuur de heersende stroming en kwam voort uit het geestelijke klimaat na 1850 dat door Rüdiger Safranski wel eens getypeerd is als “de drooglegging van het idealisme”. Naturalisme is verwant aan realisme en de pessimistische filosofie van Arthur Schopenhauer (1788-1860). De mens blijkt helemaal niet zo vrij te zijn als hij zou willen zijn. Integendeel, de mens leert zich na 1850 steeds meer kennen als een gedetermineerd wezen. Het determinisme van Charles Darwin (1809-1882) en Karl Marx (1818-1883) zit sinds deze periode vastgeklonken in ons collectieve bewustzijn.

Schopenhauer, Marx en Darwin
In de literatuur was het naturalisme de dominante stroming tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw. Dit sombere genre werd sterk beïnvloed door Schopenhauer, Marx en Darwin.

Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) had weliswaar al geconstateerd dat de mens vrij geboren wordt maar overal aan ketens ligt. Maar voor Rousseau kon de (terugkeer naar de) natuur de mens bevrijden van het knellende korset van cultuur en maatschappij. Maar na 1850 is ook de ontsnapping via (een terugkeer naar) de natuur geen optie meer. De mens wordt zelfs niet vrij geboren omdat hij bij geboorte al erfelijk belast is.

Voor Rousseau waren er twee ketens: opvoeding en milieu. Maar voor het naturalisme kwam daar nog een derde keten bij die de mens nog veel meer gebonden houdt: erfelijkheid. De mens bleek een volledig gedetermineerd wezen, een schakel in een eindeloze ketting. Niet voor niets werd de familieroman een veel beoefend genre binnen het naturalisme. Het individu beschikt slechts over een zeer smalle marge van vrijheid. En vaak blijkt dat nog een illusie.

Voor Rousseau waren er twee ketens: opvoeding en milieu. Maar voor het naturalisme kwam daar nog een derde keten bij die de mens nog veel meer gebonden houdt: erfelijkheid.

In de naturalistische roman draait het meestal over deze marge waarin de hoofdpersoon zich probeert te bevrijden uit haar kooi (denk aan Emma Bovary, Anna Karenina en Eline Vere). En deze uitbraakpoging kent meestal een fatale afloop. Bij de bovengenoemde “tragische heldinnen” loopt het driemaal uit op zelfmoord. Het naturalisme is dus een somber genre! Het noodlot regeert en de mens trekt altijd aan het kortste eind.

R.Holst Noodlot, 1893
Richard Roland Holst
Anangkè (Noodlot) 1893

Emile ZolaHet naturalisme in de literatuur van de negentiende eeuw begint met Madame Bovary in 1856 en duurt daarna zeker nog veertig jaar. Émile Zola (1840-1902) is de ongekroonde koning van het genre. Na 1885 begint er iets te veranderen. Dat heeft te maken met het symbolisme, een reactie op het materialisme en determinisme. Het symbolisme biedt een ontsnapping aan in de vorm van mystiek. Volgens critici is mystiek een kenmerk van het fin de siècle en van verval. Voor sommige romanciers krijgt het naturalisme door de invloed van het symbolisme een mystieke extensie. Zou het toch mogelijk zijn via de mystiek te ontsnappen aan het noodlot?

Tegen het einde van de eeuw staan er nieuwe heldinnen op die tegen het noodlot strijden. In de Nederlandse en Vlaamse literatuur onderscheidt Hewig Marga de Fontayne in Van de koele meren des doods (1900) van Frederik van Eeden (1860-1932) zich van de tragische heldinnen Emma Bovary, Anna Karenina en Eline Vere. Ook al doet Hedwig tweemaal een zelfmoordpoging, uiteindelijk weet ze dankzij de hulp van de psychoanalyse en de kracht van de religie zich met het leven te verzoenen.

Voor Louis Couperus was het een uitdaging om in navolging van Hewig Marga de Fontayne een vrouwelijke hoofpersonage te scheppen die een soortgelijke strijd zou moeten voeren maar een weg zou vinden die niet tot zelfmoord leidt. Hij had immers al twee romans geschreven waarbij de hoofdpersonen zelfmoord pleegden: Eline Vere in 1889 en Noodlot in 1892. In Noodlot draaide het zelfs uit op een dubbele zelfmoord. Naturalisme op zijn zwartst. Met Constance van der Welcke komt Couperus met een krachtige personage aan, die aanvankelijk op hetzelfde lot lijkt af te stevenen als Eline Vere

De eerste jaren van de twintigste eeuw waren voor Louis Couperus bijzonder productief. In de jaren 1899-1906 had hij als romancier de toppen van zijn kunnen bereikt. Fidessa, Langs lijnen der geleidelijkheid, De Stille kracht, Babel, de vier Boeken der kleine zielen, Over lichtende drempels, God en goden, Dyonyzos, De berg van licht en Van oude mensen; de dingen die voorbijgaan verschenen binnen zeven jaar tijd. Een verbijsterende prestatie. Zeker als we bedenken dat midden in deze periode (in 1904) de verkoopcijfers van zijn romans zo tegenvielen, dat hij overwoog om helemaal geen romans meer te schrijven en zich voortaan toe te leggen op journalistiek werk. Dat zou hij na 1908 tenslotte ook doen. Aan den weg der vreugde (1908) zou zijn laatste roman worden die zich in zijn eigen tijd afspeelde. In de laatste vijftien jaar van zijn leven (1908-1923) schreef hij nog twee historische romans: Antiek toerisme (1911) en Iskander (1920).

(wordt vervolgd…)