In de zgn. “Haagse romans” De boeken der kleine zielen en Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… heeft “voorbijgaan” een specifieke betekenis. In het voorbijgaan blijft het verleden present. Het is nog (steeds) niet voorbij, maar het is “aan het voorbijgaan”. De romanfiguren van Couperus voeren een strijd met hun verleden. In De kleine zielen gaat het om een schandaal van vijftien jaar geleden, in Van oude menschen draait het zelfs om een moord van zestig jaar geleden. Zo is het voorbijgaan… bij Couperus het determinisme op z’n staart getrapt. Uiteraard met zijn geliefde beletselteken (…)
Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… is de laatste Haagse roman van Louis Couperus. Hij voltooide deze in december 1904 in Nice en het jaar daarop zou het gepubliceerd worden in de derde jaargang van het tijdschrift Groot Nederland en in 1906 verscheen het in boekvorm bij Uitgeverij L.J. Veen in Ede. Omdat de verkoopcijfers van zijn romans steeds meer tegenvielen, ging Couperus zich steeds meer toeleggen op journalistiek werk. In Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… voert Couperus een alter ego van hem op in de persoon van Charles “Lot” Pauwe. Tegenover zijn verloofde Elly doet hij een bekentenis:
- Maar je schrijft toch niet alleen voor je publiek; je hebt toch je kunst voor jezelven!
- Zoo een steriel idee, zoo een principe… Alles heel mooi, als je heèl jong bent, dan is het heerlijk je met die kunstpassie wat aan te stellen, dan ‘doe’ je er aan, zoo als een ander aan sport, of aan lekker-eten… Kunst is heusch in het leven niet alles. Het is iets heel moois, maar het mag eigenlijk geen doel zijn. Kunstenaars hebben, met heel veel pretentie, eigenlijk een klein levensdoel.
(deel I, Hoofdstuk VI, pag. 53)
In Lot Pauwe horen we hier dus Couperus zelf. Na 1904 zou hij geen Haagse romans meer schrijven en na Aan den weg der vreugde (1908) ook geen eigentijdse romans meer. In de laatste vijftien jaar van zijn leven schreef hij naast heel veel journalistiek werk nog drie historische romans. Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… zou ergens een afscheid zijn. Niet voor niets komt het woord “voorbij” door de hele roman veelvuldig voor, het zit ook in de titel gekropen. Hand in hand met het woord “oud”. Ook dat woord komt bij Couperus’ alter ego Lot Pauwe steeds naar voren. Opnieuw in een dialoog met Elly wanneer ze op huwelijksreis in Parijs zijn:
- Daar zal alles toch nog ouder zijn…
- Ja, maar dàt wordt niet meer oud… Dat is alles al voorbij. Dat is alles het Verleden. Dat is zichtbaar Verleden, en daarom zoo rustig. Het is alles dood.
- Het land leeft toch… met modern leven…Maar dat kan me niet schelen… Ik zie er alleen het Verleden, en dat ligt er zoo mooi rustig, dood. Dat maakt me niet treurig. Wat me treurig maakt, dat zijn de oude menschen en de oude dingen, die nòg leven, en die zóo oud ons voorbij gaan, zoo langzaam, langzaam aan – maar wat rustig dood ligt, en dat zoo heerlijk mooi als in Italië, dat maakt me niet treurig, dat maakt me kalm, en dat wekt mijn bewondering, voor alles wat vroeger zoo mooi levend geweest is en nu nog zoo heel mooi is in den dood. Parijs maakt me treurig, omdat de stad stervende is – als heel Frankrijk -; Rome maakt me gelukkig: de stad – dat wat ik er zie – is dood, en ik voel me er zelven nog jong en nog leven, en dat maakt me blij, egoïst – blij, terwijl ik tegelijkertijd bewonder de doode en kalme schoonheid.
(deel I, Hoofdstuk XII, pag. 107)
Hier komt een belangrijke kerngedachte van Couperus naar voren: de dingen die voorgoed voorbij zijn, dood en begraven, maken kalm. Maar het voorbijgaan, het stervende maakt treurig. Daarom houdt Lot van Rome en niet van Parijs. In Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… laat Couperus de drie oudste (stokoude, want 88, 93 en 97 jaar oud!) hoofdpersonen sterven. Hij laat hen eigenlijk nog even voorbijgaan… en dan voorgoed voorbij zijn. En daarmee ook “Het Ding” dat ze met zich meedragen, een verschrikkelijk geheim dat op de familie rust als een vloek. Sommigen van de (ook al oude) kinderen zijn hier enigszins van op de hoogte, zoon Harold zelfs als ooggetuige, maar die zwijgt. Couperus laat zien dat zwijgen de oplossing niet is, dat door te (ver)zwijgen “het Ding” macht houdt over de familie.
Ook laat Couperus zien hoe de verschillende kinderen (en kleinkinderen) omgaan met het familiegeheim. De ene dochter vlucht in ontkenning en haar broer in perversiteiten, weer een andere dochter zoekt verlossing voor haar familie in religie. Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… is daarmee een zeer boeiende psychologische roman geworden die vanuit de verschillende personages laat zien hoe je kunt reageren op een verschrikkelijk familiegeheim. En dat gaat zeker ook kleinzoon Lot en zijn verloofde Elly aan!
(wordt vervolgd…)

In 1890 had de 30-jarige
“Interessant voor ons is vooral de naam van de eerste Haagse Loge: Post Nubila Lux (‘Na wolken licht’). Te bewijzen is het niet, maar het lijkt er toch bepaald heel veel op, dat Couperus, die in een brief van 31 januari 1892 aan zijn uitgever zijn wensen ten aanzien van het titelblad van 
“Vlak voor en tijdens het schrijven van De Boeken der kleine zielen houden de ‘stille krachten’ hem bezig. Over lichtende drempels, een verhaal waarin van een geheimzinnige relatie tussen gestorven zielen en familieleden op aarde sprake is en dat duidelijk onder invloed van de theosofie geschreven is, is daarvan een voorbeeld.”
Het eerste boek De kleine zielen eindigt met een scene in het huis van de oude mevrouw Van Lowe. Na een schandaal, dat haar familie geschaad heeft, is Constance van der Welcke met haar man en zoon na vijftien jaar ballingschap in Brussel weer teruggekeerd naar haar familie in Den Haag. Omwille van haar oude moeder, worden ze door haar vier broers en drie zussen weer opgenomen in de familie, maar Constance, Henri en hun zoon Addy blijven veroordeeld tot sociale uitsluiting in Den Haag. De carrière van Henri is geknakt en dat neemt hij Constance kwalijk. Hun huwelijk is daardoor eigenlijk voorbij maar nogmaals scheiden is voor Constance (en ook voor Henri) een no go. Door een toelage van de vermogende ouders van Henri kan het gezin in leven blijven, maar maatschappelijk is het dood. Het gezin verpietert aan de Kerkhoflaan(!)
“Neen… als zovele jaren waren verspild aan het domme bestaan om niets… dan mocht zij, oude vrouw, niet herleven… als te laat het daagde: het leven van gedachte en van gevoel… dat leven… waaruit had kunnen spruiten het leven van daad en liefde, van grote liefde, van liefde voor alles en allen… Neen, als er zovele jaren waren verplanteleefd, tot de plant was geel en dor en dof geworden… dan kon het niet anders…. dan mocht het niet anders of het versterven, het langzaam weg-versterven – in niets- was de enige hoop die overbleef…”












