Op 26 april 1913 waren de Gentenaars zonder meer trots. Trots op hun wereldtentoonstelling, die na jaren van hard werken en taaie inzet op die bewuste dag werd ingehuldigd door koning Albert I en koningin Elisabeth. De „Exposition universelle et internationale de Gand„ was de 28ste in een lange rij expo’s die sinds 1851 in Europa en Amerika hadden plaatsgevonden. En het was maar liefst de zevende en meteen ook spectaculairste in het kleine België, dat zich mettertijd had opgewerkt tot een economisch zwaargewicht. De expo van 1913 werd bij uitstek een vitrine voor de vroege uitingen van de moderniteit en een ongebreideld geloof in de vooruitgang. En hoewel het er na afloop op leek dat de Eerste Wereldoorlog alle hooggespannen verwachtingen in één klap de bodem had ingeslagen, bleek die vooruitgang niet meer te stuiten: ons land en onze samenleving waren voorgoed nieuwe wegen opgegaan. (Bron: gent.be)
In het boek 1913 de zomer van de twintigste eeuw van Florian Illies wordt de Gentse wereldtentoonstelling niet genoemd. Volgens Peter Jacobs in De Standaard is dat jammer, “want de wereldtentoonstelling daar was een stuiptrekking van de belle époque die perfect te contrasteren valt met de voortekenen van de nieuwe tijd.”





Johann Elias Ridinger wurde als Sohn eines zeichnerisch begabten Vaters von Christoph Rasch (Resch) in Ulm und Johann Falk (Falch) in Augsburg unterrichtet und bildete sich dann in Regensburg weiter, wo ihn seine Vorliebe für die Jagd zum Studium des Wildes am Hof des Grafen Metternich hinführte. Nach 1717 unternahm er weitere Studien in der reichsstädtischen Akademie des Georg Philip Rugendas. Er gründete später in Augsburg einen eigenen Kunstverlag, in dem die meisten seiner Werke erschienen. 1759 wurde er Direktor der Kunstakademie. Ridinger starb am 10. April 1767 in Augsburg. Sein Werk wurde von seinen Söhnen Martin Elias und Johann Jakob weitergeführt. Der Verlag wurde später von der Martin Engelbrechtschen Kunsthandlung übernommen (1827 Alois Schlosser).













