
CGI-monster
Twee weken geleden zag ik de legendarische sandalenfilm Jason and the Argonauts uit 1963. Ray Harryhausen, de meester van de special effects, maakte na deze film in 1981 Clash of the Titans waarin hij zich nogmaals kon uitleven in stop motion animatie met plasticine modellen van monsters en fantasiewezens. Dit was allemaal vóór het tijdperk van de computer generated imagery (CGI). De meeste special effects in Jason and the Argonauts (1963) en Clash of the Titans (1981) zijn handwerk. Het zijn absoluut pulpfilms maar ik neem mijn petje af voor het monnikenwerk van Harryhausen.
Gisteren besloot ik toch maar te kijken naar de remake van Clash of the Titans (2010) Ik kreeg te zien wat ik verwachtte. De film is een erbarmelijk gedrocht van special effects en vermoeiende pijlsnelle virtuele camera’s. De harpijen, reusachtige schorpioenen, Akrisios en zelfs Medusa of het monster dat Andromeda gegijzeld heeft, zijn niet zo afzichtelijk als het CGI-monster in zijn geheel. Alsof je naar een computer game zit te kijken.
Toch is deze versie uit 2012 niet minder gevuld met pulp en heldenporno dan de versie uit 1981 of Jason and the Argonauts. Maar als ik mag kiezen, zie ik liever een monster van Piero di Cosimo in olieverf of een model van plasticine van Ray Harryhausen, dan een CGI-monster.

Daar vergelijken koning Cepheus en koningin Cassiopeia hun dochter Andromeda met de schoonheid van Aphrodite. Ze gaan zelfs nog verder door te zeggen dat Andromeda nog mooier is dan Aphrodite. Hierop komt Hades opnieuw, deze keer in de troonzaal van Argos. Hij laat Cassiopeia verschrompelen totdat ze heel lelijk is. Hij deelt ze mee dat ze of prinses Andromeda moeten offeren om het weer goed te maken, of Argos wordt vernietigd. Hij sleurt de overlevende soldaten naar de onderwereld, maar deze aanval heeft geen effect op Perseus. Hierop realiseren de goden zich dat er een halfgod in Argos moet zijn. Perseus wordt door Cepheus ondervraagd over wat hij weet en of hij iets tegen Hades kan doen. Perseus weet hier niets van en hij wordt opgesloten. In de gevangenis krijgt Perseus bezoek van Io, die hem vertelt wie zijn vader is en hoe het komt dat hij een halfgod is. Hierop roept Perseus een aantal sterke soldaten die hem vrijlaten, op voorwaarde dat hij met ze meegaat om Hades te verslaan. De soldaten staan hem bij in deze missie vol monsters en gevaren.
Bron: nl.wikipedia.org
kampkomedie
Stalag 17 begint zoals de meeste andere films van Billy Wilder met een voice over: “I don’t know about you, but it always makes me sore when I see those war pictures… all about flying leathernecks and submarine patrols and frogmen and guerillas in the Philippines. What gets me is that there never w-was a movie about POWs – about prisoners of war.”
Omdat Stalag 17 zich helemaal afspeelt binnen het prikkeldraad van een krijgsgevangenkamp en het verhaal luchtig verteld wordt, mogen we spreken van een kampkomedie. Er zijn best goede kampkomedies gemaakt; La Vita e Bella van Roberto Benigni uit 1997 behoort tot de bekendste. Toch irriteert het genre mij. Lachen in de hel, dat doe je niet. Maar waarschijnlijk is dat juist de manier om in een kamp te overleven.

De eerste generatie films over de Tweede Wereldoorlog werden vaak met kluchtige korte sketches opgeleukt. Zo balanceert The Longest Day uit 1962 op het randje van een oorlogskomedie. Saving Private Ryan geeft natuurlijk een veel realistischer beeld van D-Day, maar deze film kon alleen gemaakt worden omdat de afstand tot de gruwelijke oorlogservaringen groter geworden was.
In het scenario van Billy Wilder en Edwin Blum zitten een aantal goede grappen. Wanneer met kerst de krijgsgevangenen post van het thuisfront ontvangen, zit er ook een brief bij voor gevangene Triz’ Trzcinski. Zijn reactie: “I believe it. My wife says, “Darling, you won’t believe it, but I found the most adorable baby on our doorstep and I’ve decided to keep it for our very own. Now you won’t believe it, but it’s got exactly my eyes and nose.” Why does she keep saying I won’t believe it? I believe it! I believe it.”













