het derde oog in de schilderkunst

Why David Hockney Should Not Be Taken Seriously
Brian K. Yoder gelooft niets van Hockney’s theorie over de camera obscura

David HockeyDe reactionaire website artrenewal.org voor academische schilderkunst heeft weinig waardering voor moderne schilderkunst. Voor artrenewal.org is er maar één maat, namelijk die van de klassieken, de meesters van de Renaissance en de negentiende eeuwse academische schilderkunst met meesters als Gérôme, Bouguereau en Alma Tadema. In 2001 verscheen het boek Secret Knowledge van de hedendaagse Engelse schilder David Hockney. In dit boek geeft Hockney zijn visie op de technieken van de Oude Meesters in relatie met de camera obscura. Volgens Hockney zouden optische hulpmiddelen zoals de camera obscura na 1420 essentieel zijn geweest voor de ontwikkeling van een realistische teken- en schilderkunst.

fragment uit de documentaire Secret Knowledge van en met David Hockney
(Italiaans ondertiteld)

Secret Knowledge werd op artrenewal.org fel bekritiseerd. (bijvoorbeeld Hockney: Knowledge without Substance van Kirk Richards en een boekbespreking van Ann James Massey) Brian K. Yoder reageerde met een onderbouwd artikel, waarin hij de vloer aanveegt met Hockney‘s theorie:
Why David Hockney Should Not Be Taken Seriously.

Whatever the reasons for his promotion of the idea that it’s impossible to make excellent realist paintings without optical aids may be, it should be clear that Hockney’s conclusions are completely unjustified. It amounts to little more than a conspiracy theory that attempts to explain away centuries of great art. His denial of the existence of artists, the quality of their work, their teaching, books, and eye witness reports and even the possibility of the existence of people who can draw and paint tells us little about how art is made, but volumes about Mr. Hockney and his hatred of excellence in the arts. Unfortunately for them, all of the rewriting of history, fallacious arguments and sophism they can muster will not change that fact in the least.
 
Bron: artrenewal.org
Ingres
negen portretten van meestertekenaar Jean Auguste Dominique Ingres (1780-1869) Volgens Hockney zijn deze portretten te perfect om met het blote oog getekend te zijn en zou Ingres gebruik hebben gemaakt van een camera lucida.

Een camera lucida was een instrument bestaande uit een verstelbare stang, die met een klem aan de tekentafel werd vastgemaakt. Aan de bovenzijde was een in metaal gevat prisma bevestigd. Door dit prisma juist af te stellen, werd in de gewenste afmetingen het tafereel of het object op tekenpapier geprojecteerd.

camera lucida

Het verkregen beeld was lichtarm en waarschijnlijk vond de camera lucida hierdoor weinig ingang. Het apparaat was vooral in de negentiende eeuw in omloop. (Bron: nl.wikipedia.org)

Why David Hockney Should Not Be Taken Seriously

Glans en glorie

Tien eeuwen Russisch-orthodoxe kerk en kunst
a.s. zaterdag 19 maart opent de tentoonstelling Glans en Glorie
in het Hermitage aan de Amstel t/m 16 september 2011
Благословите их, кто любит красоту Вашего дома!

Heilig hen, die de schoonheid van Uw Huis liefhebben. Deze tekst spreekt vaak in mijn hart wanneer ik een prachtige orthodoxe kerk binnentreed. Zoals zes jaar geleden de kathedraal van Pskov met zijn iconostase van zeven verdiepingen hoog, 42 meter de hemel in. Gelovigen in orthodoxe landen houden van hun kerk op een wijze die voor ons nuchtere Hollanders vreemd is. Nadat ergens in Griekenland een parochiekerkje in vlammen was opgegaan, jammerde een vrouw: “Was dit maar met mijn huis gebeurd!” Tenslotte is onze natie verrezen op de kaalslag van de beeldenstorm in de zestiende eeuw. Wij zijn toch het land van Mondriaan, van ‘minder = meer’. Voor barok moet je bij onze Zuiderburen zijn. In ons land waren de kerkmuren honderden jaren zo blank en zo kaal als een oosterse meditatieruimte. Daar hoort ook een godsbeeld bij, dat geen beeld (meer) mag zijn, een ‘(mind)er = meer’ tussen hemel en aarde.

Mag men beelden vereren of niet? De uitspraak was : Geen latreia, wel dulia, geen aanbidding, maar wel verering.

Afgelopen Zondag vierden we in de Russische parochie van de heilige Tychon in Nijmegen de Zondag van de Orthodoxie. Op deze Zondag vieren we de Triomf van de Orthodoxie in het jaar 843. Onder invloed van de islamitische expansie in de zevende en achtste eeuw waren er in het Byzantijnse Rijk felle disputen ontstaan over het vereren van iconen. Zondigde men daarin niet tegen het Tweede Gebod? Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde. De tegenstanders van iconen werden iconoclasten genoemd, de voorstanders iconodulen. De beeldenstorm in de Lage Landen in het jaar 1566 was dus geen nieuw verschijnsel. In 730 ontbrandde tussen beide groepen een strijd met als inzet de icoon. Pas na vele decennia werd door keizerin Irene in het jaar 787 het Tweede Concilie van Nicea bijeengeroepen. De vraag was : Mag men beelden vereren of niet? De uitspraak was : Geen latreia, wel dulia, geen aanbidding, maar wel verering. Toch duurde in de Oosterse Kerk de beeldenstrijd voort tot het jaar 843. Na 113 jaar (!) strijd, wonnen tenslotte de iconenschilders die meestal monnik waren. Sindsdien is de icoon de belangrijkste visuele getuigenis van het Orthodoxe (of Oosterse) Christendom.

hermitage.nl
hermitage.nl

De tentoonstelling Glans en Glorie die overmorgen in het Hermitage aan de Amstel opent, zal een bijzondere tentoonstelling zijn waarop ik mij zeer verheug. In het hart van Amsterdam zijn we in de gelegenheid om aankomend voorjaar en deze zomer kennis te maken met tien eeuwen Russisch-orthodoxe kerkelijke kunst. Aan de tentoonstelling Spiegel van de Russische Ziel in het Nijmeegse Valkhofmuseum in 2004 met vele kostbare iconen uit de School van Pskov bewaar ik goede herinneringen. De inrichting was intiem gehouden in donkere ruimten waarin de iconen als edelstenen fonkelden. De inrichting van de tentoonstelling Glans en Glorie in het Hermitage lijkt dit te gaan volgen. Kerkelijke kunst vraagt ook om een andere opstelling dan profane kunst.

Iconen staan vaak met elkaar in een specifieke context. Een iconostase laat dit duidelijk zien. De Christusicoon en de icoon van de Moeder Gods hebben een vaste plaats aan weerszijden van de Koninklijke Deuren. De icoon van Johannes de Doper en de heilige aan wie de kerk is opgedragen, komen daarnaast. De aartsengelen Gabriël en Michaël komen daar weer naast. In de Orthodoxe Traditie zie je meestal ook een Deësis boven en een Annunciatie op de Koninklijke Deuren. En zo heeft elke icoon zijn vaste plek. Niet alleen in de kerk, maar ook in het museum.

In het museum zijn iconen plotseling „kunst„ en „cultureel erfgoed„ en staan er bordjes bij: „Please, don„t touch!„

Voor orthodoxe gelovigen zijn iconen gebruiksvoorwerpen die vereerd worden met buigingen, een lichte aanraking, een kus. In het museum zijn iconen plotseling ‘kunst’ en ‘cultureel erfgoed’ en staan er bordjes bij: ‘Please, don’t touch!’ Toen ik in 1997 in Thessaloniki de tentoonstelling Treasures of Mount Athos in het Museum of Byzantyne Culture bezocht, was dat een vreemde ervaring. Vooral omdat ik eerst drie weken lang kloosters op de Berg Athos had bezocht en daar dagelijks iconen had vereerd. In het museum waren ook enkele monialen. Zij konden op deze manier participeren aan de rijkdommen van de Berg Athos, een plek waar vrouwen niet mogen komen. Maar ook zij mochten de iconen niet aanraken en kussen. In een museum heb je contact met een icoon als met een gevangene, door een onzichtbare wand van elkaar gescheiden.

hermitage.nl | Hermitage Lecture Series [ aceot.nl ]

Puskásbosje forever …

à la recherche du temps perdu

PoeskasbosjeIn 1969 verhuisden we naar een bungalowpark aan de rand van het bos. Ik was zes jaar en het bos betekende bijna alles voor mij. Elk paadje kende ik en tussen de paden wist ik ook precies of er ‘onderaardse hutten’ waren te vinden. Meestal waren deze hutten niet zo onderaards meer, want er waren veel kinderen in deze jonge wijk en als je een hut gebouwd had, was hij de volgende dag meestal door anderen alweer ontdekt en gesloopt.

Tot mijn twaalfde was ik een echte bosman. De bosjes in onze wijk waren niet alleen mijn territorium, ik droeg ze zelfs als een tweede huid om mij heen. In de eerste helft van de jaren zeventig verrezen in het park overal bungalows en verdween er telkens weer een stukje bos. Een enkele rij eiken bleef tussen de huizen staan. Maar daar mocht je dan niet meer komen. Het was privéterrein geworden. In 1975 was het hele park bebouwd. Twee bosjes overleefden: het Puskásbosje en het Bergwegbos. Maar in 1976 werd het Bergwegbos wreed doormidden gescheurd door een verkeersweg. Er ontstonden twee bosjes die hun glans hadden verloren. Overal in het bos hoorde je nu het verkeer.

Alleen het Puskásbosje bleef ongeschonden. Groot was het niet, hooguit een hectare. Het bosje was in mijn jeugd zo belangrijk dat het deel is gaan uitmaken van ‘de topografie van mijn onderbewustzijn’. Al veertig jaar keer ik in mijn dromen naar deze plek terug, die natuurlijk altijd net iets anders is dan in werkelijkheid. Zo gaat dat in dromen. Vaak heb ik gedroomd dat het bos verdwenen was en dat er iets anders voor in de plaats was gekomen. Maar telkens bleek het bos er weer te staan. Daardoor had het iets van eeuwigheidswaarde gekregen. Het Puskásbosje overleefde alles!

Puskásbosje
de plek van het voormalige Puskásbosje

Tot vorige week. Nu is het een kale zandplek. Het bruikbare hout van de hoge grove dennen is al afgevoerd. Het enige dat nog van het bos getuigt, is een berg ontwortelde stammen die nog tot houtschilfers moeten worden vermalen. “Daar liggen mijn wortels, achteloos op een hoop gesmeten!” dramatiseerde ik het beeld, toen ik er een foto van nam. Maar ik weet dat er weer een droom zal komen, waarin het Puskásbosje er weer staat. Net als mijn lagere school die vorig jaar werd afgebroken. De plekken uit mijn jeugd zullen zolang ik leef, deel uit blijven maken van de topografie van mijn dromen.

Puskásbosje
de plek van het voormalige Puskásbosje
En dan: wat is natuur nog
in dit land? Een stukje bos,
ter grootte van een krant

J.C.Bloem

Een paar jongetjes van een jaar of acht liepen met stokken en zelfgemaakte wapens aan de rand van het verdwenen bos en keken naar de vijandige graafmachines die hun bos hadden verwoest, als indianen die van hun grondgebied waren verdreven. Ik zag mijzelf weer lopen, veertig jaar geleden. De dichter J.C.Bloem heeft het lang geleden al opgemerkt: “En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant” Het bosje “ter grootte van een krant” is nu ook verdwenen.