Categorie archief: 19e eeuw

Italiëgangers [ 5 ]

Achille-Etna Michallon (1796-1822)
leerling van Pierre Henri Valenciennes (1750-1819)

Achille-Etna Michallon was even oud als Camille Jean-Baptiste Corot, maar omdat hij al op zesentwintigjarige leeftijd stierf, is hij buiten Frankrijk nauwelijks bekend geworden. Toch was zijn betekenis aanvankelijk groter dan die van Corot. In 1817 was hij de eerste die de Prix de Rome won in de categorie landschapsschilderkunst. Zijn leraar Pierre-Henri de Valenciennes had zich er jarenlang voor ingespannen dat er een Prix de Rome voor landschapsschilderkunst zou worden ingesteld, omdat hij de landschapsschilderkunst uit de schaduw wilde halen van de historieschilderkunst. Deze laatste had altijd in veel hoger aanzien gestaan. Maar in de negentiende eeuw zou dat gaan veranderen. De landschapsschilderkunst zou een gelijkwaardige positie krijgen als de historieschilderkunst en voor de schilders van de School van Barbizon en het impressionisme was het landschap zelfs hun hoofdthema. Tegenwoordig worden die twee scholen gezien als de meest vernieuwende van de negentiende eeuw en zijn ze in wezen voorloper van het modernisme van de twintigste eeuw. Maar het begin van de negentiende eeuw werd nog helemaal gedomineerd door de historieschilderkunst van neo-classicistische schilders als David en Ingres en werd er nog neergekeken op de landschapsschilder.

Valenciennes
Pierre Henri Valenciennes 1780
wolkenstudie: lucht boven villa Borghese

Pierre-Henri de Valenciennes had in 1778-1782 al in Rome gewerkt en begon in de openlucht olieverfschetsen te maken. Dat ging toen nog vrij moeizaam omdat het nog zestig jaar zou duren voordat de verftube werd uitgevonden. In het Louvre worden een aantal olieverfstudies van hem bewaard. Het zijn droge registraties op klein formaat en typisch voortbrengselen van de Verlichting met haar objectiveringsdrang. Zijn exacte wolkenstudies lijken wel meteorologische foto’s avant la lettre. Valenciennes schreef in 1800 een theoretisch werk voor studenten over landschapsschilderkunst dat in Frankrijk minstens zoveel invloed had als A New Method of assisting the Invention in Drawing Original Compositions of Landscape uit 1786 van Alexander Cozens.

Pierre Henri Valenciennes worked in Rome from 1778 to 1782, where he made a number of landscape studies directly from nature, sometimes painting the same set of trees or house at different times of day. He theorized on this idea in Advice to a Student on Painting, Particularly on Landscape (1800), developing a concept of a “landscape portrait” in which the artist paints a landscape directly while looking upon it, taking care to capture its particular details. Although he spoke of this as a type of painting mainly of interest to “amateurs”,as distinguished from the higher art of the academies, he found it of great interest, and of his own works the surviving landscape portraits have been the most noted by later commentators. He in particular urged artists to capture the distinctive details of a scene’s architecture, dress, agriculture, and so on, in order to give the landscape a sense of belonging to a specific place; in this he probably influenced other French artists active in Italy who took an anthropological approach to painting rural areas and customs, such as Hubert Robert and Achille-Etna Michallon.
Bron: en.wikipedia.org

Michallon
Achille-Etna Michallon 1822
Vlak voor zijn dood schilderde Michallon nog helemaal in de classicistische traditie van Nicolas Poussin dit fantasielandschap dat geïnspireerd is door een uitzicht bij Frascati

Valenciennes had veel invloed op zijn leerling Michallon. Toen deze in 1817 de Prix de Rome gewonnen had, vertrok hij het jaar daarop naar Rome om er twee jaar te blijven. Zijn leermeester stierf in 1819 toen Michallon in Rome verbleef en Napoleon op Sint Helena zat weg te kwijnen. Michallon bleef het neo-classicisme trouw maar als hij niet zo jong gestorven was, had hij zich misschien in dezelfde richting ontwikkeld als Corot die waarschijnlijk heel kort zijn leerling was, al wordt dat ook nog steeds betwijfeld.

Achille Etna Michallon (1796-1822)
Achille Etna MichallonMichallon was the son of the sculptor Claude Michallon. He studied under Jacques-Louis David and Pierre-Henri de Valenciennes. In 1817, Michallon won the inaugural Prix de Rome for landscape painting. He travelled to Italy in 1818 and remained there for over two years. This trip had a profound influence on his work. Before he had much time to develop what he had learned however, he died at the age of 26 of pneumonia, a tragedy which cut short the life of a talented and well respected artist who could have gone on to win lasting fame. Though it is often disputed, it is thought that at one time, Corot was his pupil.
Bron: en.wikipedia.org

voorgaande posts over Italiëgangers

Italiëgangers [ 4 ]

het verschil tussen Alexandre-Hyacinthe Dunouy (1757-1841)
en Camille Jean-Baptiste Corot (1796-1875)

Al eerder schreef ik hier over schilders die aan het begin van de negentiende eeuw naar Italiëreisden. Er waren in ons land al zeker 300 jaar lang kunstenaars naar Italiëgereisd, toen Lodewijk Napoleon in 1808 in navolging van Frankrijk ook in Nederland de Prix de Rome instelde. Vorig jaar bestond de Nederlandse Prix de Rome precies 200 jaar en dat werd o.a. gevierd met een speciale website

De blijvende verlokking: kunstenaars uit de Lage Landen in Italië1806-1940De blijvende verlokking: kunstenaars uit de Lage Landen in Italië1806-1940
Dick Adelaar, with contributions by Michiel Roding and Benno Tempel

Tentoonstellingscatalogus bij de gelijknamige expositie gehouden in de Kunsthal in Rotterdam, 2003
192 pagina’s
Uitgeverij Scriptum Art, Schiedam, 2003
ISBN 90-5594-260-X

Jan van Scorel en Geerten Gossaert (Mabuse) waren de eerste schilders geweest die vanuit de Lage Landen naar het Italiëvan de Hoog-Renaissance waren getrokken terwijl de Grote Drie (Leonardo, Michelangelo en Rafael) nog in leven waren. Deze eerste generatie Italiëgangers had vooral belangstelling voor de menselijke figuur. In de loop van de zestiende eeuw kwamen er echter zoveel prenten van Michelangelo en andere Italiaanse meesters op de markt, dat een reis naar Italiëgeen noodzaak meer was. Daarom maakte Rembrandt nooit de reis naar het Zuiden, want hij had meer dan genoeg prenten tot zijn beschikking. Maar anders dan de Italiaanse Renaissancekunst was het Italiaanse landschap op prenten niet zo te ondergaan als in werkelijkheid. Daarom trokken vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw de schilders juist vanwege het mediterrane en antieke landschap naar het Zuiden. Aan het begin van de zeventiende hadden al veel Vlaamse en Hollandse schilders zich voor korte of langere tijd in Rome gevestigd. De Duitse schilder Adam Elsheimer legde in Rome de basis voor de zogenaamde Frankentahler Schule.

Nicolas PoussinOok Frankrijk kreeg zijn Italiëgangers: Nicolas Poussin en Claude Lorrain bleven er zelfs de rest van hun leven. Ook Nederland kende in de zeventiende eeuw een groep Italianisanten die ‘Italianiserende landschappen’ schilderden. Dat zijn landschappen die baden in warm zonlicht, met bergen en ruïnes. Jan Both, Nicolaes Berchem, Adam Pijnacker en Karel Dujardin behoorden tot de bekendste Italianisanten. Ook in de achttiende eeuw bleven de schilders uit het Noorden voor het landschap naar Italiëtrekken en hebben vooral Nicolas Poussin en Claude Lorrain als voorbeelden. Dat geldt ook voor Alexandre-Hyacinthe Dunouy (1757-1841) die rond 1800 sterk onder invloed stond van het classicisme dat door Nicolas Poussin in de zeventiende eeuw al beoefend was. Het classicistische landschap was formeel, gepolijst en uitgebalanceerd en het werd altijd op het atelier geschilderd, nooit buiten.

Alexandre-Hyacinthe Dunouy (1757-1841)
A native of Paris, Dunouy began his career depicting views of the city and the surrounding region, exhibiting at the Paris Salon for the first time in 1791. exhibited views of the area around Rome and Naples; he showed regularly until 1833, save for a few absences. He received medals in 1819 and 1827. He is known to have traveled to Italy in 1810 under the patronage of Joachim Murat; there is also evidence that he traveled there in the 1780s. He is also associated with the Auvergne, Savoy, and the area around Lyon. Dunouy’s paintings were primarily small and decorative, and he was associated with the artists known as little masters. Their compositions are generally classical, and feature great detail and even lighting. Some of his works include figures added by Jean-Louis Demarne and Nicolas Antoine Taunay. Dunouy may have taught Achille-Etna Michallon; he died in 1841 in Jouy-en-Josas.
 
Bron: en.wikipedia.org
Alexandre-Hyacinthe Dunouy
Alexandre-Hyacinthe Dunouy
boven: Joseph Bonaparte en zijn familie naast het meer van Château de Mortefontaine, 1806
onder: gezicht op het park van Château de Mortefontaine

Bovenstaand onderwerp, het Château de Mortefontaine, werd bijna zestig jaar later ook door Camille Jean-Baptiste Corot geschilderd. Maar in tussentijd was er veel veranderd. Het realisme dat rond 1860 het neo-classicisme had verdrongen, werd door de opkomende fotografie vooruit gestuwd. Een foto liet je namelijk zien hoe de wereld er in werkelijkheid uitzag. Dat betekende een soort ontmaskering van het neo-classicisme dat juist stijf stond van geïdealiseerde landschappen vol geïdealiseerde personen, hier en daar geflankeerd door een griekse of romeinse god. Soms wordt het jaar 1841 als een revolutiejaar voor de schilderkunst gezien. In dat jaar vestigde zich namelijk niet alleen de fotografie (die twee jaar eerder met de uitvinding van de daguerreotype officieel geboren was) maar 1841 was ook het jaar dat de Engelse fabrikant Winsor en Newton voor het eerst de verftube op de markt bracht. Voor de schilderkunst was dat misschien wel een evengrote omwenteling als de fotografie. Vóór 1841 moest de olieverf altijd op het atelier gewreven worden en je kon er eigenlijk niet goed mee naar buiten. Dat werd na 1841 allemaal anders. Je kunt de negentiende eeuwse schilderkunst, die tenslotte uitmondt in het impressionisme, daarom niet goed begrijpen zonder de uitvinding van de verftube daarbij te betrekken.

Corot
Camille Jean-Baptiste Corot
souvenir de Mortefontaine, 1864

Corot was ook een echte Italiëganger. Hij maakte drie reizen naar Italië, waarvan de eerste (1825-1828) de grootste invloed had op zijn verdere ontwikkeling. Anders dan zijn landgenoten Nicolas Poussin en Claude Lorrain keerde hij terug naar zijn vaderland en paste de visie die hij in het Zuiden had opgedaan toe op het Franse landschap. Corot schiep een heel eigen poëtische visie waarin hij het beste uit de classicistische traditie van Nicolas Poussin combineerde met de frisheid van zijn olieverfschetsen. Hij was namelijk ook een van de eersten die in de openlucht olieverfschetsen maakten, evenals de Engelse schilder John Constable en de Duitse schilder Carl Blechen. Deze laatste kwam trouwens naar Italiëin 1828 vlak nadat Corot weer naar Frankrijk was teruggekeerd. Constable, Corot en Blechen hadden daarom grote invloed op de landschapsschilderkunst van de negentiende eeuw.

voorgaande posts over Italiëgangers

Hermann de Europeaan

2000 jaar geleden vond in het Teutoburger woud de Varusslacht plaats
Duitsland prikt de mythe definitief door

Hermann bij DetmoldWe blijven nog even in Duitsland, waar ze dit jaar het ene na het andere jubileum vieren. Allereerst de zestigste verjaardag van de Bundesrepublik. En op 9 november is het twintig jaar geleden dat de muur viel en de Duitse hereniging weer een feit werd. Een andere herdenking is die van de Varusslacht die dit jaar precies 2000 jaar geleden plaats vond in het Teutoburger woud. Dit jubileum is niet zonder betekenis omdat Duitsland nu voorgoed afrekent met de mythe van Hermann.

Al vanaf de zestiende eeuw speelde deze legendarische figuur als oervader van de Germanen een belangrijke rol in het Duitse collectieve bewustzijn. Maarten Luther schreef zelfs dat hij Hermann “hartstochtelijk lief” had. In de negentiende eeuw ontstond er zelfs een cultus rondom deze Hermann en vier jaar na de stichting van het Duitse keizerrijk in 1871 werd in het Teutoburger woud in de buurt van Detmold een 53 meter hoog beeld van Hermann onthuld. Deze plek zou in de negentiende eeuw een ontmoetingsplek worden voor nationalisten terwijl in de twintigste eeuw de fascisten hier bijeenkwamen om de Germaanse identiteit (lees: superioriteit) te vieren.

Maar in het herenigde Duitsland van het verenigde Europa is geen plek meer voor dit Grote Germaanse Verhaal. Na uitgebreid historisch onderzoek is gebleken dat Hermann (een germanisering van Arminius de Cherusk) helemaal geen Germaan moet zijn geweest maar een Romeinse huurling die zich tegen de keizer verzette. Toen keizer Augustus hoorde dat zijn legioenen in het Teutoburger woud verslagen waren en dat generaal Varus zich in zijn eigen zwaard had gestort, zou hij hebben uitgeroepen “Varus, geef mij mijn legioenen terug.” Met deze nederlaag zou de Romeinse expansie naar het oosten een halt zijn toegeroepen. De Romeinen zouden het huidige Duitse territorium ten oosten van de Rijn en ten noorden van de Donau voortaan links laten liggen. Deze overwinning kan nu niet meer aan de Germaanse standvastigheid worden toegeschreven, nu blijkt dat Arminius geen Germaan was.

Ernst von Bandel en 'zijn' Hermann
de beeldhouwer Ernst von Bandel (1800-1876) bij zijn levenswerk het Hermannsdenkmahl.
In 1839 werd de onderbouw (sokkel) al ingewijd maar het reusachtige beeld zou pas in 1875
een jaar voor zijn dood, gereedkomen.
Ernst Von Bandel ploeterde bijna veertig jaar aan het project. Toen hij was afgedankt door de Beierse monarchie verhuisde hij zijn atelier naar de Groteburg-heuvel even ten zuiden van Detmold, waar hij officieel werkte voor de landgraaf van Hessen, maar voortdurend werd belemmerd door de verdeelpolitiek van het negentiende eeuwse Duitsland en door de snel stijgende prijzen.Het was de bedoeling dat alle Duitse staten, inclusief Oostenrijk, een bijdrage zouden leveren, en dat deden ze ook, maar onregelmatig en niet altijd in overeenstemming met hun grootte of welvaart. Duitse patriotten van Chicago tot Buckingham Palace (waar prins Albert gretig een bijdrage leverde) waren enthousiast over het project en stortten plichtsgetrouw hun contributies. Maar pas toen de kwestie van het nationale leiderschap van Duitsland geregeld werd door de verpletterende overwinning in 1866 van Pruisen en zijn bondgenoten op Oostenrijk en de Zuidduitse katholieke staten, zag Von Bandel nieuwe mogelijkheden. Hoewel hij uit Beieren kwam, had hij veel werk gemaakt in Berlijn, waaronder een standbeeld van koning Willem Frederik IV voor de universiteit. En nu zou hij schaamteloos de zegevierende koning (weldra keizer) Wilhelm I verheerlijken als de nieuwe Arminius. In 1869 werd hij vereerd met een bezoek van de koning zelf die de voortgang van het werk in Von Bandels atelier kwam inspecteren en bewonderend bleef staan voor de heroïsche trekken van zijn oude voorganger in het grote, gehelmde hoofd.
 
Bron: Simon Schama, Der Holzweg: het spoor door de bossen
uit: landschap en herinnering, 1995

Bovendien is gebleken dat de Varusschlacht niet heeft plaatsgevonden op de lokatie waar in 1875 het Hermannsdenkmahl werd opgericht. In werkelijkheid vond de slachting plaats in Kalkriese, ten noorden van Osnabrück. Daar is nu een museum ingericht waar dit jaar uiteraard veel aandacht wordt besteed aan de Varusschlacht. Had deze herdenking 75 jaar eerder plaatsgevonden, dan zouden de nazi’s er alles aan hebben gedaan om hun Hermann te bewierroken, zoals Heinrich Himmler in 1936 deed met keizer Heinrich I die toen duizend jaar geleden was gestorven. Maar nu in het Europa van 2009 lijkt deze historische gebeurtenis juist voor een anti-nationalistisch programma te zijn ingezet. De Germaanse Hermann wordt als Arminius, de Romeinse huurling, teruggeven aan de Romeinen, de ‘uitvinders’ van de Europese eenheid.

wandplaat van H. Knackfuss
De slag in het Teutoburger Wald
wandkaart van H. Knackfuss, 1890
Zoals vroeger de wandplaten van Isings het nationaal bewustzijn op school moest aanwakkeren, zo werden de Duitse schoolkinderen met de wandplaten van Knackfuss Germaans bewustzijn bijgebracht. Anno 2009 is dit een ‘on-Europese’ gedachte.
Die Legionen des Varus gingen unter – die Folgen dieser vernichtenden Niederlage lassen sich bis in die heutige Zeit nachzeichnen. Einige Facetten: Viele Städte, Straßen und Handelswege gründen in der Römerzeit, Ländergrenzen orientieren sich bis heute an der Struktur des römischen Imperiums. Die Kunst zahlreicher römischer Bauwerke lässt heute noch staunen. Die Römer brachten Münzen als Zahlungsmittel und die Wertschätzung von Gold und Silber mit; die germanische Bevölkerung pflegte bis dato überwiegend gegen Gebrauchsgüter zu tauschen oder etwa mit Bernstein zu bezahlen. Das Erbe Roms hat das Rechts-und Staatswesen des heutigen Europa maßgeblich geprägt. Mit den Römern kamen auch die lateinische Schrift und die lateinische Sprache in die besetzten Gebiete. Latein beeinflusste vor allem die modernen romanischen Sprachen. Es blieb bis in die Neuzeit die Sprache der Gebildeten, der Wissenschaft – man denke an die Medizin – und der Kirche.
 
Auch Tacitus„ Schriften waren in lateinischer Sprache abgefasst. Die Jahrbücher des römischen Geschichtsschreibers, bis zum 16. Jahrhundert verschollen, stellen den Cherusker und römischen Reiteroffizier Arminius als »Befreier Germaniens« vor. Als eines der ersten gedruckten Bücher waren die Annalen einer breiten Bevölkerungsschicht zugänglich. Die Figur des tapferen Kriegers, der die Römer in der Varusschlacht besiegte, faszinierte die Menschen. Arminius – oder Hermann, wie ihn Martin Luther benannt haben soll – wurde zum Mythos und, besonders im 19. Jahrhundert, zur national übersteigerten Symbolfigur der Deutschen auf der Suche nach einer nationalen Identität.
 
Bron: kalkriese-varusschlacht.de

kalkriese-varusschlacht.de | hermann2009.de