Reizen met Cees

Cees Nooteboom viert morgen zijn 90e verjaardag
begonnen in: De zucht naar het Westen (1985)

de zucht naar het WestenNa vijfhonderd bladzijden Reizen zonder John en nog eens ruim tweehonderd bladzijden Reizen met Charley had ik de smaak zo te pakken dat ik mijn virtuele reis door de Verenigde Staten nog even wilde verlengen met een ander reisboek. Ik koos voor De zucht maar het Westen (1985) van Cees Nooteboom, een bundeling van 15 verhalen van reizen die hij tussen 1972 en 1985 door de Verenigde Staten maakte.

Het eerste reisverhaal Aan de Penobscot Baai sluit prima aan op het begin van de reis die John Steinbeck in 1960 maakte en die Geert Mak 50 jaar later volgde. Steinbeck begon in New England en reisde eerst door naar het noorden van Maine, de staat die als een duim Canada insteekt. Cees Nooteboom landde in februari 1972 in Montreal om door te reizen naar Castine aan de Penobscot Bay ten Zuiden van Bangor en een van de meest oostelijke plaatsen van de Verenigde Staten.

In 1986 heb ik tijdens mijn eerste reis naar Amerika een half uur stilgestaan op het vliegveld van Halifax (Nova Scotia). Door de patrijspoort ik een eerste glimp van de Nieuwe Wereld opvangen: een geasfalteerde vlakte afgezoomd met een donkere streep naaldbomen waarboven een sombere wolkenlucht. Meer was het niet. In Maine ben ik nog nooit geweest, maar ik stel me voor dat het landschap aan de Penobscot Bay, 7 uur rijden van Halifax, enigszins op dat van Nova Scotia lijkt. Saai of niet, de Amerikaanse dichter Henry David Thoreau schreef lyrisch over de bossen van Maine.

maine woodsIn The Maine Woods (1864) verzamelde Henry David Thoreau verslagen van reizen die hij in 1846, 1853 en 1857 in de bossen van het noordoostelijk deel van de Verenigde Staten had gemaakt. Hij beschrijft Mount Katahdin op een romantische manier en bestudeert de levenswijze van pioniers en indianen. Uit deze geschriften blijkt dat Thoreau beschikt over een degelijke natuurwetenschappelijke en botanische kennis, ook al is zijn visie op de natuur vaak gepersonifieerd en geïdealiseerd. Zijn activiteit als natuuronderzoeker nam de laatste tien jaar van zijn leven het grootste deel van zijn tijd in beslag. In de bijlage van The Maine Woods neemt Thoreau een lijst op met namen van planten, bomen en vogels, en woorden uit de Algonquin-taal.

Nooteboom geeft twee voorbeelden van vogelnamen in de Algonquin-taal: nipsquecohussus (houtsnip) en adelungguaumookthum (lijster). De woorden maken door hun : mysterieuze lange, hortende vormingen” grote indruk op hem. Ook schrijft hij over Mount Katahdin, de hoogste berg in Maine, waar Thoreau zo lyrisch over schreef: “This was that Earth of which we have heard, made out of Chaos and Old Night. Here was no man’s garden, but the unhandseled globe. It was not lawn, nor pasture, nor mead, nor woodland, nor lea, nor arable, nor wasteland…Man was not to be associated with it. It was Matter, vast, terrific…rocks, trees, wind on our cheeks! the solid earth! the actual world! the common sense! Contact! Contact!” (Bron: when Thoreau went nuts on Maine’s Mount Katahdin)

Nooteboom reisboeken
in mijn boekenkast staan veertien reisboeken van Cees Nooteboom plus zijn eerste roman Philip en de anderen

Vastleggen van het vloeibare (1986), recensie van Joost Zwagerman over De zucht naar het Westen [dbnl.org]

Confessio Augustana 1530

gelezen: de Augsburger Konfession (1530)
21 geloofsartikelen (plus 7) opgesteld door Philip Melanchton

MelanchtonAugsburg is voor de Reformatie een belangrijke stad geweest. Twee mijlpalen uit de Reformatie en uit de Europese geschiedenis zijn met deze stad in Zuid-Duitsland verbonden: de Confessio Augustana (1530) en de godsdienstvrede van Augsburg (1555).

Ons tweede bezoek aan Augsburg deze maand was voor mij een aanleiding om de Augsburger Konfession (1530) eens een keer in zijn geheel te lezen. De tekst is opgesteld door Philipp Melanchton, een vriend van Luther en werd in 1530 aangeboden aan keizer Karel V op de Rijksdag van Augsburg. Luther en Melanchthon hoopten op een verzoening en de tekst is daarom gematigd van toon. De Kerk van Rome was in 1530 officieel nog niet gescheurd. Pas later werd 31 oktober 1517 als de geboortedag van de Reformatie gezien en gevierd.

augsburger_konfessionI. Over God
Bij ons wordt in grote overeenstemming met de kerk geleerd, dat de uitspraak van het concilie van Nicea l), dat God in wezen één is en dat er drie personen zijn, waar is en zonder enige twijfel geloofd moet worden. Die uitspraak houdt in, dat er één goddelijk wezen is, dat bestaat en genoemd wordt: eeuwige, onlichamelijke, ondeelbare God, onmetelijke macht, wijsheid, goedheid, schepper en bewaarder van alle dingen, zichtbare en onzichtbare. En toch zijn er drie personen, in wezen gelijk, met dezelfde macht en eeuwigheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het woord ‘personen’ wordt hier gebruikt in die betekenis, waarin de Kerkvaders het in deze kwestie gebruiken. Het betekent niet een deel of een eigenschap van iemand, maar iets dat op zichzelf bestaat. Vervloekt worden alle ketterijen, die tegen dit artikel te voorschijn gekomen zijn, zoals de Manicheeën, die van twee goden uitgaan, een goede en een kwade; hetzelfde geldt voor de Valentinianen, de Arianen, de Eunomianen, de Mohammedanen en alle vergelijkbare groepen. Ook worden de Samosaten vervloekt, de ouden en de nieuwen, die beweren dat er slechts één persoon is. Zij redeneren over het Woord en de Heilige Geest listig en goddeloos, dat het geen op zichzelf staande personen zijn, maar dat het ‘Woord’ het gesproken woord betekent, en dat de ‘Geest’ de beweging in de schepping veroorzaakt.
 
Bron:web.archive.org

In onze postchristelijke eeuw zou deze gematigde geloofsbelijdenis, die is opgesteld om de eenheid binnen de christenheid te bewaren, onherroepelijk tot religieuze spanningen leiden, direct al in het eerste artikel waarin het christelijke godsbeeld is vastgelegd. Katholieken en kerkhervormers konden dat in 1530 met elkaar delen en samen een scherp onderscheid maken tussen dogma en ketterij, waarheid en leugen.

Buitenkerkelijk zijn in het Europa van de zestiende eeuw betekende uitsluiting uit de maatschappij wegens ketterij. Humanisme en secularisering hebben hier gelukkig een einde aan gemaakt. Godsdienst is een privéaangelegenheid en levensbeschouwing een vrije zaak. Een geloofsbelijdenis definieert het geloof en verbindt het individuele aan het collectieve. De kerkhervormer van 1530 belijdt met “ik geloof en belijd”, maar binnen de Kerk en onderwerpt het ik zich aan het wij van de Kerk: ‘wij geloven en belijden”.

Briefmarke
Duitse postzegel uit 1980 t.g.v. het 450e jubileumjaar van de Augsburger Konfession

Het woord ketterij heeft het christelijke geloof in de (geseculariseerde) wereld geen goede naam bezorgd omdat het gekoppeld wordt aan de onverdraagzaamheid en de vervolging van andersdenkenden. Maar voor de Kerk is het buiten de deur houden van ketterij net zo essentieel als het uitsluiten van bedrog, pseudowetenschap en onzin voor de wetenschap is. “Een plus een is drie” is voor de wetenschap in feite ook “ketterij”.

Ironisch genoeg is het woord “ketter” een verbastering van het woord “kathaar” dat afgeleid is van het Latijnse woord voor “zuiver”. Maar vanuit de geloofsbelijdenis die het geloof definieert én beschermt, is ketterij onzuiver en ongezond en tast het de gezonde visie aan die de geloofsbelijdenis verkondigt. In zover is het objectief en eerlijk. Maar waar ketters vervolgd worden en tenslotte verbrand, daar maken de mensen binnen de Kerk zich schuldig aan een veel grotere zonde: de uitsluiting (en het vermoorden) van andersdenkenden.

Briefmarke 2005
Duitse postzegel uit 2005 t.g.v. het 450e jubileumjaar van de Vrede van Augsburg

De brandstapel was voor elke kerkhervormer een serieuze bedreiging. Luther, Melanchton en de andere reformatoren stonden op tegen de Kerk van Rome vanuit een acute gewetensnood maar met voortdurend gevaar voor hun eigen leven. Iedereen wist wat de uiterste consequentie was van kritiek op het kerkelijk leergezag. Johannes Hus (1370-1415) belandde honderd jaar voor Luther op de brandstapel en hij was niet de enige.

de Confessio Augustana in het Nederlands

Schaezlerpaleis

drie weken geleden bezocht ik in het Schaezler Palais in Augsburg
de Deutsche Barockgalerie

De mooiste collectie oude schilderijen in Beieren buiten de Alte Pinakothek in München bevindt zich waarschijnlijk in het Schaezlerpalais, schuin tegenover de Herkulesbrunnen (1596-1600) in Augsburg. Het Schaezlerpaleis is een parel van (late) rococo en werd voltooid in 1770. Drie weken na mijn bezoek liep ik de collectie nog eens online na.

schaezler palais
Het Schaezler Palais gezien vanaf de Herkulesfontein op de Maximillianstrasse
veronese
Paolo Veronese ca 1563/65
Venus en Adonis

Veronese heeft zich hier laten inspireren door een beroemd schilderij van Titiaan uit 1553/54 met hetzelfde onderwerp dat in het Museo del Prado hangt.

venus en adonis door TitiaanTitiaan werd al sinds de jaren 1520 aangesproken door het klassieke liefdesverhaal tussen de godin Venus en de sterfelijke jager Adonis. In de Metamorfosen van Ovidius wordt Venus, de godin van de liefde en schoonheid verliefd op Adonis, een knappe jonge jager, nadat ze per ongeluk is geraakt door een van Cupido’s pijlen. Venus probeert Adonis ervan te weerhouden om op wilde dieren te jagen want ze is bang om hem te verliezen. Adonis negeert haar waarschuwing en gaat op jacht met zijn honden. Tijdens de jacht wordt hij aangevallen door een wild zwijn. Venus hoort de dodelijke gewonde Adonis om hulp roepen en rijdt hem in haar strijdwagen tegemoet. Maar als ze bij hem is gekomen, is het al te laat.

schaezler palais
De Deutsche Barock Galerie is ondergebracht in een reeks kleine kabinetten
rubens
Rubens (werkplaats) ca. 1615
Portret van Hertog Albrecht van Beieren

Aartshertog Albrecht VII (1559-1621), de jongste zoon van keizer Maximiliaan II (1527-1676), was vanaf 1596 gouverneur van de Spaanse Nederlanden. In 1609 nam hij Peter Paul Rubens in dienst als hofschilder. Het portret in het Schaezlerpaleis is een kopie van een origineel van Rubens uit 1609/10.

vandyck
Anthonie van Dyck ca. 1628
Portret van een onbekende man

Op 19-jarige leeftijd werkte Van Dyck al samen met zijn leermeester Peter Paul Rubens als zelfstandig en erkend meester. Op zijn advies verbleef hij in 1621/27 in Italië voor studie. Het portret van een jongeman werd vooral beïnvloed door Titiaans portret van kardinaal Pietro Bembo.

Deutsche Barockgalerie [kunstsammlungen-museen.augsburg.de]