Fidus

neoromantiek vanaf 1890 : Hugo Höppener (1868-1948)

Romantiek. Een Duitse AffaireTerwijl de Romantiek als tijdvak meestal tussen 1795 en 1820 gesitueerd wordt, zijn romantische tendenzen in de negentiende en twintigste eeuw zich blijven ontwikkelen. In het tweede deel van Romantiek. Een Duitse Affaire volgt Rüdiger Safranski het romantische spoor van 1820 tot in de jaren zestig van de vorige eeuw.

Het romantische is in de Biedermeiertijd (1815-1848) nog zo sterk vertegenwoordigd dat men vaak over de ‘late Romantiek’ spreekt. Als na 1848 het geestelijk klimaat verzakelijkt, stroomt het romantische ondergronds door en beleeft het bij Wagner en Nietzsche heftige uitbarstingen. In hoofdstuk 15 is Safranski aangekomen in de jaren negentig van de negentiende eeuw. Nietzsche was in 1890 afgezonken in een geestelijke afgrond waar hij nooit meer uit zou komen. Veel intellectuelen beschouwden hem nu als een ‘martelaar van de geest’ en in er ontstond zelfs een hype rond zijn persoon en zijn ‘profeet’ Zarathustra. Safranski schrijft over het geestelijke klimaat in de jaren negentig:

‘Leven’ werd het begrip waar alles om draaide, zoals vroeger ‘zijn’, ‘natuur’, ‘God’ of ‘ik’, een strijdbegrip bovendien dat op twee fronten werd ingezet. Enerzijds tegen het halfhartige idealisme van de plicht, zoals het op Duitse leerstoelen, in de retoriek van de officiële instanties en door de burgerlijke conventies werd uitgedragen. Anderzijds was het parool ‘leven’ gericht tegen een zielloos materialisme, dus tegen de erfenis van de op zijn eind lopende eeuw. ‘Leven’ betekende de eenheid van lichaam en ziel, dynamiek en creativiteit. Er vond een herhaling plaats van het protest van de Sturm und Drang en van de Romantiek. Toentertijd waren ‘natuur’ respectievelijk ‘geest’ de strijdleuzen tegen rationalisme en materialisme geweest. Het begrip ‘leven’ heeft nu diezelfde functie.
 
uit: Romantiek. Een Duitse Affaire. Hoofdstuk 15, blz. 302-303 (vertaling: Mark Wildschut)

LichtgebetNietzsche en het toverwoord ‘leven’ inspireren na 1890 het symbolisme en allerlei expressionistische tendenzen. Maar ook de Jugendstil ontstaat in het de neoromantische klimaat aan het einde van de negentiende eeuw. In de decoratieve Jugendstil wordt vooral het plantaardige leven afgebeeld, het groeien uit de aarde naar het licht. “Wees de aarde trouw” had Nietzsche verkondigd. De Duitse schilder Hugo Höppener (1868-1948) noemde zich Fidus (‘de getrouwe’) en schilderde vanaf 1908 vele versies van een zonaanbiddende figuur die zich als een zonnebloem naar de zon uitstrekt. Lichtgebet werd de icoon van de Reformbeweging, van Freie Körper Kultur en van communes als de Neue Gemeinschaft van Gustav Landauer en de Brüder Hart en de Kosmischer Kreis rond Alfred Schuler en Ludwig Klages. Rond 1910 bloeide er een nieuw heidendom en droomde men van een universele natuurreligie. Maar de vruchten van het neopaganisme waren niet goed. In de jaren twintig trok ‘de Nieuwe Mensch’ de laarzen aan. En een bruin uniform.

Hugo HöppenerHugo Höppener wurde am 8. Oktober 1868 (…) in Lübeck geboren. Ostern 1887 wurde er von seinen Eltern auf die Vorschule der Münchner Akademie geschickt. Nach nur drei Monaten verließ er die Akademie und wurde Schüler des Malers und Naturapostels Karl Wilhelm Diefenbach in Höllriegelskreuth, von dem er seine stilistische Prägung und den Künstlernamen „Fidus“ (Der Getreue) erhielt. Er verschrieb sich den lebensreformerischen Ideen des Vegetarismus, der Lichtgläubigkeit, der Freikörperkultur und einer naturgemäßen Lebensweise.
 
Anarcho-sozialistische Vorstellungen von Bodenreform und vegetarischer Pazifismus beherrschten die Geisteswelt des jungen Fidus. So war Fidus unter anderen Mitglied der lebensreformerischen Verbände Deutsche Gartenstadtgesellschaft, des Bundes Deutscher Bodenreformer sowie Mitglied im Bund für allseitige Lebensreform des gesamten Deutschtums, im Verein für Körperkultur und im Deutschen Verein für vernünftige Leibeszucht.
 
1889 setzte Fidus sein Studium an der Münchner Akademie fort. Die Bekanntschaft mit dem Theosophen Wilhelm Hübbe-Schleiden führte zur Mitarbeit als Illustrator der Zeitschrift Sphinx. Fidus vertrat fortan eine mystische Naturreligion und setzte sich für Ideen einer Sexualreform ein. Der spezifische Jugendstil seiner Bilder wurde fortan mit esoterischen Symbolen – Lotosblüten, Eiformen, Kreuzen und Sonnenzeichen – angereichert. Die zyklische Kreisstruktur des Lebens, die Rückkehr des Mannes in den göttlichen Mutterschoß, die Verschmelzung der Geschlechter und die Erlösung durch das Licht waren immer wiederkehrende Bildmotive. Zudem entwarf er Pläne zu gigantischen Tempelanlagen für eine neue Natur- und Lichtreligion, in denen sich das Volk zur Andacht versammeln sollte. Sein berühmtestes Bild wurde das in mehrfacher Ausfertigung, erstmals 1908, entstandene „Lichtgebet“. Es zeigt einen jungen, schlanken, fast androgynen Mann auf einem Berggipfel, die Arme in Form einer Lebensrune spreizend und die Sonne anbetend. Dieses Bild wurde zur Ikone der Jugendbewegung.
 
Bron: de.wikipedia.org

Altijd de ramen openlaten [ nrcboeken.nl ]

radio

mijn radio uit 1978 doet het nog steeds …

Als Michaela in de keuken bezig is, heeft ze meestal de radio aan. Het is de radio die ik voor mijn vijftiende verjaardag van mijn ouders kreeg en ik ben blij dat het mahoniehouten tafelmodel na drieëndertig jaar nog altijd dienst doet. Ik weet nog precies het moment dat ik voor het eerst naar deze radio luisterde. Het was zaterdagmiddag 6 mei 1978 en op het journaal van één uur hoorde ik dat Ko van Dijk was overleden. (Diezelfde dag zou ook Piet Muijselaar overlijden). Ik heb het van de radio gehoord terwijl een radio zelf van niets weet. De radio is slechts een doorgeefluik in de geschiedenis zonder de geschiedenis te kennen. Een dom ding dus. En toch hou ik van mijn radio!

radio 1978
al drieëndertig jaar mijn radio

beschouwing van een voyeur

kijken en bekeken worden in het zwembad

Ik lig met mijn buik in het gras, voel de zon op mijn rug branden terwijl het zomerse geroezemoes op de zonneweide in mijn oren zoemt. Mijn buitenste oog houd ik gesloten terwijl mijn binnenste oog van onder de brug van mijn neus een paar kinderen in de gaten houdt, een paar meter verderop. Een jongetje van een jaar of elf draait om twee meisjes. Met zijn mobieltje maakt hij foto’s. Het ene meisje is blijkbaar het bevoorrechte slachtoffer terwijl het andere met haar mobieltje het jongetje onder schot houdt. Ik sluit mijn loerend spiedersoog. Even later zie ik het jongetje in het gras zitten terwijl hij op zijn mobieltje de foto’s van de meisjes bekijkt, als een roofdier over zijn prooi gebogen. De twee meisjes kijken nieuwsgierig op hun mobieltje naar de foto van het jongetje.

zwembad

Blijkbaar hebben we stilstaande beelden nodig om in de veranderlijkheid van het leven betekenis te kunnen zien. Een levend gezicht toont vele gezichten terwijl een foto maar één gezicht tegelijk laat zien. Een momentopname laat dus altijd iemand zien die we óók zijn. Maar stel nu eens dat die ene foto het ultieme beeld zou representeren, zouden we die persoon dan ook écht willen zijn? De wil tot macht concentreert zich op het gewenste beeld. Ik moet even denken aan de trampolinescene uit de strandfilm Don’t make waves (1967) met Sharon Tate en Tony Curtis, een voorloper van de tv-serie Baywatch.

Sharon Tate op de trampoline
in Don’t make waves (1967)

De conservering van het perfecte lichaam van Sharon Tate op het witte doek valt hier samen met een onverwoestbaar apollinisch beeld. Dat haar ideale lijf twee jaar later in een bacchantische razernij van een stel gekken verwoest werd, tast het ideaalbeeld niet aan. Het beeld onderhoudt blijkbaar geheimzinnige betrekkingen met het onvergankelijke.