
een typische Amerikaanse held
geschiedenis.vpro.nl



Het Darwinjaar is inmiddels halverwege en iedere week verschijnen er wel publicaties over de betekenis van Darwin’s evolutietheorie voor onze tijd. Natuurlijk speelt daarbij (gelukkig!) nog altijd de vraag ‘Evolutie of Schepping?’ Aanhangers van ID (Intelligent Design) of theïstisch evolutionisme menen dat het én-én is. Terecht krijgen zij kritiek van zowel degenen die van de evolutietheorie uitgaan als van degenen die trouw willen blijven aan het Scheppingsverhaal.
Afgelopen weekend stond in Letter & Geest (Trouw) een waardevolle kritiek op ID van de theoloog en predikant Ad Prosman. Eerder las ik in Beweging, een uitgave van de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte, een artikel van Jan Hoogland (‘In de aap gelogeerd’) waarin hij het thema Schepping/evolutie als non-issue bestempelt. Beide auteurs gaan uit van het primaat van de liefdevolle Schepper die aan het begin en aan het einde staat. Jan Hoogland besluit zijn essay met het primaat van dit geloof, de keuze voor de Weg van Christus en de rijkdommen die het Scheppingsverhaal verbergt voor degenen die deze Weg willen gaan:
Ad Prosman kijkt in zijn artikel ‘Zonder begin is er niets’ (Trouw, zaterdag 4 juli) vooral naar de gevolgen van de evolutietheorie voor onze zingeving. Hij doet dat door te onderzoeken hoe één van de eerste en tegelijkertijd invloedrijkste Westerse filosofen het gedachtengoed van Darwin begon te verwerken. Zoals bekend verscheen Darwin’s ‘coming out’ (On the origin of Species) in 1859 en werd het direct gretig gelezen, niet alleen in Engeland, maar dankzij vertalingen ook in Frankrijk en Duitsland. Overigens is de eerste Duitse vertaling van de paleontoloog en zoöloog Heinrich Georg Bronn die al in 1860 verscheen geen betrouwbare gebleken. Bronn had bijvoorbeeld ‘bevoorrechte soorten’ consequent vertaald met ‘perfecte rassen’ en dat zegt genoeg. In 1867 verscheen tenslotte een verbeterde Duitse vertaling van de entomoloog en zoöloog Julius Victor Carus die daarna de Duitse standaardvertaling werd.
Prosman meldt niet welke vertaling Nietzsche gelezen heeft, want over deze filosoof gaat het, maar wéll dat hij in de jaren zestig van de negentiende eeuw de opkomst het darwinisme meemaakte tijdens zijn studie in Basel en dat hij er zeer door geschokt was. Je zou Nietzsche‘s filosofie zelfs als een radicale geestelijke uitwerking van Darwin’s biologische evolutietheorie kunnen zien: het einde van de teleologische visie op de geschiedenis en ‘het begin’ van de grote nivellering die Nietzsche die ewige Wiederkehr deze Gleichen noemt en die nog altijd prima in staat is de bodem onder ons bestaan weg te slaan zodat we vervolgens in een zwart gat wegzinken. Het gaat hier om het nihilisme, dat in bedekte of onbedekte vorm altijd deprimerend is. Daar helpt geen lieve welvaart aan. Integendeel, we zijn welvarender dan ooit en slikken met z’n allen meer anti-depressiva dan ooit tevoren. Een wereld waaronder de bodem is weggeslagen, verzinkt in een depressie. Dat is wat Nietzsche voorzag. Als gewoon mens kon hij die gedachte niet (ver)dragen, dus ontwikkelde hij een filosofie om dat wéll te kunnen. Door zijn concept van de Übermensch als ‘kroon op een doelloos (lees: zinloos) universum’ te gaan léven, wilde hij de zinloosheid kunnen trotseren.
De Duitse filosofe Edith Düsing schreef een dik boek over Nietzsche en de evolutietheorie, Nietzsches Denkweg. Theologie – Darwinismus – Nihilismus Daarin schrijft ze dat Nietzsche niet zozeer geschokt was door het evolutionaire feit dat de mens van het dier afstamt, maar juist wéll over het feit dat de natuur ‘blind’ (zinloos en wreed) is. Düsing spreekt zelf van fysiocratie in plaats van theocratie. Niet God regeert, maar de natuur (het recht van de sterkste). Ook spreekt ze van ‘een vreselijke verdrijving’ van de mens uit zijn geborgenheid in God.
Nog steeds wordt niet voldoende beseft, wát het aannemen van de evolutietheorie (en wie doet dat eigenlijk niet, al dan niet in combinatie met het christelijk geloof?) precies betekent. Nietzsche was zich er pijnlijk van bewust.
Zonder begin is er niets
Ad Prosman
Zonder begin is er niets
Ad Prosman
Een jaar of vijftien geleden kocht ik bij De Slegte Het Verborgen Raderwerk (Over Tijd, Machines En Bewustzijn) van de toen nog tamelijk onbekende Douwe Draaisma. Tegenwoordig liggen zijn boeken niet meer bij De Slegte, want Douwe Draaisma is een bestsellerauteur geworden die oplagen haalt van meer dan 100.000 exemplaren. Ook heeft hij zijn weg naar het buitenland gevonden met vertalingen in het Engels, Frans, Duits, Italiaans en Pools. Dit succes heeft hij enerzijds te danken aan zijn expertise en schrijftalent. Aan de andere kant aan de overweldigende belangstelling voor het zogenaamde ‘autobiografische geheugen’, een collectieve behoefte die ook Geert Mak de afgelopen tien jaar tot een bestsellerauteur heeft gemaakt. De individualisering doet ons op een persoonlijke manier naar de geschiedenis kijken: niet meer vanuit de kronieken, lijstjes met jaartallen of chronologieën die zich achteraf en van bovenaf gevormd hebben, maar van binnenuit. De Duitse familiekroniek Heimat van Edgar Reitz die vijfentwintig jaar geleden op de VPRO-televisie te zien was, is daar een goed voorbeeld van. De grote geschiedenis gezien vanuit een boerendorpje op de Hunsrück. In de jaren negentig volgde in Nederland het enorme succes van De eeuw van mijn vader en Hoe God verdween uit Jorwerd. Inmiddels wordt deze vorm van kleine en persoonlijke geschiedschrijving breed nagevolgd.
Douwe Draaisma voegt nog iets toe aan deze belangstelling voor geschiedenis vanuit het persoonlijke perspectief. Als hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie is hij geen historicus als Geert Mak (maar Mak is op zijn beurt natuurlijk ook geen academisch gevormde historicus zoals bijvoorbeeld Johan Huizinga, Pieter Geyl of Jan Romein dat waren.) Zijn vakgebied is het menselijk brein en in het bijzonder het geheugen. Draaisma kijkt niet naar de geschiedenis zelf maar naar het instrument waarmee we deze geschiedenis, die in de eerste plaats onze eigen geschiedenis is, ordenen, interpreteren en begrijpen. Het geheugen raakt ons allemaal omdat we zo geneigd zijn ons met het geheugen te identificeren. Maar er komt nog iets bij: door de vergrijzing komt er voor steeds meer Nederlanders tijd vrij voor creatieve hobbies, lezen, reizen of genealogisch onderzoek. En al die jongere en oudere senioren zijn bijzonder vertrouwd met verschijnselen waar Draaisma over schrijft: vergeetachtigheid bijvoorbeeld. Of de vraag waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. Draaisma schrijft de bevindingen uit de wetenschap toegankelijk op en weet daarbij effectief te citeren. Bijvoorbeeld Confucius: “de bleekste inkt is beter dan het voortreffelijkste geheugen”. Of Cees Nooteboom: “De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil.”
Cees Nooteboom in Rituelen
In de voetsporen van Heidegger
Voetnoten bij de 19e eeuw
Amerikaanse Burgeroorlog
Napoleon en zijn schilders
Landschapsschilders uit de Goethezeit
Schilders in Italië
De schilder en zijn broodheer
De waakzaamheid van het hart
Ovidius’ Metamorphosen
Dantes Divina Commedia
Wolkenkrabbers
Op zoek naar de atoomstijl
Een avontuur van luitenant Blueberry
My favourite things