Maandelijks archief: september 2015

staatspropaganda

tot 2 november nog te bezichtigen: de Oranjezaal
in Paleis Huis ten Bosch Den Haag

Bijzonder hoogleraar Johan de Haan deed een prima uitspraak. De Oranjezaal in Paleis Huis ten Bosch is volgens hem meer dan een eerbetoon aan stadhouder prins Frederik Hendrik. Volgens De Haan kun je de decoraties in de Oranjezaal ook zien als een politiek pamflet van Amalia van Solms, de weduwe van de stadhouder. Ik ben het helemaal met hem eens en voeg er graag aan toe dat de verreweg de meeste kunst uit het verleden bedoeld was om de boodschap van de opdrachtgever te verspreiden. En die boodschap was bijna altijd politiek: “kijk eens hoe rijk, dus hoe machtig ik ben!”

Jacob Jordeans
Jacob Jordeans de Triomf van Frederik Hendrik

Het gepronk van onze rijke en machtige voorouders heeft natuurlijk geweldige kunstwerken opgeleverd. De schoonheid van die kunstwerken koppelen we niet graag aan machtsvertoon. Schoonheid hoort schoon te zijn en macht is per definitie vuil. Toch is het de aardse realiteit dat de schoonheid van kunst op de een of andere manier verbonden is met macht.

Schoonheid hoort schoon te zijn en macht is per definitie vuil. Toch is het de aardse realiteit dat de schoonheid van kunst op de een of andere manier verbonden is met macht.

In de Oranjezaal is het machtsvertoon expliciet aanwezig. Het is een beetje ongepast bij het calvinistische Nederland, dat vooral in de eerste helft van de zeventiende eeuw leefde in een besef van overvloed en onbehagen. Maar de welvaart die door haar geografische ligging tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), naar de Republiek stroomde, deed de calvinistische terughoudendheid voor het tonen van rijkdom langzaam verdwijnen. Dat is goed te zien in de haast katholieke uitbundigheid van de Oranjezaal die tussen 1648 en 1652 werd ingericht. Deze loopt al vooruit op de pracht en praal in de tweede helft van de zeventiende eeuw, die vooral in Frankrijk onder Lodewijk XIV een hoogtepunt zou bereiken.

Caesar van Everdingen
Caesar van Everdingen Pegasus en de vier muzen
Dit is een 17e eeuwse illustratie van het principe “kunst als het glijmiddel van de economie”

Wij waarderen de Gouden Eeuw vooral om haar unieke Hollandse karakter, de intimiteit en het realisme. Wie het grote theatrale gebaar wil, kan beter naar de Fransen en de Italianen gaan. Toch heeft Nederland op het hoogtepunt van zijn Gouden Eeuw rond 1650 in de Oranjezaal een theatraal en imponerend artistiek machtsvertoon gekregen. De schilders die opdracht kregen om deze zaal te decoreren, kwamen ook uit het katholieke Zuiden en Utrecht, want daar wisten ze wel raad met grote kleurige wandschilderingen.

De Oranjezaal in Paleis Huis ten Bosch is zonder enige twijfel een van de belangrijkste schilderkunstige ensembles van de Nederlandse zeventiende eeuw. In opdracht van Amalia van Solms werkte in de jaren 1648-1652 onder regie van de architect-schilder Jacob van Campen een twaalftal kunstenaars aan de reeks van 39 doeken en panelen en een aantal gewelfschilderingen. De schilders van dit monumentale geheel waren deels uit de Noordelijke en deels uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstig. Het vormt een eerbetoon aan de nagedachtenis van de kort daarvoor overleden stadhouder Frederik Hendrik. Hoewel er in de loop der eeuwen diverse architectonische ingrepen in de Oranjezaal zijn uitgevoerd, bleef de monumentale reeks van schilderingen vrijwel ongeschonden bewaard.
(Bron: oranjezaal.rkdmonographs.nl)

Gerard van HonthorstZo schilderde Jacob Jordeans, die na Rubens en Van Dyck tot de grootste Vlaamse schilders van de Antwerpse School gerekend wordt, de centrale voorstelling, de Triomf van Frederik Hendrik. Ook de Triomf van de tijd nam hij voor zijn rekening. Een ander grote katholieke schilder die een opdracht kreeg, was de Utrechtse caravaggist Gerard van Honthorst. Hij was al 55 toen hij in de Oranjezaal maar liefst zes voorstellingen schilderde: Het huwelijk van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, De ontscheping van Mary Stuart en de begroeting van Willem II, Louise Henriette leidt Friedrich Wilhelm, Keurvorst van Brandenburg, naar haar ouders, De standvastigheid van Frederik Hendrik, Amalia met haar dochters als toeschouwers van de triomf en een portret van Amalia van Solms als weduwe met een schedel. Hij werd daarbij geholpen door zijn assistenten.

Amalia van Solms zette dus zonder bezwaren katholieke schilders in omdat ze met meer bravoure schilderden dan hun calvinistische vakbroeders. Andere schilders die een opdracht kregen voor de Oranjezaal waren o.a: Salomon de Bray (3 werken), Jacob van Campen (5 werken), Caesar van Everdingen (5 werken) en Pieter de Grebber (5 werken).

Oranjezaal
Bekijk de Oranjezaal vanuit vier hoeken: Westarm, Noordarm, Oostarm en Zuidarm
Jacob van CampenVoorafgaand aan de renovatie van Paleis Huis ten Bosch is de bijzondere Oranjezaal van maandag 7 september tot en met zondag 1 november open voor publiek. Geïnteresseerden kunnen na aanmelding de Oranjezaal gratis bezichtigen onder begeleiding van een gids.
 
De Oranjezaal in Paleis Huis ten Bosch is een uniek ensemble van schilderingen uit de Gouden Eeuw. In opdracht van Amalia van Solms werkten in de jaren 1648-1652 onder regie van de architect-schilder Jacob van Campen twaalf kunstenaars aan tientallen doeken, panelen en gewelfschilderingen.
 
Het geheel vormt een eerbetoon aan haar kort daarvoor overleden echtgenoot, stadhouder Frederik Hendrik. De openstelling van de zaal is mogelijk omdat deze tussen 1998 – 2001 al is gerestaureerd. In de rest van het paleis worden voorbereidingen getroffen voor groot onderhoud en renovatie. Daarom is alleen de Oranjezaal te bezoeken.
 
Bron: bezoekdeoranjezaal.nl

De Oranjezaal – catalogus en documentatie [ oranjezaal.rkdmonographs.nl ]

Goethe en de islam [ 3 ]

Was Goethe a muslim? (1995) door Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit
gedichten uit West-östlicher Divan (1819)

[vervolg van deel 1 en deel 2]
Twintig jaar geleden verscheen onder de titel Was Goethe a Muslim? een artikel van de soefi Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit. In datzelfde jaar werd Goethe door de plaatselijke moslimgemeenschap van Weimar aangenomen als moslim. Wat is hier precies aan de hand?

West-östlicher Divan
de kop van het Buch Suleika in een uitgave uit 1882

Toen de West-östlicher Divan in 1819 gepubliceerd werd, ontbrak er een gedicht dat later wel in deze bundel werd opgenomen. Het is een gedicht uit het Buch Suleika met de titel Süßes Kind, die Perlenreihen. Goethe schreef dit gedicht, zoals veel andere gedichten in deze bundel, voor Marianne von Willemer op wie hij verliefd geworden was. Hij spreekt haar aan op het kruisje dat zij om haar hals droeg. Goethe was geen liefhebber van het kruis. Hij vond het een martelinstrument en niet esthetisch. Begrijpelijk, maar het teken van het kruis is ook niet bedoeld als kunstwerk dat we mooi moeten vinden maar is een levenschenkend symbool. Dat laatste was het voor Goethe in ieder geval niet. Hij vond het kruis gewoon niet mooi en moest er daarom niets van hebben. Dat blijkt duidelijk uit het gedicht Süßes Kind, die Perlenreihen. Hieronder een fragment. Let op de laatste regel:

Jesus fühlte rein und dachte
Nur den Einen Gott im stillen;
Wer ihn selbst zum Gotte machte
Kränkte seinen heil’gen Willen.
 
Und so muss das Rechte scheinen,
Was auch Mahomet gelungen;
Nur durch den Begriff des Einen
Hat er alle Welt bezwungen.
 
(…)
 
Isis’ Horn, Anubis’ Rachen
Boten sie dem Judenstolze,
Mir willst du zum Gotte machen
Solch ein Jammerbild am Holze!

Sulpiz BoisseréeToen zijn katholieke vriend Sulpiz Boisserée (1783-1854) het gedicht las, ontraadde hij Goethe het te publiceren. Misschien was hij geschokt door het godslasterlijke. Maar misschien was het eerder praktisch en wilde hij voorkomen dat Goethe met dit gedicht in de problemen zou komen. Het jaar waarin de West-östlicher Divan gepubliceerd werd, was ook het jaar van de Besluiten van Karlsbad. Voortaan werden Duitse kunstenaars in de gaten gehouden. Als er iets in hun werk was dat de nationalisten in de kaart zou spelen, dan werd dat geschrapt en soms werd het hele werk verboden. De Restauratie herstelde niet alleen het koningschap maar ook het katholicisme. Iemand die het christelijk geloof aanviel, stond gelijk onder de verdenking dat hij ook tegen het koningschap was. Dit zou wel eens de werkelijke reden geweest kunnen zijn waarom Goethe het gedicht Süßes Kind, die Perlenreihen in de uitgave van 1819 niet liet opnemen.

Later werd het blasfemische gedicht van Goethe wél in de Divan opgenomen. Volgens Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit toont vooral dit gedicht aan dat Goethe zich van het christendom had afgekeerd en zich had toegewend tot de islam. Een ander gedicht dat zou aantonen dat Goethe into islam was, komt uit Hikmet Nameh, het boek der spreuken:

Närrisch, daß jeder in seinem Falle
Seine besondere Meinung preist!
Wenn Islam Gott ergeben heißt,
In Islam leben und sterben wir alle.

Islam betekende voor Goethe overgave aan het grote wezen dat zich overal in de natuur manifesteert, maar zich verbergt en nooit in één bepaalde godsdienst ten volle openbaart. Zijn standpunt was dus helemaal in strijd met de islam, die juist leert dat de Koran de hoogste openbaring die God de mens gegeven heeft en dat Mohammed de grootste profeet is. Goethe verzette zich daar juist tegen, zoals hij zich ook verzette tegen de waarheidsclaim van het christendom. De wijze waarop hij religie beleefde, lijkt veel op de wijze waarop de nieuwetijdse spiritualiteit (New Age) religie beleeft: dogma’s worden beschouwd als de vijand van de persoonlijke ervaring. Het draait dus om de menselijke ervaring en niet om één specifieke goddelijke openbaring.

West-östlicher Divan 1819
titelblad van de eerste uitgave van de West-östlicher Divan uit 1819 in het arabisch
Het artikel dat Al-Murabit op eigen titel geschreven heeft, is dus de individuele actie van een vrijzinnige moslim die Goethe’s enthousiasme voor de Perzische poëzie in combinatie met zijn dichterlijke vrijheden interpreteert als een knieval voor de islam.

Dat iemand als Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit een stuk schrijft waarin hij Goethe een moslim noemt, is voor mij wel te verklaren. Al-Murabit is namelijk een soefi. Het soefisme is een mystieke beweging binnen de islam die veel opener staat voor de persoonlijke ervaring dan de soenna, de traditionele islam. Het soefisme kent dezelfde houding die Goethe had en die we ook in New Age aantreffen: de nadruk wordt meer gelegd op het goddelijke dan op de Godheid die transcendent moet blijven. Als Al-Murabit de Duitse titaan als moslim adopteert, is dit dus de individuele actie van een vrijzinnige moslim die Goethe’s enthousiasme voor de Perzische poëzie in combinatie met zijn dichterlijke vrijheden interpreteert als een knieval voor de islam.

Was Goethe a muslim?

Goethe en de islam [ 2 ]

Was Goethe a muslim? (1995) door Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit
gedichten uit West-östlicher Divan 1819

[vervolg van deel 1]
Twintig jaar geleden verscheen onder de titel Was Goethe a Muslim? een artikel van de soefi Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit. In datzelfde jaar werd Goethe door de plaatselijke moslimgemeenschap van Weimar aangenomen als moslim. Wat is er aan de hand? In dit stuk probeer ik met gedichten uit de West-östlicher Divan aan te tonen dat Goethe weliswaar sympathie toonde voor bepaalde aspecten van de islam, maar dat hij de islam net als elke andere geïnstitutionaliseerde religie afwees.

DiwanGoethe‘s eerste kennismaking met Mohammed was rond zijn 23e aan het begin van de jaren zeventig van de achttiende eeuw. Pas heel veel later in 1814, Goethe is dan bijna 65, keerde hij door een Duitse vertaling van de Diwan van de Perzische dichter Hafez (1320- ca.1390) terug naar de wereld van het Midden-Oosten, die in die tijd de Oriënt genoemd werd. Goethe raakte zo begeistert dat hij in 1815 zelfs besloot Arabisch te leren.

Ook keerde Goethe weer terug naar de Koran en zijn schrijver Mohammed. De gedichten die hij in deze periode schreef, vaak in een poëtische dialoog met Marianne von Willemer, werden gebundeld in de West-östlicher Divan die in 1819 verscheen. Deze dichtbundel is onderverdeeld in twaalf boeken.

West-östlicher Divan
voorblad van de West-östlicher Divan (1819)
in een uitgave van Goethe’s Verzamelde Werken uit 1882 ter gelegenheid van zijn vijftigste sterfdag.

Uit deze gedichten kunnen we veel opmaken uit Goethe’s relatie met de islam. Een gedicht dat voor Shaykh ‘Abdalqadir Al-Murabit een bewijs is dat Goethe in zijn hart een moslim moet zijn geweest, is het volgende:

Ob der Koran von Ewigkeit sei?
Danach frag ich nicht!
Ob der Koran geschaffen sei?
Das weiß ich nicht!
Daß er das Buch der Bücher sei,
Glaub ich aus Mosleminenpflicht.
 
uit: Das Schenkenbuch (Saki Nameh), Westöstlicher Divan, 1819

Goethe lijkt als moslim te spreken als hij het over de “moslimplicht” heeft, die hem gebiedt de Koran het boek der boeken te noemen. Maar wás dat voor Goethe ook zo? Goethe geloofde namelijk in de natuurlijke religie. In deze religie is sprake van het grote wezen dat in de hele natuur aanwezig maar verborgen is. Dit wezen manifesteert zich niet in één specifieke gebeurtenis, in één persoon, laat staan in één geschrift. Daarom wees Goethe de waarheidsclaim van heilige boeken af, dus ook van de Bijbel en de Koran . Deze behoorden voor hem tot de wereldliteratuur, maar waren niet de ultieme goddelijke openbaring. In deze opvatting kan hij hoogstens een zeer vrijzinnige moslim (of christen) genoemd worden, omdat hij de waarheidsclaim van de orthodoxie afwees.

De zogenaamde nieuwetijdse spiritualiteit die zo vaag is dat alles er wel in past, behalve de geïnstitutionaliseerde religie die zij afwijst, lijkt overeen te komen met de zogenaamde “natuurlijke religie” van Goethe.

Voor ons in de 21e eeuw is de omgang van Goethe met religie heel vertrouwd. De nieuwetijdse spiritualiteit die zo vaag is dat alles er wel in past, behalve de geïnstitutionaliseerde religie die zij afwijst, lijkt overeen te komen met de zogenaamde “natuurlijke religie” van Goethe. Safranski schrijft in zijn biografie Goethe – kunstwerk van het leven over Goethe‘s vrijzinnige opvatting over de islam:

Goethe - kunstwerk van het levenVoor Goethe is de islam eigenlijk iets poëtisch. Maar dat wil de islam niet zijn. DE islam wil een moreel regime optrekken, en Mohammed, met zijn spirituele sprookjes eigenlijk een poëet, wil per se profeet zijn. Zo wordt de profeet de vijand van de poëet, omdat hij er zelf een is. In zijn afkeer van poëzie lijkt Mohammed ook uiterst consequent, doordat hij alle sprookjes verbiedt. En hoe zou het ook anders kunnen? Zijn leer mag onder geen beding een sprookje lijken.
 
Bron: Goethe – kunstwerk van het leven, door Rüdiger Safranski, blz. 566

Goethe was dus geen moslim, maar flirtte wel met het soefisme, de mystieke traditie binnen de islam, die vooral schittert door de poëzie. Goethe las niet alleen het werk van de mystieke Perzische dichter Hafez (1320- ca.1390), maar ook gedichten van de Perzische dichters Jalal ad-Din Rumi (1207-1273), Nur ad-Din Abdur Rahman Dschami (1414-1492), Saadi Shirazi (1210-1292) en Farid ad-Din Attar (1145-ca.1221).

In het laatste deel wil ik enkele gedichten uit de West-östlicher Divan naar voren brengen, waaruit Goethe’s voorkeur zou moeten spreken voor de islam en zijn afkeer van het christendom.