Eigenlijk hou ik helemaal niet van misdaadfilms maar voor film noir heb ik een groot zwak. De zwartwit-cinematografie, belichting en het tijdsbeeld zuigen me altijd weer een nieuwe noir binnen. In het public domain staan honderden films waarvan het copyright om verschillende redenen niet verlengd is en die dus legaal via het internet getoond mogen worden, zoals op het YouTube-kanalen Full Moon Matinee en Cult Cinema Classics. In juni kijk ik naar tien film noirs uit de periode 1945-1964.
Vandaag: All my sons van Irving Reis.
All my sons is de verfilming van het gelijknamige toneelstuk waarmee Arthur Miller in 1947 op Broadway zijn naam vestigde. Arthur Miller was pessimistisch over de American Dream. Ook in zijn volgende toneelstuk Death of a Salesman waarmee hij in 1948 de Pulitzer Prize (voor drama) won, uitte hij kritiek op het kapitalisme.
De hoofdrol in All my sons wordt gespeeld door Edward G. Robinson. Sinds hij in 1931 doorbrak met zijn rol in Little Caesar werd hij vaak gecast als villain, maar hij zou zich uiteindelijk ontwikkelen als een veelzijdige acteur. In Double Indemnity (1944) speelde hij de nauwgezette verzekeringsagent Barton Keyes, in de daarop volgende jaren The woman in the window (1944) en Scarlet Street (1945) The Stranger (1946) en The Red House (1947). Deze vijf films kwamen hier al eerder voorbij.
De film speelt zich af vlak na de Tweede Wereldoorlog en draait om Joe Keller (Edward G. Robinson), een succesvolle fabrikant, en zijn familie. Joe heeft samen met zijn vrouw Kate (Mady Christians) jarenlang geprobeerd hun zoon Larry te vergeten, die vermist is geraakt tijdens de oorlog. Kate weigert echter te geloven dat Larry dood is en klampt zich vast aan de hoop dat hij zal terugkeren.Chris Keller (Burt Lancaster), de andere zoon, wil verder met zijn leven. Hij is verliefd op Ann Deever (Louisa Horton), de vroegere verloofde van Larry. Chris wil met Ann trouwen, maar Kate verzet zich hiertegen omdat dit zou betekenen dat ze Larry’s dood moet accepteren.
De spanning in het gezin neemt toe wanneer Ann’s broer George (Howard Duff) arriveert. George herinnert zich dat hun vader, Steve Deever, ooit samen met Joe Keller vliegtuigonderdelen leverde aan het leger. Tijdens de oorlog stuurden zij een partij gebrekkige cilinderkoppen die leidden tot de dood van 21 Amerikaanse piloten. Steve zit hiervoor in de gevangenis, terwijl Joe zichzelf vrijpleitte door de schuld volledig op Steve af te schuiven.
Langzaam wordt duidelijk dat Joe medeverantwoordelijk is voor de tragedie en dat hij uit eigenbelang zijn partner heeft laten vallen om zijn bedrijf en gezin te beschermen. Chris wordt geconfronteerd met de waarheid over zijn vader, en dit leidt tot een dramatische climax waarin schuld, eer en verantwoordelijkheid centraal staan.













