Categorie archief: boeken

augustus 1914

The guns of August (1962)van Barbara Tuchman
over de eerste oorlogsmaand van de Eerste Wereldoorlog

The guns of August (Pulitzer Prize 1963) is misschien wel het bekendste boek over de eerste maand van de Eerste Wereldoorlog. Het zal op dit moment in de hele wereld veel gelezen worden. Op een zoveelste spoor in mijn hoofd volg ik de gebeurtenissen van precies honderd jaar geleden. Nu de maand augustus ten einde loopt, kijk ik terug naar de eerste oorlogsweken.

Duitse troepen waren op 4 augustus 1914 België binnengevallen. Drie weken later was Brussel gevallen en waren de Duitse legers Noord-Frankrijk binnengedrongen. Maar het Plan Schlieffen stond op het punt te mislukken. Voor veel historici was het bij voorbaat al mislukt omdat generaal-veldmaarschalk Helmuth von Moltke (1848-1916), de opperbevelhebber aan het westelijk front, het oorspronkelijke plan had aangepast. Hij zou de linkervleugel versterkt hebben ten koste van de rechtervleugel. Dit zou zich eind augustus en vooral in de eerste week van september wreken toen de Franse legers de Duitsers terugdrongen tijdens het Marne Offensief. Gewoonlijk wordt daarmee de Eerste Slag bij de Marne (5-9 september 1914) aangeduid.

Macht mir den rechten Flügel stark

laatste woorden van Von Schlieffen

Daarna zou het westelijk front vier jaar muurvast komen te liggen boven de rivier de Aisne op de lijn Noyon-Verdun. Het plan van Alfred von Schlieffen (1833-1913) had een tangbeweging om Parijs moeten maken en binnen zes weken de overwinning op Frankrijk moet behalen. Maar eind augustus moest het Eerste Leger onder leiding van Alexander von Kluck (1846-1934) naar het oosten afbuigen om het Tweede Leger van Karl von Bülow (1846-1921) te ondersteunen. De tangbeweging, waarbij het Eerste Leger westelijk om Parijs had moeten trekken, was mislukt en daarmee ook het Schlieffenplan.

Het plan Schlieffen
Het Plan Schlieffen mislukte omdat het Eerste Leger van Alexander von Kluck naar het oosten moest afbuigen en daardoor geen tangbeweging om Parijs kon maken. Daarna drongen de Fransen de Duitse legers aan de Marne terug achter de Aisne.
The guns of August is een militair geschiedenisboek geschreven door Barbara Tuchman. Het beschrijft de gebeurtenissen van de laatste weken voor en de eerste maand van de Eerste Wereldoorlog. Het boek richt zich op de geschiedenis vanaf de Duitse oorlogsverklaring aan Frankrijk tot het moment waarop het Duitse offensief vastloopt. Het focust zich in de eerste plaats op het Westelijk front, maar schenkt ook ruim aandacht aan het Oostelijk front, waar Duitsland een Russische invasie tracht te stoppen. In de marge heeft Tuchman het ook over de gebeurtenissen in de Middellandse Zee. De oorlog in de Balkan laat ze zo goed als helemaal links liggen. In 1963 kreeg Tuchman voor dit boek de Pulitzerprijs voor literatuur in de categorie non-fictie.
 
De Amerikaanse president John F. Kennedy was een bewonderaar van het boek. Hij gaf alle leden van zijn kabinet en militaire staf een kopie ervan en beval hen om het te lezen. Kennedy leerde van het boek hoe een snelle escalatie van gebeurtenissen kon leiden tot een wereldoorlog. Het hielp hem om een vreedzame oplossing te vinden voor de Cubacrisis en hij wist zo een Derde Wereldoorlog te voorkomen.
 
Bron: nl.wikipedia.org

eerste hoofdstuk uit de kanonnen van Augustus [ PDF ]

drie boeken uit München

gekocht in München: Zwischen Habsburg und Preußen 1815-1866
Die Münchener Malerei im 19. Jahrhundert 1 Teil,
en Münchener Landschaftsmalerei 1800-1850

Zwischen Habsburg und Preußen 1815-1866Net als vorig jaar keerden we in juli uit München terug met een stapeltje boeken. Dat Duitsland een Land der Denker und Dichter is, is te merken aan de hoge dichtheid boekwinkels. In München, na Berlijn en Hamburg de grootste stad van Duitsland, wordt dat gegeven nog eens uitvergroot. Zeker in de wijk Schwabing, waar veel studenten en kunstenaars wonen. Net als voor de Von Humboldt Universität in Berlijn staan er bij de Ludwig-Maximilians-Universität dagelijks boekenstallen. Je vindt er goede boeken die vaak met de stad te maken hebben. Ik kocht o.a. een boek over de Duitse geschiedenis tussen 1815 en 1866. Het behandelt de Vormärz (tot 1848) en het dualisme tussen Habsburg en Pruisen tot 1866. In dat jaar werd Oostenrijk in de Slag bij Königgrätz door Pruisen verslagen en kwam er een einde aan de Duitse Bond (1815-1866).

De volgende dag kocht ik bij een antiquariaat in de Theresienstraße twee boeken over schilderkunst in München tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw. Toen in 1825 Ludwig I koning van Beieren was geworden, begon hij kunstenaars naar München te trekken. Architecten, beeldhouwers, schilders en decorateurs moesten München omtoveren tot een stad der kunsten. Het koninkrijk Beieren, dat na Habsburg en Preußen als das Dritte Deutschland gold, wedijverde met Berlijn en Wenen. Met succes. De Beierse hoofdstad zou in de negentiende eeuw uitgroeien tot een van de voornaamste kunstcentra in Europa. In de schilderkunst spreekt men zelfs van de Münchner Schule. In de negentiende eeuw stond ze in hetzelfde aanzien als de Düsseldorfer Malerschule en trok ze schilders aan uit heel Europa en zelfs uit de verenigde Staten.

Münchener Landschaftsmalerei 1800-1850
Münchener Landschaftsmalerei 1800-1850
op de omslag: Ernst Kaiser, Blick von Oberföhring auf München, 1835/40

De landschapsschilderkunst in München is een lang verhaal. In 1979 werd hier in het Lenbachhaus in München een omvangrijke tentoonstelling aan gewijd. Ik kocht de catalogus Münchener Landschaftsmalerei 1800-1850 bij deze tentoonstelling, waarin ruim 450 schilderijen waren samengebracht afkomstig uit diverse musea uit Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk. Een paar bekende Münchener landschapsschilders zijn Johann Georg von Dillis, Wilhelm von Kobell en Carl Rottmann.

Wat mij vorig jaar in het Lenbachhaus zo opviel, is de marketing achter de schilders van de Blaue Reiter en andere klassieke modernen.

Die Münchener Malerei im 19. Jahrhundert 1 TeilDie Münchener Malerei im 19. Jahrhundert 1 Teil is een heruitgave van Bruckmann Verlag uit 1983 van het boek van Rudolf Oldenbourg dat oorspronkelijk in 1922 bij deze uitgever verscheen. Het prettige is dat het een visie op de schilderkunst van de negentiende eeuw geeft, die nog niet door het modernisme is ingekleurd. Wat mij vorig jaar in het Lenbachhaus zo opviel, is de marketing achter de schilders van de Blaue Reiter en andere klassieke modernen. In de zalen waar de schilderijen van Wassily Kandinsky, Franz Marc, August Macke, Alexej von Jawlensky, Marianne von Werefkin, Gabriele Münter, Lyonel Feininger en Paul Klee hingen, was veel publiek. Maar in de zalen met schilderijen van de Münchner Schule uit de negentiende eeuw waren wij bijna de enige bezoekers. Wat mij betreft mag dat omgekeerd zijn. Na honderd jaar promotie van de avant garde van de vroege twintigste eeuw, zouden we de blik wel weer eens mogen richten op de schilderkunst van de negentiende eeuw, toen het ambacht nog een zeer hoge standaard had en toen aandacht op meer waardering kon rekenen dan provocatie of felle kleurtjes.

Münchner Schule [ de.wikipedia.org ]

de opkomst van het historisme

In welchem Style sollen wir bauen? (1828) van Heinrich Hübsch
de afrekening van het neoclassicisme en de opkomst van het historisme

Heinrich Hübsch“Die Malerei und die Bildhauerei haben in der neueren Zeit längst die todte Nachahmung der Antike verlassen.” zo begint Heinrich Hübsch in 1828 aan een theoretisch werk waarin hij in de titel de vraag stelt in welke stijl architecten in zijn tijd moeten bouwen. Deze vraag werd sinds de jaren zeventig van de achttiende eeuw nauwelijks nog gesteld omdat het neoclassicisme de dominante stijl geworden was. Onder de invloed van de Verlichting streefde men naar de helderheid die in klassieke architectuur gevonden werd. Winckelmann’s credo “edele eenvoud, stille grootsheid” klonk niet alleen door in de bouwkunst maar ook in de schilderkunst en beeldhouwkunst. Nog voordat de Franse Revolutie was aangebroken, was men in de jaren zeventig van de achttiende eeuw al overgestapt van het rococo naar het neoclassicisme.

Deze stijlverandering had een politieke dimensie. Toen in 1775 de gehate Franse koning Lodewijk XV stierf was men het ancien regime meer dan beu en associeerde men de late barok en het rococo met de hofkunst van Versailles. Het sobere en strenge classicisme zoals Jacques-Louis David dat in zijn schilderijen presenteerde, wees in de jaren tachtig de weg naar de toekomst. De krullen (rocaille) verdwenen een maakte plaats voor heldere volumes van het neo-classicisme.

Eigenlijk was het eenzelfde reactie als met de overgang van het historisme naar het nieuwe bouwen aan het begin van de twintigste eeuw. Ornamenten werden misschien niet als misdaad (Ornament und Verbrechen) gezien, maar er kleefde wel bloed aan. Het sobere neoclassicisme weerspiegelde de Verlichtingsidealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap en rond 1780 was deze stijl nog niet bezoedeld door de Revolutie en Napoleontische oorlogen. Het werd gezien als een eerlijke stijl die het volk kon verheffen, anders dan het behaagzieke rococo waar de superrijken hun privéparadijzen mee hadden ingericht.

Onder Napoleon zou het neoclassicisme evolueren naar de empirestijl, een strenge en frontale stijl die sindsdien de huisstijl van dictators geworden is. Zo gaat dat in de geschiedenis: edele eenvoud en stille grootsheid worden misbruikt zodat ze tenslotte de uitdrukking van megalomanie zijn geworden. Denk aan de architectuur van Albert Speer. In 1828 toen Heinrich Hübsch in Karlsruhe zijn theoretische werk In welchem Style sollen wir bauen? schreef, was het neoclassicisme nog altijd de heersende stijl.

Altes Museum Berlin
het Altes Museum (1823-1830) van Karl Friedrich Schinkel in Berlijn.

Koning Wilhelm Friedrich III van Pruisen had door zijn belangrijkste bouwmeester Karl Friedrich Schinkel in de jaren twintig het Altes Museum in deze stijl laten bouwen. In diezelfde periode had Leo van Klenze voor de koning van Beieren in München de Glyptothek gebouwd. Een strenger classicisme als hier is toegepast, is nauwelijks voorstelbaar.

glyptothek
Michaela voor de Glyptothek (1816-1830) van Leo von Klenze aan de Königsplatz in München

Juist in deze tijd kwam Heinrich Hübsch met zijn kritiek op het neoclassicisme. Hij staat met zijn pleidooi voor de rondbogenstijl aan het begin van het historisme dat tot aan de Eerste Wereldoorlog de architectuur bleef beheersen.

Karlsruher Institut für Technologie
Toen we in juli in Karlsruhe op zoek waren naar de Kunsthalle (1837-1846) en voor het Karlsruher Institut für Technologie (1833–35) stonden, dacht ik dat wij er al waren. Dit gebouw was voor Hübsch een pleidooi voor de neobyzantijnse rundbogenstil die hij daarna in de Kunsthalle zou toepassen. Het Institut für Technologie verhoudt zich tot de Kunsthalle als het Rijksmuseum tot het Centraal Station.

Overigens zat er aanvankelijk ook achter het historisme een politiek programma. Het neoclassicisme was verbonden met de Verlichting en de idealen van de Franse Revolutie. Tijdens de Restauratie (1815-1848) was men daar niet meer zo dol op. Veel monarchen in Duitsland, zoals de groothertog van Baden, waren katholiek en wilden een architectuur die niet verwees naar de heidense klassieken maar naar het christelijke Europa. Zo ontstonden de neobyzantijnse stijl, het neoromaans en het neogotisch. Groothertog Leopold steunde van harte de neobyzantijnse stijl van zijn bouwheer Heinrich Hübsch.

Bayerische Staatsbibliothek
In München zagen we de Bayerische Staatsbibliothek (1831–1842) van Friedrich von Gärtner aan de Ludwigsstrasse. Deze is ook in “rundbogenstil” gebouwd, maar is duidelijk geïnspireerd door een palazzio uit de Renaissance. Blijkbaar vond de architect de humanistische neorenaissance stijl geschikter voor een staatsbiobliotheek dan de christelijke neobyzantijnse stijl.
In seiner architekturtheoretischen Schrift In welchem Style sollen wir bauen? rechnet er 1828 mit der klassizistischen Baukunst des frühen 19. Jahrhunderts ab. Als Hübsch die Frage In welchem Style sollen wir bauen? stellte, war er sich seiner Antwort sicher. Der moderne Rundbogenstil, der sein Programm darstellte, ließ kaum eine freie Wahl zwischen gleichwertigen Alternativen. Trotzdem fasst seine Frage das Problem eindeutig in Worte, das mit dem 19. Jahrhundert erstmals in der Kunstgeschichte auftrat. In dem Augenblick, da die Frage gestellt wurde, erhielt sie einen immer weiteren Inhalt, und es wurde immer schwieriger sie eindeutig zu beantworten. Die Epoche des Historismus, der den Klassizismus des frühen 19. Jahrhunderts als kalt und dürftig erachtete, machte Anleihen bei allen Epochen der abendländischen Kunst und bediente sich, um so älter das Jahrhundert wurde, einer immer üppigeren Formensprache.
 
Bron: de.wikipedia.org

In welchem Style sollen wir bauen? [ cloud-cuckoo.net ]

acteur van Christus

zondag geluisterd naar VRT 1 Touché:
Friedl’ Lesage in gesprek met Jozef van den Berg
Jozef van den Berg
In het najaar verschijnt het boek Jozef Van den Berg – Van poppenspeler tot acteur van Christus bij uitgeverij Lannoo
Jozef Van den Berg was in jaren 70 en 80 een internationaal vermaard theatermaker. Tot God hem een roeping gaf en Jozef alles opgaf omwille van die roeping. In 2006 interviewde Friedl’ Lesage Jozef Van den Berg onder zijn kweeperenboom in het Nederlandse Neerijnen. Op 14 september 1989 verkondigde hij, op het podium van deSingel in Antwerpen dat hij door God werd geroepen. Vijf minuten voor de voorstelling ‘Genoeg gewacht’ zou beginnen, vertelde hij het publiek dat hij er mee ophield. De mensen geloofden hem niet, ze dachten dat het theater was. Na een zware innerlijke strijd verliet hij zijn gezin en sindsdien leeft hij het échte leven, als acteur van Christus en als volgeling van de Grieks-Orthodoxe kerk. Dit jaar is het 25 jaar geleden dat Jozef Van den Berg de planken vaarwel zei. Friedl’ Lesage zoekt hem opnieuw op in diezelfde hut in Neerijnen.
 
Bron: radio1.be

Jozef van den Berg – van poppenspeler tot acteur van Christus

betbetovergrootvader Jacob [ 3 ]

Jacob van den Heuvel (1794-1842)

JacobMijn betbetovergrootvader Jacob van den Heuvel (1794-1842) was een ongeletterde wolkammer. Toen hij in 1824 trouwde, was hij al dertig jaar. Santje de Kleuver was acht jaar jonger. Tussen 1826 en 1839 kregen ze zes kinderen. Toen mijn betovergrootvader Sander geboren werd, was zijn vader 43. Vier jaar later stierf Jacob op 47-jarige leeftijd. Santje overleefde hem zes jaar, maar stierf zelfs nog op jongere leeftijd dan haar man.

Wanneer ik mij het leven van mijn betbetovergrootouders probeer voor te stellen, kom ik in een andere wereld. Uiterlijk zag Veenendaal er totaal anders uit dan tweehonderd jaar later, net als de rest van de wereld. Deze uiterlijke veranderingen hangen niet alleen maar samen met de technische vooruitgang. Stoom, elektriciteit en chemie hebben onze wereld de afgelopen twee eeuwen onvoorstelbaar veranderd, maar achter de technische en industriële revolutie zit nog een heel andere omwenteling.

Stoom, elektriciteit en chemie hebben onze wereld de afgelopen twee eeuwen onvoorstelbaar veranderd, maar achter de technische en industriële revolutie zit nog een heel andere omwenteling.

In Romantiek. Een Duitse Affaire dat voor een groot deel over de Goethetijd (1770-1830) gaat, noemt Rüdiger Safranski deze omwenteling “de ontdekking van het ik”. Deze “ontdekking” hangt nauw samen met de Franse Revolutie (1789-1799) die eerder het gevolg dan de oorzaak was van een nieuw soort mens die was ontstaan: de burger. Deze was, anders dan de onderdaan van de koning, een soeverein individu. Het duurde nog wel tot 1848 totdat de moderne burger zich echt kon gaan ontplooien, maar de Franse Revolutie heeft daar wel het startschot toe gegeven.

Jacob werd geboren op 22 juni 1794. Vier dagen later vond de Slag bij Fleurus plaats, waarbij Franse revolutionaire troepen de Oostenrijkse Nederlanden wisten te bezetten. Deze gebeurtenis werd de opmaat naar de Franse Tijd. Een half jaar later rukten de Fransen verder op, staken de grote rivieren over en bezetten daarna ook de Noordelijke Nederlanden.

Mijn betbetovergrootvader is groot geworden tijdens de Franse Tijd. Tot zijn zevende levensjaar was hij een burger van de Bataafse Republiek (1795-1801). Deze republiek was in feite een vazalstaat van Frankrijk. Daarna werd dit het Bataafs Gemenebest. Op zijn twaalfde werd Jacob een onderdaan van koning Lodewijk Napoleon. Nederland heette nu het Koninkrijk Holland (1806-1810). Tenslotte werd hij als alle Nederlanders en Belgen een ingezetene van het Eerste Franse Keizerrijk (1810-1813). Toen de Fransen in het najaar van 1813 ons land moesten ontvluchten, was Jacob 19 jaar oud.

kaart 1816
Koninkrijk der Nederlanden (1816, detail)
Veenendaal, op de grens tussen Utrecht en Gelderland, staat hier duidelijk vermeld.

De Franse Tijd is niet langs Veenendaal heengegaan. Toch zal er maar weinig van de grote geschiedenis in het eenvoudige bestaan van de wolkammers in de voormalige veenkolonie zijn doorgesijpeld. In 1806 werd er een onderwijswet ingesteld, waarbij leraren voor het eerst klassikaal les moesten gaan geven. Maar het zou nog tot 1901 duren voordat de leerplicht werd ingevoerd. Wolkammers konden kaarden en twijnen, maar niet lezen en schrijven. Hoe klein moet de wereld wel niet zijn voor een analfabeet?

Analfabetisme houdt de ontplooiing van het individu tegen en daarmee de ongelijkheid in stand. Onderwijs voor alle kinderen werd in de loop van de negentiende eeuw in Europa ingevoerd om op te voeden tot burgers en iedereen gelijke rechten te geven. Op school werd je onderricht in christelijke en burgerlijke waarden. De kinderen leerden lezen en schrijven omdat de natie door wilde stoten in de vaart der volkeren.

“De ontdekking van het ik” in het laatste kwart van de achttiende eeuw, waarover Safranski spreekt, heeft alles te maken met geletterdheid. Door boeken te lezen, worden nieuwe werelden ontsloten. Wanneer je geen boeken of kranten leest, dan blijft je wereld beperkt door wat je om je heen ziet en hoort. In zo’n wereld leefde Jacob van den Heuvel: een godvrezend wolkammersdorp in de Gelderse Vallei.

Volgens Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) waar Jacob natuurlijk nog nooit van gehoord had, moet hij zonder boeken gelukkig zijn geweest. In zijn opvoedkundige boek Émile, ou De l’éducation uit 1762 stelde Rousseau dat kinderen zonder boeken zuiverder en dichter bij de natuur konden blijven. Het enige boek dat hij voor kinderen goed achtte, was Robinson Crusoe, omdat dit boek de mythe van “nobele wilde” uitdroeg.
 
Behoorden de ongeletterde wolkammers uit Veenendaal anno 1800 ook tot deze “nobele wilden”? Op deze vraag zal ik in een volgend stukje ingaan.