Categorie archief: boeken

de ultieme rite de passage

gezien bij VPRO Boeken: Wim Brands in gesprek met Willem Jan Otten

droomportaalWillem Jan Otten (Amsterdam, 1951) werd dit jaar onderscheiden met de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza. Vandaar dat hij in deze aflevering van Boeken de enige gast van Wim Brands was. Het gesprek ging al gauw over het boek My Bright Abyss (Mijn heldere afgrond) van de Amerikaanse dichter en essayist Christian Wiman. Otten raakte deze zomer gefascineerd door dit boek en herlas het telkens weer. Wiman beschrijft in dit boek wat er met hem gebeurt wanneer hij van zijn arts zijn doodvonnis gehoord heeft: hij blijkt te lijden aan een zeldzame combinatie van mergkankers, die hem letterlijk uitmergelen.

In het essay bijna-levenervaring dat Otten op 26 oktober j.l. in Letter & Geest (Trouw) publiceerde, beschrijft hij wat het aangrijpende boek van Wiman voor hem betekend heeft. Als intellectueel die zich tot het katholicisme bekeerd heeft, wordt Otten diep aangesproken door de manier waarop de agnostische Wiman zich tot de dood verhoudt en in het bijzonder in zijn wil om zich voor te stellen wat er na de dood met hem gebeurt. Wiman drukt de dood niet weg door deze dood (dood=dood) te verklaren, maar hij probeert te naderen tot het onvoorstelbare.

Wiman drukt de dood niet weg door deze dood (dood = dood) te verklaren, maar hij probeert te naderen tot het onvoorstelbare.
Wiman is door alle wetenschappelijke, journalistieke, sceptische wateren gewassen. Hij weet dat de gedachte aan ‘na dit leven is er Niets’ – geen hiernamaals, geen eeuwigheid – een verlokkelijke, fatale kennis is, die een soort ‘existentialistisch heldendom’ met zich meebrengt. Hij treft deze nihilistische heroïek aan bij de twintigste-eeuwse Helden van de Geest – Beckett, Camus, Kafka (als hij een Nederlandse schrijver was zou hij wellicht toegevoegen: W.F. Hermans, Rudy Kousbroek) – en kan die ook bewonderen, maar het leidt uiteindelijk, als de schijnbaar zo soevereine opvattingen tot dogma’s verstarren, ook tot een cultus van het isolement. “Je voelt je thuis in de wereld door je nooit helemaal thuis te voelen.” Van God verlaten zijn, het schept een vreemde band, een soort stoere verongelijktheid die soms voor ‘existentiële moed’ wordt aangezien. Je hoort deze neostoïcijnse toon vooral bij fundamentalistische atheïsten die, na een bijna-doodervaring, met een soort triomfje zeggen “dat ze God niet zijn tegengekomen”.
 
Bron: trouw.nl

Otten is geïnteresseerd in de rite de passage en de dood is ongetwijfeld de ultieme “rite de passage.” Toch wordt de dood steeds meer als een eindpunt gezien. Het hiernamaals is vervangen door het hiernumaals, het “gedenk te sterven” door “nu samen genieten”. Daardoor is het leven volkomen binnenwereldlijk geworden. De economisering en technocratisering van de politiek, het consumentisme en het morele verval hebben allemaal te maken met onze grondhouding tegenover leven en dood.

Door het sterven als een “rite de passage” te zien en de dood dus als een nieuw begin, komt het leven in een totaal ander perspectief te staan. Het christendom met zijn laatste oordeel, hemel en hel heeft voor de meesten van ons afgedaan. Dood is dood. Maar My bright Abyss laat volgens Otten zien dat er vanuit de existentiële ervaring van het afgrondelijke een helder licht kan schijnen. Voor de katholiek Otten is dat Christus. Aangeschoven bij de VPRO aan tafel houdt hij het open, en dat is ook goed zo. Fundamentalistische atheïsten of agnosten die toch menen dat er na de dood niets is, zouden aan die open houding een voorbeeld kunnen nemen.

Schrijven als een vorm van denken en denken in de vorm van schrijven

uit het juryrapport van de P.C. Hooftprijs 2014
toegekend aan Willem Jan Otten

Wim Brands in gesprek met Willem Jan Otten [ boeken.vpro.nl ]

Assisi [ 3 ]

gelezen: Bodar door het land van Franciscus
gezien: de gelijknamige documentaire op DVD

Sinds het pontificaat van paus Franciscus is het aantal bedevaartgangers in Assisi met zeker tien procent toegenomen. Vorige zomer bezochten ook wij het bedevaartsoord. Het was op een snikhete woensdag in juni. Overal zagen we afbeeldingen van de heilige Franciscus en van de heilige vader. De basiliek met de beroemde fresco’s van Giotto maakte grote indruk op ons. Er heerste een ademloze stilte terwijl er honderden pelgrims in de kerk waren. Een paar maanden later zag ik op televisie live de mis die paus Franciscus op het plein opdroeg ter gelegenheid van de naamdag van de heilige op 4 oktober. Het was nu fris geworden op het plein.

Bodar door het land van FranciscusAfgelopen vrijdag kwam Michaela thuis met het boekje Bodar door het land van Franciscus in combinatie met de DVD van het drieluik dat de RKK in maart dit jaar uitzond. Bodar draagt zijn boekje o.a. op aan Hélène Nolthenius (1920-2000), die enkele boeken schreef over Franciscus en zijn tijd. Hij maakte dankbaar gebruik van haar boek een man uit het dal van Spoleto (1988). Ook in Duecento schrijft Nolthenius in het deel “de heiligen” over het leven van de heilige Franciscus die al twee jaar na zijn dood in 1228 heilig verklaard werd. Bodar is duidelijk een liefhebber van haar lyrische en contemplatieve stijl en gebruikt soms woorden die verouderd lijken. Maar bij Bodar weten we: “Eeuwigh gaat voor oogenblick”.

Bodar is duidelijk een liefhebber van Nolthenius’ lyrische en contemplatieve stijl en gebruikt soms woorden die verouderd lijken.

Bodar door het land van Franciscus [ npo.nl ] | Assisi [ 1 ] | Assisi [ 2 ]

pyjama avonturen

Winsor McCay: The Complete Little Nemo 1905–1927
little nemoNemo’s creator Winsor McCay (1867/1871 – 1934) was a founding figure in the modern American entertainment industry, above all with his revolutionary comics, which set standards for panel layout and storytelling technique, timing and pacing, and architectural and other detail that left an inestimable influence on subsequent artists, including Robert Crumb and Federico Fellini.
 
Winsor McCay: The Complete Little Nemo 1905–1927 collects, for the very first time, and in full, glorious color, all 549 episodes of Little Nemo. In the illustrated accompanying volume, art historian and comics expert Alexander Braun places Winsor McCay’s life and work within the cultural history of the U.S. media and entertainment industry, and explores the immense art historical value of McCay’s dream narrative. At once an adventure story, visual delight, and piece of cultural history, this publication is a tremendous monument to one of the most innovative pioneers—and one of the most intrepid explorers—of comic history.
 
Bron: taschen.com

WWI in kleur

The colors of catastrophe
Rediscovered autochrome photography of the First World War
First World WarThe devastating events of the First World War were captured in myriad photographs on all sides of the front. Since then, thousands of books of black-and-white photographs of the war have been published as all nations endeavour to comprehend the scale and the carnage of the “greatest catastrophe of the 20th century”. Far less familiar are the rare colour images of the First World War, taken at the time by a small group of photographers pioneering recently developed autochrome technology.
 
To mark the centenary of the outbreak of war, this groundbreaking volume brings together all of these remarkable, fully hued pictures of the „war to end war“. Assembled from archives in Europe, the United States and Australia, more than 320 colour photos provide unprecedented access to the most important developments of the period – from the mobilization of 1914 to the victory celebrations in Paris, London and New York in 1919. The volume represents the work of each of the major autochrome pioneers of the period, including Paul Castelnau, Fernand Cuville, Jules Gervais-Courtellemont, Léon Gimpel, Hans Hildenbrand, Frank Hurley, Jean-Baptiste Tournassoud and Charles C. Zoller.
 
Bron: taschen.com

meer Eerste Wereldoorlog op deze blog

bij de aankoop van een boek

gekocht: Amerika (1965) door J.W. Schulte Nordholt

AmerikaOnlangs kocht ik op een boekenmarkt een boek van een halve eeuw oud. Thuisgekomen analyseerde ik nog eens wat mij precies had besloten dit boek te kopen. Dat de menselijke motieven zelden enkelvoudig zijn, weet ik al het langste deel van mijn leven, dus zocht ik naar verschillende motieven. Ik kwam tot drie: 1. het boek als fetisj uit 1965 2. het onderwerp: Amerika 3. de schrijver: Jan Willem Schulte Nordholt. In deze volgorde ook.

Dat een boek als tastbaar object meer tot aankoop motiveert als het onderwerp of de auteur, lijkt dom. Het komt in de buurt van oordelen op grond van uiterlijk. Ook al gaat het verder dan de omslag. Ook de band, het binnenwerk en zelfs de geur van het papier blijven tenslotte een uiterlijk aspect van een boek en staan los van de inhoud waar het natuurlijk om moet gaan, juist bij een boek. Ik ben iemand die van ook boeken als voorwerp houdt. In sommige gevallen zijn boeken zelfs een fetisj voor mij. Al ben ik geen verzamelaar van eerste drukken of gesigneerde exemplaren. Maar ik hou van boeken met een verhaal dat niet in het boek zelf staat. Het verhaal van dit boek, nog voordat ik het gelezen heb, is het verhaal van mid-century modern, van zwart-wit fotografie en van typografie.

Ik hou van boeken met een verhaal dat niet in het boek zelf staat.

In combinatie met het onderwerp, de Verenigde Staten, én uiteraard de prijs, besloot ik het te kopen. De schrijver, J.W. Schulte Nordholt, had nauwelijks nog invloed bij mijn aankoop. Ik kende hem vaag als dichter van Denkend over God en mij en als vertaler van À toi la gloire. Een dichter die kiest voor een kolossaal onderwerp als de Verenigde Staten, moet haast wel een persoonlijk boek schrijven, is mijn redenering.

In Amerika wisselt de schrijver beschouwingen over de Amerikaanse cultuur af met dagboekaantekeningen die hij maakte tijdens een reis in de zomer van 1963. Dat was in een totaal ander Amerika dan vijftig jaar later. De Verenigde Staten stonden in 1963, na de Cubacrisis en enkele maanden vóór de moord op Kennedy, misschien op hun hoogste punt. Daarna kreeg het Amerikaanse zelfvertrouwen de ene na de andere deuk te verwerken.

Jan Willem (Wim) Schulte Nordholt (Zwolle, 12 september 1920 – Wassenaar, 16 augustus 1995) was een Nederlandse dichter en hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika. Hij is vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten.

Jan Willem Schulte Nordholt [ biografie ]

the world’s most famous cartoonist

Ten strijde met potlood en pen de prenten van Louis Raemaekers (1869-1956)
in het Limburgs Museum 29 november 2014 t/m 12 april 2015

Dit najaar openen allerlei tentoonstellingen rond de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Daarbij wordt niet alleen stilgestaan bij de strijd aan het front, maar ook bij de strijd achter het front. Vaak vanuit onverwachte invalshoeken. Zo is in het nationaal museum van de speelkaart in Turnhout tot 31 december de tentoonstelling Kartonnen wapens te zien over de rol van speelkaart aan het front. Het Limburgs Museum in Venlo opent op 29 november ook een tentoonstelling waarbij de rol van papier als wapen centraal staat. Ten strijde met potlood en pen laat een groot aantal politieke tekeningen van Louis Raemaekers (1869-1956) zien.

Raemaekers
Gisteren wees Peter Vandenmeersch in DWDD op de invloed van Louis Raemaekers in de Verenigde Staten. Het negatieve beeld dat de Amerikanen tijdens de Eerste Wereldoorlog van de Duitsers hadden, werd voor een groot deel bepaald door de prenten van Raemaekers die in de Amerikaanse media werden gepubliceerd.
De prenten van Raemaekers zijn gepubliceerd in meer dan tweeduizend kranten, enkele tientallen miljoenen exemplaren zijn iedere maand onder de lezers verspreid. De Amerikaanse pers noemde hem ‘the world’s most famous cartoonist’. Raemaekers maakte een rondreis door Amerika en hij werd ontvangen door president Woodrow Wilson en door oud-president Theodore Roosevelt, die grote bewondering had voor zijn tekeningen. Roosevelt noemde de prenten van Raemaekers de ‘meest krachtige van alle neutrale bijdragen aan de overwinning van de beschaving’. Dankzij zijn aanwezigheid groeide het aantal exposities en steeg de verkoop van albums en tekeningen met de dag.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Ten strijde met potlood en penIn Ten strijde met potlood en pen, Louis Raemaekers (1869-1956) herontdekt worden circa vijftig tekeningen in hun historische context gepresenteerd. Vanwege de kwetsbaarheid wordt een deel van de werken halverwege gewisseld. De expositie bestrijkt de hele nalatenschap van de politiek tekenaar, waarbij de Eerste Wereldoorlog extra wordt belicht.Bij de expositie verschijnt een publicatie die te koop zal zijn in de Museumwinkel. Ariane de Ranitz is de auteur van dit rijk geïllustreerde boek Louis Raemaekers met pen en potlood als wapen.
 
Bron: limburgsmuseum.nl

louisraemaekers.com

suikerzoete mondjes

gelezen: De wereld van Watteau (Life/Parool, 1967/1970)
portretten van Nattier, Boucher en Fragonard

WatteauToen Lodewijk XIV in 1715 stierf, veranderde in Frankrijk het culturele klimaat. De Académie Royale, de Franse staatsacademie, had tijdens de lange periode dat de zonnekoning aan de macht was geweest, allerlei strenge voorschriften gesteld aan Franse kunstenaars. Ze dienden zich te houden aan de stijlprincipes van het classicisme. Dit betekende o.a. dat vorm boven kleur stond, de antieken het ijkpunt waren en dat Vlaamse en Hollandse schilderkunst taboe was.

Toen de zonnekoning gestorven was, haalde heel Frankrijk opgelucht adem. Tijdens zijn strenge bewind had het land bijna drie generaties in een te strak korset gezeten. In 1715 ging er een frisse wind waaien. De grote culturele omslag wordt gemarkeerd door het jaar 1717 toen de 31-jarige schilder Antoine Watteau werd toegelaten tot de Académie Royale. Waarom was dit zo’n grote verandering?

Antoine Watteau (1684-1721) was een volgeling van Rubens en schilderde in een stijl die haaks op het classicisme stond. Terwijl de Franse schilder Nicolas Poussin gold als hét voorbeeld voor de volgelingen van het classicisme, was Rubens het voorbeeld voor schilders die hielden van kleur en levendigheid. Bij Poussin lijkt alles bevroren. De uitstraling is streng en statig. Bij Rubens wordt alles opgenomen in een golvende stroom. Zijn schilderijen maken een levendige indruk door de dynamiek en de pittige kleuraccenten. Watteau, die werd geboren in Valenciennes, stond als Vlaming dicht bij Rubens. Maar door naar Parijs te verhuizen en zich aan te passen, schiep hij een nieuwe, Parijse interpretatie van Rubens. Zijn uitvinding, het fête galante, zou je het geboorte uur van het rococo kunnen noemen. Na 1717 wordt alles lichter, kleurrijker en luchtiger.

Rococo is vaak een synoniem voor slechte smaak. Veel schilderijen lijken op de suikerzoete plaatjes uit poesiealbums, de portretten zijn meestal popperig en de poses behaagziek. Toch is er veel te genieten van portretten van schilders als Jean -Marc Nattier (1685-1766), François Boucher (1703-1770) en Jean-Honoré Fragonard (1832-1804). Technisch waren de twee laatste de begaafdste, maar Fragonard had de meest persoonlijke visie ontwikkeld. Dat hij veel naar Rubens had gekeken, bewijst onderstaand portret.

Fragonard
Jean-Honoré Fragonard had zo’n losse manier van schilderen en ging zo gedurfd met kleur om, dat de impressionisten in hem een voorloper zagen.

Nattier schilderde bijna uitsluitend portretten van vrouwen. Meestal beeldde hij ze af als een mythologische figuur, als de godin Diane of Venus. Als hij fotograaf zou zijn geweest, had hij vaseline op de lens gesmeerd. Zijn portretten hebben de zachtheid van een pastel.

Nattier
de portretten van Jean-Marc Nattier zien er poezelig uit doordat de verfstreken “weg gedast” zijn, onzichtbaar zijn gemaakt met een zachte kwast.

François Boucher was voor Madame de Pompadour wat Lebrun voor Lodewijk XIV was geweest. Hij was teveel lakei om als kunstenaar een persoonlijke stijl te ontwikkelen. Maar als vakman was hij fenomenaal. Dat is goed te zien in onderstaand portret.

Boucher
Het incarnaat is zo delicaat van kleur dat het breekbaar porselein lijkt, precies de uitstraling die François Boucher zijn model wilde geven: een teer, breekbaar popje.