Categorie archief: 16e eeuw

de Bernini van het hout [ 3 ]

op 11 juli j.l. bezochten we het Bayerisches National Museum in München
Tilman Riemenschneider in neuem Licht
Tilman Riemenschneider
Tilman Riemenschneider

Tilman Riemenschneider
Matthias Weniger, 2016
 
Das Bayerische Nationalmuseum in München besitzt eine der bedeutendsten Riemenschneider-Sammlungen weltweit. Insbesondere die frühen Werke, bei denen der Künstler noch in besonders großem Umfang selbst Hand angelegt hat, werden auf höchstem Niveau präsentiert. Dazu gehört die zentrale Schreingruppe des Münnerstädter Retabels, des ersten Werks, das Riemenschneider nicht auf eine farbige Fassung hin konzipiert hat. Etwa zur selben Zeit entstanden zwei Passionsgruppen, die der Rothenburger Maler Martinus Schwarz in kongenialer Weise polychromiert hat. Das Raffinement von Riemenschneiders Schnitztechnik kommt so noch subtiler zur Geltung. Mit zahlreichen weiteren gefassten wie ungefassten Spitzenwerken des Künstlers werden diese Arbeiten nun erstmals in einem Band vereint und in neuen Farbaufnahmen vorgestellt. Die Publikation erscheint aus Anlass der Neueinrichtung des Riemenschneider-Saals des Bayerischen Nationalmuseums.
 
Bron: jpc.de

bayerisches-nationalmuseum.de

DDR-maniërisme [ 1 ]

Werner Tübke – meesterschilder tussen Oost en West
Museum De Fundatie Zwolle, 28 januari t/m 14 mei 2017

In 2010 schreef ik over de grootste staatsopdracht uit de geschiedenis van de DDR, het panorama in Bad Frankenhausen van de Leipziger schilder Werner Tübke. Het reusachtige panorama, een van de grootste ter wereld, werd dertig jaar geleden voltooid nadat Tübke en zijn assistenten er negen jaar onafgebroken aan gewerkt hadden. Nog steeds staat de Sixtijnse Kapel van het Noorden in Bad Frankenhausen bij mij op mijn lijstje van plaatsen in Duitsland die ik wil bezoeken. Maar gelukkig hoef ik nu niet helemaal naar Thüringen te reizen om het panorama te zien. Op de tentoonstelling Werner Tübke – meesterschilder tussen Oost en West die zaterdag in Museum De Fundatie in Zwolle opent, is een 1:10 schaalmodel van het panorama te zien. Dat is nog altijd 13,5 meter lang! Daarnaast zijn er bijna honderd schilderen van Tübke te zien.

Tübke 1966/1967
Levensherinneringen van Dr. Jur. Schulze VII, 1966/1967 (olieverf op doek, 122,5 x 182,5 cm, Museum der bildenden Künste Leipzig)
Tübke was zeker niet de eerste moderne schilder die zich vrijwillig terugtrok tussen de oude meesters.

Werner Tübke werkte voor de naoorlogse westerse schilderkunst achter de gesloten gordijnen van het Oostblok. Aan de kunstacademie van Leipzig ontwikkelde hij zich in de jaren vijftig en zestig in een stijl die haaks stond op alles wat toen als modern gezien werd. De laat renaissancistische en maniëristisch stijl uit de zestiende eeuw was sowieso een anachronisme. Veel (verwrongen) bloot, gloeiende kleuren en een afwijzing van het clair-obscur, de belangrijkste pijler van de barokschilderkunst. Tübke was zeker niet de eerste moderne schilder die zich vrijwillig terugtrok tussen de oude meesters. Surrealisten als Christian Schad, deden dat tijdens het interbellum al. Anderen zoals Giorgio de Chirico werden na een korte flirt met de moderniteit volledig reactionair. Eenlingen als Balthus bleven hun leven lang hun eigenzinnige spoor trekken langs de moderne schilderkunst.

Voor de rest werden de meeste figuratieve en realistische schilders na de oorlog door de moderne westerse schilderkunst in de ban gedaan. Concept en expressie werden de heilige graal en op ambacht werd neergekeken. Achter het ijzeren gordijn zag de situatie er compleet anders uit. De abstracte schilderkunst die na 1945 in West-Europa in zo’n hoog aanzien kwam te staan, werd gezien als een Amerikaans product, een kapitalistisch verschijnsel. Het socialisme stelde daar het socialistisch realisme tegenover. Stalin had ooit de stijl van Repin tot standaard verheven. Dit noodzaakte de socialistische schilder om zich vooral technisch te ontwikkelen. De jonge Tübke was daar één van.

Toen Tübke (1929-2004) eind jaren veertig aan de Hochschule für Grafik und Buchkunst in Leipzig aan zijn opleiding begon, werd hij gekneed in het socialistisch realisme. Toch zou hij zich al snel onderscheiden van zijn medestudenten. Tübke greep terug op de stijl van de oude Duitse schilderkunst uit de eerste helft van de zestiende eeuw en dat paste niet in het plaatje van het socialistisch realisme. Uit onvrede met de rigide artistieke koers die men in Leipzig volgde, stapte hij over naar het Caspar David Friedrich Institut in Greifswald. Daar leerde hij ook de kunstgeschiedenis beter kennen.

Ik ben erg benieuwd naar de tentoonstelling in Zwolle. Als het een goede overzichtstentoonstelling is, dan zouden we de ontwikkeling van Werner Tübke vanaf de jaren vijftig moeten kunnen volgen. Kunnen we zien door welke schilders hij zich heeft laten beïnvloeden? In het panorama van Bad Frankenhausen grijpt Tübke letterlijk terug naar eerste helft van de zestiende eeuw. Het panorama beeldt namelijk de Slag bij Frankenhausen uit die plaatsvond op 15 mei 1525. Het was de beslissende slag in de Duitse Boerenoorlog. Het DDR regime zag deze oorlog als een voorafbeelding van de socialistische klassenstrijd. Tübke was deze opdracht op het lijf geschreven. Hij kon zich letterlijk uitleven in de stijl van zijn grote voorbeelden: Albrecht Dürer (1471-1528) en Matthias Grünewald (ca.1470-1528) die de Duitse Boerenoorlog (1524-1525) bewust hebben meegemaakt.

museumdefundatie.nl | Welgericht [ W&V ]

belleza di Bellini

aan het lezen in Nicolosia (2004) van Joost Divendal
Giovanni Bellini en zijn Venetiaanse model

NicolosiaNicolosia is een aanstekelijk verslag van een obsessie. Joost Divendal beschrijft zijn jarenlange zoektocht naar het model dat Giovanni Bellini (1430-1516), de vader van de Venetiaanse School, gebruikt heeft voor zijn madonna op het altaarstuk in de San Giobbe in Venetië. Bij Bellini is de breuk tussen de traditionele typos van de Moeder Gods op de Byzantijnse icoon en de Italiaanse madonna van vlees en bloed definitief geworden. De heilige maagd Maria zit bij Bellini nog altijd op een troon, meestal geflankeerd door heiligen en eventueel opdrachtgevers, maar is zoveel aardser dan de Byzantijnse Theotokos.

De aardsheid komt bij Bellini overigens niet uit de lucht vallen, maar krijgt wel iets definitiefs. Verschillende factoren spelen daar een rol bij: Bellini is een Venetiaan, hij schildert als Italiaan voor het eerst met olieverf (Antonella da Messina had deze vanuit Vlaanderen geïmporteerd en in 1475 naar Venetië gebracht) én hij werkt naar levend model. Vooral dat laatste is van doorslaggevend belang. De moeder Gods wordt in de Italiaanse schilderkunst van de late 15e eeuw een vrouw van vlees en bloed. Karl Marx zou opmerken dat de Moeder Gods bij Rembrandt een Hollandse boerenmeid is. Maar 150 jaar vóór Rembrandt was zij al een Italiaans meisje.

Divendal is geobsedeerd door de blik van de heilige maagd Maria op het altaarstuk in de San Giobbe, waarin hij het goddelijke en het menselijke ziet samengaan. Rond de intimiteit van deze blik trekt hij concentrische cirkels die uitdijen over de lagunestad. Soms ziet hij bij serveersters op de terrasjes of meisjes op de boten het sublieme en het banale onverwacht samenkomen. Nicolosia is te lezen als een ode aan het vrouwelijke en een loflied op de schoonheid.

Ik weet door het kijken uit ervaring dat kunst die verleidt tot blijven kijken, vrouwelijk is. Zij nodigt mij uit om op haar in en in haar op te gaan.
Bellini
de heilige maagd Maria op het altaarstuk van de San Giobbe door Giovanni Bellini (detail) “Ave virginei flos intemerae pudoris” (uit het Magnificat)
Natuurlijk ben ik meer gericht op de schoonheid van vrouwen dan van mannen. Dit is zo niet genetisch bepaald dan toch een kwestie van smaak. Hun fysieke soepelheid bepaalt mijn waarneming eerder dan de hoekigheid die mannen eigen is. Ik weet door het kijken uit ervaring dat kunst die verleidt tot blijven kijken, vrouwelijk is. Zij nodigt mij uit om op haar in en in haar op te gaan. Mannelijke kunst stoot af door haar zelfverzekerdheid, die de toeschouwer geen ruimte laat. Wanneer la belleza mijn uitnodigt en ik voor haar opensta, laat ik mij ontwapenen. En ik kijk.
 
uit: Nicolosia, uitgeverij Meulenhoff Amsterdam, 2004, blz. 96
Bellini
detail van de heiligen op het altaarstuk van de San Giobbe: Franciscus, Johannes de Doper, Job, Dominicus, Sebastiaan en Lodewijk van Toulouse
het altaarstuk van San Giobbe door Giovanni Bellini (ca.1487)
 
Dit altaarstuk is een voorbeeld van een sacra conversazione: een voorstelling waarbij in een in perspectief geschilderde ruimte een gesprek lijkt plaats te vinden tussen een Madonna met kind en een aantal heiligen uit verschillende tijdsperiodes. In dit geval zijn dat van links naar rechts: Franciscus, Johannes de Doper, Job, Dominicus, Sebastiaan en Lodewijk van Toulouse. Zowel Job als Sebastiaan zijn pestheiligen. Aan de voet van de troon van de Madonna zijn drie musicerende engelen te zien, die Bellini met grote precisie heeft geschilderd. Franciscus, die gekleed gaat in zijn traditionele bruine habijt en wiens stigmata duidelijk te zien zijn, nodigt de toeschouwer uit deel te nemen. Aan de rechterzijde valt met name Sebastiaan op die vrijwel naakt en in contrapposto is weergegeven.
 
Bellini creëerde evenwicht door aan de andere kant van Maria ook de oude Job ontkleed te schilderen. Dergelijke gedetailleerde afbeeldingen van het menselijk lichaam zijn typerend voor de hoogrenaissance. Op de mantel van Lodewijk van Toulouse is Job in miniatuur nogmaals afgebeeld, een eerbewijs aan de naamgever van de kerk. De figuren zijn geplaatst in een kapel met een cassetteplafond. Deze ruimte wordt afgesloten door een apsis met een gouden mozaïek, dat fonkelt in het licht en herinneringen oproept aan de Basiliek van San Marco. Op het mozaïek zijn zes engelen en de inscriptie Ave virginei flos intemerae pudoris te zien.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Max

vandaag precies 496 jaar geleden stierf Maximiliaan I van Oostenrijk

Na zijn huwelijk met Maria van Bourgondië in 1477 in Gent en haar vroegtijdige dood in 1482 werd keizer Maximiliaan I van Oostenrijk (1459-1519) de feitelijke machthebber van de Nederlanden. Zijn zoon Philips de Schone (1478-1506) trouwde Johanna van Castilië. Zo ontstond een machtig rijk dat zowel de Oostenrijkse en Bourgondische erflanden, Spanje en alle koloniale bezittingen in Zuid-Amerika omvatte. Karel V, zoon van Philips de Schone en kleinzoon van Maximiliaan, in 1500 in Gent geboren, werd de machtigste Habsburger uit de geschiedenis. Hij regeerde over een rijk “waar de zon nooit ondergaat”.

Maximiliaan
Portret van van Maximiliaan I van Oostenrijk door Albrecht Dürer. De keizer gaf in 1518 de opdracht voor dit portret maar Dürer voltooide het pas na zijn dood.

Keizer Maximiliaan I had voor zijn grafmonument de opdracht gegeven om 40 levensgrote bronzen standbeelden te laten gieten. Uiteindelijk zijn 28 figuren voltooid. Ik zag het enorme praalgraf in 1986 in de Hofkirche in Innsbruck. Het werd pas in 1572 voltooid, ruim een halve eeuw na de dood van Maximiliaan I.

graf Maximiliaan
vier van de 28 beelden rond het praalgraf van Maximiliaan I van Oostenrijk in de Hofkirche Innsbruck

Een soortgelijk praalgraf zag ik jaren later in de Frauenkirche in München. Het is de cenotaaf voor de in 1347 gestorven koning Lodewijk van Beieren door Hans Krumpper uit 1622. Overigens zijn beide grafmonumenten schijngraven want zowel Maximiliaan en Lodewijk liggen elders begraven.

Keizer Maximiliaan I [ nl.wikipedia.org ]

virgin queen

vrijdagavond gezien op Canvas: Elisabeth (1998)

Elisabeth IEngelse koningsdrama’s worden er genoeg gemaakt en zijn meestal van hoge kwaliteit. The Queen (2006) en The King’s Speech (2010) wonnen allebei oscars. Helen Mirren voor haar rol als Elisabeth II en Colin Firth voor zijn rol als George VI. Bovendien won The King’s Speech in 2011 de oscar voor de beste film. Maar ook Engelse historische drama’s die zich verder terug in de tijd afspelen, doen het goed. Verschillende periodes zijn daarbij favoriet: Victorian Era (1837-1901),
de Regency Era (1811-1820) en de Elizabethan Era (1858-1603). Je kunt gerust zeggen dat de koningin (Elisabeth I, Victoria, Elisabeth II) niet alleen de Engelse geschiedenis domineert, maar ook een bijzonder groot uithoudingsvermogen heeft.

Bekende historische drama’s van de laatste jaren zijn Shakespeare in love (1998), de The Young Victoria (2009) met Emily Blunt en natuurlijk ook de twee films over Elisabeth I met Cate Blanchett in de hoofdrol: Elisabeth (1998) en Elisabeth: The Golden Age (2007). Gisteren keek ik naar het eerste deel (1998) dat beter ontvangen is dan het vervolg (2007).

Elisabeth I
aan het einde van Elisabeth verschijnt de Engelse koningin zoals we haar kennen van de portretten die er van haar zijn overgeleverd: eerder een pop dan een vrouw van vlees en bloed. Dit maniëristische schilderij uit de tweede helft van de zestiende eeuw, lijkt wel geborduurd of een mozaïek van schelpjes.

Elisabeth is indrukwekkend kostuumdrama maar het is wel jammer dat scenarist Michael Hirst een loopje met de geschiedenis heeft genomen:

historische onjuistheden
De hofdame van Elizabeth, Kat Ashley, is in de film iemand van ongeveer dezelfde leeftijd als de koningin zelf. In werkelijkheid was zij veel ouder.
Bij Lord Burghley is het omgekeerde het geval, hij lijkt zeker een generatie ouder te zijn, maar was juist van ongeveer dezelfde leeftijd als Elizabeth.
Lord Sussex is in de film een van de verraders die daarvoor onthoofd wordt. In werkelijkheid was hij zijn hele leven een trouwe dienaar van de koningin.
Robert Dudley heeft ook geen verraad gepleegd, en bekeerde zich ook niet tot het katholicisme, hij werd juist steeds strikter in zijn protestantisme en kon later zelfs een puritein genoemd worden.
Bij het verhoor van Elizabeth wordt haar toegeworpen dat het geschil tussen het katholicisme en het protestantisme de oorzaak was van de dood van haar moeder, Anna Boleyn, dit is geenszins het geval, Anna werd ter dood veroordeeld wegens beschuldigingen van overspel, incest en hekserij.
Bisschop Gardiner leefde niet meer toen Elizabeth op de troon kwam, maar doet in deze film toch nog even mee.

Elisabeth [ imdb.com ]

maniërisme

Die Welt als Labyrinth (1957) van Gustav René Hocke
Malerei des Manierismus (1985) van Jacques Bousquet

ManierismusNa 1520 raakt de Renaissancistische schilderkunst uit balans. Het centraal perspectief dat ruimtelijke eenheid schept, de harmonie van vorm en kleur en het klassieke schoonheidsideaal worden op losse schroeven gezet. De eerste schilders die na de Hoog-Renaissance een nieuw mens- en wereldbeeld laten zien, zijn in 1494 geboren: Jacopo Pontormo en Rosso Fiorentino. Tegenwoordig worden ze tot het maniërisme gerekend. Zoals bij alle stijlperioden het geval is, zijn kunsthistorici verdeeld over de stijldefinitie en de periodisering van het maniërisme. In de negentiende eeuw zag men de schilderkunst tussen 1520 en 1620 als een periode van verval. Het maniërisme zat ingeklemd tussen twee bloeiperiodes in de westerse kunst: de Renaissance en de barok.

In de twintigste eeuw is er meer waardering gekomen voor het maniërisme. Dat heeft te maken met herkenning. Wanneer we een stijl opvatten als de uitdrukking van een bepaald levensgevoel dat een bepaalde periode beheerst, dan zijn er opvallende overeenkomsten tussen de zestiende eeuw en de twintigste eeuw. Beide eeuwen hadden in het eerste kwart een duidelijk keerpunt. In 1525 werd Rome geplunderd door de troepen van Karel V. Het trotse zelfbewustzijn van de Renaissance liep een enorme deuk op. Er brak een onzekere tijd aan die getekend was door godsdienstoorlogen. Ook de twintigste eeuw begon met het instorten van de oude wereldorde. De Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan het vooruitgangsgeloof dat sinds de Verlichting de Europese beschaving tot ongekende hoogte had voortgestuwd. Na 1918 brak er een nieuwe tijd aan, waarin de loopgravenoorlog verwerkt moest worden.

Dit afgrondelijke, dat ieder mens in zichzelf kan vinden, de angst voor het onbekende, de vervreemding en de eenzaamheid zijn tegelijkertijd grondthema’s van het existentialisme.

Het expressionisme, dadaïsme en surrealisme zijn verwant aan het maniërisme van de zestiende eeuw. Deze kunstenaars hebben een voorliefde voor het afgrondelijke. Dit afgrondelijke, dat ieder mens in zichzelf kan vinden, de angst voor het onbekende, de vervreemding en de eenzaamheid zijn tegelijkertijd grondthema’s van het existentialisme dat net als het surrealisme ook in de jaren twintig ontstaan is. Dit levensgevoel, dat men in de zestiende eeuw “saturnisch” of “melancholisch” noemde, is van alle tijden. Gustav René Hocke rekt het begrip maniërisme zover op dat bij hem de geest van het maniërisme door alle tijdperken waait. De romantici uit het begin van de negentiende eeuw waren voor hem dus ook maniëristisch.

Malerei des ManierismusJacques Bousquet geeft in de inleiding van Malerei des Manierismus een klein overzicht van verschillende opvattingen in gezaghebbende studies over het maniërisme. De eerste positieve waardering is van Max DvoÃ…â„¢ák in Kunstgeschichte als Geistesgeschichte (1924). Hij erkende als eerste kunsthistoricus de parallel tussen zijn eigen tijd en de tijd van het maniërisme. Curtis, Hoffmann en Friedländer definiëren het maniërisme als “anti-classicisme”. Heinrich Wölfflin analyseerde in 1888 de kunst van de Renaissance en de barok op stijlkenmerken. Op het maniërisme, dat ertussen ligt, kun je ook een analyse loslaten.

enkele karakteristieken van het maniërisme (Bousquet)

  • uitgesproken harde contouren en gladde vormen
  • voorliefde voor geometrische figuren
  • deformatie: uitgerekte figuren en ongewone perspectieven
  • “figura serpentina”, onnatuurlijke houdingen en gebaren
  • harde, koele kleuren
  • atmosferische stemmingen

 

Maniërisme [ nl.wikipedia.org ] | Maniërisme [ artcyclopedia.com ]