Categorie archief: comics

Het sneeuwde

gelezen: Berezina (2018)
naar de roman Il neigeait van Patrick Rambaud

Na het succes van De Slag bewerkte scenarist Frédéric Richaud opnieuw een roman van Patrick Rambaud voor een beeldverhaal getekend door Ivan Gil. Il neigeait (2000) vormt samen met La Bataille (1997) en L’Absent (2003) het middendeel van een trilogie over Napoleon. Patrick Rambaud ontleende de titel van zijn roman aan de eerste regel van het gedicht L’expiation (1853) van Victor Hugo. Hierin beschrijft Hugo de terugtocht vanuit Moskou in oktober, november en december 1812.

Berezina
de drie delen van de graphic novel Berezina
Il neigeait. On était vaincu
par sa conquête.
Pour la première fois l’aigle
baissait la tête.

In het derde deel van Berezina worden de eerste regels uit L’expiation geciteerd bij getekende impressies van de tocht van Smolensk naar Krasnoi. Het is 25 graden onder nul: “Het sneeuwde. We waren overtuigd van de overwinning. Voor het eerst boog de adelaar het hoofd. Het sneeuwde. De harde winter sloeg genadeloos toe. De ene witte vlakte na de andere. Gisteren de Grande Armee, nu de rest. De officieren noch de vlag waren nog te herkennen. Het sneeuwde. het sneeuwde voortdurend.”

L’expiation [ Engelse vertaling ]

Klare Lijn Event

gelezen: De Vallei der Onsterfelijken (2018)

Blake en MortimerTelkens als er een nieuwe Blake en Mortimer uitkomt, is dat voor de vaste schare van fans in België, Frankrijk en Nederland een sensatie. Toen in 1996 plotseling een nieuw avontuur verscheen, wisten veel vijftigers die met de klassieke strip van Edgar P. Jacobs waren opgegroeid niet wat hun overkwam. De verbazing was misschien wel net zo groot als wanneer er een nieuw avontuur van Kuifje het licht had gezien. Immers Hergé, de founding father van de Klare Lijn en zijn collega Edgar P. Jacobs waren respectievelijk in 1983 en 1987 overleden. Voor de fans was het een uitgemaakte zaak dat er nooit meer een verhaal van Kuifje zou verschijnen want Hergé had dit in zijn testament zo bepaald. Maar bij Edgar P. Jacobs lag het anders. Weliswaar bewaakte de Stichting Jacob de nalatenschap van de meester, maar in 1996 kon ze toch niet voorkomen dat Dargaud een gloednieuw verhaal op de markt bracht, gemaakt door het duo Jean Van Hamme en Ted Benoit. Wel kreeg de Stichting Jacobs het voor elkaar dat op de omslag niet meer het misleidende ‘van Edgar P.Jacobs’ vermeld mocht worden. De uitgever veranderde dit handig in ‘naar de personages van Edgar P.Jacobs’. Sinds het eerste album van Blake en Mortimer 2.0 in 1996 zijn er alweer twaalf albums verschenen, telkens in enorme oplagen.

In november kwam het dertiende album in de tweede reeks uit: De Vallei der Onsterfelijken (deel 1: Dreiging op Hong Kong). Net als Het geheim van de zwaardvis, Het geheim van de grote piramide, De drie formules van professor Sato, De sarcofagen van het zesde continent en De vloek van de dertig zilverlingen is het een dubbelalbum. Het tweede deel (De duizendste arm van de Mekong) van de De Vallei der Onsterfelijken moet nog verschijnen, waarschijnlijk in 2020. Bijzonder is dat voor het eerst een Nederlandse duo een verhaal tekende (naar een scenario van Yves Sente). Voor Teun Berserik en Peter van Dongen was het een hele eer om de wereldberoemde klassieke striphelden te mogen tekenen. ‘Alsof je met de Beatles een nummertje mag meedrummen!’, citeert Van Dongen zijn collega Gerrit de Jager in een interview in De Volkskrant.

Met de Klare Lijn kun je niet schmieren. Je kunt je niet verschuilen, want je ziet alles!’

Peter van Dongen

De Vallei der Onsterfelijken speelt zich af in 1947 en valt dus tussen Het geheim van de zwaardvis en Het geheim van de grote piramide in. Net als in De staf van Plutarchus, een prequel van Het geheim van de zwaardvis wordt er veel verwezen naar het allereerste avontuur van Blake en Mortimer dat Jacobs tussen 1950 en 1953 tekende. Op pagina 10 en 11 krijgen we een aantal déjà vu’s voorgeschoteld: plaatjes die we al kenden van het einde van Het geheim van de zwaardvis maar vanuit een andere hoek getekend. Ook op pagina 16 en 19 vinden we plaatjes die ons zeer bekend voorkomen.

Het Geheim van de Grote Piramide, om precies te zijn de Nederlandse editie uit 1954, gebruiken de tekenaars als stijlvoorbeeld. Van Dongen legt uit: ‘Een kroontjespen geeft een strakke lijn, met penseel wordt het meer dik-dun. Het Gele Teken is bijvoorbeeld helemaal met penseel getekend, wat een vrij vette lijn geeft. De Grote Piramide gaat meer richting Kuifje. We kiezen ervoor om de achtergronden met kroontjespen te tekenen en de personages met penseel: zo creëer je diepte.’
 
Bron: volkskrant.nl

Blake en Mortimer [ nl.wikipedia.org ]

Petits faits vrais

gelezen: De Slag (2018) van Ivan Gil en Frédéric Richaud
naar de gelijknamige roman uit 1997 van Patrick Rambaud

Voor zijn roman La Bataille heeft Patrick Rambaud zich intensief gedocumenteerd. Hij maakte niet alleen gebruik van gedetailleerde verslagen van gevechtshandelingen maar vooral ook van talloze anekdotes van veteranen. Zo verwerkte hij het voorval van de infanterist die zijn hoofd werd afgerukt door een kanonskogel. De gouden Napoleons die hij in zijn halsdoek genaaid vlogen de andere infanteristen om de oren. Of het gegeven dat er bouillon getrokken werd van paardenvlees op smaak gebracht met buskruit. Naast deze ‘petits faits vrais’, zoals Stendhal ze noemde, zijn er ook de ‘grote’ feiten. Wanneer we in een standaardwerk over Napoleon lezen over de Slag bij Aspern-Eßling komen we deze tegen. Zowel Andrew Roberts als Adam Zamoyski maken melding van een aantal feiten tijdens of rondom deze veldslag. Deze komen we ook tegen in de roman van Patrick Rambaud en in de bewerking van Ivan Gil en Frédéric Richaud.

De Slag
de drie delen van de graphic novel De Slag (2018)

Allereerst de line up. Voordat een (militair) historicus verslag doet van een veldslag, moet hij eerst weten wie de hoofdrolspelers zijn. Zoals ik al eerder schreef, komen de Oostenrijkers niet in beeld. Alleen hun opperbevelhebber, aartshertog Karl, zien we heel even vanuit de verte. La Bataille wordt beschreven vanuit verschillende posities in het Franse kamp. Allereerst de hoofdpersoon Louis-François Lejeune, een kolonel van 34 die tevens kunstschilder is. Rambaud heeft zijn hoofdpersoon slim gekozen. Lejeune was tijdens de Slag bij Aspern-Eßling verbindingsofficier. Hij moest dus boodschappen doorgeven tussen Napoleon en zijn generaals.

Via Lejeune maken we dus kennis met alle hoofdrolspelers in deze veldslag. Allereerst Napoleon zelf en zijn chef-staf Louis Alexandre Berthier die steeds bezorgd is dat Napoleon zich op het slagveld te kwetsbaar opstelt. Vervolgens zijn belangrijkste generaal André Masséna met de koosnaam ‘L’Enfant chéri de la Victoire’ die de leiding heeft in het dorpje Eßling, het meest strategische punt in de veldslag. Drie maanden later zal hij op de veertigste verjaardag van Napoleon de titel Prins van Eßling ontvangen.

Dan is er nog een hele reeks generaals en officieren onder wie Lannes, Sainte-Croix, Lasalle, Espagne, Saint-Cyr, Molitor, Legrand, Carra, Perigord, Dorsenne, Boudet, Saint-Hilaire en Pouzet. Drie generaals zullen sneuvelen: Espagne, Saint-Hilaire en Lannes. Vooral het verlies van Jean Lannes viel Napoleon zwaar. Ze waren sinds het Beleg van Toulon (1793) met elkaar bevriend.

Boutigny 1894
Paul-Émile Boutigny (1853-1929) schilderde dit tafereel (detail van een schilderij uit 1894) waarin Napoleon zijn zwaargewonde vriend Jean Lannes bezoekt, nadat een kanonskogel zijn been verbrijzeld had. Lannes zou tien dagen na de veldslag aan zijn verwondingen overlijden.

Bij een historische roman is het altijd de vraag of hoe vrais de faits zijn. Klopt het of heeft de schrijver de geschiedenis naar zijn eigen hand gezet? In ieder geval vond ik twee feiten die niet helemaal waar zijn. In het verhaal wordt een 17-jarige Duitse jongen opgevoerd die Napoleon zo hartgrondig haat dat hij hem persoonlijk wil vermoorden. Deze jongen heeft werkelijk bestaan en heette Friedrich Stapß. Op 12 oktober, vlak voor de ondertekening van de Vrede van Schönbrunn zou hij in een mislukte aanslag Napoleon met een mes hebben willen aanvallen. Hij werd door Napoleon persoonlijk ondervraagd en kon gratie krijgen. Maar Friedrich Stapß toonde geen berouw en werd ter dood gebracht. Deze gebeurtenis is in La Bataille verwerkt, maar vindt plaats voor de Slag bij Wagram op 5 en 6 juli 1809. Dat klopt dus niet.

Ook de excommunicatie van Napoleon door paus Pius VII die beantwoord werd met zijn arrestatie valt in de roman net iets te vroeg. De excommunicatie was op 10 juni maar de gevangenneming van Pius VII kwam pas op 6 juli nadat Napoleon bij Wagram de Oostenrijkers verslagen had.

Meynier 1812
Charles Meynier schilderde een tafereel (detail van een schilderij uit 1812) na de terugtrekking van de Fransen op het eiland Lobau in de Donau. Napoleon bezoekt de gewonden van de Slag bij Aspern-Eßling en wordt voorgesteld als een messiaanse figuur.

cinéma écrit

gelezen: De Slag (2018) van Ivan Gil en Frédéric Richaud
naar de gelijknamige roman uit 1997 van Patrick Rambaud

La BatailleHet in scène zetten van veldslagen uit de Napoleontische tijd is al bijna net zo oud als de historische roman zelf. (Algemeen beschouwt men Waverley uit 1814 van Walter Scott als de allereerste historische roman.) De Slag bij Waterloo (1815) was 25 jaar na dato al een onderwerp in De Kartuize van Parma (1839). In deze historische roman beschrijft Stendhal hoe zijn hoofdpersoon Fabrizio del Dongo naar het Noorden trekt om te vechten voor Napoleon en in de nasleep van de Slag bij Waterloo terecht komt. In 1839 leefden er nog genoeg veteranen die het de schrijver na konden vertellen. Dat was niet nodig omdat Stendhal kon putten uit zijn eigen oorlogservaringen en zijn doel was niet een gedetailleerd verslag van de veldslag, maar eerder een ironisch commentaar.

Nog eens ruim twintig jaar later figureerde de Slag bij Waterloo in Les Miserables (1862) van Victor Hugo. Ook Hugo pretendeerde geen uitvoerig verslag van de gevechtshandelingen, maar gebruikte Waterloo vooral als decor.

Anders is dit in Oorlog en Vrede (1869), een van de beroemdste boeken van de negentiende eeuw. Tolstoj (1828-1910) documenteerde zich minutieus om waarheidsgetrouw de veldslagen te kunnen beschrijven, want de meeste veteranen uit deze veldslagen leefden rond 1865 al niet meer. In dit geval ging het niet om de grootste nederlaag van Napoleon, maar om zijn grootste overwinning, de Slag bij Austerlitz in 1805. Nog meer aandacht besteedde Tolstoj aan de Slag bij Borodino (1812) waar hij zijn hoofdpersoon Pierre Bechozov in Oorlog en Vrede getuige van laat zijn.

BalzacIn de negentiende eeuw is er voor de romanschrijver dus al een levendige exploitatie van de Napoleontische oorlogen op gang gekomen, een trend die zich in de twintigste eeuw zou doorzetten. Daarin zijn verschillende benaderingen van elkaar te onderscheiden. De ene schrijver gebruikt de veldslag puur als decor (Hugo), de ander als spotprent (Stendhal) of als aanleiding voor filosofische beschouwingen (Tolstoi). Maar er zijn ook schrijvers die zo nauwkeurig mogelijk verslag willen doen. Dat geldt zeker voor Honoré de Balzac (1802-1850).

Tijdens een bezoek aan Wenen in 1835 had Balzac het plan opgevat een roman te schrijven waarin hij “van het eerste tot het laatste kanonsschot” verslag wilde doen van de Slag bij Aspern-Eßling op 21 en 22 mei 1809 iets ten noorden van Wenen. Hij bezocht 26 jaar na de veldslag het eiland Lobau en het Marchfeld waar op 21-22 mei en opnieuw op 5-6 juli tijdens de Slag bij Wagram verschrikkelijk gevochten werd. Vijftien jaar lang bleef het idee hem achtervolgen, maar bij zijn dood in 1850 was er nog geen regel van op papier gekomen.

Het oorspronkelijke idee van Balzac zou in 1997 eindelijk worden uitgevoerd door de Franse schrijver Patrick Rambaud. Volgens hem had Balzac zijn roman nooit kunnen schrijven omdat het medium film nog niet bestond. Balzac had namelijk de pretentie om de gevechtshandelingen realistisch in beeld te brengen en daar heb je de filmische benadering nodig met camerazwenkingen en scènewisselingen. De Fransen hebben daar een mooie term voor: cinéma écrit.

De snelheid van een kanonskogel laat zich moeilijk beschrijven en is eigenlijk ook al niet te filmen. Toch kunnen de schrijver of de cinematograaf het onzichtbare in beeld brengen door de sporen te laten zien, in dit geval het spoor van bloed dat de kanonskogel door een slagorde trekt. In de filmgeschiedenis heeft de gevechtsscène een ontwikkeling doorgemaakt. Kijk maar eens naar Ben Hur (1959) en dan naar Gladiator (2000). Het verschil wordt onmiddellijk duidelijk. Niet alleen is het geweld explicieter geworden, maar ook de cinematografie is veranderd: de camerabewegingen zijn dynamischer, de oorlogservaring (angst, desoriëntatie, chaos, waanzin) is filmisch vertaald in schokkerige of wazige beelden en de montage wordt gekenmerkt door discontinuïteit.

De Slag
Nederlandse uitgave van La Bataille als graphic novel, in 2018 verschenen bij uitgeverij Microbe

Een schrijver die een roman moet omwerken naar een beeldverhaal of film bedient zich van dezelfde termen: totaal, halftotaal, close up en de verschillende definities voor de camerahoek. Scenarist Frédéric Richaud schrijft achterin het tweede deel van La Bataille dat de roman van Patrick Rambaud zo beeldend geschreven is, dat hij eigenlijk alles al kreeg voorgeschoteld. Een roman dus als een filmscript, waarin de gezichtshoek centraal staat in de manier waarop het verhaal verteld wordt. Het moeilijkste voor scenarist Richaud was om in de wervelwind van acties de lezer niet te verliezen. Als anker in het stormachtige strijdtoneel heeft Rambaud de verhaallijn in Wenen in zijn roman geweven. Hier kan de lezer telkens even op adem komen.

Bij La Bataille moest ik soms denken aan de roman The Killer Angels van Michael Shaara dat gedetailleerd de Slag bij Gettysburg beschrijft, het keerpunt van de Amerikaanse Burgeroorlog in juli 1863. Hier worden beide partijen gevolgd, juist omdat het een burgeroorlog betreft. Zo kunnen de Amerikanen zich in The Killer Angels zich zowel met de noordelijken als de zuidelijken identificeren. In La Bataille blijven de Oostenrijkers op afstand. We zien de opperbevelhebber, aartshertog Karl slechts één keer vanuit de verte. De vijand blijft bijna abstract, al zien we op het slagveld dezelfde broedermoord als tijdens een burgeroorlog. Slechts de uniformen zijn verschillend, voor de rest zijn het allemaal dezelfde mensen van vlees en bloed.

ivangilsketchbook.blogspot.com

Slaughterhouse Aspern-Eßling

gelezen: De Slag (2018) van Ivan Gil en Frédéric Richaud
naar de gelijknamige roman uit 1997 van Patrick Rambaud

La BatailleGisteren kocht ik de graphic novel De Slag (150 pagina’s in drie delen) gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1997 van Patrick Rambaud en getekend door de Madrileen Ivan Gil naar een scenario van Frédéric Richaud. In 1997 werd La Bataille bekroond met de Prix Goncourt, een van de belangrijkste Franse literatuurprijzen. En in de wereld van de graphic novel oogstte de bewerking van Richaud en Gil veel lof.

Vorig jaar verscheen de Nederlandse vertaling in een fraaie uitgave van de Vlaamse uitgever Microbe. De drie delen bevatten naast het verhaal ook veel aardige achtergrondinformatie. Patrick Rambaud vertelt achterin deel 1 in historische aantekeningen hoe zijn roman, naar een nooit uitgewerkt idee van Honoré de Balzac (1799-1850), tot stand kwam. Hij schotelt ons een literatuurlijst voor en een overzichtje met de leeftijd van historische personages in 1809, het jaar van de Slag bij Aspern-Eßling. Zo komen we bijvoorbeeld te weten dat Napoleon in 1809 zijn veertigste verjaardag vierde, Charles Darwin op 12 februari geboren werd en Joseph Haydn 77 was.

De Slag
de drie delen van De Slag verschenen vorige jaar bij de Vlaamse uitgeverij Microbe die graphic novels van hoge kwaliteit uit het Frans en Engels naar het Nederlands laat vertalen en uitgeeft.

Voor de meeste mensen staat de Slag bij Aspern-Eßling zelfs niet in de schaduw van de veldslagen bij Austerlitz of Waterloo, maar is deze veldslag in de Vijfde Coalitieoorlog op 21-22 mei 1809 geheel onbekend. Maar iedereen met een bovengemiddelde kennis van Napoleon en zijn tijd, zal beslist van deze grote veldslag bij Wenen gehoord hebben. Het was een keerpunt in de Napoleontische oorlogen. Niet alleen omdat het de eerste veldslag was die Napoleon verloor. (Aan de Slag bij Bailén in 1808 nam hij zelf geen deel). Het was ook de eerste vernietigingsoorlog. Dat werd zes weken later nog eens bevestigd met de Slag bij Wagram op 5-6 juli 1809. De Fransen hadden hierbij een batterij van 112 kanonnen ingezet. Voor het eerst in de geschiedenis werd duidelijk dat de artillerie de cavalerie overvleugeld had. Het zou nog decennia duren voordat dit door zou dringen, maar de twee verschrikkelijke slachtingen bij Aspern-Eßling en Wagram zouden de oorlogsvoering voorgoed veranderen.

Le JeuneDe hoofdpersoon in de roman (en in de graphic novel) is Louis-François Lejeune (1775-1848), een historische figuur. Hij had een indrukwekkende staat van verdienste. Al in 1792 nam hij als 17-jarige deel aan de kanonade van Valmy. In 1800 vocht hij onder Napoleon bij Marengo waar hij bevorderd werd tot kapitein en vijf jaar later werd hij nog eens bevorderd na zijn deelname aan de Slag bij Austerliz. Tijdens het Beleg van Zaragossa (1808-1809) werd hij kolonel. In deze rang zou hij deelnemen aan de Slag bij Aspern-Eßling.

Het verhaal opent op 16 mei 1809 met een bezoek van kolonel Louis-François Lejeune aan generaal André Masséna (1758-1817). Masséna is op dat moment druk bezig om voor zichzelf een Oostenrijks paleis leeg te laten roven. Napoleon zou in zijn memoires van Sint-Héléna opmerken: Masséna a bien volé. Lejeune is verbindingsofficier en brengt Masséna het nieuws dat Napoleon wil dat er een 800 meter lange brug over de Donau wordt gebouwd. Het is de opmaat voor de veldslag van vijf dagen later.

Le JeuneVoor een verhaallijn die zich buiten het slagveld afspeelt, in het centrum van Wenen, gebruikt Rambaud een andere historische figuur: Henri Beyle, die na 1830 bekend zou worden onder de naam Stendhal. Beyle werkt in 1809 als administrateur bij het leger, maar in zijn hart is hij romanschrijver. “Een roman is een spiegel die men langs een weg laat glijden. Soms weerspiegelt het de azuurblauwe lucht. soms de modder uit de poelen in de weg”, noteert hij in zijn dagboek terwijl vijftien kilometer verderop de duizenden gewonden liggen te kreperen. Voor de inwoners van Wenen blijft de oorlog een abstractie, al horen ze in het centrum van de stad het kanongebulder en proberen ze vanaf de kades aan de rechter (zuidelijke) oever van de Donau met toneelkijkers het schouwspel gade te slaan. Maar meer dan een voorstelling wordt het niet. Eigenlijk ook niet zo vreemd, want de militaire uniformen uit die tijd wekken buiten het slagveld de indruk dat oorlog een vorm van theater is.

Maar meer dan een toneelvoorstelling wordt de oorlog voor de inwoners in Wenen niet. Eigenlijk ook niet zo vreemd, want de militaire uniformen uit die tijd wekken buiten het slagveld de indruk dat oorlog een vorm van theater is.

Naast deze twee historische figuren, die niet toevallig allebei kunstenaar zijn (Lejeune was een getalenteerd schilder en introduceerde in Frankrijk de lithografie die hij tijdens de campagne in Beieren bij Louis Senefelder (1771-1834) had leren kennen), introduceert Rambaud twee fictieve personages: de cynische en gewelddadige kurassier Fayolle en Anna Krauss, het Oostenrijkse liefje van Lejeune. In de roman zullen deze personages veel meer reliëf krijgen dan in de graphic novel, maar gezien de beperkingen van een beeldverhaal (150 pagina’s met voornamelijk beeld) is dat ook niet zo vreemd. Scenarist Frédéric Richaud maakte een bewerking die vooral het filmische karakter van de roman goed overbrengt.

Matho Tonga

De klassieker Matho Tonga (1948-1954) van Hans Georg Kresse
verscheen opnieuw in stripweekblad PEP (1 t/m 29) van 1970

Matho TongaAf en toe blader ik weer eens door de PEP’s uit de jaren zeventig. Het jeugdsentiment ben ik dan meestal ver voorbij. PEP is een schatkamer van Nederlandse stripmakers. Een van de nog levende meesters Dick Matena (Den Haag, 1943) tekende al vanaf 1968 voor PEP. Eerst De Argonautjes (1968-1973) en Ridder Roodhart (1969-1971) naar scenario’s van Lo Hartog van Banda. Tussen 1971 en 1975 tekende en schreef hij de strip Grote Pyr. Na 1970 werd PEP uitgebreid van 32 naar 48 pagina’s en verschenen nog meer strips van Nederlandse makelij. Hans G. Kresse (1921-1992) tekende vanaf 1966 voor PEP. In 1970 verscheen zijn klassieker Matho Tonga – de laatste der Mandan’s met nieuwe belettering opnieuw in PEP.

Kresse tekende verschillende verhalen van Matho Tonga. Het derde verhaal, het geheim van dr. Dorian, verscheen in Nederland in 1955 in Jaargang 58 van De Wereldkroniek.

Matho Tonga
plaatje uit Matho Tonga (pagina 59)

Het aantrekkelijke van Matho Tongha is dat deze strip niet ingekleurd is. Het fenomenale tekenwerk komt zo veel beter tot zijn recht. In 1970 zou Hans G. Kresse starten met zijn indianenstrips. PEP publiceert daarvan de eerste verhalen: De wraak van Minimic [#36 1970], Mangas Coloradas – Woestijn van wraak [#43 1971 t/m #9 1972] en Wetamo – De heks van Pocasset [#40 1972 t/m #8 40 1973]. Deze strips zijn wel ingekleurd waardoor het tekenwerk lang niet meer zo mooi uitkomt.

Matho Tonga
laatste pagina van Matho Tonga in PEP
Matho Tonga
plaatje uit Matho Tonga (pagina 59)
Matho Tonga
In 1977 verscheen bij Uitgeverij Oberon een fraai album in zwart-wit van Matho Tonga – de laatste der Mandan’s. Daarna verscheen nog het tweede deel De strijd in de Zwarte Bergen

Matho Tonga [ depepsite.nl ] | Matho Tonga [ vlaamsstripcentrum.be ]

vivre libre ou mourir

gelezen: Cette histoire qui a fait l’Alsace tome 9
Allons, enfants… (de 1792 à 1815)

histoire l'alsaceDe meeste boeken over de Franse Revolutie in het Nederlandse taalgebied concentreren zich op Parijs. De Zonnekoning had van Frankrijk de meest gecentraliseerde staat van Europa gemaakt waarbij hijzelf in het middelpunt stond. Het revolutionaire Frankrijk centraliseerde nog verder, de oude regio’s werden vervangen door departementen, er werd een agressieve taalpolitiek in de regio gevoerd en Parijs werd nog meer het administratieve centrum dan het al was. Toch is Frankrijk veel meer dan Parijs. Neem de Elzas, een gebied dat Lodewijk XIV in 1681 op het Duitse Rijk veroverde en wat cultuur betreft (nog altijd!) veel beter aansluit bij de Rijnlandse dan bij de Franse cultuur.

Toen de Franse Revolutie op 14 juli 1789 en definitief op 10 augustus 1792 doorbrak, hoorde de Elzas ruim honderd jaar bij Frankrijk. Maar de bevolking sprak hoofdzakelijk nog een Duits dialect en de gebruiken waren voornamelijk Duits. De Straatsburgse vrouwen droegen bijvoorbeeld een Schneppenhauben, een verzilverde of vergulde kam in het haar. In oktober 1793 toen de Jakobijnen in de Elzas een anti-Duitse koers gingen volgen, moesten alle vrouwen deze inleveren omdat het als nationalistisch symbool werd gezien. De onderstaande (anonieme) prent werd door tekenaar Francis Keller gebruikt voor de omslag van het educatieve stripboek.

Schneppenhauben
Les Strasbourgeoises déposent leurs bonnets d’or et d’argent, “les Schneppenhauben”, comme dons patriotiques.[credits: Musée Carnavalet, Histoire de Paris]

Het is interessant te lezen hoe de Revolutie in de Elzas verliep. De Elzas is altijd een grensgebied geweest met een uitwisseling tussen de Duitse en Franse cultuur. Het was overwegend katholiek maar na de Reformatie waren er ook protestante enclaves ontstaan, bijvoorbeeld binnen de zogenaamde Tienstedenbond (décapolis), tien vrije rijkssteden die van 1354 tot 1648 deel uitmaakten van het heilige Duitse Roomse Rijk. Kort na het uitbreken van de Revolutie vluchtten veel ci-devants (aristocraten) de Rijn over naar Duitsland waar ze zich voorlopig vestigden in de hoop dat de Franse Revolutie een mislukt project zou blijken. De Duitstalige bevolking van de Elzas werd vanaf de linker Rijnoever (Baaden) gevoed met politieke (royalistische!) geschriften om een contrarevolutie te ontketenen. vanuit Parijs werd dit keihard bestreden, want het vaderland heette nu eenmaal “één en ondeelbaar”.

Van de Franse Revolutie in de Elzas kunnen we leren wat de veerkracht van de regio en de traditie kan zijn.

In 1793 werd de guillotine ook in de Elzas geïntroduceerd. De Duitse Franciscaan en hoogleraar Euloge Schneider werd in Straatsburg openbaar aanklager en hij is een van de vele voorbeelden van de revolutionair die anderen naar het schavot verwees maar tenslotte ook zélf “gekopt” werd. Op 25 maart was er in Molsheim een royalistische opstand waarbij luidkeels “vive le roi” werd geroepen. De leiders van deze opstand werden terechtgesteld; het was de eerste keer dat in de Elzas de guillotine gebruikt werd. Het grootseminarie van Straatsburg werd in het voorjaar van 1793 tot gevangenis omgebouwd. Toen op 17 september 1793 in heel Frankrijk de Loi des Suspects werd doorgevoerd, konden gevangenen zonder proces tot de guillotine veroordeeld worden. De terreur, en dus de guillotine, zou daarna op volle toeren gaan draaien.

Op 12 september 1793 gaat het revolutionaire Frankrijk aan de Rijn in de aanval. Kehl (aan de overkant van Straatsburg) en Breisach worden allebei onder vuur genomen omdat daar Oostenrijkse troepen liggen. Ook al wordt Breisach in as gelegd, de Oostenrijkers worden niet verdreven. De Oostenrijkse veldmaarschalk Würmser valt via Wissembourg in het Noorden de Elzas binnen en rukt op naar de hoofdstad Straatsburg. De revolutionairen zijn zich bewust van de vijfde colonne die zich op dat moment nog binnen de stadsmuren bevinden en kondigen een ultimatum af op 15 november. Alle ci-devants (lees: royalisten) moeten onmiddellijk de stad verlaten.

De revolutionairen weten het tij te keren. Dan radicaliseert het. Net als de Notre Dame in Parijs wordt de kathedraal van Straatsburg omgedoopt tot de tempel van de Rede. Religieuze beelden en schilderijen worden vernietigd tijdens een jakobijnse beeldenstorm. Ook in Colmar wordt veel christelijk erfgoed kapotgemaakt. De Revolutie toont zijn meest intolerante gezicht: vivre libre ou mourir. In Hitzbach wordt een Mariabeeld rood-wit-blauw opgeschilderd en mag daarom blijven staan. In december 1793 worden straatnamen omgedoopt. De Rue Saint Louis heet voortaan Rue Guillotine en de Quai Saint Nicolas is nu de Quai de Bonnet Rouge .

Tempel van de Rede
Monument élevé à la Nature dans le Temple de la Raison à Strasbourg la 3.me décade de Brumaire l’an 2 de la République

De Franse Revolutie houdt de huidige tijd een spiegel voor. Ook nu zijn er weer krachten werkzaam die straatnamen willen veranderen en die tolerantie en diversiteit prediken, maar in werkelijkheid intolerant zijn en uniformiteit eisen. Van de Franse Revolutie in de Elzas kunnen we leren wat de veerkracht van de regio en de traditie kan zijn.

En 23 ans se succèdent la République révolutionnaire, le Directoire, le Consulat, le Premier Empire, la Première Restauration, les Cent-Jours et le début de la Seconde Restauration ! Chaque changement politique apporte son cortège de revirements, d’épurations et de remaniements. L’Alsace où, à l’époque, très peu de gens savent le français, est pour cette raison souvent suspecte aux autorités parisiennes, surtout après la Grande Fuite de 1793. Pourtant, les départements du Rhin ne sont pas en reste sur les autres pour ce qui est du civisme ! Beaucoup d’alsaciens figurent parmi les généraux de la République et de l’Empire. L’épopée napoléonienne marquera durablement les esprits.
Bron: babelio.com