Categorie archief: architectuur

Lichtheid

Gekregen van René: Barocke Welt – Barockkunst in Schwaben und Altbayern
Van Peter Sustermeier 1966

Barocke WeltNa de vernietigende Dertigjarige Oorlog (1618-1648) kwam er in het Duitse cultuurgebied (Duitsland werd pas 150 jaar geleden een eenheidsstaat) een periode van rust waarin het land weer helemaal moest worden opgebouwd. Dit duurde 40 jaar tot de Negenjarige Oorlog (1688-1697). Vier jaar later brak alweer een volgende oorlog met Frankrijk uit, de Spaanse Successieoorlog (1701-1713). Deze werd beëindigd met de Vrede van Utrecht (1713) en voor het Duitse cultuurgebied met de Vrede van Rastatt.

Het jaar 1713 markeert een nieuw begin voor Europa en in de Duitstalige landen breekt er een ware bouwwoede los. Bekende barokke bouwwerken in Duitsland uit deze periode zijn het Zwinger in Dresden (1710-1728), Schloss Bruchsal (1720-1736) en de residentie van Würzburg (1720-1744)

De barok gaat in deze periode een transformatie door en wordt in twee opzichten lichter: lichter van kleur en lichter van gewicht. We zijn deze vernieuwde barok later rococo gaan noemen, afgeleid van het woord “rocaille” waarmee de schelpachtige motieven die deze stijl ontwikkeld heeft, worden aangeduid. Barok en rococo lopen rond 1720 in elkaar over. Dit heeft mogelijk te maken met het optimisme na de Vrede van Utrecht en Rastatt. De godsdienstoorlogen zijn voorbij en er breekt eindelijk een periode van stabiliteit aan.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

De barok is de visuele uitdrukking van de Contrareformatie. De Rooms-Katholieke Kerk had tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) gezocht naar een antwoord op de Reformatie. Met een Contrarefomatie moesten de verloren schapen voor het katholicisme worden teruggewonnen. Men besloot de Rooms-Katholieke Kerk visueel aantrekkelijker te maken.

De kunstenaars werden in feite ingezet als de creatives van de reclamejongens van de Contrareformatie. Zo vonden de kunstenaars de barok uit: Caravaggio (1571-1610) in de schilderkunst, Bernini (1598-1680) in de beeldhouwkunst en Borromini (1599-1667) in de bouwkunst. Het is geen verrassing dat Rome, het centrum van de Rooms-Katholieke Kerk, de wieg van de barok werd.

De kunstenaars werden in feite ingezet als de creatives van de reclamejongens van de Contrareformatie. Zo vonden de kunstenaars de barok uit: Caravaggio in de schilderkunst, Bernini in de beeldhouwkunst en Borromini in de bouwkunst.

Barok wil de gelovigen direct raken. Niet via leerstellingen maar rechtstreeks via de zintuigen. Alle registers worden daarbij opengetrokken om de gelovigen “kippenvel” te bezorgen. Caravaggio schilderde 3D-schilderijen, een soort kijkkasten eigenlijk met daarin heiligen van vlees en bloed. Bernini liet het marmer ademen en soms kreunen. Borromini brak de ruimte open en maakte de antieke Renaissancevormen “vloeibaar”. En dat allemaal met het doel om de beschouwer in het hart te treffen en in extase te brengen, zoals Bernini’s engel de heilige Theresia met een pijl in het hart raakt. De gewijde ruimte van het kerkinterieur wordt nu een “belevingsgebied” gericht op de persoonlijke religieuze ervaring van de beschouwer.

De barok werd dé artistieke uitdrukkingsvorm van de zeventiende eeuw. Zelfs in protestantse gebieden, zoals de Republiek, streek de barok neer. Calvinisten hielden zich met hun afkeer van het uiterlijke, uiteraard verre van de Contrareformatie. Dat de invloed van Caravaggio doordrong tot in het katholieke Utrecht was natuurlijk geen wonder. Maar ook Rembrandt in Amsterdam stond sterk onder zijn invloed en wordt gerekend tot de barok.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

In de eerste helft van de achttiende eeuw transformeert de barok dus naar het rococo. Deze uiterlijke verandering komt echter nog steeds voort uit de oorsprong van de barok: de gelovige rechtstreeks raken via de zintuigen en daarbij alle registers open zetten. Vanaf 1720 wordt alles lichter en beweeglijker. Die beweeglijkheid wordt veroorzaakt doordat de symmetrie van barok 1.0 wordt losgelaten. Daardoor gaan ornamenten zich vrijer bewegen.

Uit de cartouches en bladmotieven ontwikkelt zich het rocaille. Een nieuwe ornamentele vormentaal ontstaat, die enigszins doet denken aan een onderwaterwereld. Het rocaille lijkt te leven en zich als anemonen aan pilaren en lijstwerk gehecht te hebben. Door de lichtheid en beweeglijkheid neemt de ervaring van vrijheid toe. Dat moet ook wel, want in de achttiende eeuw krijgt de Rooms-Katholieke Kerk na de Reformatie opnieuw tegenstand te verwerken: de Verlichting.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

Hoe geef je de gelovige een gevoel van vrijheid binnen de kerk? Door hem het gevoel te geven dat hij zweeft! Meer nog dan de barok probeert het rococo de beschouwer op te tillen. De pilaren worden ranker en witter en stuwen de blik omhoog. Het plafond wordt opengebroken door een vergezicht op de Hemel, zodat de gelovige letterlijk “uit zijn dak” kan gaan. De Olympus wordt het christendom binnengehaald, maar de Griekse goden op hun berg worden nu vervangen door christelijke heiligen op de wolken.

Volgens G.K. Chesterton (1874-1936) hebben heiligen niet alleen het vermogen tot lijfelijke opheffing (levitation) maar ook het vermogen tot lichtheid (levity). De Kerk weet in haar kunstuitingen volgens hem instinctief dat engelen kunnen vliegen omdat ze niet zwaar aan zichzelf tillen.
“Angels can fly because they can take themselves lightly” – Orthodoxy, 1908)

Ze kijken daarbij niet neer op de stervelingen, maar richten hun blik naar boven. In het midden troont Christus, nu niet als een strenge Byzantijnse Pantokrator met Zijn Wetboek, maar als Triomfator in Zijn opstandingsgewaad. In veel rococo koepelfresco’s houdt Christus met één arm het Kruis vast. Dit om te benadrukken dat er geen Opstanding zonder Kruis is, geen verhoging zonder vernedering.

Met deze eenvoudige boodschap “Neem je Kruis op en volg Mij” (Matteus 6:24, Marcus 8:34, Lukas 9:23), wordt alle dogmatiek “overschreven”. De zwaarte van het eigen zondebesef lijkt als sneeuw voor de zon verdwenen. De gelovige hoeft niet meer in zijn eigen onderwereld te kijken, maar mag zich omhoog richten naar de “Zon der Gerechtigheid” die hem tot Zich roept.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

Het is gemakkelijk om te schamperen over dit feel good christendom. Is dit niet gewoon een goedkope kermisattractie in plaats van een kerk? De ervaring die het interieur van een donker romaanse kerk geeft, is toch vele malen dieper en authentieker dan de ervaring van deze rococo kitsch?

Of is het allemaal toch weer een kwestie van smaak?

Als je je onbevangen aan de overdaad van het rococo kunt overgeven, geloof ik dat zelfs de grootste less-is-more-freak verrukt kan zijn over een rococojuweel als (het interieur van) de Wieskirche in Beieren. Hier is de smaak van het oneindige en de authentieke ervaring van lichtheid en speelsheid voor iedereen te vinden.

Wieskirche 2016
Wieskirche detail interieur
[foto genomen in juli 2016]

Spierballen-nationalisme

op 6 juli bezochten Michaela en ik het Niederwalddenkmal

150 jaar na de Frans-Duitse Oorlog is het Niederwalddenkmal bij Rüdesheim nog altijd een plek waar je iets kan voelen van het spierballen-nationalisme uit de negentiende eeuw. Dit opgeblazen nationalisme kwam rond 1900 op haar hoogtepunt en ging gelijk op met Europese imperialisme. Deze trotse bombast moest onvermijdelijk een keer tot uitbarsting komen, al duurde het na 1900 toch nog 14 jaar voordat het werkelijk zover was.

Niederwald Denkmal
Michaela bij het Niederwalddenkmal

Het reusachtige monument staat op een heuvel, vlak bij een scherpe bocht die de Rijn bij Bingen maakt en kijkt uit naar het Zuid-Westen. Het wordt bekroond door een 12,5 meter hoog beeld van Germania, een personificatie van het Duitse volk, die in haar rechterhand de keizerskroon in de hoogte steekt en met haar linkerhand dreigend een zwaard vasthoudt. Het is een duidelijk signaal naar de Erbfeind Frankrijk.

Niederwald Denkmal
uitzicht vanaf het Niederwalddenkmal Linksonder Rüdesheim en daarachter de linker Rijnoever.

Het monument werd tussen 1871 en 1883 opgericht, in de euforie na de victorie op het Franse Keizerrijk. Dat was nu gedegradeerd tot Republiek terwijl Pruisen zich met de andere staten uit de Noord-Duitse Bond verenigd had tot het Duitse Keizerrijk. Dit was niet alleen symbolisch, het was vooral de uitkomst van de Pruisische Realpolitik onder leiding van Otto von Bismarck (1815-1898).

Niederwald Denkmal
Germania met een personificatie van “vadertje Rijn” op de sokkel van het Niederwalddenkmal

De Rijn had voor Frankrijk en Duitsland niet alleen een economische betekenis, maar speelde vooral in de geopolitiek een grote rol. Frankrijk had er nooit een geheim van gemaakt dat het de Rijn beschouwde als haar natuurlijke grens. De Fransen meenden dus dat ze recht hadden op de linker (westelijke) Rijnoever. Lodewijk XIV had de Elzas veroverd en tussen 1794 en 1814 hoorde de linker Rijnoever (en de stad Koblenz) bij Frankrijk.

Op de sokkel van de Germania vinden we een groot bas-reliëf met in het midden de Pruisische koning Wilhelm I die als keizer Wilhelm I van Duitsland Parijs binnentrekt. Rechts van hem staat Bismarck. Dit is vooral bedoeld om de Fransen in te peperen dat nu hun oosterburen superieur zijn.

Niederwald Denkmal
Een demonstratie van keizerlijke macht op de sokkel van het Niederwalddenkmal

Onder dit machtsvertoon staan de coupletten van het nationalistische gedicht Die Wacht am Rhein uit 1840. In het eerste couplet wordt de vraag gesteld “zum Rhein, zum Rhein zum deutschen Rhein – Wer will des Stromes Hüter sein?” Het laatste couplet besluit met “am Rhein, am Rhein, am deutschen Rhein, wir alle wollen Hüter sein.” Zo wordt het Duitse volk opgeroepen om samen met Germania de Rijn te beschermen tegen Franse agressie. Duitsland bestond tot 1871 nog niet als grootmacht en de Duitse staatjes, met name in de Pfalz, hadden altijd invallen van Frankrijk moeten verduren.

Niederwald Denkmal
De sokkel van het Niederwalddenkmal

Het Niederwalddenkmal is een prima illustratie van het spierballen-nationalisme uit de negentiende eeuw. In de jaren twintig wilden separatisten het monument opblazen, maar gelukkig heeft men dat weten te voorkomen. Zo kunnen we nog altijd zien hoe in de tijd van het nationalisme de onderbuik van het Duitse volk door de politieke elite uit Berlijn bespeeld werd. In de eenentwintigste eeuw zien we (Duits) nationalisme als de voornaamste aanstichter van twee wereldoorlogen en zien we een verenigd Europa als een medicijn tegen oorlog. Zolang we blijven zien dat het Verenigde Europa evengoed een constructie is als het Verenigde Duitsland van Bismarck, kunnen we wakker blijven. Aan de Rijn bijvoorbeeld.

Niederwald Denkmal
De Grundstein van het Niederwalddenkmal werd “gelegd” door keizer Wilhelm I op 16 september 1877

niederwalddenkmal.de

Vedute di Roma [ 5 ]

Charles Louis Clerisseau (1721-1820)

Lang voordat de eerste ansichtkaart verscheen, ergens in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, bestonden er al prentjes voor toeristen. In Italië, het land waar het toerisme ontstaan is, konden kunstschilders vaak goed verdienen met het produceren van vedute, meestal stadsgezichten, maar soms ook landelijke taferelen. De eerste toeristen waren vaak rijke Engelsen die halverwege de achttiende eeuw hun Grand Tour door Italië maakten.

Canaletto (1697-1768) was misschien de beroemdste veduteschilder uit de achttiende eeuw. Een minder bekende veduteschilder uit de achttiende eeuw is Giovanni Paolo Pannini (1691-1765). En de bekendste vervaardiger van de ansichtkaart avant la lettre is Giovanni Battista Piranesi (1720-1778). Zijn etsen konden in oplagen verspreid worden en vonden zo ook hun weg naar Engeland, waar de Engelse toeristen bij thuiskomst van hun Grand Tour deze vedute lieten zien, als illustratie bij hun reisverhalen.

Terwijl Canaletto topografisch verantwoorde schilderijen produceerde, namen Pannini en Piranesi het niet zo nauw met de werkelijkheid. Daarom is het woord veduta (een topografisch betrouwbaar stadsgezicht of landschap) bij hen vaak niet van toepassing. Ze gebruikten daarom het woord capriccio. Deze onderscheidt zich van de veduta doordat het een fantasiestuk is. Een schilder van een capriccio kan helemaal los gaan in zijn fantasie, maar baseert zich wel op bestaande antieke bouwwerken. Hij kan de triomfboog van Septimus Sevrus groter maken of combineren met andere ruïnes die niet op het Forum Romanum staan.

Het capriccio bestond al in de zestiende en zeventiende eeuw. Vorig jaar liet ik werk zien van Marco Ricci (1676-1730) die aan het begin van de achttiende eeuw werkzaam was. Hij schilderde zijn capricci met gouache.

clerisseau
Charles Louis Clerisseau and the genesis of Neoclassicism

Afgelopen week ontdekte ik het werk van Charles Louis Clerisseau (1721-1820). Deze architect en schilder maakte voor Catharina II van Rusland een serie capricci die zich nu in het Hermitage bevinden. Evenals Ricci werkte Clerisseau graag met gouache. Omdat dekverf alleen het oppervlaktelicht weerkaatst, ziet het werk er direct en fris uit.

Vedute di Roma [ 1 ] | Vedute di Roma [ 2 ] | Vedute di Roma [ 3 ] | Vedute di Roma [ 4 ]

Gemopper in de kantlijn

gisteren gekocht: Hooligans (1989) van Jan Hendrik van den Berg
metabletisch onderzoek naar de betekenis van Centre Pompidou en Crystal Palace

hooligansSoms koop je wel eens een boek waarin een vorige lezer aantekeningen heeft gemaakt. Meestal is dat hinderlijk, maar soms is het leerzaam en een enkele keer zelfs amusant. De boekverkoper van boekwinkeltjes.nl had mij netjes geattendeerd op “aantekeningen in potlood”. De volgende dag was het boek er al. Het bleek mee te vallen. De aantekeningen zijn in een klein en fijn handschrift (met een scherp geslepen H-potlood gemaakt) zodat ze tijdens het lezen nauwelijks storend zijn. Hoe ‘fluisterend’ het commentaar visueel ook is, inhoudelijk is het met een vette marker gemaakt. Schreeuwende kritiek genoteerd in een uiterst bescheiden handschrift heeft iets komisch.

De aantekeningen werden misschien wel dertig jaar geleden gemaakt, want Hooligans van Jan Hendrik van den Berg werd gepubliceerd in 1989 (uitgeverij G.F. Callenbach in Nijkerk.) Blijkbaar had deze lezer geen hoge dunk van de metableticus Van den Berg. Dit blijkt al op het titelblad, waar hij achter de naam dr. Jan Hendrik van den Berg geschreven heeft: ‘rechtse rakker, gevaarlijk eenzijdig, bijziend, oppervlakkig, onrechtvaardig, sociale racist – en nog zo wat.’

commentaar
de vorige eigenaar van het boek waarschuwt op het titelblad van Hooligans voor het “weerzinwekkend mens- en wereldbeeld” en de “verderfelijke theorieën” van dr. Jan Hendrik van den Berg.

Het bovenstaande is een voorproefje van wat mijn commentator in de marges van de volgende 230 bladzijden noteert. Zo ontlokt het conservatisme van Van den Berg hem meermalen een spottend ‘ochot!’ Wanneer hij Van den Berg ergens op meent te kunnen betrappen dan staat er: ‘alsjeblieft, de aap uit mouw’. Bij verontwaardiging: ‘Wel ja, toe maar’. En tenslotte laat hij zich kennen als een progressieve moralist: ‘Van den Berg heeft een weerzinwekkend mens- en wereldbeeld. Bovendien bedenkt hij verderfelijke theorieën.’, ‘Heeft Van den Berg sympathie voor bepaalde methoden van Hitler om de minderen en de minsten te laten verdwijnen?’, ‘Van den Berg: dirty mind’, ‘Wat een smeerlapperij’.

Ondanks al dit gemopper in de marge, blijkt het boek Hooligans een interessante cultuurkritische studie over de relatie tussen moderne architectuur en het wegvallen van gezagsverhoudingen in de samenleving. De Hooligans zijn voor Van den Berg voor de cultuur en menselijke waardigheid bedreigender dan de Barbaren dat zijn voor Alessandro Barricco. De laatste, onthoudt zich uit vrees voor cultuurpessimisme van een duidelijke stellingname. Van den Berg schrijft vanuit een dapper conservatisme, waarvoor hij door zijn commentator genadeloos afgerekend wordt.

Gothic Revival

Augustus Welby Northmore Pugin (1812-1852)
en de neogotiek in de negentiende eeuw

PuginZoals in Nederland en Frankrijk de neogotiek vooral aan één naam gebonden is (Pierre Cuypers en E.E. Viollet-le-Duc) is in Engeland A.W.N. Pugin (1812-1852) meestal de eerste naam die genoemd wordt in verband met de Gothic Revival. Deze begint in de jaren dertig en duurt ongeveer tot 1870. Pugin is bekend als de ontwerper van het House of Parliament, de Elisabeth Tower (in de volksmond de Big Ben genoemd naar de reusachtige klok die bovenin hangt) en de Victoria Tower.

Augustus Welby Northmore Pugin (1812-1852) is niet alleen de grote man achter de Gothic Revival in Engeland maar ook de geestelijk vader van het functionalisme.

In de serie Victoria wordt Prins Albert door premier Robert Peel in 1842 voorgedragen als beschermheer van de nieuwbouw van het House of Parliament dat door de brand van 1834 bijna volledig verwoest was. In de aflevering Warp en Weft zien we hoe hij wordt rondgeleid door een deel van het Palace of Westminster dat voor de grote brand van 1834 gespaard was gebleven.

Dat lijkt op het eerste gezicht vreemd. Hoe kan een van de frontmannen van een historische stijl nu aan het begin staan van de stijl die het gezicht van de twintigste eeuw zou gaan bepalen? Functionalisme had toch een broertje dood aan historische stijlen met hun overvloedige ornamentiek? Toch is het begrijpelijk dat juist vanuit de neogotiek in de negentiende eeuw de afslag werd genomen naar het functionalisme, een opvatting die in het modernisme bepalend werd voor architectuur en industriële vormgeving. Want de gotiek is een stijl, die op het kruispunt staat van functioneel en ornamenteel. Onderdelen uit het gotische maaswerk zoals de tweesnuit en de driepas zijn geen loze versierselen, maar in de eerste plaats bouwelementen.

Victoria Tower and Woolworth Building
Wanneer we de geleding van de gevel van de Victoria Tower (1843-1860) vergelijken met die van de Woolworth Building (1910-1913) zien we dat neogotiek en functioneel bouwen uitstekend samengaan.

Maar neo-gotiek kon zich ook uitleven in overdadige ornamentiek. Een duidelijk voorbeeld van een rijk versierd bouwwerk in neogotische stijl is het Albert Memorial (1872-1876) in Londen.

Neogotiek [ nl.wikipedia.org ]

Boek & film [ 3 ]

gezien: The Age of Innocence (1993) van Martin Scorsese
aan het lezen in: De jaren van onschuld (1920) van Edith Wharton

The Age of InnocenceNadat ik The Age of Innocence drie of vier keer gezien heb, is het eerste dat mij opvalt tijdens het lezen van de roman, dat het filmscript vaak letterlijk de woorden van Edith Wharton heeft overgenomen. Martin Scorsese en Jay Cocks die samen het scenario schreven, hebben de sublieme stijl van Wharton in de film zoveel mogelijk overeind proberen te houden. Niet alleen in dialogen maar ook in de fraaie beschrijvingen van interieurs, rijke families en etiquette. De voice over laat de roman hier en daar letterlijk door de film heen schemeren.

Ook visueel wordt het boek nauwgezet gevolgd. Het verhaal speelt zich voornamelijk af in de Victoriaanse interieurs van de beau monde in New York, maar we zien een enkele keer ook straatbeelden. In historische films, waarin het verleden tot leven geroepen moet worden, stelt het straatbeeld de production designer meestal voor technische problemen. Tot het einde van de vorige eeuw werden historische stadsbeelden vaak met matte painting afgedekt en ingevuld. Sinds 25 jaar wordt bijna alles opgelost met digitale animatie. Voor The Age of Innocence maakte art director Dante Ferretti vooral gebruik van matte painting. Persoonlijk zie ik dat liever als Computer Generated Imagery, die het over het totaal een zweem van onechtheid achterlaat.

Op movie-locations.com zien we een overzicht van locaties uit The Age of Innocence. De film begint in de opera, de natuurlijke biotoop waar de upperclass zichzelf met toneelkijkers in de gaten hield. Scorsese en zijn art director Ferretti weken uit naar Philadelphia om te filmen in de Academy of Music die gebouwd werd tussen 1855-1857 en dus uitstekend de Academy of Music in New York die in 1926 werd afgebroken, kan vervangen.

The Age of Innocence begint in de opera waar de wereldberoemde Zweedse sopraan Christine Nilsson (1843-1924) een aria in Faust zingt.

Een andere locatie in New York die niet meer bestaat, is het mansion van Mrs. Mingott op de hoek van Fifth Avenue en de 57th street. In werkelijkheid stond hier vroeger een rij huizen van Mrs. Jones, een tante van Edith Wharton. Ook deze werden in de jaren twintig afgebroken voor hoogbouw. Voor deze locatie liet Ferretti door een production designer een matte painting schilderen, waarbij hij de beschrijving uit het boek volgde. In 1869 toen Wharton’s tante hier haar mansion liet bouwen, was Fifth Avenue boven de 40th street nog een modderige weg die over een braakliggend deel van Manhattan liep.

Een derde locatie is het historische Van Alen House uit 1731 die in de film moet staan voor Skuytercliff, een buitenhuis aan de Hudson van de Van Luydens. Niet alleen de familie Van Luyden maar ook het Van Alen House benadrukken de Nederlandse wortels van de happy few in New York in de 1870′s. Wharton schrijft dat de Van Luydens directe afstammelingen waren van de eerste gouverneur van Manhattan (Nieuw-Amsterdam) en dat was Cornelius Jacobsz May.

Martin Scorsese werkte veel samen met art director Dante Ferretti. Tweemaal werd deze genomineerd voor een oscar voor de art direction voor een Scorsese film (The Age of Innocence, 1994 en The Gangs of New York, 2003) en tweemaal wist hij zijn nominatie ook te verzilveren (The Aviator, 2005 en Hugo, 2012). Ferretti is niet half zo bekend als Scorsese terwijl deze laatste zeker half zoveel te danken heeft aan zijn vaste art director.

Hoofdpersoon Newland Archer is een jonge advocaat met een passie voor schilderkunst. Dit laatste gegeven weten Scorsese en Ferretti uit te buiten, door Newland Archer met de blik van een connaisseur over de schilderijen te laten gaan. De camera neemt het daarna van hem over en voor het oog van de camera passeren schilderijen van William-Adolphe Bouguereau, Alexandre Cabanel en Jean Baptiste Isabey die in de roman genoemd worden.

the age of innocence
Newland Archer interesseert zich voor schilderkunst. De New Yorkse elite heeft een voorkeur voor Franse salonschilders met een fabelachtige techniek, zoals William Bouguereau. Maar in het huis van gravin Olenska wordt hij geconfronteerd met de allernieuwste, rauwe schilderkunst uit Europa, die het verlangen naar vrijheid benadrukt.

Ook laat ze ons weten dat haar hoofdpersoon helemaal op de hoogte is van de kunsthistorische literatuur van zijn tijd. Zo heeft hij The Renaissance van Walter Pater uit 1873 en Renaissance in Italy uit 1875 van John Addington Symonds gelezen en is hij thuis in de esthetische geschriften van John Ruskin, Vernon Lee en Philip Gilbert Hamerton.

Boek & film [1] : Schaduw over Berlijn van Volker Kutscher

monument voor een monument

gelezen: De laatste farao (2019)

De Laatste FaraoEind juni liep ik in een boekhandel in het Franse stadje Avallon voor het eerst tegen een exemplaar van le dernier pharaon aan en ik was zeer verbaasd een Blake en Mortimer getekend te zien in een a-typische stijl, namelijk die van François Schuiten, bekend van de cyclus De duistere steden.

Vanuit de stripwereld werd er al lange tijd uitgekeken naar dit album en dat verklaart ook waarom ik begin juli in Franse boekhandels er telkens stapels van zag liggen. Ook in Nederland is het raak. In een doodgewoon Bruna-filiaal ergens in een winkelcentrum in een buitenwijk ligt een stapeltje. Het verschijnen van een nieuwe Blake en Mortimer is een happening die zelfs tot in de supermarkt doordringt. Toen een half jaar geleden De vallei der onsterfelijken verscheen, werden er in de eerste week al grote aantallen van verkocht. Meestal door grijze heren als ik die het inwendige jongetje weer willen opgraven en terugverlangen naar de rode oortjes.

Dat François Schuiten (samen met Jaco van Dormael, Thomas Gunzig en Laurent Durieux) zich ooit zou voegen in het rijtje “Blake en Mortimer tribute tekenaars” had ik nooit kunnen bedenken. De stijl die hij in de loop der decennia is gaan hanteren, met zijn vele arceringen, staat haaks op de klare lijn van de Brussels meesters Hergé en Jacobs. Het doet eerder negentiende eeuws aan. Schuiten heeft dan ook een voorliefde voor het einde van de negentiende eeuw, de periode waarin de Brusselse architect Victor Horta (1861-1947) zijn belangrijkste werk schiep.

De laatste farao is niet alleen een verhaal van Blake en Mortimer maar dompelt ons ook onder in een Schuiten-universum. Daaronder verstaan we een wereld waarin de stad Brussel een belangrijke rol speelt waarbij vooral de architectuur uit de negentiende eeuw naar voren komt. Vaak in combinaties met luchtschepen en steampunk. In De Laatste Farao lichten Schuiten en zijn scenaristen Van Dormael en Guzig er één gebouw letterlijk uit: het Justitiepaleis (1866-1883), een monsterlijk groot gebouw dat als een berg het centrum van Brussel beheerst.

Justitiepaleis Brussel
Het Justitiepaleis in Brussel aan het begin van de twintigste eeuw was een ontwerp van Henri Poelaerts

Schuiten, zoon van twee architecten, is al zijn hele leven gefascineerd door deze kolos, waarover Victor Horta ooit zei: “Cyclopische architectuur ontsproten aan de verbeelding van een dwerg, zonder kennis van de menselijke schaal.” Toen Schuiten in de nagelaten notities van Edgar P.Jacobs ontdekte dat deze ook een verhaal rond dit gebouw wilde maken, stond het voor hem vast: hij zou dat verhaal maken. Het kostte hem bijna vier jaar.

MortimerDe Brusselse striptekenaar Edgar P. Jacobs publiceert zijn eerste avontuur van Blake en Mortimer in 1946, in het weekblad Kuifje. Het Mysterie van de Grote Piramide volgt in 1950. De uitgeverijen Blake en Mortimer en Dargaud Benelux, eigenaars van de beroemde Britse helden, dachten al lang aan een apart deel in de rand van de traditionele reeks. Dit album zou geënt worden op de persoonlijke kijk van een auteur met een grote bewondering voor het werk van Jacobs. De keuze van de uitgever ging als vanzelf naar een andere Brusselaar, François Schuiten. Dat is ook de man die, samen met Benoît Peeters, nieuw leven blies in het Autrique Huis. Onze vereniging moest dus wel de originele platen van De Laatste Farao huisvesten. François Schuiten werkte niet alleen. Hij omringde zich met cineast Jaco Van Dormael en romanschrijver Thomas Gunzig om het scenario van dit uitzonderlijk avontuur van Blake en Mortimer uit te werken en fijn te stellen. Laurent Durieux zorgde voor de prachtige inkleuring. Het is geen eerbetoon, geen nostalgische terugblik, ergens tussen de Gizeh-vlakte en de heuvels van Brussel, maar De Laatste Farao geeft wel een andere zienswijze op de mythe die Edgar P. Jacobs creëerde. (Bron: autrique.be)

De Laatste Farao – persbericht [ PDF ]
interview met Francois Schuiten door Thijs Demeulemeester [ tijd.be ]
Poelaerts, de Schieven Architek [ W&V ]