Categorie archief: religie

de god van Schelling

gelezen: Hoofdstuk IV over Friedrich Wilhelm Joseph Schelling
in Het Kwaad. het drama van de vrijheid (1997) van Rüdiger Safranski

SchellingDe Duitse filsoof Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) was net als de Schotse filosoof David Hume een wonderkind die de centrale gedachte van zijn filosofische systeem al vóór zijn twintigste formuleerde. Schelling is een van de grondleggers en belangrijkste vertegenwoordigers van het Duits idealisme. Hij construeerde een identiteitsfilosofie waarin subject en object, denken en zijn, geest en materie slechts in schijn verschillende, maar in wezen identieke verschijningsvormen zijn van één enkele werkelijkheid. Zijn denken komt in de buurt van de oude Indische filosofie en mystiek waarin het Atman (Zelf) en Brahman (Kosmos) identiek zijn.

In Het Kwaad. het drama van de vrijheid behandelt Rüdiger Safranski in het vierde hoofdstuk Schelling‘s identiteitsfilosofie met betrekking tot het kwaad. Schelling zou de ondertitel van Safranski‘s boek helemaal onderschrijven: het kwaad is het drama van de vrijheid. Het is een kosmisch drama. In tegenstelling tot het postmoderne denken dat ons zo vertrouwd is, neigt het denken rond 1800 niet bepaald naar het kleine, maar juist naar het grote. Het Duits idealisme brengt nieuwe Grote Verhalen voort. “Schellings metafysische speculaties zijn vertellingen in begrippen. Het onheuglijke is kennelijk alleen narratief te verwerken.” schrijft Safranski.

Net als Spinoza vertrekt Schelling bij god. God is daarbij niet de persoonlijke God van de Bijbel, maar het alomvattende begrip van het hele zijn. God is dus niet alleen licht, maar ook duisternis. Voor Schelling heeft god een duistere kant. In god is een oorspronkelijke duisternis waaruit hij zich ontplooien moet zodat hij uiteindelijk tevoorschijn kan komen als een god van het licht. Het is een allesbehalve christelijke opvatting van God. In de Eerste Brief van Johannes lezen we namelijk: “Dit is wat wij Hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis.”

Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt.

Maar de jonge Schelling, die gevormd was door de enorme belangstelling voor Spinoza vanaf 1785, had zich bekeerd tot het pantheïsme en god was voor hem zowel licht als duisternis. De duisternis vatte hij daarbij niet op als de afwezigheid van licht, maar als de oergrond waaruit het licht tevoorschijn komt. In de god van Schelling bevindt zich daarom een duistere afgrond. De nog onvoltooide god die uit het duister oprijst en op weg is naar het licht, is voor Schelling de mens. Deze opgang is in vrijheid. De mens heeft de keuze tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad. Het drama van zijn vrijheid is zijn vrijwillige keuze voor het kwaad. Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt. De mens wordt niet ontrouw aan Zijn Schepper maar aan zijn eigen geestelijke natuur.

Schelling en het verraad van de transcendentie
De mens wordt een verrader van het universele, omdat de angst voor het leven hem uit zijn eigen centrum drijft. Maar het centrum is de geest van de liefde, het verterende vuur waarvan hij de verwarmende nabijheid zoekt en waarvoor hij tegelijk terugdeinst om niet te verbranden. De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest. Die perversie is bij Schelling de boven het louter morele uitgaande grondstructuur van het kwaad, en hij duidt daarmee op het schandaal dat het christelijke denken “de zonde tegen de Heilige Geest” noemt. Alleen is “de heilige geest” waartegen de mens zondigt zijn eigen geestelijke wezenscentrum. De mens is het metafysische dier, en als hij probeert dat af te leren, verraadt hij zijn eigen geestelijke natuur.
 
uit: Het kwaad. Het drama van de vrijheid (vert. Mark Wildschut)

De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest.

Safranski over Schelling

De oude Schelling moest na 1840 dat verraad aan de geest, die verdrijving van de geest door de triomf van de materialistische wetenschap, nog zelf meemaken. Het idealisme werd “drooggelegd” en daarvoor kwam materialisme in de plaats. In zijn voordrachten uit 1841/42, die gebundeld werden in Philosophie der Offenbarung, keert hij terug naar de God van de Bijbel, die inbreekt in de geschiedenis. Vanuit zichzelf kan de mens zich niet verlossen en zinkt hij steeds dieper weg in materialisme. Safranski besluit het hoofdstuk over Schelling met: “De Philosophie der Offenbarung geeft het geloof weer het woord. Maar het is geen kinderlijk geloof, het is een geloof na de filosofische zeiltocht om de wereld.”

Kijken in de afgrond [ recensie van Michaël Zeeman uit 1998 in De Volkskrant ]
Het kwaad. Het drama van de vrijheid [ liberales.be ]

de god van Spinoza

gelezen: Hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst
in De Verlichting als kraamkamer (2013) door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerPrecies drie jaar geleden verscheen De Verlichting als kraamkamer van Jabik Veenbaas. Tegenover Wim Brands legde Veenbaas in VPRO Boeken uit welk misverstand er volgens hem over de Verlichting bestaat. Als het om de historische Verlichting gaat, een periode die Veenbaas in het laatste kwart van de zeventiende eeuw laat beginnen, werd de rede niet verheerlijkt maar juist ondergraven door het scepticisme. De grote Schotse filosoof David Hume was zeker niet de eerste die twijfelde aan de almacht van de rede. Had de rationalist Descartes het tijdperk van de moderne filosofie niet ingeleid, door de methodische twijfel als grondslag te kiezen? Maar Descartes vond uiteindelijk nog een veilige haven in het christelijke geloof. Honderd jaar later is er van die veilige haven weinig meer over. Traditioneel wordt de rationalist Spinoza aangewezen als de grote opruimer van het oude geloof. De joodse gemeenschap in Amsterdam had Spinoza in 1656 geëxcommuniceerd. Hij werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft Spinoza de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

Spinoza werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft hem de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

In hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst van zijn boek, verwondert Veenbaas zich erover dat Spinoza nog altijd te boek staat als een atheïst. Je leest telkens weer een “hoe is het mogelijk?!” tussen de regels door. Spinoza‘s filosofische bouwwerk was namelijk gefundeerd in een godsbewijs! Hoe kan juist een denker die, net als de middeleeuwse filosofen, vertrekt bij een ontologisch godsbewijs, voor een godsloochenaar worden uitgemaakt?! Volgens Veenbaas was Spinoza alles behalve een atheïst, hij was zelfs een zuivere christen, al hield hij er onorthodoxe denkbeelden op na.

Natuurlijk staat of valt de juist beantwoording van de vraag “was Spinoza een atheïst?” met ons begrip of beter gezegd onze kennis van God. Spinoza sprak in zijn Tractatus theologico politicus (1670) en in zijn Ethica (1678) veel over god. Maar hij verstond onder god iets anders dan de orthodoxe joden en christenen van zijn tijd. Voor Spinoza viel god samen met de natuur. Hij was dus een pantheïst. In het pantheïsme is geen plaats voor een persoonlijke God die de wereld geschapen heeft. God valt samen met de wereld. Er is dus geen onderscheid tussen Schepper en Schepping.

Spinoza werd de hele achttiende eeuw als atheïst beschouwd en spinozisme was een synoniem van atheïsme en pantheïsme. In de eenentwintigste eeuw komt de religieuze beleving van de meeste mensen echter heel dicht bij die van Spinoza. Zeker in de populaire New Age, die de geïnstitutionaliseerde religies achter zich heeft gelaten, is god een energie geworden die in de materie werkzaam is. Het is dus niet verwonderlijk dat Spinoza nu zo actueel is. En het is ook niet vreemd waarom we moeilijk kunnen begrijpen waarom Spinoza als atheïst gezien werd/wordt.

Wanneer je in een persoonlijke God gelooft, dan is al datgene wat daartegenin gaat atheïsme. Niet alleen de substantie (=god) van Spinoza, maar ook de goddelijke energie (=god) uit de New Age en ook de abstracte god van het deïsme. Atheïsme hangt dus af van je eigen godsbegrip. Zo hoeft het meest vage ietsisme, waarin god niet meer is dan “een vermoeden”, zichzelf niet als atheïstisch te beschouwen. Een agnosticus zal tenslotte ook niet van zichzelf durven zeggen dat hij atheïst is.

Schama’s Citizens [ 2 ]

gelezen: Burgers – Kroniek van de Franse Revolutie (1989) van Simon Schama
septembermoorden, oorlog in de Vendée en La Grande Terreur

CitizensNaar aanleiding van de 200e verjaardag van de Franse Revolutie schreef de Engelse historicus Simon Schama een boek van ruim negenhonderd bladzijden. In hetzelfde jaar (1989) verscheen een Nederlandse vertaling. Burgers – Kroniek van de Franse Revolutie past in de revisionistische geschiedschrijving van de Franse Revolutie. De duistere kanten van de revolutie worden daarin meer benadrukt dan de lichte kanten. Schama laat vooral het excessieve geweld naar voren komen en houdt de emancipatie op de achtergrond. Met name om die reden kon zijn boek kon in 1989 op forse kritiek rekenen van marxistisch georiënteerde historici als Eric Hobsbawm en Morris Slavin.

Schama ziet het geweld als de drijvende kracht achter de Franse Revolutie. Vanaf het prille begin werd de revolutie aangedreven door opiniemakers, pamflettisten (twitteraars en bloggers anno 2016) en demagogen (haatzaaiers en populisten anno 2016) waarvan sommigen volksjustitie goedkeurden. (Eigen schuld, dikke bult). Toen de Nationale Conventie de regie dreigde de verliezen, werd door de jakobijnen een schrikbewind ingesteld. Vanaf de onthoofding van de koning in januari 1793 tot aan de val van Robespierre in juli 1794 was, om met de woorden van Danton te spreken, “terreur aan de orde van de dag”.

Vanaf het prille begin werd de Franse Revolutie aangedreven door opiniemakers, pamflettisten (twitteraars en bloggers anno 2016) en demagogen (haatzaaiers en populisten anno 2016)

In diezelfde periode veranderde het revolutionaire Frankrijk door de levée en masse en massaproductie van wapens in een oorlogsmachine. In de Vendée werd een gruwelijke oorlog uitgevochten die aan een kwart miljoen mensen het leven kostte, vrouwen, kinderen en bejaarden niet uitgesloten. Steden als Lyon, Marseille en Toulon kwamen in verzet tegen de jakobijnen en de opstanden werden vervolgens bloedig neergeslagen.

In Burgers – Kroniek van de Franse Revolutie heeft Schama vooral sympathie voor de slachtoffers van La Grande Terreur. Dat waren voor een groot deel geestelijken. Wie de illusie heeft dat een wereld zonder religie een betere wereld zou zijn, zou kennis moeten nemen van de ontkerstening tijdens La Grande Terreur. De afschaffing van het christelijk geloof en de “zuiveringen” waren in naam van de Verlichtingsidealen vrijheid, gelijkheid en broederschap. Vervolgingen en executies onder een seculier (revolutionair) régime zijn niet minder gruwelijk dan onder een theocratisch (ancien) régime.

Catholic Martyredom – Vendée 1793

Bisschoppen, priesters en gelovigen die het slachtoffer werden van de lynchjustitie zouden martelaren worden. Alleen al tijdens de septembermoorden (1792) werden 250 geestelijken vermoord. In 1926 werden deze zogenaamde septembermartelaren zalig verklaard.

Maar de meeste slachtoffers vielen in de Vendée. Daar was de overwegend boerenbevolking in het voorjaar van 1793 in opstand gekomen. Ze weigerde de priesters te volgen die een eed hadden afgelegd op de grondwet en beschermde de priesters die trouw gebleven waren aan de katholieke kerk. Er volgde een keiharde confrontatie met Parijs. De opstandelingen organiseerden zich tot het Armée catholique et royale de Vendée en wonnen aanvankelijk terrein en vormden zo een bedreiging voor de jonge Republiek. Maar na de afkondiging van de levée en masse eind augustus 1793 hadden ze geen schijn van kans meer. In december 1793 werden de laatste opstandelingen verslagen. Daarna volgde een uitroeiing van de bevolking van de Vendée, waarbij niemand gespaard bleef. Historici in Frankrijk debatteren nog altijd over de vraag of de slachtingen van 1793 en 1794 in de Vendée genocide waren.

For Mr de Villiers, an aristocrat whose family seat is in the Vendée, genocide does indeed apply as his forebears were killed for religious reasons: they had rebelled to protect their priests, who refused to swear an oath to the new constitution.
 
Bron: telegraph.co.uk

Guerre de Vendée [ fr.wikipedia.org ]

Augustinus van snoepgoed [ 2 ]

op 21 juli bezochten we de voormalige kloosterkerk van Rottenbuch
met Augustinuscyclus (ca. 1750) van Matthäus Günther (1705-1788)

De kloosterkerk van Rottenbuch (Beieren) werd rond het midden van de 18e eeuw gedecoreerd. Matthäus Günther schilderde een omvangrijke een cyclus met episoden uit het leven van de heilige Augustinus. Door zijn Belijdenissen (397/8) , wel eens de eerste spirituele autobiografie uit de geschiedenis genoemd, weten we in vergelijking met andere heiligen veel over zijn levensloop.

Rottenbuch
de cyclus met episoden uit het leven van de heilige Augustinus bevinden zich aan weerszijden van de beide muren van het middenschip. Ze zijn gevat in cartouches met opvallend symmetrisch rocaille. Deze versterken de associatie met het plaatje uit een poesiealbum.

De religieuze schilderkunst uit de achttiende eeuw is duidelijk te onderscheiden van die van de eeuw ervoor en erna. In de barok van de zeventiende eeuw zijn de voorstellingen meestal veel donkerder en zwaarder, terwijl in de negentiende eeuw de religieuze schilderkunst historisch verantwoord is. Na 1800 zien we steeds meer de vruchten van wetenschappelijk historisch onderzoek. Bijbelse en historische figuren dragen daarom geen eigentijdse kleding meer en ook de eigentijdse (neoclassicistische) architectuur maakt plaats voor architectuur zoals deze ooit geweest moest zijn.

Maar in de fresco’s van Matthäus Günther (1747) is van de zwaarte van de zeventiende eeuw en van de objectiviteitsdrang van de negentiende eeuw niets te zien. In de snoeperige voorstellingen verschijnen de figuren in rijke Venetiaanse kledij zoals bij Veronese en Tiepolo.

Augustinus
Augustinus bij de Manicheeërs
En zo kwam ik terecht bij mensen vol hoogmoedige waanzin, vleselijk gezind en praatziek, in wier mond strikken van de duivel waren en vogellijm, bereid met bijvoeging van de uiterlijke klank van Uw naam en van de Heer Jezus Christus en van onze Trooster, de Heilige Geest. Deze namen weken niet van hun mond, maar ze waren niet meer dan een klank en een geluid van de tong; hun hart echter was zonder enige waarheid. En zij zeiden: “waarheid en waarheid” en zij hadden het tegen mij druk over haar, maar zij was nergens in hen te vinden, maar zij spraken onwaarheid niet slechts over U, die in waarheid de Waarheid bent, maar ook over de elementen van deze wereld, Uw schepping.
 
Bron: Belijdenissen
Augustinus
de doop van Augustinus in Milaan in 387
Wij voegden hem bij ons als iemand van gelijken leeftijd als wij in Uw genade, ter opvoeding in Uw tucht: en wij werden gedoopt en de bekommerdheid over ons vroegere leven ging weg van ons. En ik kon mij in die dagen niet verzadigen aan de wonderlijke liefelijkheid, gelegen in de overdenking van de diepte van Uw raadsbesluit tot redding van de mensheid. Hoe weende ik bij Uw lofliederen en gezangen, heftig geroerd door de liefelijk klinkende stemmen Uwer kerk! Die stemmen stroomden mijn oren binnen en de waarheid droppelde helder in mijn hart en vrome aandoeningen welden daarin op, en mijn tranen stroomden en het was mij goed met hen.
 
Bron: Belijdenissen
Augustinus
de priesterwijding van Augustinus in 390
Augustinus
Het graf van Augustinus
In de cartouche boven de tombe van Augustinus staat “erit sepulchrum ejus gloriosum” (zijn graf zal heerlijk zijn) een profetie van Jesaja.

Augustinus van snoepgoed [ 1 ]

op 21 juli bezochten we de voormalige kloosterkerk van Rottenbuch
met Augustinuscyclus (ca. 1750) van Matthäus Günther (1705-1788)

Matthäus GüntherHet blijft mij intrigeren hoe de christelijke iconografie na 1730 met suikerfondant belegd werd. Ik heb daar een eigen theorie over. Na de Vrede van Utrecht (1713) waren de oorlogen tussen het katholicisme en het protestantisme voorbij. In de eeuw van de Verlichting werd alles lichter. Dat is heel duidelijk te zien in de schilderkunst. De zware en donkere barok van de Contrareformatie wordt na 1730 opvallend lichter en dat in de beide betekenissen van het woord licht: licht van kleur en licht van boodschap. Om het volk bij de katholieke kerk te houden, moesten er geen zware leerstukken meer verkondigd worden maar moesten de gelovigen betoverd worden als Hans en Grietje door “het huisje van knibbel knabbel knuisje”.

Om het volk bij de katholieke kerk te houden, moesten er geen zware leerstukken meer verkondigd worden, maar moesten de gelovigen betoverd worden als Hans en Grietje door “het huisje van knibbel knabbel knuisje”.

Zo ontstond de barok 2.0 : het rococo. Vooral in het katholieke Zuid-Duitsland en in Tirol kwam het rococo tot bloei. We bezochten ook deze zomer weer een paar kerken met interieurs uit het rococo. De meeste van deze kerkinterieurs ontstonden tussen 1740 en 1770.

In Rottenbuch (Beieren) stond ooit een groot vrouwenklooster. De kloosterkerk werd rond het midden van de 18e eeuw gedecoreerd. Matthäus Günther schilderde een omvangrijke een cyclus met episoden uit het leven van de heilige Augustinus. Door zijn Belijdenissen (397/8) , wel eens de eerste spirituele autobiografie uit de geschiedenis genoemd, weten we in vergelijking met andere heiligen veel over zijn levensloop. Een van de bekendste episoden uit Augustinus‘ leven is het moment dat een stem hem gebiedt de Bijbel te lezen. In het achtste boek van de Belijdenissen wordt dit beschreven:

En ineens, daar hoor ik een stem uit een naburig huis, een stem die zingende zei en steeds weer herhaalde, een stem als van een jongetje of van een meisje, ik weet het niet: “‘Tolle, lege! Tolle lege!’ (‘Neem en lees!’) En meteen veranderde mijn gezicht en begon ik ingespannen na te denken of kinderen bij een of ander spelletje iets van dien aard zingen; het wilde me niet te binnen schieten dat ik het ooit ergens had gehoord. Toen bedwong ik de heftige stroom van mijn tranen en stond op: de enige verklaring die ik kon geven was deze, dat ik van Godswege bevel kreeg om het boek te openen en de eerste passage waar mijn oog op viel te lezen.”
 
Bron: Belijdenissen, 8, XII, 29
Augustinus
Tolle, lege! (Neem, Lees!) in de interpretatie van Matthäus Günther
Augustinus ligt als een Junge Werther in het gras als hij overvallen wordt door een (innerlijke) stem.
Augustinus
Augustinus luistert naar de preek van de Ambrosius, de bisschop van Milaan
Augustinus
Augustinus vlucht naar Afrika
Augustinus
Valerius, de bisschop van Hippo, wijdt Augustinus in 395 tot coadjutor. Een jaar later volgt Augustinus hem op als bisschop van Hippo.

Wat gebeurt er met iconografie als je deze in een ander jasje hijst? De uitstraling verandert niet alleen, maar ook de inhoud. Immers: The medium is the message. Hoe beeld je iets onstoffelijks als de goddelijke genade uit? In de Byzantijnse iconografie wordt deze traditioneel weergegeven door een handje uit een wolk in de bovenhoek van de icoon. Maar wat zien we in de iconografie van het rococo? Cherubijntjes met roze billetjes en een Vrijmetselaarsoog! De goddelijke liefde krijgt zo een setting die doet denken aan het verlichte boudoir van Madame de Pompadour.

Augustinus
Augustinus wordt aangestoken door het vuur van de goddelijke liefde

Kloster Rottenbuch

Franz Anton Zeiller

gezien in Museum in Grünen Haus in Reutte: Mit Pinsel und Palette!
Zum 300. Geburtstag von Franz Anton Zeiller
(1716-1794)

Franz Anton ZeillerDriehonderd jaar geleden werd in Reutte (Tirol) de schilder Franz Anton Zeiller geboren. Ik had al wel eens van hem gehoord, maar buiten Oostenrijk is hij om verschillende redenen geen bekende schilder. De belangrijkste reden is waarschijnlijk dat hij een oeuvre schiep dat tegenwoordig heel ver van ons af staat, kerkelijke fresco’s en altaarstukken. Daarbij werkte hij ook nog eens in een stijl waar we sowieso niets meer mee hebben, het rococo. Zijn leven speelde zich voornamelijk af in Beieren, Noord- en Zuid-Tirol (sinds 1919 Italië). In zijn leerjaren bereisde hij wel Italië en woonde hij enkele jaren in Rome.

Franz Anton Zeiller is een van de vele schilders van religieuze kunst uit de achttiende eeuw waar je gewoon aan voorbij loopt. Of onderdoor loopt. Want veel van zijn werk zijn koepelfresco’s en plafondschilderingen in het middenschip. Het is vooral meer van hetzelfde. Geen grote kunst, wel degelijk ambachtswerk.

Franz Anton Zeiller
Het boomwonder van de heilige Martinus in de St. Martin in Sachsenried, de eerste zelfstandige opdracht van Zeiller in 1753.

In Beieren, Noord- en Zuid-Tirol is het bezaaid met kerkjes die aan de buitenkant vaak opvallend kaal en eenvoudig zijn, maar aan de binnenkant weelderig gedecoreerd zijn. Ontelbare schilders en andere ambachtslieden waren er in de achttiende eeuw druk mee. Het resultaat zijn kermisachtige interieurs en hebben dus een uitstraling die eerder frivool dan ernstig is. Alsof de muziek van Mozart gematerialiseerd is.

Franz Anton Zeiller
Het boomwonder van de heilige Martinus detail

Wat bijna alle schilders van kerkelijke kunst uit Beieren en Tirol in de achttiende eeuw met elkaar gemeen hebben, is het kleurgebruik en de theatraliteit. Beide zijn door en door Italiaans.

De Venetiaanse frescoschilder Tiepolo introduceerde rond 1730 een nieuw soort kleurgebruik. De barok had vooral onder invloed gestaan van Caravaggio, de schilder van dramatische lichteffecten die altijd heel veel donker nodig had in zijn werk. Maar 140 jaar na Caravaggio liet Tiepolo iets heel nieuws zien: voorstellingen waar de donkere tonen helemaal uit verdreven waren. De pasteltinten deden hun intrede in de schilderkunst. Het leek alsof de zon was doorgebroken. Dat gevoel werd effectief toegepast in koepelfresco’s waarin de hemel letterlijk openbrak en de Zon der Gerechtigheid, soms gezeten op een regenboog, in het gezicht scheen.

In het werk van Franz Anton Zeiller zie je overal de Italiaanse invloed. Hij bracht dan ook een uitzonderlijk lange studietijd in Italië door, van 1742 tot 1749. Toen hij terugkeerde in Tirol ging hij eerst aan het werk als assistent bij een meester. Maar in 1757 kreeg hij zijn eerste grote opdracht: een reeks grote plafondschilderingen in de abdijkerk van Ottobeuren. Hij zou er vier jaar aan werken, langer dan Tiepolo aan de fresco’s in de residentie van Würzburg had gewerkt.

Franz Anton Zeiller
In 1763, tien jaar na de fresco’s in de St. Martin in Sachsenried, schilderde Zeiler nogmaals Het boomwonder van de heilige Martinus in de St. Martin in Schlingen.

De opdracht in Ottobeuren zou de carrière van Zeiller veel goed doen. In 1766 werd hij door de bisschopsvorst van Brixen naar Zuid-Tirol gehaald om het priesterseminar te decoreren. Hij werd er zelfs tot hofschilder benoemd. Zeiller had nu het hoogste bereikt wat een eenvoudige schilder uit Reutte kon bereiken. Toen hij in 1783 (hij was toen 66 jaar) naar zijn geboorteplaats terugkeerde, was hij een belangrijk man geworden. Maar hij ging nooit met pensioen en werkte door tot in de jaren tachtig van de achttiende eeuw. Zijn laatste werken bevinden zich in Böhen (St. Georg), Matrei im Ost-Tirol (St. Alban), Bichlbach (St. Laurentius) en Wängle (St. Martin).

Grüne HausDer Museumsverein des Bezirkes Reutte gedenkt in der diesjährigen Sommerausstellung an den bedeutenden Reuttener Maler Franz Anton Zeiller. Er wurde am 18. April 1716 in Breitenwang getauft. Schon früh verlor er seine Eltern. So kam er in der Lehre seines Großonkels Paul Zeiller. Nach Lehrjahren in Augsburg und vor allem in Italien bekam er vor allem Aufträge im Allgäu und in Nordtirol.
 
1764 berief ihn der Brixener Fürstbischof in seine Residenzstadt und ernannte ihn 1768 zum Hofmaler. Jetzt waren vor allem das Pustertal und Osttirol sein bevorzugtes Betätigungsfeld. Nach dem Tod seines „Vetters“ Johann Jakob Zeiller kam Franz Anton ins Außerfern zurück und malte Deckenbilder für die Pfarrkirchen in Bichlbach, Wängle und Grän. Er starb am 4. März 1794 in Reutte als berühmter Sohn seiner Heimatgemeinde.
 
Bron: museum-reutte.at

Kerk of kermis? De rococo van de basiliek van Ottobeuren [ W&V ]

kerk of kermis?

de rococo van de basiliek van Ottobeuren (1757-1766)

Mijn eerste confrontatie met de basiliek van Ottobeuren was in 1986. In 2010 keerde ik nog eenmaal terug. Ottobeuren geldt als een hoogtepunt van kerkelijke rococo in Zuid-Duitsland. Het is een stijl waar we gemakkelijk de neus voor ophalen: teveel krullen en teveel roze billen. Toch probeer ik het rococo al een paar jaar serieus te nemen. Wat is er precies gebeurd halverwege de achttiende eeuw? Waarom veranderden kerkinterieurs in een kermis? De barok kon er ook wat van, maar tijdens het rococo werd het toch een beetje beschamend. Engeltjes leken rechtstreeks uit het boudoir van Madame de Pompadour de kerk binnen gevlogen. En de bisschop had het allemaal goed gevonden!

Ottobeuren
middenschip van de basiliek van Ottobeuren
Wat is er precies gebeurd halverwege de achttiende eeuw? Waarom veranderden kerkinterieurs in een kermis?

Het is meestal bevrijdend om vooroordelen even tussen haakjes te plaatsen. Als ik dat doe met mijn vooroordelen over rococo (“behaagziek”, “vals”, “sentimenteel”) dan gaat er een wereld voor mij open. Het verschilt niet eens zoveel van de glamour uit Hollywood of de eye candy in de glossies. Vergeet even dat het kitsch zou zijn en laat je bedwelmen zoals de gelovigen in de achttiende eeuw. De hemel lijkt open te breken. En zo was het letterlijk ook geschilderd.

Ottobeuren
Ottobeuren detail

Een vondst van het rococo is het zogenaamde “Bild Insel”, het fresco dat omgeven door schuimend rocaille drijft op een roomblanke ondergrond. De fresco’s zijn geschilderd in de kleuren van een Italiaanse ijssalon: pistache, frambozen en meer zoets. Het is echt een lekkernij voor het oog. De rocaille stuwt zich als een branding van slagroom om de stichtelijke taferelen. Het huisje van knibbel, knabbel knuisje. Maar dan binnenstebuiten gekeerd.

Ottobeuren
Ottobeuren detail

In het rococo van de achttiende eeuw werd het Evangelie niet alleen verkondigd als een blijde boodschap maar ook als een lekkere boodschap. De gelovige moest verleid worden. Dat was niet nieuw want in de barok bestond dat ook. Je zou zelfs de hele barok kunnen zien als de visuele propaganda die tijdens de contrareformatie door de kerk van Rome werd ingezet om de protestanten weer terug te winnen voor de moederkerk. Daarbij lag de nadruk op het individuele en vooral op de emotie. Ten hemel gerichte blikken van martelaars in extase. “Het katholicisme. De eerste. De beste. En dat proef je!”

Ottobeuren
Ottobeuren detail
In het rococo van de achttiende eeuw werd het Evangelie niet alleen verkondigd als een blijde boodschap maar ook als een lekkere boodschap.

Het rococo volgde in de jaren dertig de barok op. Europa was enigszins tot rust gekomen en de grote godsdienstoorlogen lagen achter de rug. Er was een nieuwe geest van waaien, de geest van de Verlichting. De sombere, donkere tonen van het barok maakten plaats voor lichte en heldere kleuren. Kerkelijke en wereldse kunst gingen nog meer door elkaar lopen. Anders gezegd: de wereldse kunst drong nog verder de kerk binnen.

En zo kon het gebeuren dat kerken, die oorspronkelijk plaatsen van gebed waren geweest, eruit gingen zien als de ultieme plaats van vermaak: de kermis annex bordeel.