Categorie archief: religie

verwereldlijking

de zestiende eeuw – de snelle verandering van het wereldbeeld

Na het zien van de tentoonstelling Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de ontdekking van de wereld in het Rijksmuseum Twenthe in Enschedé, ben ik weer eens aan het grasduinen in de overgang tussen de middeleeuwen en de moderne tijd. We zijn deze periode de Renaissance gaan noemen. Of de tijd van de grote ontdekkingsreizen. Het was het begin van de secularisatie, de verwereldlijking. Langzaam verschoof het accent van God en de kerk naar de mens en de wereld. De kunst bleef in de 15e en 16e eeuw doordrenkt van het christelijk geloof. Al kwam er een flinke scheut heidense mythologie bij.

De kunst bleef in de 15e en 16e eeuw doordrenkt van het christelijk geloof. Al kwam er een flinke scheut heidense mythologie bij.

De verwereldlijking kwam in de schilderkunst op allerlei manieren tot uitdrukking. In de eerste plaats was er meer welvaart gekomen wat vooral te danken was aan de handel en de opkomst van de burgerij. Naast de traditionele opdrachtgevers als kerk en adel, werd de rijke burgerij ook opdrachtgever voor kunstenaars. De burgerij had een andere smaak. Natuurlijk moesten voorstellingen getuigen van hun godsvrucht. Tegelijkertijd was de nieuwe klasse dol op aardse zaken. Dat is heel letterlijk te zien in de opkomst van het landschap als zelfstandig genre. Dat ontwikkelt zich voor het eerst in Vlaanderen rond 1520.

Vóór die tijd was het landschap altijd ondergeschikt geweest aan een of ander religieus tafereel. Populair thema’s waren “de Vlucht naar Egypte”, “de heilige Christofoor” of “de heilige Hieronymus in de woestijn”. Maar bij de Vlaamse schilder Joachim Patinir gaat het landschap de hoofdrol spelen. Hij is de “uitvinder” van het wereldlandschap. Dat is een soort staalkaart van landschappelijke elementen: rotsen, rivieren, oceanen, bossen, weiden en steden. De horizon ligt meestal hoog zodat je in het landschap kunt kijken. Het wereldlandschap laat de verwereldlijking dus letterlijk zien. Het is de tijd waarin Fernão de Magalhães (Magellaan) de eerste ontdekkingsreiziger is die een reis om de wereld (1519-1522) maakt en daarmee definitief aantoont dat de wereld niet plat is.

Vijf jaar geleden liet ik hier onderstaand schilderij al eens zien. Het is vijfhonderd jaar geleden gemaakt door een anonieme meester en het bevindt zich nu in Museum Waterburcht Anhalt in Isselburg.

Anonieme meester, omstreeks 1515
allegorisch wereldbeeld
Anonieme meester, omstreeks 1515

Het is een allegorische voorstelling met een boodschap: ‘Met recht soudic gerne doer de werelt commen – Ic ben der doer maer ic moet crommen’. De mens wordt gewezen op de aardse moeilijkheden waarvoor hij (het hoofd) moet buigen. Het aardige van deze voorstelling is dat je deze ook anders kunt uitleggen. In de eerste helft van de zestiende eeuw is het wereldbeeld niet plat meer. In 1492 was aan de overzijde van de Atlantische Oceaan (per ongeluk!) een Nieuwe Wereld ontdekt. De ontdekkingsreizigers wisten nu dat de aarde rond is en dat de kortste verbinding tussen twee punten op aarde daarom altijd een kromme is. Geen allegorie maar wetenschap!

God en de details

dinsdag gezien in het Rijksmuseum Twenthe in Enschedé:
Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de ontdekking van de wereld

De tentoonstelling Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de ontdekking van de wereld die deze week in het Rijksmuseum Twenthe in première is gegaan, dompelt de bezoeker onder in de late middeleeuwen. Zelfs als je, zoals wij, vanuit de expositie Rubens, Van Dyck, Jordaens – De Vlaamse Barok komt, is de overgang groot. Tussen de wereld van Rubens en die van Van Eyck gaapte er al een kloof. Maar als je beter kijkt, zie je ook allerlei overgangen. Langs die overgangen wordt de wereld van Jan van Eyck en Rogier van der Weyden toegankelijker.

Sinds Jan van Eyck is de natuur niet wezenlijk veranderd. Wijzelf, dat wil zeggen, ons mens- en wereldbeeld, zijn veranderd.

Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de ontdekking van de wereld maakt de verschuiving van het middeleeuwse naar het moderne wereldbeeld aanschouwelijk. In iedere zaal is er een korte toelichtende tekst bij het mens- en wereldbeeld van de laat-middeleeuwse mens. Daarbij worden telkens een-tweetjes gemaakt tussen de 21e en de 15e eeuw. Zo kunnen we Jan van Eyck op ooghoogte bereiken. De tentoonstellingsmakers hebben met “de ontdekking van de wereld” voor een goede subtitel gekozen, al stond de 15e eeuw ook in het teken van “de ontdekking van de mens.” Maar met “de wereld” wordt de extraverte geest benadrukt. De aandacht richtte zich naar buiten. Niet alleen met ontdekkingsreizen naar andere werelddelen, maar ook met het bestuderen van de wereld dichtbij, de wereld van de details. Om dit te illustreren zijn er waarschijnlijk geen betere voorbeelden dan de schilderijen van Jan van Eyck en Rogier van der Weyden.

Jan van Eyck
Jan van Eyck 1439
De Madonna bij de fontein … het topstuk van de tentoonstelling is een schilderijtje ter grootte van een ansichtkaart. De detaillering en het licht zijn verbluffend. Voor het eerst werden mensen met fotografische precisie geconfronteerd …

Met deze aandacht voor details belanden we bij een paradox. Voor de laat-middeleeuwse mens zat God in de details. In elk haar, grassprietje, takje, wolkje, overal werd God gezien. Niet alleen had Hij als Schepper overal Zijn handschrift achtergelaten, Hij was ook Zelf aanwezig als “Fontein van het Actuele”. Niets kon bestaan zonder God.

Niet alleen had God als Schepper overal Zijn handschrift achtergelaten, Hij was ook Zelf aanwezig als “Fontein van het Actuele”. Niets kon bestaan zonder God.

Toch zien we, naarmate de mens zich op de details gaat richten, dat hij God uit het gezicht gaat verliezen. Details blijken geen poorten meer naar God, maar verdwijnpunten. De moderne wetenschap die zich uit deze extraverte geest gaat ontwikkelen, verliest zich in de details. Tweehonderd jaar na Van Eyck zijn er telescopen en microscopen waarmee voorheen ongeziene details plotseling zichtbaar worden. De wetenschappelijke mens die alles opensnijdt en ontleedt, wordt geboren in de tijd die tussen Van Eyck en Rubens ligt. God zoals Van Eyck Hem nog kende, verdwijnt steeds meer uit het oog.

“Vanuit een oprecht religieus gevoel werd de wereld verkend, maar in die wereld blijkt God finaal nergens te bespeuren. Een grasspriet is gewoon een grasspriet, geen kosmisch teken van een onzichtbare God. In die zin zetten van Eyck en de zijnen onbewust de eerste stap naar de secularisering van de wereld.”
 
Bron: rijksmuseumtwenthe.nl

Hoe kende Van Eyck God eigenlijk? Hij zag toch dezelfde wereld als wij? Ja en nee. Sinds Immanuel Kant weten we dat onze geest zich niet richt naar de wereld, maar dat de wereld zich richt naar onze geest. Zo geloofde de mens in de late middeleeuwen dat de wereld door God geschapen was, dat de mens de kroon op de Schepping was en dat Adam en Eva écht bestaan hebben. Wij geloven in de evolutie, dat de mens een zoogdier is dat ontstaan is uit uitgestorven diersoorten. Dat is onze waarheid. Toch is de natuur sinds Van Eyck niet wezenlijk veranderd. Wijzelf, dat wil zeggen, ons mens- en wereldbeeld, zijn veranderd.

Vanuit onze waarheid (God is een concept dat door ons bewustzijn wordt geproduceerd) kijken we naar de waarheid van Van Eyck en zijn tijdgenoten (God is onze Schepper en een Vader die zijn kinderen liefheeft) Dat doen we ook vanuit ons referentiekader. In een van de toelichtingen aan de muur las ik de zin “De middeleeuwer surft mee op de golven van de heilsgeschiedenis en hoort zijn leven te leven in een voortdurend besef van het Einde.” Een duidelijk voorbeeld van het openbreken van andere belevingswereld met een sleutelwoord uit onze eigen belevingswereld.

Ik vind het woord “surfen” hier niet goed gekozen. Wanneer wij over het net surfen, voelen we ons misschien vrij omdat we alle kanten op kunnen, maar tegelijkertijd zijn we de gevangenen van een digitaal leven. We hebben ons laten inspinnen in een wereldwijd web. Door wie eigenlijk? Microsoft? Google? een Big Brother die nog geen naam heeft? Surfen geeft op korte termijn plezier maar als we aan de lange termijn denken, krijgen we een gevoel van onbehagen. Welke kant gaan we met ons verknoopte, digitale leven eigenlijk uit?

Zoals wij over het net surfen, zo surfte de middeleeuwer zeker niet mee op de golven van de heilsgeschiedenis. De middeleeuwer geloofde in de Verlossing van Christus en in het Koninkrijk de Hemelen vanuit een diepe innerlijke ervaring. Hij voelde zich aan alle kanten onvrij, geketend aan het lot van een zwaar leven in een harde wereld. Maar in zijn hart kon de middeleeuwer zich innerlijk vrij voelen, in gebed en verlangen naar de verlossing van zijn Heer. Wanneer deze ervaring ontbreekt, enerzijds van gevangenschap en anderzijds van hoop, geloof en liefde dan klinkt een zin als “Wie leeft naar Christus’ voorbeeld, zal na het Laatste Oordeel worden beloond met een plekje in de hemel: het herstelde Paradijs.” als dressuur: het klontje als beloning na het getoonde kunstje.

De bijschriften bij deze tentoonstelling zijn geschreven door rasechte 21e eeuwers: “Middeleeuwers waren religieuze fundamentalisten: wat in de Bijbel stond, was zonder meer waar.” Bij “religieuze fundamentalisten” denken we aan de eerste plaats niet aan onszelf maar aan mensen die een potentiële bedreiging vormen voor onze “vrije” westerse wereld.

Een bezorgde mama en een liefhebbende God
Daarbij is de geschilderde God is niet langer een strenge heerser, Maria geen afstandelijke Madonna meer. Ze verandert in een liefhebbende, vertederde en bezorgde mama, en later een intens treurende vrouw. Christus zelf wordt een man van vlees en bloed, die bloedt, zweet, en helse pijnen lijdt. De confrontatie met de menselijkheid van Jezus en zijn Moeder maken het de gelovige makkelijker om zich in te leven in het mysterie van het geloof. Maar tegelijk krimpt zo de kloof tussen hemel en aarde. Dat gevoel wordt nog versterkt door de gedachte dat alles op aarde – van de hoogste boom tot de kleinste boterbloem – is geschapen door God. Maar God openbaart zichzelf ook in de glans van een parel en in het goddelijke licht dat wordt weerkaatst in een edelsteen. Precies daarom wordt het vanaf de 15de eeuw zo belangrijk om de werkelijkheid tot in het kleinste detail weer te geven in de schilderkunst.
 
Bron: rijksmuseumtwenthe.nl

hopeloos achterhaald

gelezen in Letter & Geest: Het magische drieletterwoord
door de Vlaamse filosoof Maarten Boudry

In 1996 haalde een hoogleraar natuurkunde aan de universiteit van New York een grap uit die bekend geworden is als de Sokal affaire. Hij wist een onzinartikel geplaatst te krijgen in het postmoderne tijdschrift Social Text. Sokal bracht het academische postmodernisme in verlegenheid. Twee jaar geleden zette de Vlaamse filosoof Maarten Boudry met een soortgelijke hoax de Vrij Universiteit voor schut. Hij schreef een zogenaamd theologisch artikel in grammaticaal correcte onzin, doorspekt met holle frasen en theologisch jargon en bood dat aan bij de redactie van een programmaboek van een wetenschappelijk congres over de scheppingsorde. Het stuk werd geplaatst. Met deze satirische schelmenstreek bewees hij dat doelbewuste onzin moeilijk van postmoderne theologie valt te onderscheiden.

Postmoderne theologie is net als de hedendaagse kunst bijzonder vatbaar voor “gebakken lucht”. Dat komt waarschijnlijk omdat de sleutelwoorden uit de theologie (theos=God) en de hedendaagse kunst (kunst) alles en niets kunnen betekenen. Het zijn a.h.w. fantomen geworden die door onze taal en ons denken spoken. In navolging van Wittgenstein zet Boudry de filosofie in om de beheksing van het denken door de taal te bestrijden.

God
God buiten de Bijbel, in het woordenboek

Boudry schrijft in een superieure stijl en kiest zijn voorbeelden goed. Toch weet zijn artikel mij niet te overtuigen. Een van de boeken waarnaar hij verwijst is The Experience of God van de oosters-orthodoxe theoloog David Bentley Hart. Deze noemt God “de Grond van alle Zijn” en “de Fontein van het Actuele”. Alle beelden die we van God kunnen maken, lijken hiermee overstegen. Toch, constateert Boudry dat de auteur van The Experience of God niet helemaal losgeweekt is van oude godsbeelden. Want hij blijft de Grond van alle Zijn aanspreken als “een Hij”. Zou Bentley Hart, zo vraagt Boudry zich af, in de opstanding van Christus geloven? En in de menswording van de Grond van alle Zijn? Vreemd dat Boudry naar de bekende weg vraagt. Natuurlijk gelooft een oosters-orthodox theoloog dat.

Zijn ene gelaat is intellectueel en verfijnd maar weinig aanlokkelijk: dat zijn de ijle abstracties waarmee theologen zich vermeien.

Maarten Boudry

Iets verderop schrijft hij: “De theïstische God lijkt soms op de Romeinse godheid Janus. Zijn ene gelaat is intellectueel en verfijnd maar weinig aanlokkelijk: dat zijn de ijle abstracties waarmee theologen zich vermeien. Zijn andere gezicht is vertrouwd en menselijk, maar hopeloos achterhaald.” Boudry spreekt hier over Christus, want binnen de twee andere monotheïstische religies, jodendom en islam, is God volledig transcendent. Alleen in het christendom is God mens geworden in Christus en heeft Hij een menselijk gezicht gekregen dat ons naderbij komt in de icoon. Maar dat is volgens de filosoof achterhaald. Hopeloos achterhaald. Punt. Er komt geen onderbouwing. Blijkbaar verwacht Boudry hier de onmiddellijke bijval van zijn lezer en draagt hij daarom geen enkel argument aan.

Hoe zou zijn constatering overkomen op de oosters-orthodoxe theoloog David Bentley Hart? Als je de christelijke God hopeloos achterhaald noemt, noem je impliciet degenen die in Hem geloven ook hopeloos achterhaald. Is dat niet hopeloos arrogant?

VU voor schut met namaakartikel [ filosofie.nl ]

ontmaskering

wat staat er op het spel in het islamdebat?

Weinig debatten in Nederland zijn zo gepolariseerd als het islamdebat. Tegenover de islam lijken er maar twee posities mogelijk, namelijk die van Wilders of die van zijn tegenstanders. Het is in ieder geval lastig om een genuanceerd standpunt over de islam te vormen.

Met de terreurdaden van ISIS lijkt er een kentering gekomen in de publieke opinie ten aanzien van de islam. In Trouw werd ISIS door columnist Stevo Akkerman vergeleken met de SS. Zijn collega Max Pam schreef een sarcastisch stuk in de Volkskrant onder de titel met de islam heeft het allemaal niets te maken.

Kwaliteitskranten als De Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw hebben zich in het islamdebat tegenover Wilders opgesteld. Ze bestrijden zijn opvatting dat de islam een fascistische ideologie is en geen religie. Islamisme en islam worden ontkoppeld. Al-Qaida, Boko Haram, ISIS, al-Shabaab, al-Nusra en de Taliban zouden rotte appels in de mand van de islam zijn. Dat deze appels rot geworden zijn, zou echter niets met de islam te maken hebben. Terreur kan immers binnen iedere religie de kop opsteken en is dus niet exclusief verbonden met de islam. Zelfs niet als bijna alle uitingen van religieus geweld in de wereld plaatsvinden onder de vlag van de islam. “Heus gelooft u mij”, schrijft Max Pam in De Volkskrant, “met de islam heeft het niets te maken.”

Heus gelooft u mij, met de islam heeft het niets te maken.

Max Pam in De Volkskrant

Degenen die zo redeneren krijgen in het islamdebat van de andere partij het verwijt van wegkijken. Ze zouden de realiteit niet onder ogen willen zien en blijven volhouden dat de islam een vreedzame wereldreligie is die, net als elke andere religie, respect verdient. Wereldreligies zouden net als mensen, rassen en culturen gelijkwaardig zijn. Een waardeoordeel over een religie zou een oordeel zijn over een grote groep mensen.

Soms gaat het nog een stapje verder: een oordeel uitspreken over een religie als geheel is onmogelijk, omdat een religie een verzamelnaam is voor ontelbare stromingen die in de loop der eeuwen binnen die religie ontstaan zijn. Omdat het gezond verstand generaliseren afwijst, zouden we niet van dé islam mogen spreken zoals Wilders en zijn aanhangers, maar ook zoals de fundamentalisten die de zuivere islam menen te vertegenwoordigen.

Als we even stilstaan bij de afwijzing van generalisaties, dan zouden we elke verzamelnaam en groepsnaam moeten mijden wanneer we consequent willen zijn. Dan bestaat niet alleen dé islam niet, of dé Nederlander, maar dan kunnen we ook niet meer over dé politiek spreken, ook niet over dé SP of dé PVV, omdat het allemaal verschillende mensen zijn die je niet even “in een hokje kunt stoppen.” Want dát is de morele verontwaardiging die een generalisatie kan oproepen.

Natuurlijk is dit niet zo. Dé PVV en dé islam bestaan wel degelijk. De groep wordt gebonden door de leider en het programma. De mensen binnen de groep hebben zélf voor dat hokje gekozen. Zoals alle PVV’ers één politiek leider hebben, namelijk de persoon van Wilders, zo hebben alle moslims één religieus leider en dat is Mohammed, die voor alle moslims “de Profeet” is. Aan zijn woorden mag niet getwijfeld worden. Soennieten en sji’ieten, die elkaar in Syrië en Irak naar het leven staan, zijn in hun grote verschillen uiteindelijk allemaal volgelingen van Mohammed, moslims en aanhangers van dé islam. De opmerking dat dé islam niet bestaat, is vaak een uitvlucht uit het lastige islamdebat.

Dé islam bestaat dus en Mohammed is zijn Profeet. Moslims die zijn goddelijke openbaringen openlijk betwijfelen, kunnen geen echte moslims meer zijn. Heden ten dage werkt de vereniging van moslims nog net zo als in de zevende eeuw, toen Mohammed zijn religie stichtte. De rivaliserende stammen op het Arabisch schiereiland moesten absolute loyaliteit aan hun nieuwe leider tonen en konden zo verenigd worden. Daarom betekent islam ook “onderwerping”. In deze opgelegde of strategische onderwerping bestaat dé islam, juist ook voor de gematigde moslims.

De groepsdruk binnen de islam lijkt niet alleen veel op de groepsdruk binnen het sektarische christendom, maar ook op de groepsdruk binnen een dictatuur met een totalitaire ideologie. Wilders’ opvatting dat de islam een doctrine, een totalitaire ideologie is, is op dit punt beter te begrijpen. Zeker wanneer we aan onze vrijheid hechten. Groepsdruk perkt de persoonlijke vrijheid in. Van echte onderwerping, positiever geformuleerd, van echte overgave, kan alleen sprake zijn wanneer deze van binnenuit plaatsvindt. Dan is de overgave uit vrije wil en persoonlijk. In elke gezonde liefdesrelatie is dit het geval.

Speelt er intimidatie of groepsdruk mee, dan is er sprake van dwang. Groepsdruk gaat vaak gepaard met bedreiging, die impliciet of expliciet kan zijn. Het begint op het niveau van sociale uitsluiting en verstoting en kan eindigen met opsluiting, marteling en doodstraf. In landen waar de islamitische wetgeving is ingevoerd, zijn er zware straffen voor moslims die persoonlijke keuzes maken die tegen de islam in zouden gaan. Op openlijke afvalligheid staat zelfs de doodstraf. De islamitische wetgeving stamt uit de vroege Middeleeuwen toen het schrikbewind een normaal verschijnsel was, een beproefde manier om het volk onder de duim te houden.

Er speelt nog iets anders mee in het ontkennen van het verband tussen islamitisch terrorisme en de islam. Wanneer Stevo Akkerman ISIS vergelijkt met de SS, maar tegelijkertijd de islam vrijpleit, realiseert hij zich onvoldoende dat er een verband bestaat tussen een bepaald gedachtegoed en een bepaalde kwaadaardige groepering. De SS voedde zich met nazisme en ariosofie. Hun misdaden werden gerechtvaardigd door een boosaardige rassenleer. Precies zo handelen de terroristen van ISIS vanuit een genadeloze leer die zij de zuivere islam noemen, wanneer zij “lastige vragen” aan hun gevangenen stellen. Geven zij niet het “juiste” antwoord, dan krijgen ze de kogel.

Bij de erkenning dat islam alles te maken heeft met het islamitische terrorisme (maar ook met de onderdrukking en intimidatie in bepaalde islamitische landen!) wankelt het wereldbeeld dat voorschrijft dat alle wereldreligies gelijkwaardig zijn. Dit wereldbeeld gaat ervan uit dat dé waarheid onkenbaar is, maar dat wel iedereen zijn “stukje van de waarheid” heeft. Alle wegen leiden naar Rome, of naar Mekka, or whatever. Uit de op zich juiste innerlijke overtuiging dat alle mensen gelijkwaardig zijn (voor “god” gelijk) wordt automatisch afgeleid dat de culturen en religies dan ook allemaal gelijkwaardig zijn. Voor rechtgelovige joden, christenen en moslims is dit zeker niet zo. Het cultuurrelativisme is de aanname van de geseculariseerde mens die niet meer in een uniforme waarheid kan geloven.

De geseculariseerde mens is ervan overtuigd dat de waarheid pluriform is en daarom wijst hij de uniforme waarheid af. Dit is een relatief jong fenomeen in de geschiedenis. De geschiedenis van Europa laat ons zien dat Europa er tot in de negentiende eeuw nog van overtuigd was dat het christelijk geloof de ongedeelde waarheid openbaarde. Tijdens het kolonialisme verspreidde Europa het christendom over de wereld. Dat ging gepaard met oorlogen, uitbuiting, discriminatie en racisme.

De schaamte van Europa over zijn koloniale verleden en zijn zelfvernietiging tijdens de Eerste Wereldoorlog, heeft er toe bijgedragen dat Europa nu zijn superieure houding en de waarheidsclaim van het christendom heeft losgelaten. Het cultuurrelativisme waar het religieus relativisme innig mee verbonden is, is een modern westers fenomeen.

doop
Het geseculariseerde Europa lijkt met afkeer naar zijn eigen verleden te kijken, een periode waarin “wij” aan andere volkeren “onze waarheid” opdrongen. Cultuurrelativisme is een westers fenomeen dat voor een deel voortkomt uit zelfhaat en schaamte voor superioriteit. De wortel van het cultuurrelativisme ligt in de innerlijke overtuiging dat alle mensen en volkeren gelijkwaardig zijn. Religies, die culturen van binnenuit hebben vormgegeven, zouden ook gelijkwaardig zijn.

De Sloveense filosoof Slavoj Zizek heeft er op gewezen dat de Europese superioriteit zich heden ten dage schuil houdt achter de bescheidenheid van het cultuurrelativisme en de westerse zelfkritiek. Want in feite wil de westerse wereld, die uit Europa is voortgekomen, nog steeds de wereld vertellen hoe het moet. Nu met supranationale instituties en met de seculiere religie van de Universele Rechten van de Mens.

Doorzien we het westerse cultuurrelativisme, dan hoeven we niet bang te zijn om dit niet langer absoluut te nemen. Anders blijven we onszelf verplichten om alle wereldreligies als principieel gelijkwaardig te zien, óók de islam. En dan komen we, zeker nu, steeds meer in een kramp. Omwille van het cultuurrelativisme moeten we dan volhouden dat ISIS niets met de islam te maken heeft. Maar dan niet sarcastisch, zoals Max Pam laatst deed. De motivatie om te ontkennen dat er een verband is tussen islam en islamitisch terrorisme lijkt dus voort te komen uit de gehechtheid aan het cultuurrelativisme en dat is weer verbonden met de juiste innerlijke overtuiging dat alle mensen gelijkwaardig zijn.

Er is heel wat gemoeid met de ontmaskering van de islam en het onderliggende cultuurrelativisme. Ten eerste lijken we griezelig dicht in de buurt van Wilders te komen wanneer we erkennen dat ISIS zijn genadeloosheid inderdaad uit de islam zuigt. De PVV beweert al jaren dat de islam geen religie is, maar een fascistische ideologie. Als ISIS zich verhoudt tot de islam zoals de SS tot het fascisme, dan lijkt Wilders een belangrijk punt te hebben.

Ten tweede komt onze gekoesterde neutraliteit, die door het cultuurrelativisme bewaakt wordt, in gevaar. Door de islam heel anders te gaan bekijken, niet langer als “een waardevol stukje van de waarheid zoals elke andere religie”, maar als een gevaarlijk soort groepsdenken, nemen we plotseling stelling in en worden we zélf zichtbaar. En dat is natuurlijk griezelig, om potentieel doelwit te worden. Het neutrale standpunt, met het relativisme als waakhond, lijkt een veilige positie, omdat het de schijn van onzichtbaarheid geeft. Maar het is tenslotte de oplossing van de struisvogel.

corrigerende tik

gelezen: Matthias Smalbrugge Tolerantie als de ultieme zwijgplicht

“Je hebt wel een punt wat betreft de oppervlakkigheid aangaande de consumptie van Boeddha-beeldjes” reageerde vandaag iemand op het stukje feelgood-boeddhisme.“Maar dat het boeddhisme nihilistisch is… Dat kun je even goed van het christendom zeggen.”

Deze opmerking verbaast mij niets. Wanneer je iets negatiefs zegt over een andere levensbeschouwing of religie, dan kun je rekenen op een corrigerende tik. Vaak komt die uit de hoek van het cultuurrelativisme. Blijkbaar hebben we stilzwijgend met elkaar afgesproken, dat niet alleen mensen gelijkwaardig zijn, maar ook culturen.

interreligieIn het cultuurrelativisme geldt onderlinge gelijkwaardigheid zeker ook voor religies en levensbeschouwingen die culturen van binnenuit hebben vormgegeven. Religieuze tradities zijn vaak in honderden, soms duizenden jaren vergroeid met een cultuur en vallen daardoor automatisch onder de bescherming van het cultuurrelativisme. Ze moeten gelijkwaardig zijn. Het stellen van de ene godsdienst boven de andere godsdienst is bijna net zo taboe als het stellen van het ene ras boven het andere ras. Wanneer je een bepaalde religie afwijst, zou je daarmee niet alleen een cultuur maar ook een (etnische) groep mens wegzetten. Dat is de redenering van het cultuurrelativisme: godsdiensten en levensbeschouwingen moeten gelijkwaardig zijn en zijn dus allemaal even “waar” of “onwaar”.

Voor ideologieën, die na de Franse Revolutie zijn ontstaan als “seculiere religies” geldt dit echter niet. Wanneer je bijvoorbeeld het liberalisme superieur noemt, zal het relativisme je niet snel berispen. Dat vrije markt en meritocratie beter zijn dan het van bovenaf opgelegde communisme, daarover bestaat in ons land nu eenmaal consensus. En we vinden met z’n allen ook dat het fascisme een verwerpelijke ideologie is. Bij ideologieën bestaat er dus geen dwang om ze als gelijkwaardig te beschouwen.

Dat is eigenlijk vreemd: bij een ideologie is het blijkbaar niet zo dat de afwijzing van die ideologie geldt als het wegzetten van een groep mensen. Zal er ooit een corrigerende tik komen bij een veroordeling van het fascisme? Eerder een schouderklopje. Wie zal er opmerken dat je met het veroordelen van het fascisme tegelijkertijd een groep mensen wegzet? Bij het afwijzen van een bepaalde religie is dat meestal wél het eerste punt van kritiek.

Cultuurrelativisme en tolerantie zijn machtige instrumenten van de gedachtepolitie die de corrigerende tik al heeft uitgedeeld voordat er iets gezegd of geschreven is.

Matthias Smalbrugge schreef in 2005 het essay Confrontatie is nodig om een tragedie te voorkomen waarin hij pleit voor het benoemen van verschillen. Cultuurrelativisme en tolerantie zijn machtige instrumenten van de gedachtepolitie die de corrigerende tik al heeft uitgedeeld voordat er iets gezegd of geschreven is.

Confrontatie is nodig om een tragedie te voorkomen
Beide vragen – wat kan een cultuur (ver-)dragen en wat is het mens- of godsbeeld op grond waarvan je een ander accepteert of weigert – worden vaak uit het debat geweerd. Vreemd genoeg in naam van diezelfde tolerantie, die dan juist wordt opgevoerd als de grote witwasser van alle verschillen. Alle verschillen zijn relatief, cultureel bepaald maar niet wezenlijk. Want echt, au fond geloven we allemaal in één God en is het verschil tussen christendom, islam, hindoeïsme etc. lood om oud ijzer. Achterliggende suggestie: we delen wel degelijk eenzelfde mens- en godsbeeld, dus heb het niet over de verschillen want je speelt met vuur. Tolerantie als de ultieme zwijgplicht.
 
Bron: trouw.nl