Categorie archief: religie

De uitgeholde mens

Fellini’s La Dolce Vita (1960)
en de cultuurkritiek van Pim Fortuyn en Ad Verbrugge

De Gezagscrisis 2023In De verweesde samenleving (1995) en De gezagscrisis (2023) leveren resp. Pim Fortuyn en Ad Verbrugge een vergelijkbare cultuurkritiek op de postmoderne netwerksamenleving, al leggen zij verschillende accenten. Fortuyn omschreef zijn boek als “een religieus-sociologisch tractaat”, terwijl Verbrugge spreekt van een “filosofisch essay over een wankele orde”. Waar Fortuyn vooral wijst op het verdwijnen van de vaderfiguur en het daarmee samenhangende gezag, richt Verbrugge zich op de poreusheid van zowel het individu als de overheid. Het gebrek aan innerlijke stevigheid bij beide leidt volgens hen tot uiteenlopende vormen van leegte, waarbij vooral de morele leegte centraal komt te staan.

de verweesde samenleving 1995Beiden beschouwen de culturele revolutie van de jaren zestig en het proces van ontzuiling als belangrijke oorzaken van de crisis waarin de samenleving zich tegenwoordig bevindt — een crisis die Fortuyn in 1995 al scherp meende waar te nemen. In ons collectieve bewustzijn overheerst vaak het eenvoudige schema van de benauwde “spruitjeslucht” van de jaren vijftig tegenover de bevrijdende seksuele revolutie van de jaren zestig. Maar is dat beeld wel juist? Wie kijkt naar La Dolce Vita, opgenomen in de zomer van 1959, ziet dat de uitwassen van het zogenoemde autonome individu, de seksuele revolutie, het neoliberalisme en de existentiële leegte al vóór 1960 zichtbaar waren.

La Dolce Vita DVDHet episodische verhaal van Federico Fellini’s La Dolce Vita is inmiddels klassiek. Centraal staat Marcello, een jonge roddeljournalist die samen met paparazzi op vespa’s en in cabriolets door Rome jaagt op de volgende sensatie. Toch koestert hij hogere ambities: hij wil een serieus schrijver worden. Zijn boek komt echter niet van de grond, terwijl zijn privéleven wordt beheerst door een verloofde die verlangt naar de stabiliteit die hij haar niet kan bieden. Het nachtleven, de feesten en het oppervlakkige vermaak geven hem uiteindelijk geen vervulling. Rusteloos dwaalt hij met andere drifters door Rome, een stad die in Fellini’s verbeelding eerder doet denken aan de decadentie van het Romeinse keizerrijk dan aan de verhevenheid van de Eeuwige Stad.

Bij zijn vriend Steiner voelt Marcello zich tijdelijk geborgen. Steiner is intellectueel, succesvol, gelukkig getrouwd en vader van twee jonge kinderen. Voor Marcello lijkt hij de veilige haven te hebben gevonden waarnaar hij zelf verlangt. Maar onder het oppervlak schuilt een diepe existentiële angst. Wanneer Steiner zelfmoord pleegt en daarbij ook zijn kinderen doodt, verliest Marcello definitief zijn geloof in het burgerlijke gezinsleven als mogelijke uitweg. Hij zinkt steeds verder weg in nachtelijke escapades en bezit niet langer de innerlijke kracht om zijn leven een andere richting te geven. Toch eindigt de film niet volledig zonder hoop. In de slotscène kijkt een jong meisje hem liefdevol aan vanaf het strand, maar de afstand tussen hen is te groot: door het geruis van de zee kan Marcello haar niet meer verstaan.

Het leven van Marcello is een metafoor voor de postmoderne mens. Hij is van zichzelf vervreemd geraakt en door het voortdurende lawaai van de wereld nauwelijks nog in staat te luisteren naar zijn eigen innerlijke stem. In die zin belichaamt hij de “poreuze mens” uit Ad Verbrugges essay De gezagscrisis: een individu dat openstaat voor eindeloze externe prikkels en steeds minder weerstand kan bieden aan verleiding en afleiding.

In een van de episodes ontmoet Marcello zijn vader. Samen trekken zij een avond door Rome. Marcello kijkt met verwondering naar hem: een ouder wordende charmeur die nog altijd flirt alsof hij dertig is. Maar van een echte band tussen vader en zoon is nauwelijks sprake. Nadat hij zijn vader in een taxi heeft gezet, bekent Marcello aan een van de paparazzi dat hij hem eigenlijk nooit echt heeft gekend. Zijn vader was afwezig en bleef een vreemde. Daarmee ontbreekt ook de vaderfiguur die richting en gezag had kunnen geven aan zijn leven.

Marcello heeft zich daarom vooral laten leiden door zijn eigen impulsen en oppervlakkige verlangens. Net als zijn vader bewoog hij zich moeiteloos mee op de wind van welvaart en verleiding. Hier raakt Fellini aan de analyse van Pim Fortuyn in De verweesde samenleving: het verdwijnen van de vaderfiguur betekent uiteindelijk ook het verdwijnen van gezag en zelfdiscipline. De moderne consumptiemens hoeft slechts “zichzelf te zijn” en heeft de wind (welvaart) in de rug. Maar juist die grenzeloze vrijheid maakt hem kwetsbaar voor verslaving.

De film bevat meerdere iconische scènes die een vaste plaats in de filmgeschiedenis hebben gekregen. Een van de bekendste is de openingsscène, waarin een enorm Christusbeeld per helikopter over Rome wordt gevlogen. De armen van Christus zijn gespreid: het beeld van de goede herder die zich over zijn kudde ontfermt. Terwijl het beeld boven de stad zweeft, zien we jonge vrouwen in badkleding op een dakterras zonnen. Ze springen op, lachen en zwaaien enthousiast. “Daar heb je Jezus!” roept een van hen. Fellini toont hier hoe de christelijke symboliek wordt opgenomen in de opkomende massacultuur. Het religieuze beeld verwordt tot spektakel: esthetisch indrukwekkend, maar tegelijk leeg en kitscherig. Juist daarin schuilt de paradoxale diepgang van de scène.

Niet alleen de moderne mens wordt uitgehold door massaconsumptie; ook religieuze autoriteit dreigt tot theater te worden gereduceerd. Fellini, meester van het groteske en carnavaleske, brengt dat scherp in beeld. Tegelijk roept de film een ongemakkelijke vraag op: was het ooit anders? Was er werkelijk ooit sprake van diepte, inhoud en betekenis, of kijken we altijd al naar façades? Achter die façades lijkt een leegte te schuilen die doet denken aan de “sluier van Maya” uit het hindoeïsme: de gedachte dat de zichtbare werkelijkheid uiteindelijk illusoir is. Achter de sluier gaapt dan niet alleen leegte, maar ook verveling en dood.

Toen de film verscheen, was het existentialisme de dominante intellectuele stroming in Europa. Dat wereldbeeld was allesbehalve optimistisch en bestond in merkwaardige spanning naast het naoorlogse vooruitgangsgeloof. Terwijl Europa zich economisch herstelde en de welvaart explosief groeide, bleef het existentialisme benadrukken dat de mens fundamenteel met zinloosheid en leegte geconfronteerd wordt. Hoe moest die filosofie zich verhouden tot een samenleving van groeiende consumptie en overvloed? Een voor de hand liggend antwoord was: carpe diem. Geniet van het moment. La dolce vita.

Marcello jaagt van de ene piekervaring naar de andere, terwijl hij zich van binnen steeds leger voelt worden. Ruim vijfendertig jaar later zou het internet deze dynamiek versterken en versnellen.

Maar existentiële leegte laat zich niet werkelijk vullen; zij kan hoogstens tijdelijk worden afgedekt door amusement en consumptie. De consument verliest zich aan de oppervlakte van het leven. Dat biedt kortstondige bevrediging, maar leidt uiteindelijk tot innerlijke uitholling. Marcello belichaamt precies die tragiek: hij jaagt van de ene piekervaring naar de andere, terwijl hij zich van binnen steeds leger voelt worden.

Ruim vijfendertig jaar later zou het internet deze dynamiek versterken en versnellen. Wat Marcello door de straten van Rome deed, gebeurt vandaag digitaal: eindeloos surfen van de ene prikkel naar de volgende. De moderne mens wordt surfer, drifter, een poreus zelf dat voortdurend vatbaar is voor afleiding en verleiding.

De bevrijding van het individu die in de jaren zestig werd ingezet, begon als een belofte van autonomie. Maar zonder innerlijk gezag kan het gemakkelijk omslaan in allerlei vormen van verslaving. Want als het individu slechts “zichzelf” hoeft te zijn, wie leert hem dan nog discipline, begrenzing en verantwoordelijkheid? Juist hier klapt volgens de cultuurpsychologische diagnoses van Fortuyn en Verbrugge de val dicht. De belofte van het liberalisme (vrijheid en autonomie) loopt in werkelijkheid uit op een verzwakte mens en overheid. Things fall apart. The center cannot hold.

Stiamo sbagliando tutti

gezien: La dolce vita (1960) van Frederico Fellini
Een van de beste films ooit gemaakt

La Dolce VitaIn de iconische nachtscène bij de Trevifontein verleidt Silvia (Anita Ekberg) haar metgezel Marcello (Marcello Mastroianni) om bij haar in het water te komen. Marcello zit eerst betoverd op een bankje naar haar te kijken, met een glas melk in zijn hand, en stapt uiteindelijk zelf de fontein in. Dan mompelt hij: “Ma sì, ha ragione lei: sto sbagliando tutto! Stiamo sbagliando tutti.” (“Maar ja, ze heeft gelijk: ik doe het helemaal verkeerd! We doen het allemaal verkeerd.”)

Met zijn visuele pracht schept La Dolce Vita zoveel open ruimte dat talloze interpretaties mogelijk zijn. Filmcritici wijzen vaak op de existentialistische onderstroom. Achter Fellini’s oogverblindende eye-candy – de voluptueuze waternimf met haar goddelijke profiel in het kletterende water – schuilt een diepe leegte en verveling.

Marcello prikt in eerste instantie door haar verschijning heen. Hij vindt haar “net een grote pop”, de zoveelste vulgaire platina blondine. In de jaren vijftig waren Jayne Mansfield, Mamie Van Doren en in Engeland Diana Dors het prototype; daaraan voegde zich de Zweedse Anita Ekberg, die in La Dolce Vita eigenlijk vooral zichzelf speelt. Ook al vindt Marcello haar maar oppervlakkig, toch is het juist de oppervlakkigheid die hem betovert.

De nachtelijke scène bij de Trevifontein laat zich lezen als een moderne zondeval. Marcello is verloofd met Emma, maar heeft zich laten verleiden door de vulgaire actrice Silvia. Het is de oogverblindende schijn die hem bekoort, meer is er niet nodig. Hij weet dat het verkeerd is en geeft dat ook toe: sto sbagliando tutto. Ik doe het helemaal verkeerd.

ik doe het helemaal verkeerd!
We doen het allemaal verkeerd.

Wanneer hij in het water bij haar staat, tast hij niet haar lichaam af, maar haar aura. Daarmee benadrukt Fellini dat haar aantrekkingskracht als een magnetisch veld rond haar hangt. Silvia is eigenlijk meer een verschijning dan een lichaam. Om aan te kunnen blijven trekken moet ze voor Marcello onbereikbaar blijven, de godin van het witte doek die ze voor de toeschouwer is.

La Dolce Vita
Sylvia, ma chi sei? (Silvia, wie ben jij?)

Ook al kust hij haar niet, hij is toch gevallen door de fontein in te lopen en heeft hij daardoor een hap van de verboden vrucht genomen. Hij had ook toeschouwer kunnen blijven op het bankje tegenover de fontein, bij zijn glas melk, symbool van zuiverheid in een nacht vol alcohol. Of toch niet? Had hij dat glas melk niet juist voor Silvia gehaald, omdat ze een straatkatje melk wilde geven. Deed hij al niet alles voor haar? Was het glas melk de opmaat naar zijn doop in de zonde van de fontein?

De katholieke interpretatie spreekt mij meer aan dan de existentialistische. Fellini heeft de christelijke symboliek bewust in de film verweven – dat wordt al meteen duidelijk in de theatrale openingsscène. Daarin wordt een Christusbeeld met gespreide armen onder een helikopter over Rome gevlogen. Het begint met religieuze bombast. Rome is de stad van de barok maar ook van de decadentie. Het Christusbeeld is net zo nep als de voluptueuze, rondborstige pop in de Trevifontein. Is alles dan slechts façade? En schuilt er achter die façade werkelijk niets anders dan leegte? En tenslotte het zwarte gat van de dood?

Het Christusbeeld is net zo nep als de voluptueuze, rondborstige pop in de fontein. Is alles dan slechts façade? En schuilt er achter die façade werkelijk niets anders dan leegte? En tenslotte het zwarte gat van de dood?

Dat is precies de kwellende vraag van de moderne mens: is alles een sluier waarachter alleen de leegte wacht? Marcello kiest voor de schijnwereld vol hedonisme en offert zijn diepere verlangens op. Eigenlijk wilde hij een serieus schrijver worden, maar hij verkoos een snelle baan bij de boulevardpers. De oppervlakkigheid zuigt hem langzaam leeg.

De slotscène draagt een onmiskenbaar religieuze lading. Na een nachtelijke orgie strompelen de feestgangers in het vroege ochtendlicht naar het strand. Vissers hebben een monsterlijk grote rog gevangen. Marcello bekijkt het beest met een scheve, dronken blik. Het monster staart terug met één oog. Zo ziet het uitgeholde bestaan eruit: een groot oog dat je wezenloos aanstaart vanuit een vormeloze massa.

La Dolce Vita
Marcello maakt een gebaar van “jammer dan, niets aan te doen” en keert dan het meisje (zijn beschermengel?) de rug toe.

Toch eindigt La Dolce Vita met een zweem van hoop. Marcello keert zich af van het gezelschap en ziet verderop op het strand een meisje dat hij kent. Ze maakt gebaren en roept iets, maar hij kan haar niet verstaan. Uiteindelijk haalt hij zijn schouders op, draait zich om en sluit zich weer aan bij de anderen. Het meisje kijkt hem na. Ze lijkt op een Umbrisch engeltje: haar blik is liefdevol en zonder oordeel.

La Dolce Vita
Het meisje kijkt Marcello na en daarna draait haar blik langzaam recht in de camera. De wakkere toeschouwer zou kunnen denken: “Marcello, dat ben ik!”

Zo eindigt de bittere ironie van “het zoete leven” in de liefdevolle en vergevende blik van dat meisje. De liefde, de onschuld en het niet-oordelen blijken sterker dan onze zonden en onze uitgestelde wanhoop via het oppervlakkige vermaak. In La Dolce Vita hebben we dat in een bonte stoet aan ons voorbij zien trekken. Maar we zijn ook gewaarschuwd. Tijdens de orgie zegt een van de travestieten: “Nel ’65 sarà tutto una depravazione completa. Ah, no? Mamma mia, che schifezza ne verrà fuori!” (“In 1965 zal alles volkomen verdorven zijn. Jemig, wat zal dat een puinzooi worden!”)

Het laatste oordeel

overpeinzingen bij een bezoek aan Conques

Vandaag hebben we ons eindpunt van de etappe Le Puy en Velay naar Conques bereikt. We zijn aangekomen in een groene kloof ver van de bewoonde wereld en schijnbaar in een andere tijd. Na de auto geparkeerd en de rug toegedraaid te hebben, waan je je in het verleden.

De Romaanse kerk van Conques staat hier al bijna duizend jaar. Ooit een belangrijke bedevaartsplek voor de pelgrims, nu een van de hoogtepunten van de wandel- en pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Voor het beroemde timpaan boven het westportaal laten wandelaars zich trots fotograferen of maken er een vreugdedansje terwijl ze door een van hun metgezellen gefilmd worden.

Zou de pelgrim in de middeleeuwen die na een gevaarlijke voetreis veilig op deze plek arriveerde ook een vreugdedansje hebben gemaakt? Waarschijnlijk zou deze deemoedig met rillingen over de rug onder het timpaan door de kerk zijn binnengetreden. Op dat timpaan staat het Laatste Oordeel afgebeeld. Daarna zou hij in de kerk op zijn knieën zijn gegaan, de heilige Fides en God dankend voor het bereiken van deze veilige haven.

conques
Het Laatste Oordeel boven het westportaal van de Romaanse kerk in Conques, eind elfde eeuw

In de reisgids lees ik dat Hugenoten hier ooit de boel kort en klein geslagen hebben. Ze lieten zich niet meer knechten door de katholieke kerk. In feite waren zij de voorlopers van de moderne mens die zelf beslist of hij religieus wil zijn of niet. En als hij al voor God kiest, dan in ieder geval voor een directe en persoonlijke relatie, zonder een machtsinstituut daartussen. De Hugenoten kozen als protestanten voor dat laatste: direct contact met God via Zijn Zoon. Daar hadden ze geen priesters en beelden meer voor nodig.

Na de kaalslag onder de Hugenoten bleef Conques wezenloos achter. Toch bleef het timpaan met het Laatste Oordeel gespaard voor de beeldenstormers. Hadden ze toch nog enige respect voor het Jongste Gericht of waren de ladders niet hoog genoeg? In ieder geval zagen de Hugenoten de katholieke Kerk als een institutie die het Laatste Oordeel gebruikte om het volk bang te maken en zo macht uit te oefenen. Als je niet luisterde, moest je maar voelen. En hoe het voelde werd door de naamloze beeldhouwers van dit timpaan tot in details uitgebeeld. De hel bleek grote gelijkenis te hebben met de kerkers waarin je gesmeten werd als je voor een misdaad terecht (of onterecht) veroordeeld werd. Uiteraard ontbraken de martelinstrumenten niet.

Na de Verlichting zijn we in ons collectieve bewustzijn de Middeleeuwse voorstelling van het Laatste Oordeel en het hiernamaals (hemel of hel) gaan beschouwen als hét manipulatiemiddel van de heersende klasse (de eerste en tweede stand, respectievelijk geestelijkheid en aristocratie) om het volk schrik aan te jagen en onder de duim te houden. De geestelijke werkelijkheid van het Laatste Oordeel spoelde weg als een zandkasteel in de branding. Voor de geseculariseerde mens is een van de weinige goede dingen die het christendom voor ons bewaard heeft, een oneliner als “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt”. Vrijwel niemand zal tegenspreken dat dit een juiste levenshouding is.

Nadat met de inzichten uit de Verlichting het folteren en de doodstraf verboden werd, werd tenslotte ook de hel afgeschaft. De geseculariseerde mens is er van overtuigd dat de hel een verzinsel van de kerk was om het volk schrik aan te jagen. De angst voor de hel leeft hoogstens nog voort in de angst voor sociale uitsluiting. Die angst lijkt des te reëler is omdat ze betrekking heeft op het leven vóór de dood.

Meestal vergeten we dat de potentiële angst onder het volk in onze postmoderne tijd nog altijd met hetzelfde doel gemanipuleerd wordt als in de Middeleeuwen. Het volk schrik aanjagen, blijkt nog altijd een zeer belangrijk manipulatiemiddel. Alleen ligt de focus nu niet meer op het leven na de dood, maar op het leven vóór de dood. Het Grote Verhaal van het christendom is verdwenen, wat overgebleven is, is de angst om er niet bij te horen, om uitgesloten te worden tijdens dít leven.

Terug naar het timpaan van het Laatste Oordeel in Conques. In het midden Chrisus als onze Rechter. Ook al is Hij volgens de christelijke traditie mens geworden, Hij is niet onze gelijke. Daarom zit Hij op een troon. Net als de heersers uit het verleden. De moderne geseculariseerde mens heeft, als erfgenaam van de protestanten, moeite met autoriteit, dus ook met de troon. Die afkeer van autoriteit leidde in de achttiende eeuw tot het strenge gelijkheidsdenken van de Jakobijnen. En dat heeft ons collectieve bewustzijn sinds de Franse Revolutie zo sterk gevormd, dat we tegen het beeld van de Rechter in Conques bijna automatisch in verzet komen.

conques
Christus als Rechter in het midden. Aan zijn rechterhand de gelukzaligen, aan zijn linkerhand de verdoemden.

Geen mens staat boven de ander, álle mensen zijn immers gelijk. Het gelijkheidsdenken heeft ons afkerig gemaakt voor hiërarchie. Alles wat boven het maaiveld uitsteekt, wordt met de zeis van het gelijkheidsdenken een kopje kleiner gemaakt. Het is een strenge en genadeloze manier van denken. Maar in de natuur, die we sinds de Romantiek graag hoogachten, bestaat er helemaal geen gelijkheid. Alles in de natuur is onderworpen aan hiërarchie.

Na de Franse Revolutie moest en zou alles gelijk zijn, zeker tijdens het schrikbewind. De aristocraat Philippe van Orleans die zo graag l’ami du peuple wilde zijn en zich Philippe Egalité noemde, bleek voor de Jakobijnen niet gelijk genoeg en belandde noodlottig onder het nationale scheermes.

Het timpaan van Conques kent geen modern gelijkheidsdenken. Weliswaar zijn voor de Rechter alle mensen gelijk. Daarom vallen ze, niemand uitgezonderd, onder Zijn oordeel. Christus, de mensgeworden God, oordeelt dus na onze lichamelijke dood waar onze ziel heen gaat. We kunnen daarbij slechts twee kanten op: naar boven of naar beneden. Of op de horizontale as: naar links of naar rechts.

Degenen aan de rechterhand van Christus gaan naar de hemel. Degenen aan Zijn linkerhand naar de hel. De horizontale as (links en rechts) leeft tot op de dag van vandaag voort in de politieke verhoudingen. Het boven en beneden, de verticale as heeft in het maatschappelijke leven nauwelijks nog betekenis. Geloven in een geestelijk boven (hemel) en beneden (hel) doe je maar in de privésfeer.

De angst voor het Laatste Oordeel bestaat nauwelijks nog. Maar de angst voor het maatschappelijke oordeel lijkt in deze gepolariseerde tijd steeds groter te worden. Het oordelen in termen van “goed” en “fout” is beslist niet verdwenen! De christelijke moraal heeft alleen plaats gemaakt voor een seculiere moraal. De zonden zijn vervangen door maatschappelijke doodzonden zoals discriminatie en racisme. Maak je je daaraan schuldig, dan verdien je maatschappelijke uitsluiting en dat betekent het verliezen van je reputatie, je vrienden, je netwerk of je baan.

Een cordon sanitaire om de PVV is volgens de gevestigde orde rechtvaardig, omdat de PVV zou zich schuldig maken aan de maatschappelijke doodzonde: racisme. Degenen die dit oordeel vellen, volgen de moraal van de heersende klasse. Deze ziet zichzelf als goed en rechtvaardig. Racisten verdienen de hel van de uitsluiting. Het zijn de bokken, die in de Middeleeuwen aan de linkerhand van Christus stonden opgesteld. De hel hebben we bijna unaniem afgeschaft, maar de maatschappelijke uitsluiting blijft springlevend.

Op het Franse platteland hangen de meeste plaatsnaamborden omgekeerd als uiting van de brede maatschappelijke onvrede die nu al een paar jaar duurt. Zondag 30 juni werd het Rassemblement National met ruim 33% van alle stemmen de grootste partij van Frankrijk. Volgens de linkse oppositie kiest het volk voor extreemrechts. En dus fout. De partij van Marine Le Pen zou zich volgens hen schuldig maken aan racisme en eigenlijk uitsluiting verdienen.

Maar het volk heeft gekozen. Alsof de Hugenoten opnieuw in verzet komen tegen de heersende klasse, tegen de kerk van de globalisten die de banvloek uitspreekt over iedereen die zich volgens hen schuldig maakt aan racisme. De hel is niet meer nodig als dreigmiddel, een enkele reis naar de verkeerde, extreemrechtse hoek van de samenleving is tegenwoordig genoeg. Zolang je bang bent om daar te belanden, werkt het. Maar eenderde van het Franse volk is inmiddels niet meer bang voor de banvloek van de globalisten.

Timothée, onze jonge campingbeheerder komt uit Toulouse. Een wandelaar op zoek naar zingeving die door een blessure op deze idyllische plek strandde. Als we het over de verkiezingen en polarisatie van zijn land hebben, bekent hij dat hij niet links en niet rechts wil zijn en dat hij de polarisatie in zijn land en Europa bezorgd aanziet. Hij is duidelijk voor lokaal en niet voor globaal. Zeker, het is handig dat er WiFi op zijn camping is en dat we hier verbonden zijn met de hele wereld. en toch: local first.

Dat laatste klinkt als een leus van nationalisten, maar dat is het niet. Voor Marine LePen is Europa niet de Europese Unie. De Europese Unie is volgens haar een ideologie zonder land, zonder volk, zonder wortels, zonder ziel en zonder beschaving. Dat is vloeken in de globalistische kerk die ons wil omvormen tot “Europeanen”.

Voordat Frankrijk in 1792 de meest gecentraliseerde staat van Europa werd, spraken miljoenen Fransen geen Frans. Hier in het noorden van het departement Ayveron sprak men Occitaans. De nieuwe administratieve indeling in departementen moest na 1792 de regionale identiteiten van Frankrijk vernietigen. De Auvergnat was voortaan een burger van de Franse Republiek woonachtig in bijvoorbeeld het departement Cantal.

In navolging van de revolutionairen in Parijs willen nu de globalisten in Brussel de nationale identiteiten in Europa vernietigen. We moeten allemaal Europeanen worden. Veel Fransen komen hiertegen in verzet. Ze blijven vasthouden aan het lokale en aan tradities, net als Timothée, onze campingbeheerder.

In de Middeleeuwen bestond de natiestaat nog niet. De identiteit van onze voorouders was vooral religieus bepaald. Toen paus Urbanus II in 1095 in Clermont Ferrand opriep tot de Eerste Kruistocht kwamen de kruisridders overal uit Europa. Er waren geen Fransen of Duitsers, er was één christenheid. Novalis schreef er in 1799 een beroemd geworden essay over: Die Christenheit oder Europa. Voordat de industriële revolutie nog op gang moest komen, verlangde hij terug naar een christelijk Middeleeuws Europa. Maar de moderniteit had de weg terug voorgoed afgesneden.

De terugkeer naar een christelijk Europa werd zo een droom van zweverige romantici en van tsaar Alexander I die met zijn Heilige Alliantie Europa weer wilde verenigen onder het christelijke geloof met Christus als hoofd. De pragmatische Angelsaksen lachten hem achter zijn rug uit.

We leven nu in een postchristelijk Europa dat bang lijkt te zijn voor zijn christelijke erfenis. Paus Benedictus XVI sprak over “de zelfhaat van het Avondland”. We staan vaak opener voor niet-westerse culturen dan voor onze eigen tradities. Dikwijls omdat we geleerd hebben om met argwaan naar trots op onze eigen, westerse cultuur te kijken en onszelf ervan te verdenken dat we in dat geval nationalistisch of, in het allerergste geval, racistisch zijn. We willen, net als de Middeleeuwse mens, graag in de goede hoek terecht komen, bang voor het maatschappelijke oordeel.

conques
De angst om in de verkeerde hoek van de samenleving terecht te komen, is er nog altijd. Alleen is het hier niet God die oordeelt, maar de anderen.

In Conques blijft het timpaan intussen als een groot uitroepteken uit het verleden aanwezig in een postchristelijke wereld. Het Laatste Oordeel is voor de postchristelijke mens niet meer iets dat ons te wachten staat, maar een verzinsel dat zijn tijd gehad heeft. We menen nu onder een ander oordeel te leven, het oordeel van de kiezer. Wat gaat de Franse kiezer op 7 juli 2024 doen? Gaat Frankrijk naar rechts of naar links? Macron heeft al gewaarschuwd voor een etnische burgeroorlog als het Rassemblement National wint. Want dreigen met de hel werkt niet meer.