Categorie archief: religie

Beeld(jes)vorming

zondag gezien in het Fries Museum in Leeuwarden:
Großes Licht durchbricht die Schatten van Trijnie van der Wal (Lemmer, 1941)

Hedendaagse kunst is polyinterpretabel. Ieder is vrij om zijn eigen interpretatie te vormen. Een mooi streven. Maar de kunstenaar geeft ons natuurlijk wél de “voorzet”. De beschouwer mag ‘m (de interpretatie) er vervolgens in knallen (of koppen). De “voorzet” van Trijnie van der Wal met haar kunstwerk Großes Licht durchbricht die Schatten is typisch postmodern. De enorme collage is een scan van honderden beeldjes, sacraal en profaan, die geassocieerd worden met “religie” (als containerbegrip) omdat ze in de vorm van een Russisch-Orthodox Kruis geperst zijn.

Trijnie van der Wal
Großes Licht durchbricht die Schatten

De titel van het werk (Großes Licht durchbricht die Schatten) duwt mij in een richting. Door de ontelbare beeldjes en verhalende beelden breekt het Grote Licht door. Een zinspeling op de vigerende (en luie) gedachte dat alle religies naar hetzelfde doel zouden wijzen.

Trijnie van der Wal
detail
Tijdens een reis door Hongarije raakt Van der Wal gefascineerd door porseleinen beeldjes die men er uitstalt in etalages en vensterbanken. Dan ontdekt ze dat men overal ter wereld dit soort kleine beeldjes verzamelt.
 
Van der Wal besluit deze internationale verzamelwoede samen te brengen. Ze vult haar eigen foto’s aan met reisfoto’s van anderen, afbeeldingen van Google, Marktplaats en natuurbeelden van de televisie.
 
Ze schept er een duizelingwekkende miniatuurwereld mee bekroond door het vrijheidsbeeld op de Gellértheuvel in Boedapest. De vorm van een Russisch-Orthodox kruis versterkt de iconische uitstraling.
 
Toelichting van het Fries Museum bij “Großes Licht durchbricht die Schatten”

nieuwe aanwinsten [ friesmuseum.nl ]

vergeten radicalen [ 3 ]

gelezen: de proloog van Het verdorven genootschap
De vergeten radicalen van de Verlichting
van Philipp Blom

Het verdorven genootschapDe historicus en romanschrijver Philipp Blom is overtuigd atheïst en schreef in 2010 een bevooroordeeld boek over de salon van baron d’Holbach die het derde kwart van de achttiende eeuw floreerde en prominenten uit binnen- en buitenland naar zich toetrok. De historicus verbergt zijn bewondering voor d’Holbach en Diderot niet en zijn afkeer voor Voltaire en Rousseau evenmin.

Al in de proloog merkt hij op dat het oordeel van de geschiedenis in het voordeel van de laatste twee is uitgevallen en in het nadeel van de d’Holbach en Diderot. Terwijl Voltaire en Rousseau in het Pantheon werden bijgezet als de twee grote Franse Verlichtingsfilosofen, is er geen groot eerbetoon voor d’Holbach en Diderot.

Philip Blom wil daar verandering inbrengen met zijn boek. Hij komt uit de kast als een discipel van de materialistische en atheïstische denkers d’Holbach en Diderot. Juist vanwege het atheïsme konden ze nooit in de positie komen die Voltaire en Rousseau voor zichzelf wel wisten te bemachtigen, die van de verlichte superstar. Voltaire bleef bewust zijn leven lang een deïst en was ervan overtuigd dat er een Schepper was. Alleen bemoeide deze zich niet meer met zijn Schepping. Voor het deïsme was God een uurwerkmaker die na zijn arbeid het mechanische universum aan zichzelf had overgelaten.

Rousseau is in de ogen van Philipp Blom meer een verkapte christen. Ook al had Rousseau de kerk de rug toegekeerd, zijn hele filosofie baseert zich op christelijke thema’s als paradijs, zondeval en verlossing. De invloed van Rousseau was enorm. Door zijn volgelingen werd hij vereerd en na zijn dood in 1778 werd zijn laatste rustplaats op Île des peuplier een bedevaartsoord. Tijdens de Franse Revolutie was Jean-Jacques inmiddels een seculiere heilige geworden. Zijn invloed is er nog altijd. In de eenentwintigste eeuw kunnen we in het verlangen naar authenticiteit en natuurlijk leven maar ook in de romantische religie van de nieuwetijdse spiritualiteit sporen van zijn denken aantreffen. Voor Philipp Blom is Rousseau vooral een negatieve figuur die het heldere Verlichtingsdenken van Diderot vertroebeld heeft. Rousseau stond aan het begin van de Romantiek en de Romantiek keerde zich zelfs tegen de Verlichting.

Philipp Blom pleit voor het sapere aude, de moed om zelf te blijven denken en weerstand te bieden aan de reflexen van het gevoel en terug te deinzen voor een universum dat door de radicale Verlichting metafysisch is uitgekleed. Een universum zonder doel, waarin de mens geworpen is, is door het existentialisme van de twintigste eeuw geëxploreerd, maar in de achttiende eeuw waren weinig geesten daar nog rijp voor. De kring rond Baron d’Holbach en Diderot was een grote uitzondering. Volgens Blom was hun salon in de Rue Royale Saint-Roch het brandpunt van de radicale Verlichting, een Verlichting die compromisloos de consequenties durft te trekken van het zelfstandige denken, dat zich ontworsteld heeft aan de eeuwenoude onderworpenheid aan het christelijk geloof.

Philipp Blom pleit voor het sapere aude – de moed om zelf te blijven denken en weerstand te bieden aan de reflexen van het gevoel en terug te deinzen voor een universum dat door de radicale Verlichting metafysisch is uitgekleed.

De radicale Verlichting aan de Parijse Rue Royale Saint-Roch had uitgesproken politieke ambities: het verzet tegen instituties, niet alleen tegen de katholieke kerk, maar ook tegen de monarchie die door de kerk gefaciliteerd werd. Rond 1750 was er een strenge censuur en alle geschriften waarin het christelijk geloof ondermijnd werd, waren staatsgevaarlijk. Een aanval op de fundamenten van het christendom was indirect ook een aanval op het koningschap dat gelegitimeerd werd door het droit divin.

De vrije geesten van de radicale Verlichting waren gedwongen om onder pseudoniemen te publiceren. Hun boeken moesten vaak in Nederland gedrukt worden en werden daarna Frankrijk binnengesmokkeld. Het was streng verboden deze boeken in bezit te hebben en de lezers werden net als de auteurs streng vervolgd. Deze onderdrukking van het atheïsme heeft de radicale Verlichting onvermijdelijk gepolitiseerd. Blom beschrijft de vrijdenkers uit de achttiende eeuw soms als martelaren van de geest die net als vervolgde christenen uit de eerste eeuwen moeten wegduiken in hun catacomben. Natuurlijk roept deze underdogpositie sympathie op.

Het hoofdstuk Le bon David gaat over de connectie met de Schotse filosoof David Hume. Aan het begin van de jaren zestig was Hume diplomaat in Parijs. Hij werd door de baron uitgenodigd in zijn salon aan de Rue Royale Saint-Roch. Daar ging Hume graag op in. Hij genoot van alle aandacht en hield van lekker eten, een “bijkomstigheid” waar de salon van d’Holbach bekend om stond. Bovendien spraken Baron d’Holbach en Diderot beiden uitstekend Engels. De salon verheugde zich op de komst van The Great Infidel, zoals Hume in zijn calvinistische Schotse vaderland genoemd werd.

David Hume
David Hume in 1766 door Alan Ramsay
Voor David Hume lieten materialisten en atheïsten zich verleiden tot een zekerheid die er niet is.

Toen Hume aanschoof, merkte hij op dat hij niet wist hoe atheïsten eruit zagen omdat hij er nog nooit een gezien had. “Kijkt u dan maar eens even goed om u heen”, zei zijn gastheer “van de achttien mensen hier aan tafel zijn er vijftien atheïst en drie zijn er nog niet helemaal uit!” Maar Hume die bekend stond als een Godloochenaar, zag zichzelf helemaal niet als atheïst. Voor een scepticus is de “zekerheid dat God niet bestaat” een brug te ver. Hume kon hoogstens een agnostisch standpunt innemen.

De vrijdenkers in de salon waren te politiek georiënteerd om Hume echt te kunnen begrijpen. Hun doel was het omverwerpen van de macht van Kerk en staat, terwijl Hume meer filosoof dan activist was. Voor hem draaide de Verlichting om het inzicht dat de menselijke identiteit gebaseerd is op waarneming en gewoonte en dat er nergens vaste grond te vinden is, ook niet in materialisme of atheïsme. Want materialisten en atheïsten lieten zich voor Hume verleiden tot een zekerheid die er niet is. De salon van d’Holbach was uitgesproken progressief, terwijl de radicale twijfel Hume juist conservatief had gemaakt. Want als je alles betwijfelt, kun je evengoed niets betwijfelen en kiezen voor een pragmatisch volgen van gewoonten en tradities.

Atheïsme is de foute term voor gezond verstand [ nrc.nl ]
Wij zijn aapjes die zin zoeken [ volkskrant.nl ]
in the name of godlessness [ economist.com ]

vergeten radicalen [ 2 ]

aan het lezen in: Het verdorven genootschap
De vergeten radicalen van de Verlichting
van Philipp Blom

Het verdorven genootschapIn de proloog van Het verdorven genootschap – De vergeten radicalen van de Verlichting wordt direct al duidelijk dat Philipp Blom met zijn boek een missie heeft. Hij presenteert het materialistische denken van Baron d’Holbach en Denis Diderot als het hoogtepunt van de Verlichting. In de eenentwintigste eeuw zouden we nog steeds niet écht voor de Verlichting hebben gekozen, maar ergens zijn blijven steken in een schemering van gevoelens, die vooral door de Romantiek bepaald zijn.

Blom noemt bijvoorbeeld het verzet tegen stamcellenonderzoek, de cyborg of klonen van dieren. Onze weerstand daartegen zou bepaald zijn door de romantische opvatting dat je het leven moet eerbiedigen en niet mag onderwerpen aan techniek. Ook al weten we met ons verstand, dat we met stamcellenonderzoek bepaalde ziekten kunnen voorkomen of genezen, we blijven grote moeite houden met het idee van “sleutelen aan het leven”. Philipp Blom ziet uiteindelijk de oorzaak van dit verzet in het christendom. We leven weliswaar in een postchristelijke maatschappij, maar toch werkt de christelijke erfenis, met name door de Romantiek, nog altijd diep op ons door.

Ook al weten we met ons verstand, dat we met stamcellenonderzoek bepaalde ziekten kunnen voorkomen of genezen, we blijven grote moeite houden met het idee van “sleutelen aan het leven”.

We zouden radicaal voor de Verlichting moeten kiezen, meent de schrijver en lijkt daarmee toegetreden tot de gelederen van strijdbare atheïsten als Christopher Hitchens, Richard Dawkins, Daniel Dennett en Sam Harris. Zijn grote voorbeelden zijn Denis Diderot en Baron d’Holbach. Zij waren openlijk atheïst en ondervonden in hun tijd enorm veel weerstand. Veel van hun geschriften waren verboden en werden illegaal verspreid. Hun vijand was uiteraard de toen nog machtige kerk en de monarchie, die tijdens het ancien régime twee handen op één buik waren. Nog altijd ziet het atheïsme het christelijk geloof als zijn tegenstander. Daarom ziet Blom achter de Romantiek nog altijd de geest van het christendom. Dat Rousseau, die je de geestelijk vader van de Romantiek zou kunnen noemen, juist een paganist was en niets van de Kerk moest hebben en dat de meeste romantici pantheïstisch georiënteerd waren, daar kijkt hij veel te gemakkelijk overheen.

Wat dit boek mij wel duidelijk maakt, is dat de zuivere Verlichting waarvan d’Holbach en Diderot de exponenten waren, in zijn radicalisme het zuivere licht van de rede wil en dat we alle grijstinten, die ontstaan door menging van de duisternis van het christelijk (bij)geloof, achter ons zouden moeten laten. Ook al is het christendom in de seculiere samenleving naar de marge verdrongen, nog steeds speelt religie in de postchristelijke maatschappij een grote rol. Het atheïsme accepteert geen enkel godsbeeld, ook niet dat van de nieuwetijdse spiritualiteit (New Age) waarin elke mens ten diepste het goddelijke in zich Zelf kan realiseren. Dat zou allemaal de erfenis van Rousseau zijn, die een verkeerde afslag heeft genomen en in dezelfde duisternis terecht zou zijn gekomen als het christelijk geloof.

Je zou denken dat Immanuel Kant, de Verlichtingsfilosoof bij uitstek, wél de goedkeuring zou krijgen van de radicale verlichters. Maar Kant sloot vrede met de (christelijke) religie en kiest niet radicaal voor het atheïsme. Weliswaar ziet hij de rede en niet de religie als basis voor de moraal, toch geeft hij religie de ruimte. Want, zo concludeert Kant in zijn Kritik der reinen Vernunft: de wereld zoals deze echt is, het Ding an Sich, blijft voor het verstand principieel onkenbaar. En dat schept ruimte voor het geloof.

In onderstaande illustraties heb ik de visie die Philipp Blom in zijn boek verkondigt, proberen te visualiseren. Hij is ervan overtuigd dat de zuivere Verlichting, vertegenwoordigd door d’Holbach en Diderot, de mensheid de weg omhoog wijst. We zouden ons moeten afkeren van de sprookjes die het christendom verkondigt, maar ook van de “romantische religie” die bijvoorbeeld in New Age onderdak heeft gevonden. Helaas werd de zuivere Verlichting tegengewerkt door invloedrijke figuren als Rousseau en zelfs door Kant. De laatste sloot vrede met het geloof en dat geldt voor de radicale Verlichting als een verraad.

Verlichting
het beeld vanuit de radicale Verlichting
[ klik op afbeelding voor vergroting ]

Het bovenstaande beeld kun je natuurlijk ook omkeren. Vanuit het traditionele christendom gezien is de Verlichting een dwaallicht, dat de mens bij Zijn Schepper vandaan lokt. Het verleidt de mens met de triomfen van de wetenschap. Het maakt hem klein (een dier onder de dieren) om iets groots met hem te beginnen (technologische vooruitgang). De mens wint daarbij de wereld, maar verliest zijn ziel. Hoe dieper hij afdaalt in de Verlichting, hoe meer hij gaat denken dat hij louter materie is en dat “de ziel” een misvatting is. Net als God. Als hij dit traject helemaal uitloopt, passeert hij Rousseau en Kant die het christendom wel de rug hadden toegekeerd, maar nog niet ver genoeg waren gegaan.

Verlichting
het beeld vanuit het traditionele christendom
[ klik op afbeelding voor vergroting ]

Bovenstaande illustraties tonen de tegenpolen die beide uitgaan van een radicale grondhouding. Je zou ze als de uiteinden van het religieuze spectrum kunnen zien. Alle posities daartussen worden afgewezen als laffe of vuile compromissen. Voor de radicale atheïst, zijn alle posities waarin God, het goddelijke of de ziel gespaard blijven, halfslachtig. Voor de orthodoxe christen vallen alle posities die God niet aanvaarden als persoonlijke Schepper die mens is geworden in Christus buiten het ware geloof. Om een mogelijk beeld te geven van godsbeelden, van de christelijke God tot het goddeloze wereldbeeld van atheïsme, heb ik een infographic gemaakt van het religieuze spectrum.

Verlichting
het religieuze spectrum
[ klik op afbeelding voor vergroting ]

vergeten radicalen [ 1 ]

vergeten radicalen [ 1 ]

gelezen: de proloog van Het verdorven genootschap
De vergeten radicalen van de Verlichting
van Philipp Blom

Het verdorven genootschapVrijdag kocht ik de Nederlandse vertaling van A wicked company van de Duits-Engelse historicus Philipp Blom. Al in de proloog wordt duidelijk dat hier niet alleen een historicus aan het woord is maar ook een man met een missie. Blom is geen vriend van het christendom en zijn affiniteit met de Verlichtingsfilosofen Paul Henri Thiry baron d’Holbach (1723-1789) en Denis Diderot (1713-1784) is daarom geen verrassing.

De titel Het verdorven genootschap is uiteraard ironisch en verwijst naar de veroordeling uit de achttiende eeuw: de materialistische filosofie die in de salon van Baron d’Holbach gepraktiseerd werd, was in de ogen van tijdgenoot gevaarlijk en verdorven. Met de ondertitel De vergeten radicalen van de Verlichting geeft Philipp Blom aan dat zijn bewonderde filosofen nog steeds niet de plaats hebben gekregen die ze verdienen. Ze worden nog altijd overschaduwd door Voltaire en Rousseau en daar moet deze historicus niets van hebben. Vooral van Rousseau heeft hij een afkeer: “Rousseau is als denker een stuk origineler en belangrijker (dan Voltaire, W&V), maar ook veel kwaadaardiger, egoïstischer en zelfdestructiever, en verder is hij een dwangmatig leugenaar.”

Met Het verdorven genootschap wil Blom de lezer terugbrengen naar de zuivere Verlichting, voordat deze vertroebeld werd door het romantische en religieuze verlangen van Rousseau.

In de proloog treedt Philipp Blom naar voren als een pleitbezorger van het materialistische en atheïstische denken van d’Holbach en Diderot in de eenentwintigste eeuw, een denken dat volgens hem nog steeds springlevend en aantrekkelijk is en voor onze tijd hoogst actueel. Hij sluit zijn proloog af met wat je een atheïstisch credo zou kunnen noemen: de overtuiging dat een mensheid die zich baseert op menselijkheid en wetenschap, een betere wereld zal voortbrengen dan een mensheid die zich baseert op religie. Met Het verdorven genootschap wil Philipp Blom de lezer terugbrengen naar de zuivere Verlichting, voordat deze vertroebeld werd door het romantische en religieuze verlangen van Rousseau.

Rue des moulins
De salon van baron d’Holbach werd gehouden op nummer 10 in de Rue des Moulins.

HolbachIedere donderdag en zondag hield baron d’Holbach open huis. Bij deze diners schoven vele beroemdheden en vrienden aan, zoals d’Alembert, J-J. Rousseau, Helvetius, en buitenlanders zoals Friedrich Melchior Grimm, Adam Smith, David Hume, Laurence Sterne, Ferdinando Galiani, Cesare Beccaria, Joseph Priestley, Horace Walpole, Edward Gibbon, en David Garrick. Tijdens deze ontvangsten werden de artikelen van de Encyclopédie geredigeerd. D’Holbach redigeerde er zelf zo’n 376. De woning was in de toenmalige Rue Royale Saint Roch, die thans Rue des Moulins heet. Hij is begraven in een anoniem graf in de nabijgelegen Église Saint-Roch.
 
Bron: nl.wikipedia.org

de god van Schelling

gelezen: Hoofdstuk IV over Friedrich Wilhelm Joseph Schelling
in Het Kwaad. het drama van de vrijheid (1997) van Rüdiger Safranski

SchellingDe Duitse filsoof Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) was net als de Schotse filosoof David Hume een wonderkind die de centrale gedachte van zijn filosofische systeem al vóór zijn twintigste formuleerde. Schelling is een van de grondleggers en belangrijkste vertegenwoordigers van het Duits idealisme. Hij construeerde een identiteitsfilosofie waarin subject en object, denken en zijn, geest en materie slechts in schijn verschillende, maar in wezen identieke verschijningsvormen zijn van één enkele werkelijkheid. Zijn denken komt in de buurt van de oude Indische filosofie en mystiek waarin het Atman (Zelf) en Brahman (Kosmos) identiek zijn.

In Het Kwaad. het drama van de vrijheid behandelt Rüdiger Safranski in het vierde hoofdstuk Schelling‘s identiteitsfilosofie met betrekking tot het kwaad. Schelling zou de ondertitel van Safranski‘s boek helemaal onderschrijven: het kwaad is het drama van de vrijheid. Het is een kosmisch drama. In tegenstelling tot het postmoderne denken dat ons zo vertrouwd is, neigt het denken rond 1800 niet bepaald naar het kleine, maar juist naar het grote. Het Duits idealisme brengt nieuwe Grote Verhalen voort. “Schellings metafysische speculaties zijn vertellingen in begrippen. Het onheuglijke is kennelijk alleen narratief te verwerken.” schrijft Safranski.

Net als Spinoza vertrekt Schelling bij god. God is daarbij niet de persoonlijke God van de Bijbel, maar het alomvattende begrip van het hele zijn. God is dus niet alleen licht, maar ook duisternis. Voor Schelling heeft god een duistere kant. In god is een oorspronkelijke duisternis waaruit hij zich ontplooien moet zodat hij uiteindelijk tevoorschijn kan komen als een god van het licht. Het is een allesbehalve christelijke opvatting van God. In de Eerste Brief van Johannes lezen we namelijk: “Dit is wat wij Hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis.”

Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt.

Maar de jonge Schelling, die gevormd was door de enorme belangstelling voor Spinoza vanaf 1785, had zich bekeerd tot het pantheïsme en god was voor hem zowel licht als duisternis. De duisternis vatte hij daarbij niet op als de afwezigheid van licht, maar als de oergrond waaruit het licht tevoorschijn komt. In de god van Schelling bevindt zich daarom een duistere afgrond. De nog onvoltooide god die uit het duister oprijst en op weg is naar het licht, is voor Schelling de mens. Deze opgang is in vrijheid. De mens heeft de keuze tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad. Het drama van zijn vrijheid is zijn vrijwillige keuze voor het kwaad. Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt. De mens wordt niet ontrouw aan Zijn Schepper maar aan zijn eigen geestelijke natuur.

Schelling en het verraad van de transcendentie
De mens wordt een verrader van het universele, omdat de angst voor het leven hem uit zijn eigen centrum drijft. Maar het centrum is de geest van de liefde, het verterende vuur waarvan hij de verwarmende nabijheid zoekt en waarvoor hij tegelijk terugdeinst om niet te verbranden. De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest. Die perversie is bij Schelling de boven het louter morele uitgaande grondstructuur van het kwaad, en hij duidt daarmee op het schandaal dat het christelijke denken “de zonde tegen de Heilige Geest” noemt. Alleen is “de heilige geest” waartegen de mens zondigt zijn eigen geestelijke wezenscentrum. De mens is het metafysische dier, en als hij probeert dat af te leren, verraadt hij zijn eigen geestelijke natuur.
 
uit: Het kwaad. Het drama van de vrijheid (vert. Mark Wildschut)

De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest.

Safranski over Schelling

De oude Schelling moest na 1840 dat verraad aan de geest, die verdrijving van de geest door de triomf van de materialistische wetenschap, nog zelf meemaken. Het idealisme werd “drooggelegd” en daarvoor kwam materialisme in de plaats. In zijn voordrachten uit 1841/42, die gebundeld werden in Philosophie der Offenbarung, keert hij terug naar de God van de Bijbel, die inbreekt in de geschiedenis. Vanuit zichzelf kan de mens zich niet verlossen en zinkt hij steeds dieper weg in materialisme. Safranski besluit het hoofdstuk over Schelling met: “De Philosophie der Offenbarung geeft het geloof weer het woord. Maar het is geen kinderlijk geloof, het is een geloof na de filosofische zeiltocht om de wereld.”

Kijken in de afgrond [ recensie van Michaël Zeeman uit 1998 in De Volkskrant ]
Het kwaad. Het drama van de vrijheid [ liberales.be ]

de god van Spinoza

gelezen: Hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst
in De Verlichting als kraamkamer (2013) door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerPrecies drie jaar geleden verscheen De Verlichting als kraamkamer van Jabik Veenbaas. Tegenover Wim Brands legde Veenbaas in VPRO Boeken uit welk misverstand er volgens hem over de Verlichting bestaat. Als het om de historische Verlichting gaat, een periode die Veenbaas in het laatste kwart van de zeventiende eeuw laat beginnen, werd de rede niet verheerlijkt maar juist ondergraven door het scepticisme. De grote Schotse filosoof David Hume was zeker niet de eerste die twijfelde aan de almacht van de rede. Had de rationalist Descartes het tijdperk van de moderne filosofie niet ingeleid, door de methodische twijfel als grondslag te kiezen? Maar Descartes vond uiteindelijk nog een veilige haven in het christelijke geloof. Honderd jaar later is er van die veilige haven weinig meer over. Traditioneel wordt de rationalist Spinoza aangewezen als de grote opruimer van het oude geloof. De joodse gemeenschap in Amsterdam had Spinoza in 1656 geëxcommuniceerd. Hij werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft Spinoza de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

Spinoza werd letterlijk vervloekt en vervolgens verbannen uit Amsterdam. Dit heeft hem de status bezorgd van “martelaar van het vrije denken”.

In hoofdstuk III Het godsbewijs van de atheïst van zijn boek, verwondert Veenbaas zich erover dat Spinoza nog altijd te boek staat als een atheïst. Je leest telkens weer een “hoe is het mogelijk?!” tussen de regels door. Spinoza‘s filosofische bouwwerk was namelijk gefundeerd in een godsbewijs! Hoe kan juist een denker die, net als de middeleeuwse filosofen, vertrekt bij een ontologisch godsbewijs, voor een godsloochenaar worden uitgemaakt?! Volgens Veenbaas was Spinoza alles behalve een atheïst, hij was zelfs een zuivere christen, al hield hij er onorthodoxe denkbeelden op na.

Natuurlijk staat of valt de juist beantwoording van de vraag “was Spinoza een atheïst?” met ons begrip of beter gezegd onze kennis van God. Spinoza sprak in zijn Tractatus theologico politicus (1670) en in zijn Ethica (1678) veel over god. Maar hij verstond onder god iets anders dan de orthodoxe joden en christenen van zijn tijd. Voor Spinoza viel god samen met de natuur. Hij was dus een pantheïst. In het pantheïsme is geen plaats voor een persoonlijke God die de wereld geschapen heeft. God valt samen met de wereld. Er is dus geen onderscheid tussen Schepper en Schepping.

Spinoza werd de hele achttiende eeuw als atheïst beschouwd en spinozisme was een synoniem van atheïsme en pantheïsme. In de eenentwintigste eeuw komt de religieuze beleving van de meeste mensen echter heel dicht bij die van Spinoza. Zeker in de populaire New Age, die de geïnstitutionaliseerde religies achter zich heeft gelaten, is god een energie geworden die in de materie werkzaam is. Het is dus niet verwonderlijk dat Spinoza nu zo actueel is. En het is ook niet vreemd waarom we moeilijk kunnen begrijpen waarom Spinoza als atheïst gezien werd/wordt.

Wanneer je in een persoonlijke God gelooft, dan is al datgene wat daartegenin gaat atheïsme. Niet alleen de substantie (=god) van Spinoza, maar ook de goddelijke energie (=god) uit de New Age en ook de abstracte god van het deïsme. Atheïsme hangt dus af van je eigen godsbegrip. Zo hoeft het meest vage ietsisme, waarin god niet meer is dan “een vermoeden”, zichzelf niet als atheïstisch te beschouwen. Een agnosticus zal tenslotte ook niet van zichzelf durven zeggen dat hij atheïst is.

Schama’s Citizens [ 2 ]

gelezen: Burgers – Kroniek van de Franse Revolutie (1989) van Simon Schama
septembermoorden, oorlog in de Vendée en La Grande Terreur

CitizensNaar aanleiding van de 200e verjaardag van de Franse Revolutie schreef de Engelse historicus Simon Schama een boek van ruim negenhonderd bladzijden. In hetzelfde jaar (1989) verscheen een Nederlandse vertaling. Burgers – Kroniek van de Franse Revolutie past in de revisionistische geschiedschrijving van de Franse Revolutie. De duistere kanten van de revolutie worden daarin meer benadrukt dan de lichte kanten. Schama laat vooral het excessieve geweld naar voren komen en houdt de emancipatie op de achtergrond. Met name om die reden kon zijn boek kon in 1989 op forse kritiek rekenen van marxistisch georiënteerde historici als Eric Hobsbawm en Morris Slavin.

Schama ziet het geweld als de drijvende kracht achter de Franse Revolutie. Vanaf het prille begin werd de revolutie aangedreven door opiniemakers, pamflettisten (twitteraars en bloggers anno 2016) en demagogen (haatzaaiers en populisten anno 2016) waarvan sommigen volksjustitie goedkeurden. (Eigen schuld, dikke bult). Toen de Nationale Conventie de regie dreigde de verliezen, werd door de jakobijnen een schrikbewind ingesteld. Vanaf de onthoofding van de koning in januari 1793 tot aan de val van Robespierre in juli 1794 was, om met de woorden van Danton te spreken, “terreur aan de orde van de dag”.

Vanaf het prille begin werd de Franse Revolutie aangedreven door opiniemakers, pamflettisten (twitteraars en bloggers anno 2016) en demagogen (haatzaaiers en populisten anno 2016)

In diezelfde periode veranderde het revolutionaire Frankrijk door de levée en masse en massaproductie van wapens in een oorlogsmachine. In de Vendée werd een gruwelijke oorlog uitgevochten die aan een kwart miljoen mensen het leven kostte, vrouwen, kinderen en bejaarden niet uitgesloten. Steden als Lyon, Marseille en Toulon kwamen in verzet tegen de jakobijnen en de opstanden werden vervolgens bloedig neergeslagen.

In Burgers – Kroniek van de Franse Revolutie heeft Schama vooral sympathie voor de slachtoffers van La Grande Terreur. Dat waren voor een groot deel geestelijken. Wie de illusie heeft dat een wereld zonder religie een betere wereld zou zijn, zou kennis moeten nemen van de ontkerstening tijdens La Grande Terreur. De afschaffing van het christelijk geloof en de “zuiveringen” waren in naam van de Verlichtingsidealen vrijheid, gelijkheid en broederschap. Vervolgingen en executies onder een seculier (revolutionair) régime zijn niet minder gruwelijk dan onder een theocratisch (ancien) régime.

Catholic Martyredom – Vendée 1793

Bisschoppen, priesters en gelovigen die het slachtoffer werden van de lynchjustitie zouden martelaren worden. Alleen al tijdens de septembermoorden (1792) werden 250 geestelijken vermoord. In 1926 werden deze zogenaamde septembermartelaren zalig verklaard.

Maar de meeste slachtoffers vielen in de Vendée. Daar was de overwegend boerenbevolking in het voorjaar van 1793 in opstand gekomen. Ze weigerde de priesters te volgen die een eed hadden afgelegd op de grondwet en beschermde de priesters die trouw gebleven waren aan de katholieke kerk. Er volgde een keiharde confrontatie met Parijs. De opstandelingen organiseerden zich tot het Armée catholique et royale de Vendée en wonnen aanvankelijk terrein en vormden zo een bedreiging voor de jonge Republiek. Maar na de afkondiging van de levée en masse eind augustus 1793 hadden ze geen schijn van kans meer. In december 1793 werden de laatste opstandelingen verslagen. Daarna volgde een uitroeiing van de bevolking van de Vendée, waarbij niemand gespaard bleef. Historici in Frankrijk debatteren nog altijd over de vraag of de slachtingen van 1793 en 1794 in de Vendée genocide waren.

For Mr de Villiers, an aristocrat whose family seat is in the Vendée, genocide does indeed apply as his forebears were killed for religious reasons: they had rebelled to protect their priests, who refused to swear an oath to the new constitution.
 
Bron: telegraph.co.uk

Guerre de Vendée [ fr.wikipedia.org ]