Categorie archief: geschiedenis

twee paleizen [ 2 ]

vrijdagavond gezien: Het Koninkrijk deel 3: een pijnlijke scheiding
Het Koninklijk Paleis in Brussel en Paleis Noordeinde in Den Haag

Twee weken geleden zaten we op een bankje in het Warandepark in Brussel. Met uitzicht op het koninklijk paleis met mansardedaken van meerdere verdiepingen hoog waanden we ons in Parijs. Grandeur die we in Nederland niet kennen. Het monolithische en bombastische gebouw moest een voortbrengsel zijn uit de tijdperk van het imperialisme, waarschijnlijk gefinancierd met kapitaal uit Congo, zo vermoedde ik.

Keizer Napoleon III bouwde Parijs tijdens zijn regeringsperiode (1852-1870) om tot een indrukwekkende metropool met brede boulevards en protserige neobarok. Vanaf 1870 volgden Berlijn, München en Wenen het Parijse voorbeeld. Ook in deze steden verschenen imposante boulevards waaraan opschepperige gebouwen stonden, als luxe bakken op de oprit die de buren jaloers moesten maken.

Het mondaine Parijs van Napoleon III werkte ook aanstekelijk op Brussel. De basis van koninklijk paleis in Brussel was weliswaar in de jaren twintig van de negentiende eeuw gelegd door koning Willem I. Maar zijn huidige vorm kreeg het pas in het laatste kwart van de negentiende eeuw.

paleis_brussel_postzegel
koninklijk paleis Brussel op een postzegel uit 1971
Het mondaine Parijs van Napoleon III werkte aanstekelijk op Brussel.

Op Nederland heeft de grandeur die je in Parijs, Berlijn, München en Brussel aantreft, geen vat gehad. Een van de weinige imponerende gebouwen is het paleis op de Dam, maar dat dateert uit de tweede helft van de 17e eeuw. Het heeft een strenge façade, maar is met pilasters in plaats van zuilen tamelijk sober vergeleken bij het koninklijk paleis in Brussel.

paleis Noordeinde postzegel
paleis Noordeinde op een postzegel uit 1987 (fotograaf Vincent Mentzel, ontwerper: Kees Nieuwenhuijzen)

Toen België zich had afgescheiden, moest koning Willem I zijn paleis in Brussel achter zich laten. Voortaan resideerde hij in paleis Noordeinde. En zoon Willem II, die ook verknocht was aan het mondaine Brussel , moest het doen met paleis Kneuterdijk. Een wereld van verschil.

In het derde deel van Het Koninkrijk gaan we terug naar 1830. Dan vindt de eerste revolutie plaats sinds de stichting van het Koninkrijk. België scheidt zich in dit jaar af van Nederland. De titel van de aflevering ‘Een pijnlijke scheiding’ geeft aan dat deze scheiding niet zonder slag of stoot verliep. Eelco Bosch van Rosenthal en Waldemar Torenstra zoeken uit wat er precies gebeurde.
 
Het Koninkrijk – deel 3 [ nos.nl ]

twee paleizen [ 1 ]

voorbijganger in Brussel

maandagmiddag een Art Nouveau wandeling doorheen Brussel gemaakt

handvatPrecies vijf jaar geleden begonnen we met onze architectuurwandelingen door Brussel. Wat ons betreft mag Brussel zich ook hoofdstad van de Art Nouveau noemen. Nergens ter wereld vind je zoveel bouwwerken in deze stijl. Tijdens de Bruxellisation, de rigoureuze stadsvernieuwing in de jaren zestig en zeventig, is er met name in het centrum veel moois verloren gegaan. Toch telt Brussel nog altijd meer dan duizend bouwwerken die tot de Art Nouveau gerekend mogen worden.

Art Nouveau kende in Europa een korte maar hevige bloei. In Brussel duurde het misschien toch wat langer. Een van de eerste woonhuizen in deze vernieuwende stijl is het Maison Autrique uit 1893. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleven Brusselse architecten eindeloos variëren met de stijlprincipes van de Art Nouveau, waarvan de zweepslaglijn het bekendst is. Art Nouveau werd tot in de kleinste details doorgevoerd. Na 1910 werden de vormen strakker, de Art Deco kondigde zich aan.

Onze vierde en laatste wandeling maakten we door de Squareswijk en Jubelwijk. Net als Sint Gilles, de Louizawijk en Schaarbeek ontstonden deze wijken rond 1900, tijdens de bloeiperiode van de Art Nouveau. Architecten als Victor Horta, Gustave Strauven en Paul Hankar werkten meestal in opdracht van bemiddelde opdrachtgevers. Hun huizen stonden vaak aan de rand van een klein stadspark, meestal met een vijver, of een groene boulevard. Zo vonden we aan de vijvers van Elsene, de Avenue Eugène Demolderde in Schaarbeek en aan de vijvers in de Squarewijk een grote dichtheid aan Art Nouveau. Maar ook in smalle straten waar je het niet verwacht, is veel moois te ontdekken.

Art Nouveau werd tot in de kleinste details doorgevoerd. Na 1910 werden de vormen strakker, de Art Deco kondigde zich aan.

neostijlenIn de wijken die aan het einde van de 19e eeuw in Brussel gebouwd werden, vormt de Art Nouveau uiteindelijk toch een bescheiden bestanddeel. De meeste gevels zijn opgetrokken in een of andere neo-stijl. Tijdens de vier wandelingen door de Brusselse stadsdelen vormde het eclecticisme telkens de hoofdmoot. Het Hôtel communal de Schaerbeek (1884-1887) en het Hôtel de Ville de Saint-Gilles (1896-1904) zijn toonbeelden van historisme.

Het is begrijpelijk dat jonge architecten rond 1890 uitzagen naar een nieuwe bouwkunst. Na neo-gotiek, neo-romaans, neo-renaissance, neo-barok en neo-classicisme hadden ze het gehad met deze eindeloze herhalingsoefening.

De breuk met de neo-stijlen ontstond uiteindelijk door de toepassing van nieuwe bouwmaterialen. In de utiliteitsbouw werden ijzer en glas als prefab onderdelen al sinds Crystal Palace (1851) toegepast. Maar pas aan het einde van de negentiende eeuw begon men deze materialen te waarderen om hun eigen karakter. Moderne constructies als stationsoverkappingen en natuurlijk ook de Eiffeltoren overtuigden architecten er tenslotte van dat staal en glas een nieuwe esthetiek vertegenwoordigden. Maar bijna altijd werden ze nog gecombineerd met een historische stijl. Dit is goed te zien in de twee tentoonstellingshallen in het Jubelpark . Op een onderbouw met zuilen die rechtstreeks teruggaat naar de bouwkunst uit de Oudheid rust een moderne constructie van glas en ijzer.

jubelpark-hal
Luchtvaarthal in het Jubelpark
op een onderbouw met zuilen die rechtstreeks teruggaat naar de bouwkunst uit de Oudheid rust een moderne constructie van glas en ijzer

En tóch kregen sommige architecten zelfs aan het begin van de twintigste eeuw nog steeds geen genoeg van deze neo-stijlen. Het neo-barokke Koninklijk Museum voor Midden-Afrika uit 1910 is hier een duidelijk voorbeeld van. Ook de triomfboog in het Jubelpark uit 1905 is een fraai staaltje van volharding in het historisme.

jubelpark
Triomfboog in het Jubelpark 1905
Samen met de Dom van Berlijn (1905), het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (1910) in Tevuren en het Vredespaleis (1907-1913) in Den Haag is dit een fraai staaltje van volharding in het historisme.

We eindigden onze laatste wandeling bij het Palais Stoclet (1906-1911) dat de Weense architect Josef Hoffmann ontwierp voor de zakenman Adolphe Stoclet. Het is een stukje Wiener Secession in Brussel dat zich duidelijk onderscheidt van de zweepslaglijnen van Horta. Het gebouw markeert het einde van de flamboyante Art Nouveau in Brussel. De toekomst was aan de strakke en meer zakelijke Art Deco.

Brussel
Onze vierde en laatste stadswandeling langs Art Nouveau in Brussel: van Hotel Van Eetvelde tot Palais Stoclet

Victor Horta (1861-1947)
Vorig jaar bezochten we tijdens onze derde wandeling het Maison Autrique van Victor Horta uit 1893. Het was een van de eerste ontwerpen van Horta die daarna nog vele andere woonhuizen en publieke gebouwen in Brussel zou ontwerpen. Hij bleef de stad zijn lange leven trouw. Horta´s woonhuis in Sint Gilles is tegenwoordig het Victor Horta Museum. Wij bezochten het tijdens onze eerste wandeling in 2009.

wandeling 1 Sint Gilles, 3 april 2009
wandeling 2 Louizawijk, 25 juli 2009
wandeling 3 Schaarbeek, 16 mei 2013
wandeling 4 Squareswijk, 31 maart 2014

a brave new world

de utopie van het modernisme op de Wereldtentoonstelling van 1958
in Brussel gekocht: Moderne architectuur op expo 58

expo 1958Mil de Kooning en Rika Devos beginnen de inleiding van Moderne architectuur op expo 58 met een citaat uit Grand Hotel Solitude van Eric De Kuyper: “In België was na de Expo niets meer zoals tevoren. (…) De wereldtentoonstelling betekende als het ware een vreedzame oorlog. Na afloop brak voorgoed een nieuw tijdperk aan. Dat zou de tijd van de consumptie heten; 1958 was een breukjaar, een aardbeving, een aardverschuiving in de Belgische geschiedenis.”.

Zelden was een evenement zo de uitdrukking van zijn tijd als de wereldtentoonstelling van 1958. Europa was na de oorlog halverwege de jaren vijftig weer opgekrabbeld en er heerste voor het eerst weer optimisme. De welvaart was net op gang gekomen en toonde nog niet haar keerzijde. De blik was uitgesproken toekomstgericht. Men had ook weinig keus. In het recente verleden lagen de puinhopen van het oude Europa. De toekomst behoorde toe aan een vreedzaam modernisme, ook al sprak men van het atoomtijdperk. Angst voor een nucleaire oorlog was er in de jaren vijftig wel, maar men geloofde dat spanning van de Koude Oorlog bezworen kon worden als Oost en West zich beiden richtten op hun gedeelde humaniteit.Een wereldtentoonstelling bood een ideale gelegenheid om elkaar over de muren heen de hand te reiken.

De blik was in 1958 uitgesproken toekomstgericht. Men had ook weinig keus. In het recente verleden lagen de puinhopen van het oude Europa.

Op de expo 58 waren er dan ook nauwelijks muren. Er waren wel veel vliesgevels en gebogen constructies. Nog nooit was er mondiaal zo´n grote eensgezindheid geweest in de keuze voor moderne architectuur. De utopie van het modernisme werd op de expo 58 de uitdrukking van het geloof in een wereld zonder oorlog. De breuk met het verleden was een soort van medicijn dat de mensheid kon genezen van haar ziekten en kwalen, waarvan oorlog de meest verschrikkelijke is. Het jaar 1958 markeert het hoogtepunt van het naoorlogse optimisme waar de geest van de Verlichting opnieuw opbloeide. Kant´s zum ewigen Frieden kwam op de expo 58 volledig tot uitdrukking.

Expo 58
vale viewmasterkleuren uit 1958…

De timing van de expo 58 was niet alleen voor het jaar 1958 perfect. Vijftig jaar later bleek de revival van 1958 ook op het juiste moment. In 2008 sprak de expo aan vanwege het uitgesproken retro-gehalte. Met retro wordt meestal midcentury modern bedoeld. Deze stijl had zijn hoogtepunt in de jaren vijftig met een nabloei in de vroege jaren zestig. De bollen van het atomium werden voor het herdenkingsjaar 2008 weer opgepoetst.

Bij elke revival worden collectieve nostalgie en marketing met elkaar verweven. Bijna 56 jaar na de opening op 17 april 1958 is de Expo nog steeds een Belgisch exportartikel waarvan het atomium nog altijd het embleem is. De vorm van het atomium is bijzonder effectief omdat het universeel, abstract en modulair is. Elk “bolleke” kan gebruikt worden om een aspect van Brussel en België uit te lichten: chocolade, bier, strips, art nouveau, enz… En de bruggen tussen de “bollekes” verbinden alles tot één geheel. Een icoon zonder uiterste houdbaarheidsdatum.

USSR plan 58
de vormgeving van de plattegrond van het paviljoen van de Sovjet Unie is in een stijl die we tegenwoordig retro noemen en geïnspireerd heeft tot het flat design van web 2.0 met vereenvoudigde vormen, duidelijke contouren en heldere kleuren.

De grafische vormgeving van 1958 heeft inmiddels een naam gekregen. In 2009 bezochten we in het atomium een tentoonstelling over de atoomstijl: A la recherche du “Style Atome”.

Expo 58 moest de balans opmaken van een wereld die de oorlog achter zich had gelaten en die de kaart trok van een vreedzame moderniteit. Het initiatief was voor de Belgische Staat een uitgelezen kans om de welvaart van het naoorlogse België in de kijker te zetten. De wereldtentoonstelling was een eclatant succes en beïnvloedt ook nu nog onze maatschappij op veel vlakken. Uiteindelijk kreeg de tentoonstelling 42 miljoen bezoekers; 80 procent van alle Belgen bezochten Expo 58. Zij maakten op de Heizel kennis met een nieuwe wereld en de nieuwe architectuur.
 
De verscheidenheid aan paviljoenen op de Expo weerspiegelde de grote architectuurdiscussies van die tijd: de experimenten met nieuwe constructies, vormen en materialen; de popularisering van de moderne architectuur; de tendens om de mens, zijn lichaam en zintuiglijke waarnemingen, centraal te stellen; de vernieuwde aandacht voor de confrontaties met historische bouwconcepten of elementen uit lokale bouwtradities.

volkskrant.nl

(schuldvraag)

Historisch Nieuwsblad: Alles wat u moet weten over de Eerste Wereldoorlog
NRC Handelsblad: Special Eerste Wereldoorlog

NRC boeken 2014In juli 1984 had ik bij Verdun mijn eerste ervaring van de Eerste Wereldoorlog. Twee maanden later zouden François Mitterrand en Helmut Kohl gebroederlijk voor het Ossuarium van Douaumont staan. Deze gebeurtenis was een belangrijke stap voorwaarts in de richting van Europese eenwording. Mitterand en Kohl symboliseerden hand in hand op het slagveld de as Parijs-Berlijn, het hart van de Europese Unie. La Poignée de main van Kohl en Mitterand in 1984 zou de opmaat zijn naar het Verdrag van Maastricht, de EMU en de Euro.

Maar de belangstelling voor de Eerste Wereldoorlog werd er door deze gebeurtenis, althans in Nederland, niet groter op. Het veranderde pas in de jaren negentig. In 1993, 75 jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, verscheen het boek Velden van weleer – reisgids naar de Eerste Wereldoorlog van Chrisje en Kees Brants. De uitgever zag er op dat moment nog geen brood in, maar binnen tien jaar lag er toch al een zesde druk in de winkel. Mede door dit boek is er nu ook vanuit Nederland een stroom “slagveldtoerisme” bijgekomen. In 2007 maakte ik met mijn vader een reis langs de slagvelden van Verdun, de Somme en Ieper.

Sindsdien lees ik regelmatig over de Eerste Wereldoorlog en volg ik op de Duitse, Franse en Engelse zenders documentaires. De Special van het NRC Handelsblad kon ik natuurlijk niet overslaan. Voordat ik erin begon, las ik eerst nog Alles wat u moet weten over de Eerste Wereldoorlog van Bas Broekhuizen en Marcel Stuivenga uit 2002. Twaalf jaar geleden constateerden zij al dat ons beeld van de Eerste Wereldoorlog aan het kantelen is.

De NRC Special opent met een interview met de Engelse historicus Christopher Clark: “Elk land heeft een smoking gun in de hand” Bij Clark gaat het niet om de schuldvraag. In Slaapwandelaars beschrijft hij zeer gedetailleerd hoe de julicrisis van 1914 kon escaleren in een mondiale oorlog.

Christopher Clark benadert de mythische Eerste Wereldoorlog alsof hij vandaag zou kunnen uitbreken en maakt met Slaapwandelaars een levendige reconstructie van de feiten. Clark put uit de interessantste archieven, bouwt zijn verhaal even grondig als adembenemend op, en laat alle hoofdspelers aan bod komen. Hij vertelt het verhaal van beslissers – koningen, keizers, ministers van Buitenlandse Zaken, ambassadeurs, commandanten en een horde lager geplaatste militairen – die het gevaar naderden met voorzichtige, berekende stappen, met aandacht voor dreiging en risico, maar blind voor de gruwel die ze onherroepelijk teweeg zouden brengen. (Bron: debezigebijantwerpen.be)

Alles wat u moet weten over de Eerste Wereldoorlog [ historischnieuwsblad.nl ]
NRC Special Eerste Wereldoorlog [ nrc.nl ]

the last stand

gelezen in Historisch Nieuwsblad nummer 9 2012
Geert Mak over de Slag bij Little Bighorn op 25 juni 1876

Met The Last Stand schilderde Frederic Remington in 1890 een van de iconen van de Amerikaanse historieschilderkunst van de 19e eeuw, vergelijkbaar met George Washington’s crossing of the Delaware River van Emanuel Leutze.

the last stand 1890
Frederic Remington 1890
The Last Stand

De voorstelling toont een heroïsch moment uit de Slag bij Little Bighorn op 25 juni 1876. Het is een legendarisch heldenverhaal: Generaal George Armstrong Custer hield met zijn regiment dapper stand, maar werd tenslotte tot de laatste man afgeslacht. In het Historisch Nieuwsblad schreef Geert Mak in 2012 over het werkelijke verhaal. En dat bleek minder heldhaftig te zijn dan het schilderij van Remington.

Custers Last Stand [ historischnieuwsblad.nl ]