Categorie archief: geschiedenis

Denk aan mij … in 2026

wie gedenken we in 2026 met (nog) een postzegel?

De meest bijzondere herdenking van het komende jaar zal ongetwijfeld op 4 juli vallen. Dan wordt het 250-jarige bestaan van de Verenigde Staten gevierd. En de Amerikanen zullen op die dag ook twee van hun Founding Fathers in het bijzonder herdenken: de tweede president John Adams (1797-1801) en de derde president Thomas Jefferson (1801-1809). Zij overleden allebei op dezelfde dag in 1826.

Jefferson and Adams
Thomas Jefferson en John Adams overleden allebei op de vijftigste verjaardag van de Verenigde Staten op 4 juli 1826

Dat was niet zomaar een dag maar de vijftigste geboortedag van de Verenigde Staten. Voor hun tijdgenoten had dit mythische proporties: de twee belangrijkste auteurs en ondertekenaars van de Declaration of Independence stierven op dezelfde dag. Dat kon geen toeval zijn! Adams zou vlak voor zijn overlijden gezegd hebben “Thomas Jefferson still survives”. Maar zijn politieke rivaal was enkele uren daarvoor al overleden en dit nieuws had Adams nog niet bereikt.

300e geboortedag
3 juni James Hutton (†1797)
16 oktober Daniel Chodowiecki (†1801)

250e sterfdag
25 augustus David Hume (*1711)

250e geboortedag
25 januari Joseph Görres (†1848)
11 februari Ioannis Kapodistrias (†1831)
11 juni John Constable (†1837)
6 mei Pyotr Mikhailovich Volkonsky (†1852)

200e sterfdag
4 juli John Adams (*1735)
4 juli Thomas Jefferson (*1743)

200e geboortedag
6 april Gustave Moreau (†1898)
4 mei Frederic Edwin Church (†1900)
28 december Conrad Busken Huet (†1886)

150e sterfdag
8 juni George Sand (*1804)
25 juni George Armstrong Custer (*1804)
1 juli Mikhail Bakunin (*1814)

150e geboortedag
5 januari Konrad Adenauer (†1967)
7 augustus Mata Hari (†1917)
23 november Manuel de Falla (†1946)

abstractie van vroeger

postzegels met geabstraheerde landschappen uit de periode 1962-1973

Een postzegel die mij in mijn jonge jaren op de achterkant van menige ansichtkaart achtervolgde, was een kleine frankeerpostzegel van 10 cent met een onduidelijke voorstelling. Als kleuter zat ik er op te turen alsof er iets stond geschreven in een vreemd schrift, in een prikkeldraad van tekens, vol weerhaken zoals bij een ondoordringbare tekst in gotische letters. Ik heb het nooit kunnen ontcijferen…

Nederland 1962
Nederland 1962

Maar er stond niets geschreven. Jaren later kwam de postzegelcatalogus onverwacht met de oplossing: de deltawerken. Natuurlijk! Waarom had ik dat als kind nooit gezien? Had ik zo slecht gekeken? Mijn voorlopige conclusie: De abstractie was te moeilijk voor mij als vijfjarige.

De abstractie van Dick Bruna kon ik volgen, maar de abstractie van A. van der Vossen (de ontwerper van deze postzegel) dus niet. Het was meerduidig. Waar Dick Bruna je met de rug tegen de muur zet, kun je bij Van der Vossen juist alle kanten op. En ik wist niet welke. Het kwam niet tot “een betekenisvol beeld”, het kwam niet tot de deltawerken. Terwijl het bij Nijntje direct tot een konijn kwam.

Later ontdekte ik meer van dergelijke postzegels. Ze verschenen in de periode 1962-1973, de eerste tien jaar van mijn leven. Postmodernisme moest nog komen. Het modernisme beleefde zijn heyday. Abstraheren was mode. Niet het oprakelen van beelden uit het verleden, wel het verwijzen naar het verleden maar dan in een nieuwe taal. Het modernisme pretendeerde universeel te zijn, tijdloos.

Duitsland 1969
Duitsland 1969

Als ik nu naar de abstractie uit die periode kijk en mij de vraag stel of het toen gelukt is om tijdloos te zijn, kom ik niet tot een sluitend antwoord. Ik kan deze postzegels nu ouderwets vinden. Het modernisme is ingehaald door “iets” dat we gemakshalve maar postmodernisme zijn gaan noemen, maar is het modernisme dan ook achterhaald? Omdat abstraheren geen mainstream meer is en ons tijdsbeeld na zestig jaar veranderd is, zijn deze ontwerpen dan ouderwets geworden?

Duitsland 1969
Duitsland 1969

Je zou ook kunnen vaststellen dat “we” in 1965 moderner waren dan in 2025. Ontwerpers streefden naar een universeel visueel idioom waarin je alles kunt uitdrukken. Kijk naar de boekomslagen, de affiches uit die periode 1962-1973. Het is niet toevallig dat de White Album van de Beatles midden in die periode verscheen. Er was een groot verlangen om los te laten van het tijdelijke, van de vorm en op te gaan in iets universeels. Altijd en overal.

Liechtenstein 1972
Liechtenstein 1972

Met het postmodernisme zijn we weer terug midden in de geschiedenis. Het verleden braakt zich in elke toekomstige seconde opnieuw uit. Dat gebeurde natuurlijk altijd al, ook in de genoemde periode. Om bij de Beatles te blijven, de twee albums die vooraf gingen aan de leegte van het White Album (Sgt Pepper’s Lonely Hearts Club Band en the Magical Mystery Tour uit 1967) waren druk en kleurrijk en liepen dus al vooruit op de bonte kermis van het postmodernisme.

Zwitserland 1973
Zwitserland 1973

Als het allemaal even te druk wordt met de beelden om mij heen, dan trek ik mij in gedachten even terug in het oog van de orkaan, in het modernisme uit mijn jonge jaren dat mij het gevoel geeft dat minder meer kan zijn. En dat abstractie mij de ruimte geeft.

Tijdreizen met YouTube [ 6 ]

Chicago in de jaren 20 en de klassieke wolkenkrabbers (2)

Als je wilt zien hoe het er honderd jaar geleden in grote wereldsteden uitzag, dan zou je eens een uitstapje kunnen maken naar het YouTube-kanaal van Nass. Hier vind je een verzameling van bijna 300 video’s met ingekleurde historische opnamen van wereldsteden van 1900 tot 1950. Deze keer: Chicago 1929 (2)

Als je foto’s of filmbeelden bekijkt van New York en Chicago uit het eerste kwart van de twintigste eeuw, dan lijkt het alsof de bouwstijlen uit het verleden een soort wondergroeimiddel hebben gekregen. Ze schieten als planten omhoog. Gotische kathedralen worden ook vaak vergeleken met planten, door de vegetatieve vormen en pilaren en pilasters die langs de muren omhoog klimmen. Met steen kon voor de Middeleeuwer een duizelingwekkende hoogte bereikt worden, maar uiteindelijk bleef deze beperkt door het gewicht van steen. De maximale hoogte die voor een stenen toren bereikt kan worden is ongeveer 161 meter. Dat is namelijk de hoogte van de Munster van Ulm, de hoogste gotische torenspits ter wereld.

Chicago 1920s in color

In 1889 liet de Franse ingenieur Gustave Eifel zien dat je met staal nog veel hoger kan bouwen. Aan de overzijde van de Atlantische Oceaan waar de frontier net was opgehouden te bestaan en waar nu “the sky the limit” werd, pakte men dat onmiddellijk op. Als eerst in Chicago waar de grote stadsbrand van 1871 het centrum had platgelegd. Chicago ging nu de hoogte in en werd zo de bakermat van de moderne hoogbouw, die gebaseerd is op een stalen constructie.

Alle vroege wolkenkrabbers in Chicago en New York hebben zo’n stalen skelet, waarover een façade getrokken is in een of andere historische stijl. “U vraagt, wij draaien” was het voor de architecten van het eclecticisme, de verzamelnaam voor het mengelmoesje van historiserende stijlen. In Amerika wordt het meestal Beaux Arts genoemd, omdat dit lekkerder bekt.

De stijl van de Beaux Arts is eigenlijk altijd al een anachronisme geweest. Rond 1860 werd de Beaux Arts populair in Parijs onder Het keizerrijk van Napoleon III. Het Opera Garnier werd hier het grote voorbeeld van. Het is een combinatie van neobarok en rococo, uitgevoerd in een tijdperk waarin stoom, glas en staal de wereld begon te domineren. In Amerika werd Beaux Arts bekend door de wereldtentoonstellingen, met name de Columbian Exposition in Chicago in 1893. De uitbundigheid van deze stijl, ontspoorde regelmatig in een delirium, waarbij de architect net iets teveel torentjes, koepeltje en zuilen aan zijn ontwerp had geplakt. De moderne architectuur keerde zich daarom af van deze pronkerige façade-architectuur.

Een van de grondleggers van de wolkenkrabber, de Amerikaanse architect Louis Sullivan (1866-1924), heeft de klassieke opbouw van de vroeger wolkenkrabber vastgelegd: eerst komt een soort “plint”, een meestal verhoogde eerste verdiepingen, daarop komen vele bouwlagen (een soort “stengel”) waarbij de gevel steeds regelmatig door ramen wordt opengebroken, en tenslotte komt een kroonlijst. De functionele internationale stijl die rond 1940 ontstaat, zal deze indeling loslaten, maar op alle vroege wolkenkrabbers kun je deze indeling toepassen.

Sullivan, die vooral vooral bekend is door zijn beroemde uitspraak form follows function, hield zich zelf overigens niet aan zijn eigen uitspraak. Zijn ontwerpen bestaan uit een functioneel stalen skelet, maar zijn bekleed met terracottapanelen, die vaak rijkelijk geornamenteerd zijn. Alsof hij zich juist schaamde voor de kale constructie. De architecten van de vroege wolkenkrabbers lijken alleemaal aan deze schaamte voor het functionalisme te lijden. Natuurlijk was dit ook een Victoriaanse kwaal uit de negentiende eeuw. Zelfs Gustave Eiffel (zijn toren bleek niets anders dan de constructie zelf!) kon het niet nalaten om in de Eiffeltoren toch wat vormen te gebruiken die niet noodzakelijk waren voor de constructie en als versiering dienden.