Categorie archief: geschiedenis

Jihadisme en la Grande Terreur

In zijn dankwoord na de uitreiking van de Frank-Schirrmacher-Preis in Berlijn
diagnosticeerde Michel Houellebecq de toestand van Europa

OnderworpenDeze week ontving Michel Houellebecq in Berlijn de Frank-Schirrmacher-Preis en ik las de rede die hij afgelopen maandagavond in Berlijn uitsprak. Hiermee bevestigde hij het beeld dat ik over hem gevormd heb, vooral in de passage waarin zijn visie op prostitutie en het huwelijk naar voren komt. Europa zou volgens Houellebecq zelfmoord plegen als het de prostitutie zou afschaffen. Zijn argument (zonder prostitutie wordt het huwelijk onmogelijk) lijkt vanuit de Franse traditie van de institutionalisering van de huwelijkse ontrouw misschien te kloppen, maar is natuurlijk grote onzin. “Als de prostitutie wordt afgeschaft, verdwijnt het huwelijk en het gezin en wordt vervolgens de hele maatschappij ontwricht”, zo spreekt de onheilsprofeet Houellebecq.

Wat mij wél aanspreekt in zijn Berlijnse rede, is de parallel die hij trekt tussen Islamitische Staat en de Franse Revolutie. De afgelopen maanden las ik Burgers, de omvangrijke studie die Simon Schama in 1988 maakte van de Franse Revolutie. Tijdens het lezen over de Terreur, het schrikbewind van Robespierre, moest ik telkens denken aan IS want er zijn opvallende parallellen.

In de eerste plaats de religie. Het wordt nog wel eens vergeten dat het schrikbewind van Robespierre niet atheïstisch was, maar religieus. Net als de beeldenstormers van IS waren er ook revolutionairen die beelden kapot sloegen en kerken ontheiligden. Dit gebeurde vanuit een haat tegen het christendom en liefde voor de eigen politieke religie.

Daarmee is ook een tweede parallel benoemd: de politiek. Het revolutionaire Frankrijk was net als Islamitische Staat door en door politiek. De politiek en de religie hebben hetzelfde doel: de verspreiding van de politieke religie, het vernietigen van de vijand en het stichten van de heilstaat op aarde. De revolutie moest geëxporteerd worden (vonden met name de Girondijnen) en heel Europa moest worden aangestoken met het revolutionaire vuur. De revolutie en het islamitisch kalifaat maken aanspraak op universele geldigheid en heerschappij.

Terreur is niets anders dan snelle, strenge en onwrikbare gerechtigheid.

Maximilien de Robespierre

De derde duidelijk parallel is de terreur. Het doel (de wereldrevolutie, het kalifaat) heiligt de middelen. En het machtsmiddel wordt uiteindelijk de terreur. Als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. Waarschijnlijk heeft niemand het ooit leugenachtiger geformuleerd dan Robespierre, de aartsvader van alle dictators: “Terreur is niets anders dan snelle, strenge en onwrikbare gerechtigheid.”

Maximilien de Robespierre op 17 pluviôse an II – 5 februari 1794
 
Si le ressort du gouvernement populaire dans la paix est la vertu, le ressort du gouvernement populaire en révolution est à la fois la vertu et la terreur : la vertu, sans laquelle la terreur est funeste ; la terreur, sans laquelle la vertu est impuissante. La terreur n’est autre chose que la justice prompte, sévère, inflexible ; elle est donc une émanation de la vertu ; elle est moins un principe particulier, qu’une conséquence du principe général de la démocratie, appliqué aux plus pressants besoins de la patrie.
 
Als de drijvende kracht achter een democratische regering in vredestijd de deugd is, is het tijdens de revolutie zowel de deugd als terreur; deugd zonder welke terreur dodelijk is; terreur zonder welke deugd machteloos is. Terreur is niets anders dan snelle, strenge en onwrikbare gerechtigheid. De terreur komt daarom voort uit de deugd en is het resultaat van de toepassing van het beginsel van de democratie voor de dringende noden van het land.

Marie Antoinette
het hoofd van Marie Antoinette nagemaakt door Mme Tussaud [ credits: gallica.bnf.fr]
Michel Houellebecq in zijn Berlijnse rede – 26 september 2016
 
An dieser Stelle bin ich versucht, sehr weit auszuholen, weil ich gerade Lamartines L’Histoire des Girondins lese, die recht eigentlich eine Geschichte der Französischen Revolution ist. Zuallererst verwundert einen in diesem Buch der Glaube, der die französischen Revolutionäre beseelt, ein Glaube, der sie unsinnige Akte des Heldentums hat vollführen lassen und der es ihnen erlaubt hat, das verbündete Europa militärisch zu besiegen, während im Land selber mehrere Bürgerkriege tobten. Haben wir heute, wir anderen liberalen Demokraten zu Beginn des 21. Jahrhunderts, denselben republikanischen Glauben?
 
Die Frage zu stellen, heisst, sie schon zu beantworten.
 
Allerdings erstaunt auch die monströse Grausamkeit der französischen Revolutionäre. Man kann verstehen, wenn Joseph de Maistre die Französische Revolution als eine vollständig satanische Veranstaltung ansieht. Alle vier oder fünf Seiten bei Lamartine werden auf Lanzen aufgespiesste abgeschlagene Köpfe herumgetragen. Und ohne Unterbrechung diese abscheulichen Geschichten. Da gibt es die berühmteste, jene der Prinzessin von Lamballe, deren Vulva an ihrem Leichnam zerschnitten wurde – von einem Aufrührer, der sich einen falschen Bart daraus machte.
 
Bron: nzz.ch

Een vierde parallel is de retoriek van de leider. Net als de eerste man van het Jakobijnse schrikbewind Maximilien de Robespierre, is Abu Bakr al-Baghdadi de man achter het schrikbewind van de Islamitische Staat, een fanaticus en een puritein. Het zijn geen dictators als Sadam, Khadaffi of Ceaucescu. Ze bouwen geen paleizen en zwelgen niet in overdaad, maar leven eerder als asceten. Dat maakt het des te griezeliger. Want ze lijken al onthecht en vragen van hun volgelingen ook om zich te onthechten en zich op te offeren voor het hogere doel. In hun retoriek maken ze gebruik van hyperbolen, refereren telkens aan het hogere doel, aan het offer en het heldendom/martelaarschap.

En scellant notre ouvrage de notre sang, nous puissions voir au moins briller l’aurore de la félicité universelle.(Robespierre)
 
Door onze werken met bloed te verzegelen, kunnen we tenminste de dageraad zien schijnen van de universele gelukzaligheid.

Houellebecq heeft een punt. De gruwelijkheden ten tijde van de Franse Revolutie, met als dieptepunt de Septembermoorden, de burgeroorlog in de Vendée en het schrikbewind van Robespierre, doen niet onder voor die van Islamitische Staat.

Blijkbaar kan de Verlichting ook leiden tot bezetenheid. De Franse Revolutie kunnen we zien als de politieke consequentie van de Verlichting, die ontspoorde door een giftig mengsel van rigide rationalisme en blinde volkswoede. In naam van de Rede, Deugd en Allah gebeuren de meest verschrikkelijke dingen. En dan, merkt Houellebecq op, komt er ook “zomaar” weer een eind aan:

Michel Houellebecq in zijn Berlijnse rede – 26 september 2016
 
Und dann, mit einem Schlag, hört das auf. Warum hat die Französische Revolution ein Ende genommen? Warum wurden die Menschen mit einem Schlag dieser Blutorgie überdrüssig? Darüber wissen wir nichts. Mit einem Mal, ohne ersichtlichen Grund, liessen die Menschen davon ab, und die Gier nach Blut verschwand. Und vielleicht ist es einfach so, ohne wirklichen Grund, auf konfuse Weise und wenig spektakulär, dass der Islamische Staat enden wird.
 
Bron: nzz.ch

De laatste vijftien jaar is er veel geschreven over de Verlichting als remedie tegen de fundamentalistische islam. Net als het christendom zou de islam “door de Verlichting” moeten gaan. Vanuit de parallellen tussen de Franse Revolutie en Islamitische Staat, zou je kunnen opperen dat de islam “door de Verlichting” gaat, maar spiegelbeeldig aan het christendom. IS heeft een schrikbewind ingesteld en vervolgt, zoals de ultra-Jakobijnen vervolgden. De islam wordt niet vervolgd, zoals het christendom tijdens de Franse Revolutie. Maar ze gaat wel door een “verlichting” heen, die deugd en terreur koppelt. Onthoofden wordt zo een heilige opdracht.

Tod als Rettung vor dem Tod [ zeit.de ]

rijk geïllumineerde glossy

Magazine t.g.v. 600 jaar Gebroeders van Limburg

Ze maakten “glossies” voor de hertog van Bourgondië of de hertog van Berry, maar dat er 600 jaar na hun dood een glossy onder hun eigen naam zou verschijnen, daarvan hadden de gebroeders van Limburg uit Nijmegen nooit durven dromen. Vorige maand verscheen er n.a.v. de zeshonderdste sterfdag van de gebroeders een heuse magazine met een gouden 600 op de omslag. Het binnenwerk wordt vooral bepaald door schitterende collages van de bekende miniaturen waarin levende modellen zijn gemonteerd. De fotografie en de beeldbewerking werden gedaan door Thijn van de Ven, meesterfotograaf uit Nijmegen. Het magazine is online te bestellen. Vrijdag is de laatste dag van het crowdfunding project.

Gebroeders van Limburg Magazine
fragment van de omslag van het magazine

Les Très Riches Heures du duc de Berry is een rijk geïllumineerd getijdenboek, gedateerd rond 1400. Het is geschilderd in opdracht van Hertog Jean de Berry en vervaardigd door de befaamde Nijmeegse miniatuurschilders de gebroeders Van Limburg. Ter gelegenheid van 600 jaar Gebroeders van Limburg is een servies uitgebracht voorzien van afbeeldingen uit Les Très Riches Heures.

gebroedersvanlimburg.nl | hetwoudderverwachting.nl

il faut cultiver notre jardin

gelezen: De Verlichting als kraamkamer door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerIn het laatste hoofdstuk van De Verlichting als kraamkamer lost Jabik Veenbaas de belofte in, zoals deze wordt uitgesproken in het tweede deel van de ondertitel: over het tijdperk en zijn betekenis voor het heden.

Hij begint met Dialektik der Aufklärung uit 1944 van Max Horkheimer en Theodor Adorno. Dit invloedrijke neomarxistische geschrift klaagt de Verlichting aan als de generator van meedogenloos totalitarisme. De totalitaire ideologieën die in de eerste helft van de twintigste eeuw zo vernietigend waren voor onze beschaving, zouden hun oorsprong vinden in het dogmatisme van late Verlichtingsdenkers als Kant, Turgot en Condorcet. Zij stelden een religieus vertrouwen in de Rede als fundament van de Deugd. De Verlichting werkte zich in het laatste decennium van de achttiende eeuw in Frankrijk uit tot een politieke religie met vreselijke gevolgen.

Onder de Jakobijnse dictatuur werden omgedoopt in tempels van de Rede. In juni 1794 werd in Parijs zelfs de Cultus van het Opperwezen gevierd met Robespierre als hogepriester. Twee dagen na deze viering werd de beruchte Wet van de 22ste Prairial aangenomen, die in principe iedere burger tot een potentieel staatsgevaarlijke persoon maakte die zonder proces onder het nationale scheermes terecht kon komen. De grande terreur was begonnen.

Dialektik der AufklärungHet is niet moeilijk om een lijn te trekken van het dogmatisch rationalisme van de Verlichting naar het schrikbewind van Robespierre en dan verder naar Stalin, Hitler en Mao. Maar een dergelijke j’acuse doet de Verlichting natuurlijk onrecht. Dat is ook het bezwaar van Veenbaas tegen de tunnelvisie van Horkheimer en Adorno. Met Dialektik der Aufklärung hadden ze enorm veel invloed op de naoorlogse generaties, met name die van 1968, en bepaalden ze voor decennia ons negatieve beeld van De Verlichting: als de kraamkamer van een duivelskind.

Maar de Verlichting is ook de kraamkamer van de mensenrechten, van de burgerlijke rechtsstaat en de moderne democratie, van de medische vooruitgang en van vrouwenrechten. Het afwijzen van de Verlichting betekent daarom ook het afwijzen van al die zaken die voor de samenleving, en dus voor ons leven, de afgelopen 250 jaar een enorme verbetering zijn geweest. Het is even dwaas om de tunnelvisie van Robespierre te volgen als die van Horkheimer en Adorno.

Waar Veenbaas de lezer bij terug wil brengen, is het besef dat we als onafhankelijk denkende individuen allemaal zijn voortgebracht door de kraamkamer van de achttiende eeuw. De moordende twijfel van David Hume is onze twijfel geworden en in het romantische verlangen van Rousseau herkennen we direct onszelf. Ook het optimisme van Immanuel Kant kunnen we nog altijd delen: Onder de onmetelijke sterrenhemel voelen we onszelf weliswaar nietig maar in ons hart vinden we ook nog altijd de menselijke waardigheid waarmee we boven de vergankelijke materie uitstijgen.

Als de Verlichting een licht werpt in de duisternis, dan opent het ook afgronden. In hoofdstuk 2 (crisiservaringen) laat Veenbaas het voorspel van de Verlichting beginnen met de methodische twijfel van Descartes. Maar bij de rationalist Descartes is er tenslotte de Rede die iedere twijfel uit de weg ruimt. Honderd jaar later, bij David Hume, duikt de twijfel opnieuw op. Maar ditmaal valt ze de Rede in het hart aan en de fundamenten van het rationalisme houden geen stand meer. Bij Hume leidde dit tot een diepe persoonlijke crisis. Met het onderuithalen van het substantiebegrip en de causaliteit bleek er geen ankerplaats meer te bestaan. Hume had met zijn Treatise of Human Nature (1739-40) de sceptische noodtoestand uitgeroepen.

Veenbaas lijkt een positie in te nemen ergens tussen de scepsis van Hume en de hybris van Condorcet, tussen een praktisch naturalisme en een gematigd vooruitgangsoptimisme. Wat ethiek betreft lijkt hij te neigen naar het waarderelativisme van De Lamettrie. In het hoofdstuk over zijn Discours sur le bonheur (1748) uit hij duidelijk zijn bewondering voor De Lamettrie, zonder daarbij te vermelden wat de verschrikkelijke gevolgen kunnen zijn van het op losse schroeven zetten van de moraal. Vanuit het materialistische mensbeeld van De Lamettrie kunnen goed en kwaad niet meer gefundeerd worden in religie, maar ook niet meer in de Rede. Kannibalisme wordt dan een kwestie van smaak. Gelukkig maakt hij in het laatste hoofdstuk wél duidelijk dat we ons met de ethiek van De Lamettrie op glad ijs begeven. Wanneer we goed en kwaad koppelen aan lust en onlust, dan ligt het sadisme van Markies de Sade (die hij behandelt in hoofdstuk XVI) direct om de hoek.

il faut cultiver notre jardin
il faut cultiver notre jardin

Veenbaas besluit zijn boek met het beroemde devies van Voltaire aan het einde van Candide (1759) “il faut cultiver notre jardin”, Laten we onze tuin bewerken. Hij legt het als volgt uit: “laten we het bescheiden en overzichtelijk houden en laten we ons niet in valse pretenties verliezen. Maar het betekent ook: laten we onze aardse kansen benutten.” Dit zou aan het begin van de eenentwintigste eeuw onze omgang met de Verlichting kunnen zijn. Helemaal in de geest van de postmoderne bescheidenheid noemt Veenbaas het licht dat van de turbulente eeuw der Verlichting uitgaat “het kleine, klare licht”.

radicaal materialisme

gelezen: hoofdstuk VIII provocateur en profeet
in De Verlichting als kraamkamer door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerJulien Offray De Lamettrie (1709-1751) is vooral bekend geworden door l’homme machine uit 1747 waarin hij de mens, zoals de titel al laat raden, beschouwt als een machine. Volgens het mechanische wereldbeeld van de zeventiende eeuw, was niet alleen de kosmos maar ook het menselijk lichaam een (uiterst complex) mechanisme. Het nieuwe inzicht van De Lamettrie was dat hij niet alleen het menselijk lichaam een machine zag, maar ook de menselijke geest. Hij nam nadrukkelijk afstand van de res cocitans, de denkende substantie van Descartes en de rationalisten. Bij De Lamettrie zien we het begin van een radicaal materialisme dat in de negentiende eeuw verwoord zal worden door Jakob Moleschott (“Ohne Phosphor kein Gedanke”) en in onze tijd door Dick Swaab (“De ziel is een misvatting”)

Maar Jabik Veenbaas behandelt in hoofdstuk VIII provocateur en profeet van De Verlichting als kraamkamer een ander geschrift van De Lamettrie. Discours sur le bonheur verscheen een jaar na l’homme machine en gaat over ethiek. De auteur zag het zelf als zijn belangrijkste bijdrage aan de filosofie. Ook met dit werk maakte hij zich niet geliefd. Veenbaas merkt op dat zelfs Frederik de Grote, die juist bekend stond als de “parmantige beschermheer der vrijdenkers” het boek verbood. Wat was er zo controversieel aan Discours sur le bonheur?

De Lamettrie vraagt zich af wat er van de ethiek over blijft wanneer de natuur het voor het zeggen heeft. Specifieker: hoe moeten we over goed en kwaad denken wanneer we ervan uitgaan dat de mens een machine is? De uiterste consequentie van dit mensbeeld, is dat al onze gedachten en gevoelens, ook de meest verhevene en verfijnde, het eindproduct zijn van een bijzonder complexe chemische fabriek. We kunnen ons dan niet meer beroepen op een ziel of op een hart waarin God tot ons spreekt.

Hoe moeten we over goed en kwaad denken wanneer we ervan uitgaan dat de mens een machine is?

Het onderscheid tussen goed en kwaad is volgens De Lamettrie te herleiden tot de ervaring van lust en onlust. Omdat genot en pijn nooit absoluut zijn, zijn goed en kwaad dat volgens hem ook niet. Zo komt hij tot een ethisch relativisme dat onze postmoderne tijd aanspreekt, maar in de verlichte achttiende eeuw veel weerstand ondervond. Want ook al werd tijdens de Verlichting de godsdienst niet langer als bron van de moraal beschouwd, de nieuwe heilige graal was de Deugd.

de Lamettrie
Julien Offray de Lamettrie

Veenbaas noemt De Lamettrie een profeet omdat hij al vooruitloopt op Darwin en Nietzsche Met l’homme machine wordt het absolute onderscheid tussen mens en dier gradueel en wordt de mens een dier onder de dieren. En in Discours sur le bonheur ondermijnt hij onze verheven ethische beginselen en maakt goed en kwaad relatief. Veenbaas dekt zijn bewondering voor De Lamettrie niet toe en prijst zijn moed: “Vergeleken bij De Lamettrie zijn alle filosofen pantoffelhelden”.

Het is jammer dat Veenbaas niet laat zien wat de uiterste consequenties van het materialistische mensbeeld van De Lamettrie kunnen zijn, omdat dan vanzelf duidelijk wordt waarom zijn visie zoveel verzet oproept. Het radicale materialisme van De Lamettrie maar ook het radicale scepticisme van Hume liggen in onze tijd heel dichtbij. De verwarring en twijfel die hun denken oproept, is onder de onder de huid gekropen. Het geeft ons een ongemakkelijk gevoel, maar tegelijkertijd wordt het gekoesterd als de jeuk die bij het moderne levensgevoel hoort.

Bijgeloof en Verlichting

De betoverde weereld (1691) van Balthasar Bekker
en Compendium rarissimum totius Artis Magicae (ca. 1775)

De Verlichting als kraamkamerIn De Verlichting als kraamkamer wijdt Jabik Veenbaas een heel hoofdstuk aan dominee Balthasar Bekker (1634-1698). Hij is tamelijk onbekend en ik had nog nooit van hem gehoord. Maar in zijn tijd was hij een beroemdheid en dat was vooral te danken aan zijn bestseller uit 1691 De betoverde weereld. In dit boek maakt hij, in de geest van de Verlichting korte metten met het bijgeloof. Met De betoverde weereld dreef deze dominee in zijn eentje meer heksen, boze geesten en demonen uit dan alle Europese exorcisten bij elkaar. Het leek alsof al het gespuis uit de onderwereld verdampte in het licht van de Verlichting.

Met De betoverde weereld dreef deze dominee in zijn eentje meer heksen, boze geesten en demonen uit dan alle Europese exorcisten bij elkaar. Het leek alsof al het gespuis uit de onderwereld verdampte in het licht van de Verlichting.
In 1691 schreef Balthasar Bekker een bestseller De betoverde weereld. Hierin verzette hij zich krachtig tegen de bul Summis desiderantes affectibus, in 1484 uitgevaardigd door paus Innocentius VIII en het bestaan van heksen, spoken en duivels. Hij trok van leer tegen het idee van bezetenheid door de duivel – afkomstig van Plato en Hippocrates - een destijds revolutionaire gedachte. Ook het bestaan van de duivel zelf trok hij in twijfel. Tovenarij was voor Bekker een onuitputtelijke bron van humor en spot. Na de verschijning van het boek stond de Republiek te trillen op haar grondvesten. In twee maanden tijd werden 4.000 explaren verkocht. Er verschenen tweehonderd boeken en pamfletten, waarvan slechts drie in het Latijn, wat erop wijst dat er onder een breed publiek belangstelling voor bestond. In 1693 verscheen een Duitse, in 1694 een Franse en in 1695 een Engelse vertaling.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Op internet ging ik eens op zoek naar afbeeldingen waarin het bijgeloof in dat licht van de Verlichting wordt geplaatst en ontdekte een werk met de lange titel Compendium rarissimum totius Artis Magicae sistematisatae per celeberrimos Artis hujus Magistros. Anno 1057. Noli me tangere. Het verscheen omstreeks 1775 in het Duits en Latijn en bevat 31 gouaches die bevolkt worden door griezels uit de zwarte kunst. Het verbaast mij dat uitgever Taschen nog geen facsimile heeft uitgegeven, want de groteske afbeeldingen sluiten naadloos aan op hippe subculturen als street art en outsider art.

1766
Compendium rarissimum totius Artis Magicae
1766
Compendium rarissimum totius Artis Magicae
1766
Compendium rarissimum totius Artis Magicae

De Verlichting zou voor een groot deel een einde maken aan het volkse bijgeloof. Maar ook al verdwenen de weerwolven, het kwaad zou daarmee nog niet teruggedrongen zijn achter de poorten van de hel. De Jacobijnse Terreur, die zich door Rousseau en de Verlichtingsidealen liet inspireren, bleek net zo vaardig in het onthoofden als menige demon.

1766
Compendium rarissimum totius Artis Magicae
1793
Prent met het hoofd van Lodewijk XVI uit 1793

Vendémiaire

224 jaar geleden werd de Republikeinse Kalender ingesteld
vandaag zou het 1 Vendémiaire An CCXXIV zijn geweest

De Franse Revolutie wilde de geschiedenis opnieuw laten beginnen. De meest ingrijpende verandering van dat nieuwe begin, was de invoering van de Franse Republikeinse Kalender. Net als met de nieuwe bestuurlijke indeling van Frankrijk in 83 arrondissementen, moest ook de tijd opnieuw ingedeeld worden. De sporen van het verleden moesten daarbij zoveel mogelijk uitgewist worden. De traditionele kalender wordt bepaald door de Romeinse en christelijke erfenis. In de Franse Republikeinse Kalender was daar niets meer van terug te zien: de maand augustus ging op in Themidor (hittemaand) en Fructidor (fruitmaand) en de zondag, de Dag des Heeren, verdween. Daar kwam driemaal per maand een rustdag (décadi) voor in de plaats.

Vendémiaire
Kalenderplaat van de maand Vendémiaire (22 september – 21 oktober)

De nieuwe maanden bestonden niet uit vier weken maar uit drie décades (tien dagen). Zo ontstond er een jaar van twaalf maanden die dertig dagen telden. De resterende 5/6 dagen werden sansculottides of aanvullende dagen genoemd. Deze waren gewijd aan de deugd (jour de la vertu), dag van de deugd, het vernuft (jour du génie), de arbeid (jour du travail), de meningsuiting (jour de l’opinion), de beloning (jour des récompenses) en de revolutie (jour de la révolution). De 360 andere dagen waren niet meer gewijd aan christelijke feesten of heiligen maar aan een dier (iedere quintidi), een werktuig (iedere rustdag) of een plant, boom, mineraal of delfstof (iedere andere dag).

De Franse Republikeinse Kalender begint op 22 september en telt 12 maanden die ieder in drie decades zijn ingedeeld. De herfstmaanden (eindigend op -aire) zijn Vendémiaire Wijnmaand (22 september ~ 21 oktober), Brumaire Mistmaand (22 oktober ~ 20 november) Frimaire Koudemaand (21 november ~ 20 december). De wintermaanden (eindigend op -ôse) zijn: Nivôse Sneeuwmaand (21 december ~ 19 januari), Pluviôse Regenmaand (20 januari ~ 18 februari) en Ventôse Windmaand (19 februari ~ 20 maart). De lentemaanden (eindigend op -al) zijn Germinal Kiemmaand (21 maart ~ 19 april), Floréal Bloemmaand (20 april ~ 19 mei) en Prairial Weidemaand (20 mei ~ 18 juni). De zomermaanden (eindigend op -idor) zijn Messidor Oogstmaand (19 juni ~ 18 juli), Thermidor Hittemaand, (19 juli ~ 17 augustus) en Fructidor Fruitmaand (18 augustus ~ 16 september).

Republikeinse Kalender [ W&V ]

het conservatisme van Hume

Gelezen: De geboorte van het conservatisme – David Hume
in De Verlichting als kraamkamer (2013) door Jabik Veenbaas

De Verlichting als kraamkamerNatuurlijk komt de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) ook aan bod in de bundel De Verlichting als kraamkamer (2013) van Jabik Veenbaas. Hume is de filosoof geweest die met zijn A Treatise of Human Nature (1739-40) de sceptische noodtoestand had uitgeroepen. Daarin had hij het substantiebegrip, de causaliteit, het ik en de ziel op losse schroeven gezet. Toch liet Hume zich niet verlammen en deprimeren door zijn diepe twijfels. Hij vond stabiliteit in een pragmatische waardering voor de gewoonte en de traditie. Zo werd Hume, nog vóór Edmund Burke de vader van het conservatisme. Daarom heeft Veenbaas het hoofdstuk over Hume De geboorte van het conservatisme genoemd. Dat scepsis tot conservatisme kan leiden, werd mij op 25 juni j.l. haarfijn uitgelegd door Dirk Jan Snel op de Filosofie Scheurkalender:

De scepticus zal altijd geneigd zijn het bestaande te behouden zolang niet overduidelijk is dat de nieuwigheden die worden voorgesteld inderdaad beter zijn.

Ernst Heinrich Kossmann
in: Politieke theorie en geschiedenis (1987)

De scepticus twijfelt aan alles. Eigenlijk is het ook helemaal niet moeilijk om als scepticus te poseren, want je kunt nu eenmaal bij alles vragen stellen. Je ziet dan ook nog eens dat lieden die net de filosofie ontdekt hebben, scepsis als een soort trucje gebruiken; alles wat een ander zegt, voorzien ze van vraagtekens. Aldus denken ze dat ze het aureool van een zekere diepzinnigheid kunnen verwerven.
 
Maar de ware scepticus vraagt natuurlijk ook af of zijn scepsis wel gerechtvaardigd is. En vooral waar die toe leidt. Op het eerste gezicht lijkt radicale twijfel immers nogal destructief. Wat blijft er nog overeind, als je werkelijk alles betwijfelt? Maar als je dat eenmaal inziet, kan de redenering ook de andere kant opvallen: als alles in gelijke mate op losse schroeven komt te staan, is er ook geen reden om bepaalde zaken onder kritiek te stellen. (…) “De scepticus zal altijd geneigd zijn het bestaande te behouden zolang niet overduidelijk is dat de nieuwigheden die worden voorgesteld inderdaad beter zijn.”, betoogt Ernst Heinrich Kossmann in Politieke theorie en geschiedenis (1987) met de Schotse filosoof David Hume in gedachten.
 
Dirk Jan Snel op de Filosofie Scheurkalender

De scepticus zal altijd geneigd zijn het bestaande te behouden zolang niet overduidelijk is dat de nieuwigheden die worden voorgesteld inderdaad beter zijn. De scepticus wordt gemakkelijk conservatief. De dogmaticus echter wil verandering, naar links of naar rechts, naar voren of naar achteren, als progressief of als reactionair. Hij vindt geen rust in zijn wereld en, beheerst door zijn ongeduld, door zijn heimwee naar vroeger of zijn verlangen naar de toekomst, zoekt hij steeds verbeteringen en meent hij die op grond van zijn samenhangende inzichten te kunnen formuleren en doorvoeren.
 
uit: Politieke theorie en geschiedenis (p. 29) van Ernst Heinrich Kossmann.