Categorie archief: geschiedenis

a terrible beauty is born

The Art of World War One in 52 Paintings

De Eerste Wereldoorlog maakte definitief een einde aan de negentiende eeuw. In de beeldende kunst had de avant garde al sinds de jaren negentig als een sloophamer ingebeukt op burgerlijke waarden en de daaruit voortvloeiende esthetiek. De kunstenaars van de Sezession, de kubisten, futuristen en de jonge honden van der Blaue Reiter hadden al een heel andere wereld voor ogen dan hun voorgangers: rauwer, dynamischer, kleurrijker. Sommige kunstenaars leken over profetische gaven te beschikken: de futuristen verheerlijkten de machine en de kubisten schoten de zichtbare wereld aan scherven, waardoor hun voorstellingen doen denken aan de granaatsplinters van de loopgravenoorlog.

Lenteriten In zijn prachtige boek Rites of Spring diagnosticeert Modris Eksteins het geestelijke klimaat in Europa kort voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij stelt daarbij vast dat er met name onder de jeugd een sterke drang tot vernieuwing was. Er werd zelfs naar een Europese oorlog uitgekeken als naar een “grote schoonmaak”. Sinds 1815 waren er geen grote en langdurige gewapende conflicten meer in West-Europa geweest en men was eigenlijk vergeten wat oorlog precies betekende.

De kubisten schoten de zichtbare wereld aan scherven, waardoor hun voorstellingen doen denken aan de granaatsplinters van de loopgravenoorlog.

Toen het eenmaal oorlog werd, bleek deze een heel ander gezicht te hebben dan alle voorgaande oorlogen. Weliswaar waren er tijdens de Krimoorlog en de Amerikaanse burgeroorlog al revolutionaire wapens geïntroduceerd die de manier van oorlogvoeren en het slagveld definitief veranderden, maar in 1914 waren de vernietigingskracht en de massaproductie zo explosief toegenomen, dat het iedereen verbijsterde. De machine die ooit de mens het industriële tijdperk had ingevoerd en hem als hulp terzijde had gestaan, bleek zich nu tegen de mens te keren. De soldaten in de loopgraven kwamen in een orkaan van ijzer en vuur terecht. “Stahlgewittern” noemde Ernst Junger de trommelvuren van de houwitzers. De uiteen gereten ruimte van de kubisten werd dagelijkse realiteit. De mens werd herleid tot kanonnenvlees. De dadaïsten reageerden op de verschrikkingen van het westelijk front met cynisme en overleefden door zich aan de absurditeit van de industriële vernietigingsoorlog aan te passen: het hele leven werd voor hen zinloos.

WW 1
William Bernard Adenney
A Mark V Tank Going Into Action (1918)

Honderd jaar geleden werd er een verschrikkelijke schoonheid geboren. Goya had met zijn pinturas negras aan het eind van zijn leven (rond 1820) de gruwelen in beeld gebracht van de oorlog die Napoleon in Spanje had gevoerd. Maar dit pikzwarte werk blijft in de marge van de kunstgeschiedenis. Pas na de Eerste Wereldoorlog wordt deformatie in de kunst (de nazi’s zullen dat “entartet” noemen) een gewaardeerd stijlmiddel.

Op madefromhistory.com is er een online tentoonstelling van ruim 50 schilderijen die tijdens of vlak na de Eerste Wereldoorlog gemaakt zijn, sommigen direct aan het front. De meeste oorlogsschilders van de Grote Oorlog, komen net als de dichters, uit Engeland. De bekendste daarvan is Paul Nash (1889-1946). Hij schilderde de oorlog in zijn rauwheid en lelijkheid. Als het schone, het goede en het ware bij elkaar horen, dan hoort de lelijkheid bij het kwaad en de leugen die oorlog heet.

WW 1
Paul Nash
The Ypres Salient at Night (1918)

The Art of World War One in 52 Paintings [ madefromhistory.com ]

augustus 1914

The guns of August (1962)van Barbara Tuchman
over de eerste oorlogsmaand van de Eerste Wereldoorlog

The guns of August (Pulitzer Prize 1963) is misschien wel het bekendste boek over de eerste maand van de Eerste Wereldoorlog. Het zal op dit moment in de hele wereld veel gelezen worden. Op een zoveelste spoor in mijn hoofd volg ik de gebeurtenissen van precies honderd jaar geleden. Nu de maand augustus ten einde loopt, kijk ik terug naar de eerste oorlogsweken.

Duitse troepen waren op 4 augustus 1914 België binnengevallen. Drie weken later was Brussel gevallen en waren de Duitse legers Noord-Frankrijk binnengedrongen. Maar het Plan Schlieffen stond op het punt te mislukken. Voor veel historici was het bij voorbaat al mislukt omdat generaal-veldmaarschalk Helmuth von Moltke (1848-1916), de opperbevelhebber aan het westelijk front, het oorspronkelijke plan had aangepast. Hij zou de linkervleugel versterkt hebben ten koste van de rechtervleugel. Dit zou zich eind augustus en vooral in de eerste week van september wreken toen de Franse legers de Duitsers terugdrongen tijdens het Marne Offensief. Gewoonlijk wordt daarmee de Eerste Slag bij de Marne (5-9 september 1914) aangeduid.

Macht mir den rechten Flügel stark

laatste woorden van Von Schlieffen

Daarna zou het westelijk front vier jaar muurvast komen te liggen boven de rivier de Aisne op de lijn Noyon-Verdun. Het plan van Alfred von Schlieffen (1833-1913) had een tangbeweging om Parijs moeten maken en binnen zes weken de overwinning op Frankrijk moet behalen. Maar eind augustus moest het Eerste Leger onder leiding van Alexander von Kluck (1846-1934) naar het oosten afbuigen om het Tweede Leger van Karl von Bülow (1846-1921) te ondersteunen. De tangbeweging, waarbij het Eerste Leger westelijk om Parijs had moeten trekken, was mislukt en daarmee ook het Schlieffenplan.

Het plan Schlieffen
Het Plan Schlieffen mislukte omdat het Eerste Leger van Alexander von Kluck naar het oosten moest afbuigen en daardoor geen tangbeweging om Parijs kon maken. Daarna drongen de Fransen de Duitse legers aan de Marne terug achter de Aisne.
The guns of August is een militair geschiedenisboek geschreven door Barbara Tuchman. Het beschrijft de gebeurtenissen van de laatste weken voor en de eerste maand van de Eerste Wereldoorlog. Het boek richt zich op de geschiedenis vanaf de Duitse oorlogsverklaring aan Frankrijk tot het moment waarop het Duitse offensief vastloopt. Het focust zich in de eerste plaats op het Westelijk front, maar schenkt ook ruim aandacht aan het Oostelijk front, waar Duitsland een Russische invasie tracht te stoppen. In de marge heeft Tuchman het ook over de gebeurtenissen in de Middellandse Zee. De oorlog in de Balkan laat ze zo goed als helemaal links liggen. In 1963 kreeg Tuchman voor dit boek de Pulitzerprijs voor literatuur in de categorie non-fictie.
 
De Amerikaanse president John F. Kennedy was een bewonderaar van het boek. Hij gaf alle leden van zijn kabinet en militaire staf een kopie ervan en beval hen om het te lezen. Kennedy leerde van het boek hoe een snelle escalatie van gebeurtenissen kon leiden tot een wereldoorlog. Het hielp hem om een vreedzame oplossing te vinden voor de Cubacrisis en hij wist zo een Derde Wereldoorlog te voorkomen.
 
Bron: nl.wikipedia.org

eerste hoofdstuk uit de kanonnen van Augustus [ PDF ]

twee rococoresidenties

in juli bezochten we Schloss Augustusburg in Brühl en Schloss Bruchsal

Tussen 1689 en 1714 voerde de Franse koning Lodewijk XIV verschillende keren oorlog in Duitse gebiedsdelen. De Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successie Oorlog (1701-1714) worden in Duitsland soms samengevat als de Franzosenkrieg. De Pfalz en grote delen ten oosten van de Rijn werden door de Fransen verwoest. De oorlogsschade was in deze gebieden veel groter dan honderd jaar later onder Napoleon en vergelijkbaar met de schade die tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) in andere delen van Duitsland was aangericht. Driehonderd jaar geleden, na de Vrede van Rastatt (1714) lagen de Pfalz en andere gebieden aan beide zijden van de Rijn in puin.

Vanaf 1720 herrezen deze gebieden uit de as. Er heerste een enorme bouwwoede en er verrezen talrijke gebouwen in late barokstijl. Omdat de bouwperiode van grote projecten enkele decennia kon duren, getuigen veel gebouwen sinds 1720 van een stijlverandering naar het feestelijke rococo dat vanaf 1740 in de mode komt. In Duitsland spreekt men van rococoresidenzen bij paleizen die halverwege de achttiende eeuw hun definitieve vorm kregen.

Michaela en ik bezochten de Würzburger Residenz in 2010 en afgelopen maand juli Schloss Augustusburg in Brühl en Schloss Bruchsal. Deze drie paleizen zijn mede wereldberoemd door hun pronktrappen die ontworpen zijn door de meest gevierde Duitse architect van zijn tijd Balthasar Neumann (1687-1753). Zijn eerste trappenhuis bouwde hij in Bruchsal (vanaf 1727), daarna werkte hij aan het trappenhuis in Würzburg (begin jaren dertig) en tenslotte in Brühl (begin jaren veertig).

Brühl
Slot Augustusburg Brühl tuinzijde met asymmetrische middenrisaliet
Een pronkpaleis roept bij mij gemengde gevoelens op. De politieke en sociale functies van een dergelijk bouwwerk zijn: pronken, imponeren, opscheppen, …

Een pronkpaleis roept bij mij gemengde gevoelens op. De politieke en sociale functies van een dergelijk bouwwerk zijn: pronken, imponeren, opscheppen… Omdat het een plek was waar feesten worden gegeven en binnen- en buitenlandse gasten werden ontvangen, wilde de gastheer graag goede indruk maken. Veel Duitse vorsten probeerden zich te spiegelen aan de absolutistische heersers in Europa en de pronkpaleizen van Versailles (Parijs) en Schönbrunn (Wenen) waren dé grote voorbeelden. Dergelijk machtsvertoon middels de architectuur en decoratieve kunsten was de wens van bijna alle heersers in de achttiende eeuw. Het gewone volk bleef er buiten staan. Met name de eerste helft van de achttiende eeuw was eigenlijk een feestje voor de happy few. Doordat de superrijken elkaar na-aapten werden rococoresidenties gebouwd volgens een vast schema.

Brühl
Slot Augustusburg Brühl voorzijde met zijvleugels

Het hart van het gebouw bestond uit een pronktrap die van een ontvangstruimte naar de zogenaamde bel étage leidde. Hier bevonden zich meerdere feestzalen plus een hele reeks pronkkamers. Meestal waren er twee zijvleugels met gastenverblijven, de corps-de-logis. Beneden, onder of achter het trappenhuis bevond zich de tuinzaal op hetzelfde niveau als de tuin.

Brühl en Bruchsal
grondplan van Slot Augustusburg Brühl (links) en Slot Bruchsal (rechts) In het middendeel bevindt zich de pronktrap die naar de feestzalen leidt. Daarnaast bevinden zich de pronkkamers (bel etage). De gastenkamers zijn in de zijvleugels (corps-de-logis).

Dit schema vinden we bij de residenties in Brühl, Bruchsal en Würzburg terug. Hooggeplaatste gasten werden als het ware ook uitgenodigd om te vergelijken en te oordelen over de smaak en rijkdom van hun gastheer.

Bruchsal
Slot Bruchsal tuinzijde

Nu zijn bovengenoemde residenties alle drie bisschoppelijke residenties. De vorst-bisschop van Keulen (Brühl), Speyer (Bruchsal) en Würzburg spiegelden zich aan de wereldlijke heersers. Op de plafondfresco’s van hun balzalen fladderen dezelfde cherubijntjes en antieke goden rond als in profane paleizen. Hier en daar is de ruimte opgesmukt met allegorieën van christelijke deugden of is een vroom verhaal geïllustreerd. Maar qua geest onderscheidt de bisschoppelijke residentie zich niet van andere pronkpaleizen uit de achttiende eeuw.

Brühl
Slot Augustusburg Brühl
de pronktrap (1741-1744) van Balthasar Neumann van onderaf gezien

Wanneer je er lang genoeg om je heen kijkt, ga je vanzelf begrijpen waarom de Verlichting en de Franse Revolutie tenslotte een einde zouden maken aan het gepronk van het ancien régime. Maar gelukkig is er veel bewaard gebleven of gerestaureerd. De residenties in Brühl en Würzburg zijn beide UNESCO werelderfgoed terwijl Slot Bruchsal een van de indrukwekkendste restauratieprojecten van na de Tweede Wereldoorlog is. Wij zagen er in juli de permanente tentoonstelling Gebaut, zerstört, wiedererstanden. We kregen een erg goed beeld van het indrukwekkende restauratieproject en inzicht in verschillende technieken, zoals fresco, verguld- en stucwerk.

Gebaut, zerstört, wiedererstanden
Der 1. März 1945 war ein Schicksalstag für Schloss Bruchsal – der Tag der Zerstörung. Wie sah die Schlossruine aus – und wie ging es danach mit ihr weiter? Darüber informiert die Dokumentation „Schloss Bruchsal – gebaut, zerstört, wiedererstanden“ im Erdgeschoss. Trümmerfunde erinnern an die zerstörte Innenausstattung. Außerdem sind hier künstlerische Handwerkstechniken des 18. Jahrhunderts anschaulich dokumentiert.
Bron: schloss-bruchsal.de

Schloss Augustusburg Brühl [ schlossbruehl.de ] | Schloss Bruchsal [ schloss-bruchsal.de]

Visé, augustus 1914

de verwoesting van Visé op 16 augustus 1914

In augustus 1982 liftte ik met een vriend naar de Belgische Ardennen Onze godsdienstleraar had ons warm gemaakt voor een oecumenische plek: het klooster van Chevetogne. Met een van de priestermonniken maakten we een wandeling in de tuin en spraken daarbij over het geloof. Het was voor het eerst dat ik hoorde over het westers schisma van 1054. In dat jaar scheidden zich de wegen van de Rooms-katholieke en Orthodoxe Kerk. De priestermonnik bestempelde onze vriendschap als “oecumenisch” (mijn metgezel was Rooms-katholiek en ik was Nederlands Hervormd). Ik kon op dat moment nog niet vermoeden dat ik elf jaar later, na geestelijke omzwervingen door het Oosten, voor de Orthodoxe Kerk zou kiezen. Al maakte de Byzantijnse ritus met de zang en de iconen toen al veel indruk.

De reis naar Chevetogne herinner ik mij nog vrij goed. We maakten ‘s morgens een vliegende start naar Maastricht. Daar bleven we steken. Weinig automobilisten hadden blijkbaar zin om twee middelbare scholieren de grens over te nemen. We besloten langs de snelweg naar de grensovergang te lopen en daar maar weer de duim uit te steken. Het was een lange wandeling over het asfalt. In 1982 waren de grenzen nog niet opengegooid, maar de grensovergang ter hoogte van Eijsden was toen al buiten gebruik. Uiteindelijk kwamen we aan in Visé, een plaatsje waar ik nog nooit van gehoord had.

Dat het grensstadje aan het begin van de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers helemaal is platgebrand, las ik pas deze week op de website geschiedenis24.nl waar de oorlogsverslaggever Lambertus Mokveld in augustus 1914 schrijft over de eerste dagen van het oorlogstoneel in België. Dit verslag is ook te lezen op wereldoorlog1418.nl, de meest omvangrijke Nederlandstalige website over de Eerste Wereldoorlog.

Visé
Duitse soldaten tussen de ruïnes van het Belgische grensstadje Visé, vlak onder Maastricht
Ze vertellen me nog, hoe ze juist een oude vrouw uit hare woning hebben moeten sleepen omdat ze niet wilde meegaan en in haar wanhoop slechts uitriep: ‘Me laisser mourir, Me laisser mourir.’

uit het verslag van Mokveld

“Toen ik vanmorgen uit Luik terugkeerde, stond geheel Visé in vlammen. Geen huis is gespaard. Van morgen om 6 uur deden de Duitschers het stadje op verschillende plaatsen ontbranden op de beschuldiging, dat de inwoners gisterenavond weer op de Duitsche troepen geschoten zouden hebben. De mannen werden weggeleid om gefusilleerd te worden en slechts weinige konden vluchten. Vrouwen en kinderen werden weggedreven. Andere werden in de woningen vastgebonden en kwamen zoo in de vlammen om. Oude menschen konden ze veelal niet meer verlaten en lagen jammerlijk ten gronde in de straten, die aan weerszijden van een vuurzee omgeven waren. Kinderen negeerden de vlammen en liepen den dood te gemoet, luid gillende om hun ouders. Duitsche soldaten maakten zich aan afschuwelijke plunderingen schuldig. Alles, wat het vuur straks toch vernielen zou, wierpen zij stuk in alle richtingen en haalden weg uit de winkels, wat ze gebruiken konden. Hieronder behoorden vooral flesschen wijn, jenever enz. Velen hunner zwierven met geladen geweer half dronken rond. ‘t Was een beestachtig gezicht.
 
Bijna twee uur lang heb ik die ontzaglijke vernieling aangezien, doch ten slotte werd ik verdreven door de ondragelijke hitte en den verstikkenden rook. Alle vrouwen en kinderen vluchtten half krankzinnig en meer dood dan levend in de richting van Maastricht.
 
Bron: geschiedenis24.nl

Ook Theo Moussault, verslaggever voor Panorama, gaf verslag over de eerste oorlogsdagen in België.

de opkomst van het historisme

In welchem Style sollen wir bauen? (1828) van Heinrich Hübsch
de afrekening van het neoclassicisme en de opkomst van het historisme

Heinrich Hübsch“Die Malerei und die Bildhauerei haben in der neueren Zeit längst die todte Nachahmung der Antike verlassen.” zo begint Heinrich Hübsch in 1828 aan een theoretisch werk waarin hij in de titel de vraag stelt in welke stijl architecten in zijn tijd moeten bouwen. Deze vraag werd sinds de jaren zeventig van de achttiende eeuw nauwelijks nog gesteld omdat het neoclassicisme de dominante stijl geworden was. Onder de invloed van de Verlichting streefde men naar de helderheid die in klassieke architectuur gevonden werd. Winckelmann’s credo “edele eenvoud, stille grootsheid” klonk niet alleen door in de bouwkunst maar ook in de schilderkunst en beeldhouwkunst. Nog voordat de Franse Revolutie was aangebroken, was men in de jaren zeventig van de achttiende eeuw al overgestapt van het rococo naar het neoclassicisme.

Deze stijlverandering had een politieke dimensie. Toen in 1775 de gehate Franse koning Lodewijk XV stierf was men het ancien regime meer dan beu en associeerde men de late barok en het rococo met de hofkunst van Versailles. Het sobere en strenge classicisme zoals Jacques-Louis David dat in zijn schilderijen presenteerde, wees in de jaren tachtig de weg naar de toekomst. De krullen (rocaille) verdwenen een maakte plaats voor heldere volumes van het neo-classicisme.

Eigenlijk was het eenzelfde reactie als met de overgang van het historisme naar het nieuwe bouwen aan het begin van de twintigste eeuw. Ornamenten werden misschien niet als misdaad (Ornament und Verbrechen) gezien, maar er kleefde wel bloed aan. Het sobere neoclassicisme weerspiegelde de Verlichtingsidealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap en rond 1780 was deze stijl nog niet bezoedeld door de Revolutie en Napoleontische oorlogen. Het werd gezien als een eerlijke stijl die het volk kon verheffen, anders dan het behaagzieke rococo waar de superrijken hun privéparadijzen mee hadden ingericht.

Onder Napoleon zou het neoclassicisme evolueren naar de empirestijl, een strenge en frontale stijl die sindsdien de huisstijl van dictators geworden is. Zo gaat dat in de geschiedenis: edele eenvoud en stille grootsheid worden misbruikt zodat ze tenslotte de uitdrukking van megalomanie zijn geworden. Denk aan de architectuur van Albert Speer. In 1828 toen Heinrich Hübsch in Karlsruhe zijn theoretische werk In welchem Style sollen wir bauen? schreef, was het neoclassicisme nog altijd de heersende stijl.

Altes Museum Berlin
het Altes Museum (1823-1830) van Karl Friedrich Schinkel in Berlijn.

Koning Wilhelm Friedrich III van Pruisen had door zijn belangrijkste bouwmeester Karl Friedrich Schinkel in de jaren twintig het Altes Museum in deze stijl laten bouwen. In diezelfde periode had Leo van Klenze voor de koning van Beieren in München de Glyptothek gebouwd. Een strenger classicisme als hier is toegepast, is nauwelijks voorstelbaar.

glyptothek
Michaela voor de Glyptothek (1816-1830) van Leo von Klenze aan de Königsplatz in München

Juist in deze tijd kwam Heinrich Hübsch met zijn kritiek op het neoclassicisme. Hij staat met zijn pleidooi voor de rondbogenstijl aan het begin van het historisme dat tot aan de Eerste Wereldoorlog de architectuur bleef beheersen.

Karlsruher Institut für Technologie
Toen we in juli in Karlsruhe op zoek waren naar de Kunsthalle (1837-1846) en voor het Karlsruher Institut für Technologie (1833–35) stonden, dacht ik dat wij er al waren. Dit gebouw was voor Hübsch een pleidooi voor de neobyzantijnse rundbogenstil die hij daarna in de Kunsthalle zou toepassen. Het Institut für Technologie verhoudt zich tot de Kunsthalle als het Rijksmuseum tot het Centraal Station.

Overigens zat er aanvankelijk ook achter het historisme een politiek programma. Het neoclassicisme was verbonden met de Verlichting en de idealen van de Franse Revolutie. Tijdens de Restauratie (1815-1848) was men daar niet meer zo dol op. Veel monarchen in Duitsland, zoals de groothertog van Baden, waren katholiek en wilden een architectuur die niet verwees naar de heidense klassieken maar naar het christelijke Europa. Zo ontstonden de neobyzantijnse stijl, het neoromaans en het neogotisch. Groothertog Leopold steunde van harte de neobyzantijnse stijl van zijn bouwheer Heinrich Hübsch.

Bayerische Staatsbibliothek
In München zagen we de Bayerische Staatsbibliothek (1831–1842) van Friedrich von Gärtner aan de Ludwigsstrasse. Deze is ook in “rundbogenstil” gebouwd, maar is duidelijk geïnspireerd door een palazzio uit de Renaissance. Blijkbaar vond de architect de humanistische neorenaissance stijl geschikter voor een staatsbiobliotheek dan de christelijke neobyzantijnse stijl.
In seiner architekturtheoretischen Schrift In welchem Style sollen wir bauen? rechnet er 1828 mit der klassizistischen Baukunst des frühen 19. Jahrhunderts ab. Als Hübsch die Frage In welchem Style sollen wir bauen? stellte, war er sich seiner Antwort sicher. Der moderne Rundbogenstil, der sein Programm darstellte, ließ kaum eine freie Wahl zwischen gleichwertigen Alternativen. Trotzdem fasst seine Frage das Problem eindeutig in Worte, das mit dem 19. Jahrhundert erstmals in der Kunstgeschichte auftrat. In dem Augenblick, da die Frage gestellt wurde, erhielt sie einen immer weiteren Inhalt, und es wurde immer schwieriger sie eindeutig zu beantworten. Die Epoche des Historismus, der den Klassizismus des frühen 19. Jahrhunderts als kalt und dürftig erachtete, machte Anleihen bei allen Epochen der abendländischen Kunst und bediente sich, um so älter das Jahrhundert wurde, einer immer üppigeren Formensprache.
 
Bron: de.wikipedia.org

In welchem Style sollen wir bauen? [ cloud-cuckoo.net ]