Categorie archief: Duitsland

nieuwe rook [ 1 ]

vrijdag gekocht: monografie t.g.v. 50e verjaardag Neo Rauch (2010)
onder redactie van Bernhart Schwenk en Hans-Werner Schmidt. Hatje Cantz Verlag

Neo Rauch BegleiterNeo Rauch (1960), het boegbeeld van de Neue Leipiziger Schule is een van de weinige hedendaagse schilders die mij onmiddellijk aantrekt. Maar ik vertrouw hem niet helemaal. Zijn voorstellingen zijn voor mij een soort sirenengezang. De raadselachtige wereld die hij zichtbaar maakt, nodigt mij uit maar stoot mij tegelijkertijd af. In de hoop beter zicht te krijgen op mijn verhouding tot zijn werk, kocht ik de catalogus bij de tentoonstellingen in Leipzig en München in 2010 ter gelegenheid van de 50e verjaardag van de kunstenaar.

Generatiegenoot Neo Rauch zat net als ik in de jaren tachtig op de kunstacademie. Eerst deed hij de Leipziger Hochschule für Grafik und Buchkunst (1981-1986) waar hij schilderkunst studeerde bij Arno Rink (1940). Van 1986 tot 1990 deed hij een Meisterschülerstudium bij Bernhard Heisig (1925-2011). Rink en Heisig waren overigens collega’s van Werner Tübke (1929-2004) van wie nu in Zwolle een grote overzichtstentoonstelling te zien is. Neo Rauch kreeg in de DDR klassiek kunstonderwijs waarin visie en ambacht in balans zijn. Aan de andere kant van het ijzeren gordijn was het kunstonderwijs sinds de jaren zestig ingrijpend veranderd waarbij het concept het ambacht steeds meer verdrongen had.

Neo Rauch
Bergfest 2010
olieverf op doek, 300 x 250 cm

Toen de muur viel was Neo Rauch 29 jaar en inmiddels helemaal gevormd door het socialistische kunstonderwijs. De partij bepaalde uiteindelijk wat en hoe ideale kunst eruit moest zien. Werner Tübke was begin jaren zestig op de Leipziger Hochschule für Grafik und Buchkunst in conflict gekomen omdat hij sterk afweek van het socialistisch realisme. Voor straf werd hij toen op “studiereis” naar de Sovjet-unie gestuurd. Toen Neo Rauch in de jaren tachtig aan de kunstacademie studeerde, zorgde de glasnost voor ontspanning, maar in de DDR werd strak vastgehouden aan het socialisme, ook in het kunstonderwijs.

Neo Rauch
Warten auf die Barbaren 2007
olieverf op doek, 150 x 400 cm

West- en Oost-Europa waren in de jaren tachtig dus nog heel andere werelden. Terwijl ik op de kunstacademie gevoed werd door de geest van het relativisme, pluralisme en postmodernisme, kreeg Neo Rauch het Grote Verhaal van het Socialisme voorgeschoteld met alle heroïsche iconografie die daar bij hoort. Er was natuurlijk wel een verschil tussen de kunstenaar die in opdracht zijn zoveelste beeld van Marx vervaardigde en de kunstenaar die binnen de marges van het socialisme persoonlijk werk maakte. Maar beiden moeten kunst maken die het Grote Verhaal van het Socialisme overeind hield. In de jaren negentig kon het keurslijf van de socialistische kunst eindelijk worden afgeworpen en dat moet voor de meeste kunstenaars een enorme bevrijding zijn geweest.

Terwijl ikzelf in de jaren tachtig op de kunstacademie gevoed werd door de geest van het relativisme, pluralisme en postmodernisme, kreeg Neo Rauch in Leipzig het Grote Verhaal van het Socialisme voorgeschoteld.

Het Westen werd in de jaren negentig geconfronteerd met migranten uit het voormalige Oostblok en op de kunstacademies stroomden er uit deze landen vaak studenten binnen die razend knap bleken te kunnen tekenen en schilderen. Begin jaren tachtig was in de moderne westerse schilderkunst de figuratie weer teruggekeerd en abstractie was niet langer de heilige graal. De input van het socialistisch realisme uit Oost-Europa zou in de jaren negentig invloed hebben op de ontwikkeling van de hedendaagse westerse schilderkunst.

Neo Rauch
Revo 2010
olieverf op doek, 300 x 500 cm
Neo Rauch hat innerhalb der Riege der jüngeren deutschen Gegenwartsmaler eine Alleinstellung erreicht: Sein Œuvre findet international größte Anerkennung, die wichtigsten Museen und Sammler weltweit bemühen sich um seine Gemälde. Anlässlich von Neo Rauchs 50. Geburtstag stellt eine umfassende Retrospektive zeitgleich in Leipzig und München Werke von 1982 bis zur aktuellsten Produktion aus dem Frühjahr 2010 vor.
 
Die begleitende Monografie ist von ebenso einzigartigem Rang. Langjährige Weggefährten beschreiben darin höchst individuell, wie sie Neo Rauchs Bilder erleben, darunter auch Künstlerkollegen wie Luc Tuymans, Jonathan Meese oder Michaël Borremans. Kunstkritiker wie Rudij Bergmann, Kunsthistoriker wie Werner Hofmann und Museumsleiter wie Markus Brüderlin und viele andere interpretieren in kurzen Essays ausgesuchte Arbeiten ihrer Wahl. Ein Text von Bernhart Schwenk und ein exklusiv für den Band erstellter Essay von Uwe Tellkamp führen den Tafelteil ein.
 
Bron: hatjecantz.de

volgende keer: postmodern spiegelpaleis of rookgordijn?
over betekenis in het werk van Neo Rauch.

DDR maniërisme [ 2 ]

vrijdag gezien: Werner Tübke – meesterschilder tussen Oost en West
Museum de Fundatie in Zwolle, nog tot 14 mei 2017

Werner TübkeGisteren bezocht ik de tentoonstelling Werner Tübke – meesterschilder tussen Oost en West die vorig weekend opende in Museum de Fundatie. Ik arriveerde rond het middaguur en het was al behoorlijk druk. Naast deze tentoonstelling loopt de tentoonstelling Leap of Faith van de hippe kunstenaar Joseph Klibansky. De curatoren lijken bewust te hebben aangestuurd op een frontale botsing tussen twee wereldbeelden: het christelijke wereldbeeld van de zestiende eeuw en het postmoderne wereldbeeld van de eenentwintigste eeuw.

Het is ook een botsing tussen totaal verschillende kunstopvattingen. Bij Werner Tübke gaat het om een balans tussen visie en ambacht, bij Joseph Klibansky gaat het om het concept. Zijn beelden zijn industrieel vervaardigd waarbij de geliktheid en de blingbling een bewuste keuze is. Het handschrift is uitgebannen. Welkom in de steriele brave new world die onze oude menselijke wereld vervangen heeft.

Maar ik liet het postmoderne spiegelpaleis van Klibansky links liggen en concentreerde mij op de ambachtelijke en historiserende wereld van Werner Tübke. Dat hij teruggrijpt op het verleden en voor de hedendaagse kunst niet vernieuwend is, is voor mij geen reden om hem af te wijzen. Als het straks weer voorjaar wordt, dan denk ik ook niet “hé, dat kennen we toch al?”. Liever iets dat oud en diep is dan iets dat nieuw is maar oppervlakkig.

Liever iets dat “oud” en diep is
dan iets dat “nieuw” is
maar oppervlakkig.
Werner Tübke
op de tentoonstelling Werner Tübke – meesterschilder tussen Oost en West vrijdag 3 februari 2017
Werner Tübke
In de jaren vijftig schildert Tübke nog in vrij donkere en dekkende kleuren. In het tweeluik “Europa” (detail) dat hij circa 1957 schilderde, bespeur ik invloed van Diego Riviera.
Werner Tübke
Begin jaren zestig gaat Tübke lichter en transparanter schilderen en ontwikkelt hij een eigen stijl die vaak zwaar aanleunt tegen het maniërisme van de zestiende eeuw.
Werner Tübke
Tübke schilderde graag aan het strand omdat hij zich daarbij kon uitleven in het maniëristische naakt.

Werner Tübke – meesterschilder tussen Oost en West [ museumdefundatie.nl ]
DDR maniërisme [ 1 ]

DDR-maniërisme [ 1 ]

Werner Tübke – meesterschilder tussen Oost en West
Museum De Fundatie Zwolle, 28 januari t/m 14 mei 2017

In 2010 schreef ik over de grootste staatsopdracht uit de geschiedenis van de DDR, het panorama in Bad Frankenhausen van de Leipziger schilder Werner Tübke. Het reusachtige panorama, een van de grootste ter wereld, werd dertig jaar geleden voltooid nadat Tübke en zijn assistenten er negen jaar onafgebroken aan gewerkt hadden. Nog steeds staat de Sixtijnse Kapel van het Noorden in Bad Frankenhausen bij mij op mijn lijstje van plaatsen in Duitsland die ik wil bezoeken. Maar gelukkig hoef ik nu niet helemaal naar Thüringen te reizen om het panorama te zien. Op de tentoonstelling Werner Tübke – meesterschilder tussen Oost en West die zaterdag in Museum De Fundatie in Zwolle opent, is een 1:10 schaalmodel van het panorama te zien. Dat is nog altijd 13,5 meter lang! Daarnaast zijn er bijna honderd schilderen van Tübke te zien.

Tübke 1966/1967
Levensherinneringen van Dr. Jur. Schulze VII, 1966/1967 (olieverf op doek, 122,5 x 182,5 cm, Museum der bildenden Künste Leipzig)
Tübke was zeker niet de eerste moderne schilder die zich vrijwillig terugtrok tussen de oude meesters.

Werner Tübke werkte voor de naoorlogse westerse schilderkunst achter de gesloten gordijnen van het Oostblok. Aan de kunstacademie van Leipzig ontwikkelde hij zich in de jaren vijftig en zestig in een stijl die haaks stond op alles wat toen als modern gezien werd. De laat renaissancistische en maniëristisch stijl uit de zestiende eeuw was sowieso een anachronisme. Veel (verwrongen) bloot, gloeiende kleuren en een afwijzing van het clair-obscur, de belangrijkste pijler van de barokschilderkunst. Tübke was zeker niet de eerste moderne schilder die zich vrijwillig terugtrok tussen de oude meesters. Surrealisten als Christian Schad, deden dat tijdens het interbellum al. Anderen zoals Giorgio de Chirico werden na een korte flirt met de moderniteit volledig reactionair. Eenlingen als Balthus bleven hun leven lang hun eigenzinnige spoor trekken langs de moderne schilderkunst.

Voor de rest werden de meeste figuratieve en realistische schilders na de oorlog door de moderne westerse schilderkunst in de ban gedaan. Concept en expressie werden de heilige graal en op ambacht werd neergekeken. Achter het ijzeren gordijn zag de situatie er compleet anders uit. De abstracte schilderkunst die na 1945 in West-Europa in zo’n hoog aanzien kwam te staan, werd gezien als een Amerikaans product, een kapitalistisch verschijnsel. Het socialisme stelde daar het socialistisch realisme tegenover. Stalin had ooit de stijl van Repin tot standaard verheven. Dit noodzaakte de socialistische schilder om zich vooral technisch te ontwikkelen. De jonge Tübke was daar één van.

Toen Tübke (1929-2004) eind jaren veertig aan de Hochschule für Grafik und Buchkunst in Leipzig aan zijn opleiding begon, werd hij gekneed in het socialistisch realisme. Toch zou hij zich al snel onderscheiden van zijn medestudenten. Tübke greep terug op de stijl van de oude Duitse schilderkunst uit de eerste helft van de zestiende eeuw en dat paste niet in het plaatje van het socialistisch realisme. Uit onvrede met de rigide artistieke koers die men in Leipzig volgde, stapte hij over naar het Caspar David Friedrich Institut in Greifswald. Daar leerde hij ook de kunstgeschiedenis beter kennen.

Ik ben erg benieuwd naar de tentoonstelling in Zwolle. Als het een goede overzichtstentoonstelling is, dan zouden we de ontwikkeling van Werner Tübke vanaf de jaren vijftig moeten kunnen volgen. Kunnen we zien door welke schilders hij zich heeft laten beïnvloeden? In het panorama van Bad Frankenhausen grijpt Tübke letterlijk terug naar eerste helft van de zestiende eeuw. Het panorama beeldt namelijk de Slag bij Frankenhausen uit die plaatsvond op 15 mei 1525. Het was de beslissende slag in de Duitse Boerenoorlog. Het DDR regime zag deze oorlog als een voorafbeelding van de socialistische klassenstrijd. Tübke was deze opdracht op het lijf geschreven. Hij kon zich letterlijk uitleven in de stijl van zijn grote voorbeelden: Albrecht Dürer (1471-1528) en Matthias Grünewald (ca.1470-1528) die de Duitse Boerenoorlog (1524-1525) bewust hebben meegemaakt.

museumdefundatie.nl | Welgericht [ W&V ]

spookbeelden uit 1923

vannacht op Arte: Schatten – Eine nächtliche Halluzination (1923)

Die dämonische LeinwandIn Die dämonische Leinwand (1952), een standaardwerk over de expressionistische Duitse film in de Weimar Republiek, nemen Das Kabinet dr. Caligari (1920) van Robert Wiene en Nosferatu, eine Symphonie des Grauens (1922) van Friedrich Wilhelm Murnau een centrale plaats in. Maar een beeld uit de relatief onbekende film Schatten – Eine nächtliche Halluzination (1923) van Arthur Robison staat op de omslag van de Duitse uitgave van Die dämonische Leinwand.

Expressionistische filmmakers waren zich sterk bewust van de psychologische betekenis van het medium film. Bestond hun werk in wezen niet uit het scheppen van collectieve hallucinaties door een spel van licht en schaduw? Robison gaat net als Wiene en Murnau naar binnen en confronteert ons met het clair-obscur van de ziel, onze verlangens en angsten.

Robison gaat net als Wiene en Murnau naar binnen en confronteert ons met het clair-obscur van de ziel, onze verlangens en angsten.
Schatten-Eine nächtliche Halluzination
de score is van Kevin Mac Leod

Schatten – Eine nächtliche Halluzination [ arte.de ]

Theodicee en digitaal leven

maandag was het de 300e sterfdag van Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716)

In juni schreef ik al iets over het Leibnizjaar. Eergisteren was het precies 300 jaar geleden dat de Duitse filosoof en wiskundige Gottfried Wilhelm Leibniz stierf. In Duitsland verscheen geen postzegel, want Leibniz werd in het verleden al vaker met een postzegel geëerd, zowel in het Duitse Rijk, de Bondsrepubliek, de DDR als in het verenigde Duitsland. De laatste keer dat je Leibniz op een brief kon plakken was in 1996, zijn 350e geboortejaar.

Leibniz
Leibniz herdenkingspostzegel, 1996

Op school leerde ik ruim 35 jaar geleden dat Leibniz de vader was van de Theodicee, de idee dat God de beste van alle mogelijke werelden geschapen had. Maar in de eenentwintigste eeuw is Leibniz voor ons toch vooral de oudste vader van de digitale revolutie. Deze kwam pas 250 jaar na zijn dood op gang. Het binaire stelsel dat Leibniz ontwikkeld heeft, kon pas echt goed toegepast worden in 1946 met de ENIAC (Electronic Numerical Integrator and Computer). Sinds het einde van de jaren zestig kunnen we echt spreken van het informatietijdperk en een digitale revolutie. En zo lijkt voor velen Leibniz’ Theodicee te herleven: het digitale leven als het beste, snelste en comfortabele van alle mogelijke levens.

Leibniz
Leibniz postzegels uit 1966 en 1980

The Philosopher Who Helped Create the Information Age [ slate.com ]

de god van Schelling

gelezen: Hoofdstuk IV over Friedrich Wilhelm Joseph Schelling
in Het Kwaad. het drama van de vrijheid (1997) van Rüdiger Safranski

SchellingDe Duitse filsoof Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854) was net als de Schotse filosoof David Hume een wonderkind die de centrale gedachte van zijn filosofische systeem al vóór zijn twintigste formuleerde. Schelling is een van de grondleggers en belangrijkste vertegenwoordigers van het Duits idealisme. Hij construeerde een identiteitsfilosofie waarin subject en object, denken en zijn, geest en materie slechts in schijn verschillende, maar in wezen identieke verschijningsvormen zijn van één enkele werkelijkheid. Zijn denken komt in de buurt van de oude Indische filosofie en mystiek waarin het Atman (Zelf) en Brahman (Kosmos) identiek zijn.

In Het Kwaad. het drama van de vrijheid behandelt Rüdiger Safranski in het vierde hoofdstuk Schelling‘s identiteitsfilosofie met betrekking tot het kwaad. Schelling zou de ondertitel van Safranski‘s boek helemaal onderschrijven: het kwaad is het drama van de vrijheid. Het is een kosmisch drama. In tegenstelling tot het postmoderne denken dat ons zo vertrouwd is, neigt het denken rond 1800 niet bepaald naar het kleine, maar juist naar het grote. Het Duits idealisme brengt nieuwe Grote Verhalen voort. “Schellings metafysische speculaties zijn vertellingen in begrippen. Het onheuglijke is kennelijk alleen narratief te verwerken.” schrijft Safranski.

Net als Spinoza vertrekt Schelling bij god. God is daarbij niet de persoonlijke God van de Bijbel, maar het alomvattende begrip van het hele zijn. God is dus niet alleen licht, maar ook duisternis. Voor Schelling heeft god een duistere kant. In god is een oorspronkelijke duisternis waaruit hij zich ontplooien moet zodat hij uiteindelijk tevoorschijn kan komen als een god van het licht. Het is een allesbehalve christelijke opvatting van God. In de Eerste Brief van Johannes lezen we namelijk: “Dit is wat wij Hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis.”

Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt.

Maar de jonge Schelling, die gevormd was door de enorme belangstelling voor Spinoza vanaf 1785, had zich bekeerd tot het pantheïsme en god was voor hem zowel licht als duisternis. De duisternis vatte hij daarbij niet op als de afwezigheid van licht, maar als de oergrond waaruit het licht tevoorschijn komt. In de god van Schelling bevindt zich daarom een duistere afgrond. De nog onvoltooide god die uit het duister oprijst en op weg is naar het licht, is voor Schelling de mens. Deze opgang is in vrijheid. De mens heeft de keuze tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad. Het drama van zijn vrijheid is zijn vrijwillige keuze voor het kwaad. Parallel aan het Grote Verhaal van de zondeval, ontwerpt Schelling een filosofische variant die hij “het verraad van de transcendentie” noemt. De mens wordt niet ontrouw aan Zijn Schepper maar aan zijn eigen geestelijke natuur.

Schelling en het verraad van de transcendentie
De mens wordt een verrader van het universele, omdat de angst voor het leven hem uit zijn eigen centrum drijft. Maar het centrum is de geest van de liefde, het verterende vuur waarvan hij de verwarmende nabijheid zoekt en waarvoor hij tegelijk terugdeinst om niet te verbranden. De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest. Die perversie is bij Schelling de boven het louter morele uitgaande grondstructuur van het kwaad, en hij duidt daarmee op het schandaal dat het christelijke denken “de zonde tegen de Heilige Geest” noemt. Alleen is “de heilige geest” waartegen de mens zondigt zijn eigen geestelijke wezenscentrum. De mens is het metafysische dier, en als hij probeert dat af te leren, verraadt hij zijn eigen geestelijke natuur.
 
uit: Het kwaad. Het drama van de vrijheid (vert. Mark Wildschut)

De mens zoekt de periferie van zijn wezen, hij is een excentrisch wezen, Het mijden van het centrum is het verraad aan de geest.

Safranski over Schelling

De oude Schelling moest na 1840 dat verraad aan de geest, die verdrijving van de geest door de triomf van de materialistische wetenschap, nog zelf meemaken. Het idealisme werd “drooggelegd” en daarvoor kwam materialisme in de plaats. In zijn voordrachten uit 1841/42, die gebundeld werden in Philosophie der Offenbarung, keert hij terug naar de God van de Bijbel, die inbreekt in de geschiedenis. Vanuit zichzelf kan de mens zich niet verlossen en zinkt hij steeds dieper weg in materialisme. Safranski besluit het hoofdstuk over Schelling met: “De Philosophie der Offenbarung geeft het geloof weer het woord. Maar het is geen kinderlijk geloof, het is een geloof na de filosofische zeiltocht om de wereld.”

Kijken in de afgrond [ recensie van Michaël Zeeman uit 1998 in De Volkskrant ]
Het kwaad. Het drama van de vrijheid [ liberales.be ]