Categorie archief: Duitsland

een boek om in te wonen

De esthetische Revolutie (2015) van Arnold Heumakers
Hoe Verlichting en Romantiek de kunst uitvonden

De esthetische revolutieSommige boeken lees ik niet alleen, in sommige boeken kan ik wonen. Anders dan in mijn fysieke woning blijken deze boeken steeds weer “kamers” te hebben die ik niet goed kende. Maar vooral ook “vensters” met nieuwe uitzichten. Een van die boeken is Romantiek een Duitse Affaire van Rüdiger Safranski. Het is nog lang niet uitgewoond, al doen de beduimelde bladzijden en talloze onderstrepingen en aantekeningen in de marge anders vermoeden. Een ander boek waar mijn geest steeds weer zijn intrek in neemt, is De esthetische Revolutie van Arnold Heumakers. Weer een boek dat (voor een groot deel) over de (Duitse) Romantiek gaat.

Dat is natuurlijk geen toeval. Het tijdvak 1760-1830 (van de Zevenjarige Oorlog tot aan de Julirevolutie) is nu eenmaal de periode waarin mijn second life zich afspeelt. Niet omdat ik in die tijd had willen leven, maar omdat toen de grondtrekken van de moderniteit zich begonnen uit te tekenen. Door het geestelijke leven in de periode 1760-1830 kan ik een beter begrip van het heden opbouwen. Want waar moeten we de uitleg bij het heden anders vinden dan in het verleden?

Wanneer ik met één been in het verleden wil gaan staan, zijn er boeken die mij daar bij helpen. Historische biografieën bijvoorbeeld. Maar ik heb een voorkeur voor boeken die omvattend een periode in beeld brengen. Zo zijn Romantiek. Een Duitse Affaire en De esthetische revolutie echt mijn lijfboeken geworden. Safranski en Heumakers hebben beiden het talent om een enorme intellectuele reikwijdte te combineren met helder, maar ook mooi taalgebruik. Er zijn uiteraard ook grote verschillen. Zo schreef Safranski zijn boek over de romantiek voor een breed publiek, terwijl Heumakers’ boek een proefschrift is, zij het dan een atypisch proefschrift omdat het niet academisch geschreven is en qua omvang bijzonder ambitieus is.

Heumakers begint met het debat over esthetica in deel I (Op weg naar esthetische autonomie) aan het einde van de zeventiende eeuw in Frankrijk, de zogenaamde Querelle des Anciens et des Modernes (Perrault, Fontenelle, Boileau) en via het debat over de kunsten in Engeland (Shaftesbury, Addison, Young) en bij de Franse Philosophes (Voltaire, Rousseau, Diderot) in de eerste helft van de achttiende eeuw, belandt hij tenslotte in Duitsland rond 1760 (Lessing, Hamann, Kant). Daar wordt het moderne kunstbegrip geboren, waarover het in De esthetische revolutie voornamelijk gaat.

Anton Reiser 1786In deel II (De uitvinding van de autonomie van de kunst) is er veel aandacht voor Karl Philipp Moritz (1756-1793) die rond 1790 de autonomie van het kunstwerk naar voren plaatst. Een prachtige passage (Het leven esthetiseren blz. 142) gaat over Moritz’ roman Anton Reiser, de eerste psychologische roman in Duitsland, die tussen 1785 en 1790 in vier delen verscheen. Heumakers verwijst hier naar een ervaring die Anton Reiser heeft op een kerkhof. Hij kijkt eerst in de afgrondelijkheid van het bestaan (‘het enge, benauwde graf’) om kort daarop een doorbraak te beleven en zich ‘aan de vernietiging te ontworstelen‘. Op dezelfde intieme wijze als Safranski analyseert Heumakers deze passage: “Wat gebeurt hier precies?” en komt tot de voorzichtige conclusie (“je zou kunnen zeggen”) dat het leven zelf geësthetiseerd wordt, diepte- en hoogtepunt samen.

Zo komt Moritz met zijn romanfiguur Anton Reiser aan bij het wezen van het kunstwerk: “het esthetische beeld dat zich als het ware van het leven losmaakt om in het vervolg op afroep beschikbaar te zijn als bron van genot”. Heumakers verstaat net als Safranski de kunst om scherp te analyseren zonder daarbij kil te worden. Integendeel, hun analyses laten de innerlijke gloed in het hart juist verder opgloeien in plaats van dat louter het verstand bevredigd wordt. Laat deze “hemelvaart van de geest” nu precies het verlangen zijn dat in de (Duitse) romantiek zo krachtig tot uitdrukking komt.

Metafysische navelstreng [ W&V ]

Tischbein

gezien op 17 december: Tischbein en de ontdekking van het gevoel
in het Rijksmuseum Twenthe – nog tot 19 januari 2020

catalogusHet Rijksmuseum Twenthe is in enkele jaren een van mijn favoriete musea voor schilderkunst geworden. Het museum verdient lof vanwege uitstekend verzorgde tentoonstellingen van schilders voor 1800. Precies drie jaar geleden zag ik Eindelijk, Lairesse! met een groots overzicht van deze schilder uit de late zeventiende eeuw. Door zijn classicistische glamour wordt er soms een beetje op hem neergekeken. Rembrandt ervaren we, als erfgenamen van Rousseau, als authentiek, maar de gepolijste schilderkunst in het laatste kwart van de zeventiende eeuw zijn we toch geneigd te beschouwen als kunstmatig en dus niet authentiek.

In het voorjaar van 2015 zag ik in het Rijksmuseum Twenthe Alexander Roslin. Portrettist van de aristocratie. Ook hier werd een schilder gepresenteerd die zich helemaal de gladde, Franse manier van schilderen had aangemeten. Alweer een schilder dus uit een periode in de schilderkunst die we vaak ten onrechte overslaan. Als een museum een tentoonstelling maakt over een schilder uit de achttiende eeuw, weet het al bij voorbaat dat het voor een select publiek is. Het is moedig dat het Rijksmuseum Twenthe telkens zijn neus durft uit te steken voor schilders uit de achttiende eeuw en vanwege mijn voorliefde voor de periode 1750-1850 heb ik veel waardering voor dit museum gekregen.

Op 17 december zag ik Tischbein en de ontdekking van het gevoel over de Hessische portretschilder Johann Friedrich August Tischbein (1750-1812). Tischbein liep vooruit op de romantiek. Je zou ook kunnen zeggen dat hij een van de eerste portretschilders was die onder invloed kwam van Jean-Jacques Rousseau. Zijn portretten tonen een groot verschil met die van de eerder genoemde Alexander Roslin (1718-1793). Roslin was van de generatie voor Tischbein en hoewel deze een tijdgenoot van Rousseau (1712-1778) was, zijn de opvattingen van Rousseau nooit bij Roslin doorgedrongen. Hij heeft ze in ieder geval nooit in de praktijk gebracht. Roslin was een schilder van het ancien regime, een van de schilderende lakeien van Versailles.

Tischbein brak met het formele portret zoals dat in de periode van het rococo gebruikelijk was. Rond 1780 begon hij grote opdrachten aan te nemen. In de jaren zeventig had hij veel gereisd, o.a. naar Parijs en Rome. In Rome ontmoette hij bijvoorbeeld de virtuoze schilder en zijn landgenoot Anton Raphael Mengs (1728-1779). Maar ook kwam hij in aanraking met Engelse portretschilders die in Rome waren neergestreken om er rijke Engelsen te portretteren op hun grand tour. Deze schilders werkten met een veel vrijere en lossere penseelstreek dan hofschilders als Alexander Roslin. Tischbein zal tijdens zijn verblijf in Rome zeker onder invloed zijn gekomen van de manier van schilderen van de Engelse portretschilders.

Deze grotere vrijheid hing samen met de nieuwe wind die er vanaf 1770 was gaan waaien. Europa was namelijk in de ban gekomen van Jean-Jacques Rousseau, de meest invloedrijke schrijver van de achttiende eeuw. Aan het begin van de jaren zestig had hij drie boeken geschreven, die bovenin de top tien staan van meest gelezen boeken van de achttiende eeuw: Julie, ou la nouvelle Héloïse (1761), Émile, ou De l’éducation (1762) en Du contrat social (1762). Rousseau stelde dat de mens van nature goed was maar dat de cultuur hem verdorven had gemaakt. Daarom zou de mens weer terug moeten keren naar de natuur. Natuur was het sleutelbegrip van Rousseau en werd dat ook van de Sturm und Drang en de Romantiek die daaruit voortkwam. Deze bewegingen waren, net als het sentimentalisme in de literatuur, een reactie op het rationalisme van de Verlichting.

Tischbein plaatste de geportretteerde graag buiten in de natuur, in gemakkelijke kleding en een ongedwongen houding. Dit informele portret was iets nieuws. Opdrachtgevers waren meestal mensen van aanzien die graag ook zo gezien wilden worden. Hun portretten zagen er altijd formeel en nogal plechtig uit. Maar op de portretten van Tischbein vanaf 1780 zien we ontspannen en vooral natuurlijke mensen. Rousseau bekritiseerde de cultuur en idealiseerde de natuur en zijn boodschap was ook bij de rijke burgerij aangekomen. Deze moest weinig hebben van de stijve etiquette van het ancien regime en wilde juist graag gezien worden als gewone, natuurlijke mensen. De ongedwongen portretten van Tischbein waren een groot succes, vooral onder de rijke burgers van Amsterdam waar hij aan het einde van de jaren tachtig was neergestreken.

echtpaarBoode1791
Johann Friedrich August Tischbein (1750-1812)
Jacob Hendrik Boode en zijn vrouw Catharina Antoinette Martin, 1791

Een van de mooiste portretten op de tentoonstelling is het dubbelportret van Jacob Hendrik Boode (1763-1826) en Catharina Antoinette Martin (1767-1848) uit 1791. Tischbein laat het jonge echtpaar zien alsof je ze met elkaar betrapt. Ze poseren niet, maar beleven eerder een intiem moment met elkaar. Dit dubbelportret demonstreert ook een ideaal uit de Verlichting, namelijk de gelijkheid tussen man en vrouw. Het echtpaar Boode is een modern echtpaar, ook al beleeft de Republiek in 1791 zijn laatste jaren onder Stadhouder Willem V (1751-1795) en de daarmee verbonden ouderwetse standenmaatschappij van de achttiende eeuw.

Dit dubbelportret deed mij onmiddellijk denken aan het beroemde dubbelportret van Monsieur et Madame Lavoisier in 1788 geschilderd door Jacques Louis David. Ook hier de ongedwongen, natuurlijke houding en het ideaal van gelijkheid tussen man en vrouw.

Echtpaar Lavoisier 1788
Jacques Louis David (1748-1825)
Monsieur et Madame Lavoisier, 1788
Echtpaar Boode 1791
Boode en zijn vrouw (detail)
Echtpaar 
 Lavoisier 1788
Monsieur et Madame Lavoisier (detail)

rijksmuseumtwenthe.nl

overgangstijd 1989-1990

gisterenavond gezien op ARD: Wendezeit (2019)

WiedervereinigungVandaag vieren de Duitsers de hereniging van hun land op 3 oktober 1990. Na de omwenteling van 9 november 1989 viel de enige bestaansreden voor de DDR weg, en werd de hereniging voorbereid. Maar er stond nog van alles in de weg. De spaartegoeden van Oost-Duitsers bestonden uit Oostmarken die op de internationale valutamarkt weinig waarde hadden. Er was ook nog een Russische troepenmacht in de DDR aanwezig. En Polen maakte zich zorgen over eventuele territoriale aanspraken van het herenigde Duitsland op de voormalige gebieden van het Duitse Rijk aan de Westgrens van Polen. Een voor een werden deze problemen opgelost. De Oostmarken konden tegen een gunstige koers gewisseld worden, de Russen werden afgekocht, en Polen werd definitief de Oder-Neissegrens gegarandeerd. Op 3 oktober 1990 trad de DDR tot de Bondsrepubliek toe en was de Wiedervereinigung een feit.

Gisterenavond zond de ARD de spannende televisiefilm Wendezeit uit. Dat ging over een ander aspect van de hereniging. In 1990 werd de Bundesbeauftragte für die Stasi-Unterlagen (BStU)opgericht, waarvan Joachim Gauck op 2 oktober 1990 de eerste directeur werd. Deze organisatie zorgde ervoor dat iedere voormalige DDR-burger van wie de Stasi een dossier had aangelegd, inzage kon krijgen.

In de Stasi-dossiers bevond zich aanvankelijk ook informatie die voor de KGB zeer gevoelig lag en die beslist niet in handen van de CIA mocht vallen. Wendezeit speelt zich af in de overgangstijd (oktober 1989 – februari 1990) toen de DDR formeel nog bestond. Moskou zag de bui hangen en liet snel nog dossiers voor de Sovjet Unie gevoelige informatie bevatten, van Oost-Berlijn naar Moskou overbrengen. Op microfilms stonden bijvoorbeeld ook de namen van dubbelspionnen Maulwurf (dubbelspion), die voor de CIA in West-Berlijn werkten. Een van hen, Saskia Starke, speelt de hoofdrol in Wendezeit.

In deze televisiefilm, die aan de vooravond van de dag van de Wiedervereinigung werd uitgezonden, zitten fraaie beelden van de historische demonstratie op de Alexanderplatz op 4 november 1989. Naar schatting een half miljoen mensen hadden zich toen verzameld om te demonstreren voor de vrijheid. Het was de eerste en de laatste demonstratie in de DDR die in vrijheid plaats vond. In The making of Wendezeit wordt uitgelegd hoe je acteurs uit 2019 op deze historische demonstratie kunt laten rondlopen.

Wendezeit. 1989. Doppelagentin Saskia Starke gerät in einen emotionalen Ausnahmezustand, als sich das Ende der DDR ankündigt. Sie lebt als Agentin der Stasi in West-Berlin, ist mit einem Amerikaner verheiratet, hat mit ihm zwei Kinder und arbeitet offiziell in der amerikanischen Botschaft. Inoffiziell heißt das, sie arbeitet für die CIA. Der Stasi ist es also gelungen, eine Agentin direkt beim Klassenfeind zu positionieren. Aber dann passiert etwas, womit vor Monaten noch niemand gerechnet hat: Die DDR ist im Begriff, sich aufzulösen. Dieser Umbruch lässt Saskias Leben implodieren, das von Anfang an auf einer Lüge gegründet war.
 
Bron:daserste.de

Themenabend Wendezeit [ daserste.de ]

Spengler’s onheilsprofetie

gisteren gekocht: De ondergang van het avondland (1918-1922)

Samen met Johan Huizinga en Jose Ortega y Gasset wordt Oswald Spengler gezien als een van de grondleggers van het cultuurpessimisme. Hun namen zijn vastgeklonken aan het interbellum (1919-1939). Deze interval tussen de twee wereldoorlogen was een periode van gespannen vrede tijdens de Urkatastrophe des 20. Jahrhunderts (1914-1945). Der Untergang des Abendlandes is ongetwijfeld het eerste boek waar we aan denken wanneer we over cultuurpessimisme komen te spreken. Oswald Spengler schreef het eerste deel vlak voor de Eerste Wereldoorlog, maar kon het pas in december 1918 laten verschijnen. Het tweede deel verscheen vier jaar later, toen Duitsland volledig onderuit lag. Uitgeverij Boom gaf vorig jaar een fraai uitgevoerde jubileumeditie uit in twee banden. Deze uitgave wordt begeleid door een website.

De ondergang van het avondland
De Nederlandse vertaling in een jubileumuitgave in een fraaie art deco vormgeving.

oikofobieDe zelfhaat van het avondland
Soms lijkt het dat rechts een monopolie op cultuurpessimisme heeft. Hedendaagse cultuurpessimisten als Theodore Dalrymple en Roger Scruton schrijven vanuit een conservatief en rechts georiënteerd standpunt vanwaaruit ze het al te rooskleurige maakbaarheidsideaal van de links-progressieve politiek bekritiseren. Zo wordt het begrip oikofobie (gemunt door Roger Scruton) uitgewerkt door Thierry Baudet in zijn boek Oikofobie. De angst voor het eigene. De huidige polarisatie wordt gemarkeerd door sleutelwoorden. Progressief-links verwijt zijn tegenstanders xenofobie terwijl vanuit de conservatieve hoek progressief-links oikofobie verweten wordt. Joseph Ratzinger (later paus Benedictus XVI) is er nog explicieter in en sprak over de zelfhaat van het avondland.

De meest gehoorde kritiek op cultuurpessimisten is dat het zwartkijkers zouden zijn die te weinig oog hebben voor positieve ontwikkelingen en vooral voor het positieve in de mens. Zo reageerde Beatrice de Graaf onlangs op het boek De meeste mensen deugen van Rutger Bregmans: ‘Cynici en zwartkijkers kunnen inpakken. Een heerlijk boek voor iedereen die echt realistisch wil zijn.’ Realistisch willen zijn, daar gaat het dus om. Is het glas half vol of half leeg? De realist probeert een middenpositie in te nemen, maar zal steeds weer tot de ontdekking komen dat aan zorgvuldige beschouwingen en afwegingen een optimistische of pessimistische levenshouding ten grondslag ligt.

Overigens is cultuurpessimisme van alle tijden. Dat beschavingen opkomen, blinken en verzinken was al lang voor Spengler bekend. In het laatste kwart van de achttiende eeuw publiceerde Edward Gibbons zijn monumentale The History of the Decline and Fall of the Roman Empire over het verval en de ondergang van het Romeinse Rijk. Door hun hegemonie in de wereld begonnen de Victorianen in de negentiende eeuw zich te identificeren met de romeinen. Daarnaast leefde ook sterk het besef van vergankelijkheid. Een schilder als John Martin (1789-1854) oogstte veel succes met zijn apocalyptische landschappen, een soort vanitas landschapsschilderkunst.

The course of the empire
Thomas Cole The Course of the Empire, 1833-1836

Ook de Amerikaanse schilder Thomas Cole (1801-1848) wilde zijn tijdgenoten herinneren aan de vergankelijkheid en schilderde tussen 1833-1836 een serie van vijf schilderijen die hij The Course of the Empire noemde. Hij schilderde de opkomst, bloei en ondergang van een beschaving in vijf stadia om zijn Amerikaanse tijdgenoten te waarschuwen dat een trotse beschaving, net als het Romeinse Rijk, ooit ten onder zal gaan.

Wie was Oswald Spengler? [ leesspengler.nl ]

Donker, zwaar en vol

gekregen van Martina: Gründerzeit, Möbel und Zimmereinrichtungen
van F. Schwenke uit 1881 (facsimile uit 1985)

Ornament und verbrechenDit jaar is het honderd jaar geleden dat het Bauhaus werd opgericht. De principes van het Bauhaus zouden het gezicht van onze leefwereld in de twintigste eeuw fundamenteel veranderen. Deze principes waren formeel en braken met de historische oogopslag van de negentiende eeuw.

Het Bauhaus was niet uit de lucht komen vallen, maar na de Eerste Wereldoorlog ging het ineens hard met de verzakelijking in de grafische en industriële vormgeving en architectuur. De stroming die door het Bauhaus in gang gezet werd, kreeg in de jaren twintig haar naam: Neue Sachlichkeit. In het Engels werd deze stroming bekend onder verschillende namen: New Objectivity, New Matter-of-factness, New Resignation, New Sobriety en New Dispassion. In Nederland werd het letterlijk uit het Duits vertaald: Nieuwe Zakelijkheid. Het gaat hier dus om een zakelijke, sobere, objectiverende, afstandelijke stijl.

De breuk met het verleden werd in 1919 versterkt door de afloop van de Eerste Wereldoorlog. Men wilde afrekenen met de oude wereld en dat gold zeker in Duitsland. Het Duitse Keizerrijk (1871-1918) werd door de overwinnaars, maar ook door de socialisten en communisten in de Weimarrepubliek (1918-1933), gezien als de aanstichter van de Grote Oorlog. De laatste keizer Wilhelm II ging in ballingschap en het keizerrijk werd bij het grofvuil gezet. Alles dat herinnerde aan het opgeblazen nationalisme uit de zogenaamde Gründerzeit en Jahrhundertwende werd afgedankt.

Gründerzeit, Möbel und ZimmereinrichtungenWanneer je wilt weten wat voor spullen dat precies waren, kun je bijvoorbeeld Huis Doorn bezoeken. Wilhelm II liet in 1920 namelijk zestig treinwagons vol met spullen uit zijn paleizen in Berlijn en Potsdam naar Doorn komen.

Maar je kunt ook bladeren in Gründerzeit, Möbel und Zimmereinrichtungen (uitgegeven in twee delen in 1882 en 1884). Het is typisch een product uit de Victoriaanse tijd (Keizer Wilhelm II was overigens het oudste kleinkind van koningin Victoria van Engeland) met grote en perfect uitgevoerde staalgravures van meubelstukken. In het tweede deel uit 1884 staan zelfs enkele foto’s afgedrukt in halftoonraster, een Amerikaanse uitvinding die in 1881 door Frederic Ives in Philadelphia gepatenteerd was. Wanneer je de zware, volle en donkere Wilhelminische interieurs in Gründerzeit, Möbel und Zimmereinrichtungen langs je heen ziet gaan, begin je te begrijpen waarom het Bauhaus dit allemaal op de schroothoop van de geschiedenis heeft gegooid en waarom we het nu liever licht en ruim houden in ons interieur.

Meubel
Veel meubels uit de periode van het historisme zijn neo-renaissancistisch en doen denken aan de gevels van Italiaanse kerken, waarbij architectonische elementen in hout zijn uitgevoerd.

De lelijke tijd
Bijna 25 jaar geleden was in het Rijksmuseum de tentoonstelling De lelijke tijd – pronkstukken van Nederlandse interieurkunst 1835-1895 te zien.

het genot een ‘ik’ te zijn

gelezen: hoofdstuk 8 (Berlijn 1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer - 
de woelige jaren van de filosofieIn de zomer van 1811 stapt Arthur Schopenhauer over van de Georg-August-Universität in Göttingen naar de Humboldt Universität in Berlijn. Zijn motivatie is simpel: aan deze in het jaar daarvoor gestichte universiteit doceert de beroemde filosoof Johann Gottlieb Fichte. Voor Safranski weer een goede reden om een ‘filosofisch toneel‘ in zijn biografie in te bouwen.

In een terugblik beschrijft Safranski wat er in de jaren negentig van de achttiende eeuw had plaatsgevonden. Fichte was zo onder indruk van de filosofie van Immanuel Kant gekomen dat hij besloot om de beroemde filosoof in 1791 in Königsberg op te zoeken. Kant heeft het echter zo druk met het ontvangen van bezoek van heinde en verre dat Fichte niet binnenkomt. Om toch de aandacht van Kant te krijgen, schrijft hij een essay om zichzelf bij de meester aan te bevelen: Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Het werkt. Kant is zeer onder de indruk en laat het anoniem in Königsberg publiceren. Daarna wordt het in heel Duitsland besproken en als tenslotte uitkomt wie het geschreven heeft, is Johann Gottlieb Fichte de nieuwe rijzende ster aan het firmament van de Duitse filosofie.

Humboldtuniversiteit Berlin
De Humboldt Universität in Berlijn waar Schopenhauer van 1811 tot 1812 studeert.

Vanuit zijn bewondering en kritiek op Kant ontwikkelt Fichte zijn eigen filosofie van het Ich. Safranski vat dat prachtig samen. Zeker niet alles wat Safranski over Fichte schrijft, is makkelijk te begrijpen, maar als je het begrijpt, dan klopt het ook helemaal. Bijvoorbeeld: “Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.”

Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.

Twee bladzijden verder schrijft Safranski in zijn ‘filosofisch toneel’: “Ik ben het ‘Ding an Sich’ – het zichtbare geheim van de wereld. Dit inzicht was voor Fichte die verblindende ‘bliksem’ die zijn filosoferen bleef verhitten. Die ‘bliksem’ was afkomstig uit de geladen geestelijke sfeer van het verlangen naar emancipatie, een sfeer die tot hier was doorgedrongen vanuit de Franse Revolutie. En de invloed van Fichte vloeide niet voort uit moeilijke deducties die zeer weinig mensen begrepen, maar uit datgene waaruit meteen munt geslagen kon worden voor de wisselkoers van het tot dusver ongekende genot een ‘ik’ te zijn.”

FichteDe kern van de filosofie van Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) wordt gevormd door zijn opvatting over de (menselijke) geest, het Ik. Volgens hem is de héle werkelijkheid hieruit te verklaren. Hiermee sluit hij niet aan bij Kant, die een dualisme aannam tussen de werkelijkheid zoals zij zich aan het “ik” voordoet en de onkenbare realiteit zoals zij werkelijk is. Fichte legt duidelijk de nadruk op de geest; zijn filosofie is een vorm van zuiver Idealisme en hijzelf daarmee een van de prominente vertegenwoordigers van het zogenaamde Duits Idealisme. Fichte ziet de individuele menselijke geest als een onderdeel van dat wat alles omvat, Het Absolute; hier in de vorm van het ‘absolute Ik’. Dit ‘absolute Ik’ is over alle bewustzijnen verdeeld. De diepste aard van alles wat bestaat is het goddelijke, absolute Ik. Daarachter kan men niet verder teruggaan, want het Ik “schept” of fundeert zichzelf. Het Ik schept niet alleen zichzelf, maar ook de natuur en de kosmos. Dit laatste noemt Fichte het ‘niet-Ik’, dat echter niet zelfstandig kan bestaan maar alleen in dialectische tegenstelling mét het Ik en in de ervaring als object dóór het Ik. Anders dan het Ik heeft het dus geen absolute maar slechts een relatieve werkelijkheid. Dit wordt door Fichte niet als een hypothese gezien maar als een noodzakelijke waarheid. (Bron: nl.wikipedia.org)

woelige jaren van de filosofie

gelezen: hoofdstuk 7 (1809-1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie was de tweede biografie die Rüdiger Safranski in 1988 schreef, nadat hij vier jaar eerder zijn eerste biografie had geschreven over E.T.A Hoffmann (1776-1822). Safranski voelt zich in de tijd rond 1800 als een vis in het water. Na zijn biografieën over Hoffmann en Schopenhauer verschenen een prachtige studie over de Duitse Romantiek en biografieën over Schiller en Goethe. Safranski mogen we internationaal rekenen tot een van de Grote Begrijpers van de zogenaamde Goethezeit, de periode 1770-1830.

Georg-August-Universität
De Georg-August-Universität in Göttingen waar Arthur Schopenhauer tussen 1809 en 1811 o.a. de filosofie van Immanuel Kant bestudeerde

Arthur Schopenhauer studierte von 1809 bis 1811 in Göttingen und besuchte vor allem historische und naturgeschichtliche Lehrveranstaltungen. Einer seiner wichtigsten Lehrer war dabei Johann Friedrich Blumenbach, der damals berühmteste Göttinger Naturforscher. Schopenhauer setzte die in Göttingen begonnenen naturwissenschaftlichen Studien auch nach der Entscheidung für eine Laufbahn als Philosoph und dem Wechsel an die neugegründete Universität in Berlin fort. Sein Interesse und seine Kenntnisse auf dem Gebiet der Naturwissenschaften und insbesondere der Physiologie sind ein wichtiger Schlüssel zum Verständnis seiner Philosophie.(Bron: univerlag.uni-goettingen.de)

Arthur Schopenhauer - de woelige jaren van de filosofieArthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie is een magistraal boek dat het uit eerbied verdient om nog eens herlezen te worden. Ik zit alweer een paar weken tot aan mijn oren in ‘de woelige jaren van de filosofie‘, bij mijn weten een term die door Safranski zelf gemunt is. Hij bedoelt hiermee de jaren 1781-1818, een iets ruimere interval dan het zo bekende tijdvak 1789-1815. De jaartallen die de woelige jaren van de filosofie begrenzen, vallen samen met het verschijnen van de Kritik der reinen Vernunft van Imanuel Kant in 1781 en Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer in 1818. De periode daartussen was voor de filosofie net zo stormachtig als de Franse Revolutie (1789-1799) en de Napoleontische tijd (1800-1815).

Wat was er gebeurd? Dit zou een zin van Safranski kunnen zijn. Daarna zou een zogenaamd ‘filosofisch toneel‘ volgen, een intermezzo dat Safranski’s biografieën voor mij zo bijzonder maakt. Elke biograaf zal een decor willen schetsen voor het leven van een bepaalde persoon dat hij wil beschrijven. Dat is vaak een tijdsbeeld of een geografische beschrijving. Maar het kan ook gaan om een geestelijk klimaat. Dat laatste is als decor waarschijnlijk het lastigste om te beschrijven. Maar Safranski is hier een meester in. Hij heeft het zeldzame vermogen om het ingewikkelde samen te vatten, zonder dat dit afbreuk doet aan diepte en complexiteit. Ieder die zich waagt aan het samenvatten van filosofie voor een breed publiek, bijvoorbeeld in een historisch overzicht, weet hoe zwaar het is een bevredigend evenwicht te vinden tussen toegankelijkheid/helderheid en complexiteit. Safranski heeft ook nog eens literair talent, waardoor hij schitterend proza aflevert.

Het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.

Een paar voorbeelden: “Het is alsof de onttroonde oude metafysica, eenmaal verdreven uit de onbegrensde ruimten van de kosmos, alle resterende kracht heeft vergaard en de geseculariseerde subjecten op het gemoed heeft gewerkt, waar ze danig rammelt en knelt.” Dit schrijft hij met betrekking tot de Categorische Imperatief, het centrale begrip uit de Kritik der praktischen Vernunft (1888). En met betrekking het centrale begrip uit de Kritik der reinen Vernunft (1781), het Ding an Sich, schrijft hij: “Kant liet ons een goed ingericht huis van rationele kennis na, maar het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.”

Het is precies deze ‘tocht’ die in het westerse denken een storm zou veroorzaken. Deze zou het Duitse idealisme van Fichte en Schelling, het optimisme van Hegel maar ook het pessimisme van Schopenhauer voortbrengen. We mogen daarom gerust spreken van ‘de woelige jaren van de filosofie’.