Deze serie verscheen eind juli en begin augustus 2009
de atoomstijl [ 1 ]
Atomium Brussel, 04.06.2009 – 20.09.2009
Brussel is niet alleen de hoofdstad van België en Europa, maar ook van het beeldverhaal. Dat was afgelopen weekend goed te merken en niet alleen vanwege het stripjaar 2009 dat vooral deze zomer met veel tentoonstellingen en manifestaties gevierd wordt. Brussel kent maar liefs vier musea waar de Negende Kunst centraal staat: het onlangs geopende Hergé Museum en het Marc Sleen Museum, la Maison de la Bande Dessinée en het Centrum van het Beeldverhaal. Ook is er een permanente route door de stad te lopen langs ruim dertig muurschilderingen van Belgische stripfiguren. Wie Brussel zegt, zegt niet alleen Art Nouveau maar ook bande-dessinée, als het over de schone kunsten gaat. Naast deze ’stripmusea’ zijn er deze zomer in een van de bollen van het Atomium nog twee tentoonstellingen aan het beeldverhaal gewijd. Interessant is de kleine tentoonstelling op zoek naar de atoomstijl. Een prima gelegenheid om de komende week weer eens een duik te nemen in het beeldverhaal dat ‘de jaren vijftig stijl’ als inspiratiebron heeft. Maar misschien kun je hier beter spreken over de kunst van Joost Swarte, Ever Meulen, Yves Chaland, Serge Clerc, Ted Benoit, Javier Mariscal, Daniel Torres, Francois Avril, Paul Rivoche en Antonio Lapone

Bron: op zoek naar de atoomstijl, tentoonstelling in het Atomium, 2009

Op zoek naar de atoomstijl | Paul Gravett, in search of the atom style
de atoomstijl [ 2 ]

Bron: op zoek naar de atoomstijl, tentoonstelling in het Atomium, 2009


Op zoek naar de atoomstijl | Paul Gravett, in search of the atom style
de atoomstijl [ 3 ]

van het Atomium in Brussel
In de buitengewone plejade van atoomstijlauteurs prijkt de Nederlandse tekenaar Joost Swarte, de man die er het concept van uitvond, uiteraard op de eerste plaats. Swarte komt uit de designwereld het stripverhaal binnen wanneer hij de complexloze, vol van ’sex & drugs & rock ‘n roll’ comix ontdekt van de Amerikaanse underground, het rebelse product van de tegencultuur van de jaren 1960 en 1970, waarvan Robert Crumb het boegbeeld was. Swarte koopt ze als importproducten en gaat hun afstamming opzoeken tot bij de auteurs van de comic strips van het begin van die eeuw, zoals Bringing up father van George McManus met zijn prachtige art deco versieringen. Op dezelfde manier grijpen zijn collega’s van de Nederlandse underground, zoals Marc Smeets, terug naar hun eigen culturele referenties met Hergé als hoofdfiguur. Swarte ontleent de smetteloze pennentrek aan de Brusselse meester en verandert de weerbarstige haarlok van de deugdzame Kuifje in een rockers bananenkuif voor een bizarre figuur met de naam Jopo de Pojo.Wat volgens Swarte de atoomstijl kenmerkt is het plezier dat de auteur heeft om de ‘grafische stijl van de jaren vijftig te herontdekken’. Dat is ondermeer te zien aan een aantal symbolische voorwerpen uit de binnenhuisinrichting: een authentieke jukebox, vreemd gevormde vazen, kubistische en abstracte schilderijen, elegante verlichtingen, cactussen met sculpturale vormen, een voudige en zuivere kleuren. De smaak van Swarte voor de fifties esthetiek is ook duidelijk in zijn straatscenes: het chroom schittert op de auto’s en moet niet onderdoen voor de ongewone vormen van de architectuur, die mogelijk werden door de nieuwe technologie en materialen.
De beelden van Swarte combineren steeds een klare lijn met een atoomstijl, die bij hem minder een artistiek dogma lijkt dan een mentale toestand, een houding, die er, zoals hij zegt, in bestaat ‘een talent te hebben om zaken uit te vinden op een bewust optimistische manier’. Swarte tempert nochthans dit optimisme met poëtische en onevenwichtige elementen: een omgegooide frisdrank, een uit de stekker getrokken haardroger, een kat met zelfmoordneigingen, een hond met verstopping, enz. Intrigerende en abnormale figuren die er wellicht zijn om te suggereren dat de realiteit steevast de mooie beloften van de publiciteit en de urbanistische utopieën tegenspreekt. Kortom, dat ondanks het gesophisticieerde van onze leefomgeving, onze steden en onze levenswijze, de mens altijd onvolmaakt en chaotisch zal blijven. Erg menselijk dus.
Bron: Op zoek naar de atoomstijl

verder lezen: Paul Gravett, in search of the atom style
Bron: Op zoek naar de atoomstijl
joostswarte.com | studio Mariscal
de atoomstijl [ 4 ]
Yves Chaland werd op 3 april 1957 geboren in Lyon en zijn jeugd wordt opgevrolijkt met het lezen van hetweekblad Spirou (Robbedoes). Na zijn studies aan de academie van Saint-Etienne publiceert hij in het maandblad Métal Hurlant. Dit tijdschrift, opgericht door Moebius en Druillet, was oorspronkelijk enkel aan science fiction gewijd, maar zet daarna de deuren open voor allerlei grafische experimenten. Er duiken namen op: Frank Margerin, Dodo en Ben Radis, Serge Clerc, Ted Benoit… Een generatie die het Franse stripverhaal nieuw leven inblaast. Als volgeling van Joost Swarte gaat Yves Chaland ook de Frans-Belgische strip uit mekaar halen, maar recupereert paradoxaal genoeg de tijdloze elementen om hem een modern kleedje te geven. Een verbluffende operatie want het geeft de grote Belgische auteurs voorgoed hun status van ‘klassiekers’. Een nostalgisch effect treedt op terwijl deze scheppers nog in leven zijn.Terwijl Joost Swarte en Ted Benoit de stijl van Hergé moderniseerden en Floc’h die van Jacobs, voegt Chaland zich bij dit rijtje maar neemt de meesters van de “School van Marcinelle” als referentie. Na Captivant, een zuivere pastiche op het stripverhaal van de jaren vijftig, dat hij tekent met Luc Cornillon, publiceert Chaland eerst Bob Fish (1980) en vervolgens Freddy Lombard (1981) waarbij de rechtstreekse invloed van Franquin en Tillieux overduidelijk is. Het duurt niet lang voor men hem de figuur van Robbedoes toevertrouwt met IJzeren harten (1982), maar de aanpak wordt slecht begrepen; de reeks wordt brutaal stopgezet en blijft onafgewerkt.
Hij gaat meer tegenstrijdige albums maken met Adolphus Claar (1983), De jonge Albert (1985), de verderzetting van de reeks Freddy Lombard (5 albums tot 1990), maar een ongeluk op de terugreis van een vakantie maakt op 18 juli 1990 een einde aan zijn jonge carriere. Met nauwelijks een tiental albums is de invloed van Chaland diepgaand en internationaal.(…) Zijn meesterwerk in de atoomstijl is zonder twijfel Adolphus Claar (1983), dat de avonturen vertelt van een leider van een afvalverwerkende fabriek in de 23e eeuw tegen weerspannige robots. De tekening is dynamisch, precies, vindingrijk en geïnspireerd. Hij projecteert een esthetiek in de toekomst die geïnspireerd is op de jaren vijftig, en dan vooral het Robbedoes op avontuur van Jijé (1947) en Robbedoes, Radar de Robot (1947) van Franquin.Bron: op zoek naar de atoomstijl, tentoonstelling in het Atomium, 2009


verder lezen: Paul Gravett, in search of the atom style
de atoomstijl [ 5 ]
Een van de auteurs die over de hele wereld meteen worden begrepen en gesmaakt, is ongetwijfeld Ever Meulen. Voor hem is de atoomstijl een levenswijze. Wanneer hij midden jaren ‘70 zijn tekeningen publiceert in het tijdschrift Tante Leny, in Nederland, en Curiosity Magazine, in Brussel, krijgen de meeste lezers een onverwachte esthetische schok: zijn klare lijn heeft een extra, nieuwe dimensie waarin het design sierlijk triomfeert. Zijn wereld refereert naar Hergé, Jijé en Jacobs maar netzo goed naar Giorgio de Chirico, Escher, Magritte, Afrikaanse kunst, Picasso of Raymond Loewy.Zijn carriere dankt hij aan Humo, het televisietijdschrift dat destijds werd uitgegeven door Dupuis. Hij getuigde er van een ongeloofelijke grafische diversiteit en een complete beheersing van de typografische technieken, iets waar Joost Swarte verstomd van stond (de Nederlandse tekenaar woonde toen in Brussel in een Horta appartement aan de Brugmannlaan). Onder zijn trouwe aanhangers waren ook Yves Chaland and Serge Clerc. Zij waren in de wolken dat ze in de Belgische hoofdstad zowel Hergé, André Franquin, Ever Meulen en Joost Swarte vonden, waarbij de laatste twee (we hebben het over begin jaren 80) een soort overgang vormden naar het moderne genie.
Zijn werkmethode was geïnspireerd op die van Hergé met een procedé van opeenvolgende kalkpapiertjes (Meulen heeft weinig echte ‘originelen’) die zorgvuldig worden overgebracht voor de ininkting. Even Meulen staat erom bekend traag te zijn en perfectionistisch. Met aandacht voor het kleinste detail beheerst hij het grafische proces tot in de perfectie en houdt, zonder één ogenblik onoplettend te zijn, de controle over alles. Want dat is zijn grote angst: dat al zijn inspanningen, zijn noeste arbeid, de perfectie en de verfijning van zijn werk zou verraden worden door een klein vlekje dat zijn kwaliteiten als eerlijk kunstenaar zou teniet doen. Art Spiegelman stak zijn bewondering voor deze Belgische kunstenaar niet onder stoelen of banken en publiceerde hem in het tijdschrift Raw en in de bijlage van de New Yorker, waarvan zijn echtgenote Françoise Mouly de artistieke directeur is: “His lines quietly call attention to themselves and to the flatness of a plcture plane that buckles and warps into a profusion of visual puns and graphic rhymes…”
Bij Ever Meulen vinden we een synthese van de atoomstijl, die deze ‘libertijn van de grafiek’, zoals Bart de Keyser zo mooi zei, tot de perfectie bracht. Toen de gebroeders Pasamonik hun beruchte Atomium ‘58 collectie lanceerden, ontwierp Ever Meulen er uiteraard het logo voor.
Bron: op zoek naar de atoomstijl, tentoonstelling in het Atomium, 2009

verder lezen: Paul Gravett, in search of the atom style
Op zoek naar de atoomstijl [ blog.atomium.be ]
de atoomstijl [ 6 ]
Serge Clerc (1957) is het perfecte toonbeeld van de atoomstijlauteur van de jaren tachtig: hij is enerzijds geïnspireerd door de grote klassiekers van het Belgische stripverhaal en anderzijds door de American Dream. Op zijn 17e wordt hij gerecruteerd door Jean-Pierre Dionnet en verpersoonlijkt hij in zijn eentje Métal Hurlant, een tijdschrift gewijd aan science fiction en rock ‘n roll dat in 1975 werd opgericht. Nog open voor alles bij zijn debuut vat hij de modernistische methode zoals Ted Benoît die beoefent, maar tegelijkertijd dicht genoeg bij Yves Chaland om de nostalgische trillingen van de Belgische stripschool te voelen. Op het bureau van Clerc staat Moebius broederlijk naast Jack Kirby en Jacobs. Hij zag het buitengewone vakmanschap en de fantasie van de SF wereld van de Franse tekenaar, de vitaliteit en de inventieve kracht van de Amerikaanse tekenaar en tenslotte de onfeilbare zin voor compositie van de Brusselse tekenaar. Voeg daarbij een snuifje Will Eisner aan toe en de formule is perfect.Maar er ontbrak nog iets volgens de jonge tekenaar, iets tussen gevoeligheid en onschuld, een extra scheut bezieling. Jean-Pierre Dionnet was ongetwijfeld zijn Jedi in de SF en comic books, maar Philippe Manoeuvre, de sterredacteur van Rock & Folk, liet ongetwijfeld de grootste indruk na op de jonge tekenaar. Deze goeroe had de hedendaagse rock bekend gemaakt bij het Franse publiek met zijn intelligente en subversieve artikels en hiep de grote Franse rockgroepen van de grond komen. Dankzij hem kleedde Serge Clerc zich in een zwart kostuum en reeg de kroegennachtjes aan mekaar. Zijn strips raakten bevolkt met bars, muzikanten en pin-ups.
Zijn ontmoeting met Yves Chaland brengt hem bij de atoomstijl. Hij ontdekt de Vlaming Ever Meulen en de Nederlander Joost Swarte met hun ironische esthetiek. Serge Clerc stelt ze een muzikale variant voor: sexy danseressen en berooide nightclubbers, die kicken op jazz, rock en sterke drank vloeien uit zijn smeuïg penseel. Zijn onbezorgdheid, zijn liefdesverdriet (het kort verhaal Nid d’espions a Alphaplage dateert uit deze tijd) dienen hem als reisgids. De buitenlandse uitgaven van Métal Hurlant (in Amerika, Duitsland, Italië, Spanje…), maar ook zijn illustraties in het Londense toonaangevende muziektijdschrift New Musical Express, bezorgen hem wereldwijde faam. Zijn universum beïnvloedt tot vandaag nog een heleboel grafici.
Bron: op zoek naar de atoomstijl, tentoonstelling in het Atomium, 2009

In 1979 verschijnt zijn eerste album “Hospitaal” bij “Humanoïdes Associés” waar hij onmiddelijk de prijs voor het beste scenario voor krijgt op het internationaal stripfestival van Angoulême. In 1981 maakt hij “Vers la ligne claire” een eerbetoon aan Hergé en Joost Swarte. Zijn oeuvre bestaat uit diverse verhalen waarvan de serie Ray Banana veruit de belangrijkste is. In 1992 neemt de Uitgeverij Dargaud de rechten van het volledige oeuvre van Edgar P. Jacobs over en ze besluiten de serie verder te zetten. Hiervoor trekken ze mensen aan de het unieke talent van Jacobs kunnen benaderen. Voor de tekeningen trekken ze Jean Van Hamme aan, en voor het verhaal van De zaak Francis Blake wordt gerekend op Ted Benoît.Bron: stripverhalen.net
Op zoek naar de atoomstijl | Paul Gravett, in search of the atom style
de atoomstijl [ 7 ]
Bron: rocketfiction.com

Antonio Lapone who uses the pseudonym Lapis, is an Italian comics artist from Turin, who works in a Clear Line style, inspired by French artists like Chaland, Clerc and Floc’h. His best-known character is ‘Desy Blonde‘, who stars in stories set in the 1950s. Other creations include ‘The Amazing Lapis-Man‘ and ‘Gek lo Squartatrote‘. Lapis additionally works in advertising and for Walt Disney (covers and ‘Paperinik’ stories). For the French market, he has made short stories for Bo-Doï magazine. From 2001, he makes the series ‘A.D.A.’ (Antique Detective Agency) with Pierre Vanloffelt for Paquet publishers.Bron: lambiek.net
blog van Paul Rivoche [ rocketfiction.com ] | blog van Antonio Lapone













