Vandaag blijven we de hele dag in Cairo, een stad met 16 miljoen inwoners. We bezoeken in de koptische wijk de kerk van Abu Serga, gebouwd bovenop de grot waar de Heilige Familie geschuild zou hebben.

Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.
Mattheus 2: 13- 16


De trappenpiramide van Djoser is oorspronkelijk niet als dusdanig opgezet, maar begon als mastaba, een klassieke Egyptische grafvorm. In latere stadia werd het grondvlak vergroot, tot uiteindelijk 126 bij 109 meter, en werden steeds kleinere trappen toegevoegd. Uiteindelijk kwamen er zes trappen voor een totale hoogte van meer dan 60 meter. Onder de piramide zijn er verschillende galerijen en kamers en één van die kamers is de eigenlijke grafkamer. Er is in de zuidmuur een klein graf, waarin het ka-beeld van de farao stond. De naam trappenpiramide stamt niet uit de vroegere tijd maar uit de 19e eeuw. Het heet zo omdat de piramide niet echt een piramide is, men kan als het ware op de trappen lopen. De piramide kan gezien worden als het helder is uit Caïro.
Van de andere grote meester van de Brusselse school Hergé, neem ik ook een stripalbum mee en het was ook geen moeilijke keuze welke Kuifje het moest worden. De sigaren van de farao tekende Hergé in 1934 maar in 1954 verscheen pas de ingekleurde versie die wij nu kennen. Aardig detail: een van de gemummificeerde Egyptologen op de omslag (tweede van rechts) heet E.P. Jacobini, een verwijzing naar Edgar P. Jacobs, met wie Hergé goed bevriend was.














