Ik zal niet de enige geweest zijn die bij Philip Seymour Hoffman‘s briljante vertolking van Truman Capote moest denken aan Marc-Marie Huijbregts. De overeenkomsten zijn opvallend. Net als Andy Warhol werd Truman Capote een stijlicoon door zichzelf te cultiveren (lees: aan te dikken). Een gekke stem, een raar pak, een vreemde motoriek. Allemaal een pose zou je denken. Maar authenticiteit toont haar gezicht juist daar waar de afwijkingen in het oog springen. Speelt Capote (of Warhol) nu steeds een rol voor de media of is hij gewoon zichzelf?
Imitators lijken de authenticiteitsvraag eenduidig te beantwoorden. Zij zijn immers de vleesgeworden pose. Philip Seymour Hoffman kreeg voor zijn rol als Truman Capote de Oscar voor de beste mannelijke hoofdrol. Zijn inleving bleek zo echt dat de filmproducent trots vermeldt: Philip Seymour Hoffman = Truman Capote. Kunnen we dat ook van Marc-Marie Huijbregts zeggen? Nee, Marc-Marie Huijbregts = Marc-Marie Huijbregts maar doet wel sterk aan Truman Capote denken. Voor een deel (zijn zware brilmontuur) is dat misschien opzet, maar voor een ander deel (zijn hoge stem) komt het omdat Marc-Marie Huijbregts en Truman Capote van nature al op elkaar lijken. Authenticiteit is iets raadselachtigs. Omdat authenticiteit ons allen toebehoort, zijn er gelijkenissen mogelijk en is tegelijkertijd ieder mens uniek.
Philip Seymour Hoffman
als Truman Capote in: Capote (2005)
Bron: nl.wikipedia.org
In de reeks Kleine Klassieken geeft
Dat de massacultuur steeds grover en platter wordt, is dagelijks te registreren. Massacultuur is de cultuur van de grootste gemene deler en misschien per definitie wel grof en plat. De meerderheid legt het meeste gewicht in de schaal en laat de balans overhellen. Je hoeft maar een volks tafereel van Jan Steen te bekijken om te zien dat vierhonderd jaar geleden ook alles al naar het laagste punt stroomde. De wereld is niet minder plat en grof dan vroeger. Toch waren in het verleden hoge cultuur en plat volksvermaak nog enigszins van elkaar gescheiden. De hogere standen, de burgerij en de middenklasse lieten zich doorgaans niet in met poep-en-pies-vermaak. Honderd jaar geleden gingen de rijken naar het theater en niet naar de bioscoop. Film was voor Jan met de pet. Maar in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn de grenzen onder invloed van de televisie diffuus geworden. En sinds de komst van internet en interactieve televisie is tegenwoordig werkelijk álles on demand geworden. Voor porno hoef je niet meer de deur uit. Elk computerscherm is de etalage van de sexshop geworden die je vroeger in obscure steegjes moest binnenglippen.
De lagere behoeftes dringen zich steeds meer aan ons op. En niemand hoeft zich er meer voor te schamen. Studenten en hogeropgeleiden kijken naar O o cherso omdat het zo lekker plat is. De dikke tokkie met tatoeages is juist onder hogeropgeleiden populair. Het lijkt wel liefde, maar in werkelijkheid is het meer een slecht huwelijk tussen exhibitionisme en leedvermaak. De oude Hochkultur wordt verzwolgen door een massacultuur die steeds platter en schaamtelozer wordt. Iemand als Alessandro Baricco maakt zich in zijn boek De Barbaren geen zorgen over de toenemende oppervlakkigheid. Maar de nestor van de Nederlandse journalistiek Henk Hofland denkt er in Platter & dikker anders over.












