Categorie archief: boeken

relimarkt anno 1925

Verkappte Religionen. Kritik des kollektiven Wahns
van Carl Christian Bry (1925)

Verkappte Religionen 1925Na de Eerste Wereldoorlog heerste er in Duitsland een groot onbehagen. Het cultuurpessimisme bleek een voedingsbodem voor allerlei alternatieve en spirituele clubjes die hun verlossingsweg aanboden. New Age en shoppen op de relimarkt zijn dus niet alleen de laatste veertig jaar in de mode. Carl Christian Bry schreef hier in de jaren twintig al een kritisch boek over onder de titel Verkappte Religionen. Kritik des kollektiven Wahns Zijn proza heeft een korte, zakelijke en soms bijna dadaïstische toon en werd in 1925 een bestseller. Een jaar later overleed Bry in Davos op 33-jarige leeftijd aan tuberculose.

Was bezeichnet die verkappten Religionen? – Mysterien, Sekten, Aberglauben, Vereinsmeierei, Mangel an Lebensart?
Ja, auch das. Aber ein ästhetisches Abgestoßensein wird ihnen nicht gerecht. Ihr Feld ist viel weiter. Es geht von der Abstinenz bis zur Zahlenmystik. Aber es geht auch von der Astrologie bis zum Zionismus, oder von den Antibünden (mit dem Antisemitismus an der Spitze) bis zur Yoga oder von der Amor Fati bis zur Wünschelrute, oder vom Atlantis bis zum Vegetarianismus. Dieses Hexenalphabet besetzt jeden Buchstaben doppelt und dreifach.
 
Ein paar, längst nicht alle Gebiete: Esperanto, Sexualreform, rhythmische Gymnastik. Übermenschen, Faust-Exegese, Gesundbeten, Kommunismus, Psycho-Analyse, Shakespeare ist Bacon, Weltfriedensbewegung, Brechung der Zinsknechtschaft, Antialkoholismus, Theosophie, Heimatkunst, Bibelforschung, Expressionismus, Jugendbewegung, Genie ist Wahnsinn, Fakirzauber, Haß gegen Freimaurer und Jesuiten, endlich das weite Gebiet des Okkultismus, das wiederum seine eigenen siebenfachen Hexenalphabete hat: das sind nur einige von den Bewegungen, die hier verkappte Religionen heißen.
 
Bron: dalank.de

Carl Christian Bry [ de.wikipedia.org ]

het vis-à-vis van de angst

gisteren gelezen over de angst in de filosofie van Martin Heidegger
en daarna gekeken naar The Deer Hunter (1978)

Gisteren las ik in de biografie Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski over de beroemde §40 van zijn hoofdwerk Sein und Zeit waarin Martin Heidegger de angst analyseert. Laat op de avond werd The Deer Hunter uitgezonden die ik voor de zoveelste keer zag. De scene met het Russische roulette is waarschijnlijk veel bekender dan §40 van Sein und Zeit en maakt in één keer zichtbaar waar het bij Heidegger om gaat: Zijn of niet zijn.

John Savage in The Deer Hunter
to be or not to be
John Savage in The Deer Hunter
wat overblijft als het bestaan
door het koude vuur van de angst is gegaan, is het niets.
Voor de angst zinkt alles in al zijn naaktheid ter aarde, ontdaan van iedere betekenis. De angst is soeverein, hij kan bij het minste of geringste bezit van ons nemen. Hoe zou hij ook niet, want het eigenlijke vis-à-vis van de angst is het niets. Voor wie angst heeft, heeft de wereld niets meer te bieden, net zo min als het medebestaan van anderen. De angst duldt geen andere goden naast zich, hij verenkelt zich in twee opzichten: hij verbreekt de band met de medemensen en hij maakt dat de enkeling uit de vertrouwde betrekkingen tot de wereld valt. De angst confronteert het bestaan met het naakte dat van de wereld en van het eigen zelf. Maar wat overblijft als het bestaan door het koude vuur van de angst is gegaan, is het niets. Door wat de angst heeft verbrand is de gloeikern van het bestaan blootgelegd: het vrij zijn voor de vrijheid zichzelf te kiezen en zichzelf aan te pakken.
 
Uit: Heidegger en zijn tijd, Uitgeverij Contact 1995, vertaling: Mark Wildschut

globetrotter [ 2 ]

gisteren gezien op Een: Tijdgenoten (herhaling van 14 november 2010)
Piet Piryns in gesprek met Cees Nooteboom

Piet PirynsDe Vlaamse journalist Piet Piryns sprak vorig jaar met schrijver, reiziger en dichter Cees Nooteboom bij zijn huis in Menorca en probeerde bij de wereldwijze schrijver tevergeefs uitspraken over ‘de toestand in de wereld’ te ontlokken. Nooteboom liet zich niet in de hoek van het cultuurpessimisme drijven, terwijl zijn ezeltje, huh-huh-huh, een klagelijk gebalk liet horen. In 1983 had Piryns al een gesprek met de toen vijftigjarige Nooteboom dat gepubliceerd is in de bundel Er is nog zoveel ongezegd. Vraaggesprekken met schrijvers. Ook in dit interview vertelt Nooteboom hoe hij in 1975 in de heilige stad Qom (spreek uit als ‘Chom’) door een mullah werd bespuugd en de islamitische theocratie in Iran aan de horizon zag gloren. En in 1983 wijst Nooteboom op de kloof tussen het salonsocialisme van de linkse elite en het materialisme van de arbeidersklasse, die in 2011 maximaal geworden is: de arbeidersklasse is nu voor het grootste deel verrechtst.

Wat is er nog over van het visioen van Herman Gorter: “De arbeidersklasse danst een grote reidans aan de oceaan der wereld“ Zijn gelijk kun je nu zién, maar dan letterlijk, in Torremolinos, in de discotheek.

Cees Nooteboom (1983)

( … ) wie nu nog met een brok in de keel over mei ’68 praat is een sentimentele oude tante.
„O ja. Er zal altijd gelachen worden om hoop en verlangen. Maar er was niets in de beweging van mei ’68 wat je vandaag niet zou kunnen onderschrijven. Alle ideeën van mei ’68 waren goed. De oude droom van arbeiders en intellectuelen…„
… heeft tot niets geleid.
„Nu is het omgeslagen. Nu voelen de intellectuelen zich door de arbeiders in de steek gelaten, want die kijken naar de Tros en lezen De Telegraaf. Ja, vind je ‘t gek als je zelf niets beters te bieden hebt. Zie het spektakel van de Vara aan! Dan kijk je toch in een diepe put. Ik las bij jullie in de krant ooit eens een interview met een hoogleraar, die zei dat bij hem thuis nog twee keer per week arbeiderseten op tafel komt. Dat is het precies. De hele houding van linkse intellectuelen tegenover arbeiders is er een van gêne. Ze hanteren het woord als abstractie en schrikken zich dood als ze een keer een echte ontmoeten – die er dan ook nog een rechtse smaak op nahoudt. Maar die gêne komt voort uit schuldbewustzijn. De socialisten zijn er, zeker sinds de oorlog, de schuld van dat de oriëntatie de materialistische kant is opgegaan. De arbeider als minikapitalist, dat was pas wat. Want van wie is nu eigenlijk die tegelijk Victoriaanse en puur op geld gebaseerde terminologie van de zwaksten en de minima afkomstig? Alsof een minimum binnen zijn eigen muren geen maximum zou kunnen zijn – maar dat vinden ze een heiligschennende gedachte. De oude socialistische idealen – Henriëtte Roland Holst, de verheffing des volks, de dans op de Paasheuvel – daar wordt hartelijk om gelachen. En de afdeling-Schiedam van de PvdA stelt vast dat kunst een zaak van de elite is en daarom niet meer gesubsidieerd hoeft te worden. Het gaat alleen nog om de knikkers – een half procent meer of minder. Wat is er nog over van het visioen van Herman Gorter: “De arbeidersklasse danst een grote reidans aan de oceaan der wereld…“ Zijn gelijk kun je nu zién, maar dan letterlijk, in Torremolinos, in de discotheek. Maar dat is altijd nog musischer dan een stel kiftende dorpsidioten bij de Vara.„
 
Bron: dbnl.org

ceesnooteboom.com