Categorie archief: boeken

Friedrich & co [ 12 ]

Carl Gustav Carus (1789-1869)
Neun Briefe über Landschaftsmalerei

Carl Gustav CarusDe Dresdener arts Carl Gustav Carus was niet alleen bevriend met zijn stadsgenoot Caspar David Friedrich maar ook met Alexander von Humboldt en correspondeerde bovendien nog met Goethe. Hij was dan ook een veelzijdige man. Naast medicus was hij net als Friedrich landschapsschilder en schreef hij filosofische verhandelingen over natuur en wetenschap. Hij wordt zelfs wel eens gezien als de grondlegger van de dieptepsychologie. Een echte homo universalis dus die net als Von Humboldt en Goethe kunst en wetenschap (nog) als één ongebroken geheel zag. Maar als romanticus beschouwde hij de kunst als “Gipfel der Wissenschaft”. In zijn beroemde Neun Briefe über Landschaftsmalerei die hij als jongeman tussen 1815 en 1824 schreef, komt dat sterk naar voren. Deze brieven werden in 1831 in Leipzig uitgegeven en zijn nu integraal op internet te lezen. Goethe heeft deze uitgave nog net mogen meemaken en schreef zelfs een brief als inleiding.

Carus 1831
Neun Briefe über Landschaftsmalerei 1831

Naast de negen brieven zijn in deze bundel drie bijlagen opgenomen. De eerste bijlage gaat over Fysiognomie der Gebirge. Fysiognomie (gelaatskunde) was sinds de publicatie van Physiognomische Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (1775-78) van Johann Kaspar Lavater een populaire wetenschap geworden (en nog niet besmet door de geschiedenis). De fysiognomie probeert uit de uiterlijke kenmerken van het gezicht het innerlijk (de persoonlijkheid) naar boven te halen. Analoog aan het menselijk gelaat probeert Carus uit de vormen van bergen en rotsen de aard van een landschap bloot te leggen. Zijn waarnemingen zijn deels wetenschappelijk en behoren daarmee tot het terrein van de geologie. Maar Carus gaat verder en komt tot een soort psychologische geologie waarmee hij ‘de aard van de aarde’ wil beschrijven. Het is niet zo verwonderlijk dat hij met Goethe over dit onderwerp gecorrespondeerd heeft. Als je Goethes dagboek van zijn reis naar Italiëleest, kom je ook telkens geologische waarnemingen tegen.

Grot van Fingal
De basaltgrot van Fingal (1834)
laat Carus’ interesse voor geologie zien.
inkt en aquarel, 27,6 x 32 cm (Kupferstichkabinett Staatliche Kunstsammlungen Dresden)

Carl Gustav Carus was evenals Goethe in wolken geïnteresseerd. Ook de meteorologie was aan het begin van de negentiende eeuw een nieuwe en populaire wetenschap. Dat was vooral te danken aan de Engelsman Luke Howard die in 1803 Essay on the Modification of Clouds had geschreven. Goethe had Howard zelfs eer bewezen met een gedicht. In de tweede bijlage van Carus’ Brieven staan fragmenten uit zijn Malerischen Tagbuch. Hierin staan nauwkeurige waarnemingen en beschrijvingen van de hemel . Hij leidt zijn dagboek in met een citaat van, ja alweer…

Ich sah die Welt mit liebevollen Blicken/Und Welt und ich, wir schwelgten in Entzücken/So duftig war, belebend, immer frisch/Wie Fels, wie Strom, so Bergwald und Gebüsch

Goethe

December 1823. Erstes Mondsviertel
Einmal Abends im großen Garten. Bitter kalt, aber reiner duftiger Himmel. Frischer Schnee ziert die Fichten und Kiefern, erscheint klar, aber im Dunkel violett sich von der abendlich gerötheten Luft absetzend; selbst gegen östliche Gegendämmerung steht der Schnee dunkel.Am Waldrande bei der Krahenhütte schiner Schneehügel mit einsamer Kiefer durch helle Flachen von der schmalt-grauen Luft sich abhebend.
 
Im vollen ersten Viertel Abends nach vier Uhr über Brühl’s Terrasse und Brücke nach dem Palaisgarten, An dem Elbthore ein schönes Bild. Drei Bogen der Brücke im duftigen Braungrau mit den dreieckigen beschneiten Dächern der Pfeiler; davor breite Schneeflache als Hauptlicht, mit dunkelsten Steinen im Vorgrunde unterbrochen. Unter den Bogen duftiges Gebüsch und Ferne, darüber schmaltegrauer Himmel in ockerröthlich übergehend, alles mit Wolkendunst erfüllt; aber endlich der Mond durchdringend, noch nicht leuchtend, doch von gelblichem Schimmer umgeben. Seitwärts die Frauenkirche dunkler violettgrau. Auch von dem Hügel am Palais die Rücksicht nach der Stadt schön abgestuft, vorn hellster Schnee und dunkelste Bäume nun; stufenweise Lichter und Tiefen nach der Ferne hin abklingend, doch noch die letzten Schneedacher von dem duftigen Himmel hell abgesetzt.
 
Bron: Neun Briefe über Landschaftsmalerei, blz. 189

Ausstellung Carl Gustav Carus. Natur und Idee [ carusinberlin.org ]

ben ick van Duytschen bloet

vorig weekend in Emmerich gekocht:
Die Deutschen und ihre Mythen van Herfried Münkler

Die Deutschen und ihre MythenTerwijl de meeste naties hun nationale mythen konden blijven koesteren, heeft het mythegevoelige Duitse volk na 1945 afstand moeten doen van zijn mythen, die sinds het Duitse Keizerrijk als brandstof werden gebruikt voor kwaadaardige politieke doeleinden. Duitse mythen waren na de oorlog taboe geworden. Toen de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer in de jaren zeventig zich met het pijnlijke Duitse verleden ging bezighouden en de mythen als het levenssap uit dat verleden in zijn werk perste, was dat nog zeer omstreden.

Maar sinds de Duitse Eenwording van 1990 is er een verandering gekomen in het historische bewustzijn van onze oosterburen. De documentaireserie Die Deutschen van de ZDF laat zien dat de Duitsers de zwartste bladzijde uit hun nationale geschiedenis verwerkt lijken te hebben. Er is weer ruimte voor het Duitse verleden van vóór het nationaal-socialisme en dat verleden mag weer bepalend zijn voor de Duitse identiteit. Een Duitser die zich niet schaamt voor zijn eigen nationaliteit wordt niet meer voor neo-nazi aangezien. Die Deutschen und ihre Mythen van Herfried Münkler past in het jongste historische onderzoek naar de Duitse identiteit. Veertig jaar geleden was de tijd voor een dergelijke studie nog niet rijp geweest. Maar twintig jaar na de Duitse hereniging mag een Duitser weer schrijven over de Duitsers en hun mythen.

Die Nibelungen 1924
Die Nibelungen Siegfried, 1924
een film van Fritz Lang
Nationalmythen beschwören Gestalten der Vergangenheit,
um Zukunft zu garantieren.
Sie erheben den Anspruch, die Geschichte der Nation nicht nur zu deuten, sondern ihren Fortgang zu strukturieren.

Herfried Münkler

In het laatste kwart van de negentiende eeuw was het jonge Duitse Keizerrijk (1871-1918) een El Dorado van politiekgeladen mythen. Nadat Pruisen het Franse Keizerrijk had verslagen, werd Duitsland onder Pruisische leiding het nieuwe keizerrijk in Europa en Frankrijk werd gedegradeerd tot republiek. Met talloze monumenten werd de superioriteit van Duitsland ten opzichte van Frankrijk gevierd. De Duitsers identificeerden zich met de Germanen die de machtige Romeinen buiten de deur hadden weten te houden. Dat was de Franken nooit gelukt! Deze identificatie met de Germaanse voorouders zou in het nationaal-socialisme het heidendom doen herleven. In de negentiende eeuwse mythevorming rond Hermann der Cherusker en natuurlijk Siegfried der Drachentöter, werd het levenssap uit de heidense wortels van Germania door de stam van het Keizerrijk opgezogen en zou een halve eeuw later gegist zijn tot het giftige brouwsel van arianisme en anti-semitisme.

Friedrich Tüshaus
Friedrich Tüshaus 1876, Schlacht zwischen Germanen und Römern am Rhein

In het bovenstaande schilderij van de vergeten schilder Friedrich Tüshaus verslaan de Germanen de Romeinen aan de Rijn. Het schilderij heeft een sterke politieke lading. Het gaat niet alleen over de Germaanse superioriteit over de Romeinen, maar ook over het pauselijke Rome. Het Duitse Keizerrijk was een uitvinding van het protestantse Pruisen dat zichzelf zag als de erfgenaam van Luther en de erfvijand van Rome.

Herfried Münkler schreibt über die Deutschen und ihre Geschichte im Spiegel ihrer Mythen. Dabei erweckt er alte Sagen – etwa um die Nibelungen - zu neuem Leben, besichtigt schicksalhafte Orte wie Weimar, Nürnberg oder den Rhein und lässt historische Persönlichkeiten wie Hermann den Cherusker, Friedrich den Großen oder den Papst auftreten – selbst die D-Mark fehlt nicht in diesem Reigen. In einer großen historischen Analyse zeigt Münkler, wie Mythen unsere nationale Identität geformt haben und welch motivierende und mobilisierende Kraft ihnen eignet – im Positiven wie im Negativen. Denn in der deutschen Geschichte gingen Mythos und Politik stets Hand in Hand. So dienten die Schlacht im Teutoburger Wald oder der Drachentöter Siegfried der inneren Militarisierung der Deutschen, und das “Unternehmen Barbarossa” führte sie direkt in den Untergang. Nach 1945 erblühte die Bundesrepublik im Mythos vom “Wirtschaftswunder”, die DDR richtete sich am “antifaschistischen Widerstand” auf. Heute dagegen ist Deutschland ein mythenarmes Land – ist das ein Fluch oder ein Segen?
 
Bron: Klappentext – Die Deutschen und ihre Mythen, Rowohlt Taschenbuch Verlag

Die Deutschen und ihre Mythen [ arte.tv ] | boekbespreking [ literaturkritik.de ]

van afkeer naar ommekeer

herlezen: voorwoord van J.-K.Huysmans bij A rebours uit 1903

J.-K.HuysmansHet is een feest van herkenning om het voorwoord te lezen dat J.-K.Huysmans bijna twintig jaar na het verschijnen van A rebours in 1903 schreef. Als jonge kunststudent vond ik in de jaren 1984-85 in de decadent Des Esseintes uit A rebours een geestverwant. Deze fijnbesnaarde zonderling uit het fin de siècle had zich uit walging voor de maatschappij afgezonderd in een landhuisje in Fontenay waar hij zich omringd had met boeken en beeldende kunst. A rebours is een plotloze roman over slechts één persoon. De veertien hoofdstukken die het boek telt, zijn een soort inventarisatie van zintuigelijke waarnemingen die Des Esseintes in zijn passies gecultiveerd heeft: Latijnse, kerkelijke en wereldlijke literatuur, beeldende kunst, parfums en gastronomie. Huysmans schreef A rebours toen hij een jaar of vijfendertig was in een poging om zich te bevrijden uit het naturalisme dat in zijn ogen alleen nog maar rondjes draaide om de dierlijke driften en instincten in de mens. Huysmans was eigenlijk zélf de protagonist uit zijn roman. Uit afkeer voor de platvloersheid van de wereld zocht hij de schoonheid op als het medicijn, maar intussen bleef hij doodziek van de wereld. Het motto van A rebours is overigens een uitspraak van de Vlaamse mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381):

Ik moet mijn vreugde buiten de tijd zoeken …, hoewel de wereld mijn blijdschap verafschuwt
en te grof is om te begrijpen
wat ik wil zeggen.

Jan van Ruusbroec

Gerard ReveA rebours is een hoogtepunt in het estheticisme en luidde het begin in van de decadente literatuur, die op de literatuur van de twintigste eeuw zijn uitwerking zou hebben. Op Gerard Reve zou de decadente Huysmans een blijvende indruk maken. Je zou zijn bekering tot het katholicisme, waarin hij Huysmans navolgde, een literaire stijlfiguur of pose kunnen noemen. Maar daarmee zou je oprechtheid ondergeschikt maken aan kunst(matigheid). Bij de rijpe Huysmans is dat zeker niet het geval. In 1891 schreef hij met Là-bas eerst nog een satanistische roman, voordat hij in 1895 met En route definitief voor de Weg van Christus zou kiezen. In Huysmans leven is een geestelijke logica te ontdekken, het verhaal van de Verloren Zoon, die je vanuit je eigen leven ten diepste herkennen kunt, als je wilt. Na het verschijnen van A rebours schreef de literatuurcriticus Barbey d’Aurevilly: “Na zo’n boek blijft de auteur slechts de keus tussen de mond van een pistool en de voeten van het Kruis.”

Arthur SchopenhauerIk sta nog steeds achter de bladzijden die ik in Tegen de keer aan de Kerk heb gewijd, want ze lijken werkelijk door een katholiek geschreven. En toch, hoe ver waande ik mij niet van de godsdienst! Het kwam niet in mij op dat er maar één stap lag tussen Schopenhauer, die ik mateloos bewonderde en de Prediker van Salomo en het boek Job, De premissen van het pessimisme zijn dezelfde, alleen weigert de filosoof er consequenties aan te verbinden. Ik hield van zijn ideeën over de afschuw van het leven, over de domheid van de mensen en de onbarmhartigheid van het lot; ik houd van dezelfde gedachten in de Heilige Schrift; maar de opmerkingen van Schopenhauer leiden tot niets; hij laat je zogezegd in het onzekere; zijn aforismen zijn eigenlijk een herbarium met gedroogde planten; de Kerk verklaart oorsprong en oorzaak van dit pessimisme, geeft doel en genezing aan. Zij stelt er zich niet tevreden mee je geestelijk te onderzoeken, zij behandelt en geneest je, terwijl de Duitse kwakzwalver eerst nauwkeurig de diagnose stelt dat de ziekte, waaraan je lijdt, ongeneeslijk is en je dan hoonlachend de rug toekeert.
 
J.-K.Huysmans in 1903 over A rebours (1884) in de vertaling van Jan Siebelink

Joris-Karl Huysmans [ nl.wikipedia.org ]