Neun Briefe über Landschaftsmalerei
De Dresdener arts Carl Gustav Carus was niet alleen bevriend met zijn stadsgenoot Caspar David Friedrich maar ook met Alexander von Humboldt en correspondeerde bovendien nog met Goethe. Hij was dan ook een veelzijdige man. Naast medicus was hij net als Friedrich landschapsschilder en schreef hij filosofische verhandelingen over natuur en wetenschap. Hij wordt zelfs wel eens gezien als de grondlegger van de dieptepsychologie. Een echte homo universalis dus die net als Von Humboldt en Goethe kunst en wetenschap (nog) als één ongebroken geheel zag. Maar als romanticus beschouwde hij de kunst als “Gipfel der Wissenschaft”. In zijn beroemde Neun Briefe über Landschaftsmalerei die hij als jongeman tussen 1815 en 1824 schreef, komt dat sterk naar voren. Deze brieven werden in 1831 in Leipzig uitgegeven en zijn nu integraal op internet te lezen. Goethe heeft deze uitgave nog net mogen meemaken en schreef zelfs een brief als inleiding.

Naast de negen brieven zijn in deze bundel drie bijlagen opgenomen. De eerste bijlage gaat over Fysiognomie der Gebirge. Fysiognomie (gelaatskunde) was sinds de publicatie van Physiognomische Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (1775-78) van Johann Kaspar Lavater een populaire wetenschap geworden (en nog niet besmet door de geschiedenis). De fysiognomie probeert uit de uiterlijke kenmerken van het gezicht het innerlijk (de persoonlijkheid) naar boven te halen. Analoog aan het menselijk gelaat probeert Carus uit de vormen van bergen en rotsen de aard van een landschap bloot te leggen. Zijn waarnemingen zijn deels wetenschappelijk en behoren daarmee tot het terrein van de geologie. Maar Carus gaat verder en komt tot een soort psychologische geologie waarmee hij ‘de aard van de aarde’ wil beschrijven. Het is niet zo verwonderlijk dat hij met Goethe over dit onderwerp gecorrespondeerd heeft. Als je Goethes dagboek van zijn reis naar Italiëleest, kom je ook telkens geologische waarnemingen tegen.

laat Carus’ interesse voor geologie zien.
inkt en aquarel, 27,6 x 32 cm (Kupferstichkabinett Staatliche Kunstsammlungen Dresden)
Carl Gustav Carus was evenals Goethe in wolken geïnteresseerd. Ook de meteorologie was aan het begin van de negentiende eeuw een nieuwe en populaire wetenschap. Dat was vooral te danken aan de Engelsman Luke Howard die in 1803 Essay on the Modification of Clouds had geschreven. Goethe had Howard zelfs eer bewezen met een gedicht. In de tweede bijlage van Carus’ Brieven staan fragmenten uit zijn Malerischen Tagbuch. Hierin staan nauwkeurige waarnemingen en beschrijvingen van de hemel . Hij leidt zijn dagboek in met een citaat van, ja alweer…
Goethe
Einmal Abends im großen Garten. Bitter kalt, aber reiner duftiger Himmel. Frischer Schnee ziert die Fichten und Kiefern, erscheint klar, aber im Dunkel violett sich von der abendlich gerötheten Luft absetzend; selbst gegen östliche Gegendämmerung steht der Schnee dunkel.Am Waldrande bei der Krahenhütte schiner Schneehügel mit einsamer Kiefer durch helle Flachen von der schmalt-grauen Luft sich abhebend.
Im vollen ersten Viertel Abends nach vier Uhr über Brühl’s Terrasse und Brücke nach dem Palaisgarten, An dem Elbthore ein schönes Bild. Drei Bogen der Brücke im duftigen Braungrau mit den dreieckigen beschneiten Dächern der Pfeiler; davor breite Schneeflache als Hauptlicht, mit dunkelsten Steinen im Vorgrunde unterbrochen. Unter den Bogen duftiges Gebüsch und Ferne, darüber schmaltegrauer Himmel in ockerröthlich übergehend, alles mit Wolkendunst erfüllt; aber endlich der Mond durchdringend, noch nicht leuchtend, doch von gelblichem Schimmer umgeben. Seitwärts die Frauenkirche dunkler violettgrau. Auch von dem Hügel am Palais die Rücksicht nach der Stadt schön abgestuft, vorn hellster Schnee und dunkelste Bäume nun; stufenweise Lichter und Tiefen nach der Ferne hin abklingend, doch noch die letzten Schneedacher von dem duftigen Himmel hell abgesetzt.
Bron: Neun Briefe über Landschaftsmalerei, blz. 189
Ausstellung Carl Gustav Carus. Natur und Idee [ carusinberlin.org ]
Terwijl de meeste naties hun nationale mythen konden blijven koesteren, heeft het mythegevoelige Duitse volk na 1945 afstand moeten doen van zijn mythen, die sinds het Duitse Keizerrijk als brandstof werden gebruikt voor kwaadaardige politieke doeleinden. Duitse mythen waren na de oorlog taboe geworden. Toen de Duitse kunstenaar 

Het is een feest van herkenning om het voorwoord te lezen dat J.-K.Huysmans bijna twintig jaar na het verschijnen van A rebours in 1903 schreef. Als jonge kunststudent vond ik in de jaren 1984-85 in de decadent Des Esseintes uit A rebours een geestverwant. Deze fijnbesnaarde zonderling uit het fin de siècle had zich uit walging voor de maatschappij afgezonderd in een landhuisje in Fontenay waar hij zich omringd had met boeken en beeldende kunst. A rebours is een plotloze roman over slechts één persoon. De veertien hoofdstukken die het boek telt, zijn een soort inventarisatie van zintuigelijke waarnemingen die Des Esseintes in zijn passies gecultiveerd heeft: Latijnse, kerkelijke en wereldlijke literatuur, beeldende kunst, parfums en gastronomie. Huysmans schreef A rebours toen hij een jaar of vijfendertig was in een poging om zich te bevrijden uit het
A rebours is een hoogtepunt in het
Ik sta nog steeds achter de bladzijden die ik in Tegen de keer aan de Kerk heb gewijd, want ze lijken werkelijk door een katholiek geschreven. En toch, hoe ver waande ik mij niet van de godsdienst! Het kwam niet in mij op dat er maar één stap lag tussen Schopenhauer, die ik mateloos bewonderde en de Prediker van Salomo en het boek Job, De premissen van het pessimisme zijn dezelfde, alleen weigert de filosoof er consequenties aan te verbinden. Ik hield van zijn ideeën over de afschuw van het leven, over de domheid van de mensen en de onbarmhartigheid van het lot; ik houd van dezelfde gedachten in de Heilige Schrift; maar de opmerkingen van Schopenhauer leiden tot niets; hij laat je zogezegd in het onzekere; zijn aforismen zijn eigenlijk een herbarium met gedroogde planten; de Kerk verklaart oorsprong en oorzaak van dit pessimisme, geeft doel en genezing aan. Zij stelt er zich niet tevreden mee je geestelijk te onderzoeken, zij behandelt en geneest je, terwijl de Duitse kwakzwalver eerst nauwkeurig de diagnose stelt dat de ziekte, waaraan je lijdt, ongeneeslijk is en je dan hoonlachend de rug toekeert.












