in het Teylers Museum Haarlem, tot 2 januari 2011
Vorige week werd The Birds of America bij Sotheby’s Londen voor £7.321.250 (€ 8.715.408 / $11.542.683) geveild. Teylers Museum in Haarlem kocht in 1835 al rechtstreeks een exemplaar van de maker voor 2200 gulden. Deze maand worden een aantal originele platen in het museum tentoongesteld.

Teylers Museum toont
de beroemde flamingo

Bron: teylersmuseum.eu

Michelangelo, Rafael en Titiaan, die al eeuwenlang meedraaien in een universele canon van de schilderkunst, lijken te bevestigen dat er iets bestaat dat boven betrekkelijkheid uitstijgt. Toch laat een canon vooral het betrekkelijke van onze collectieve visie op eeuwigheidswaarde en tijdloosheid zien. De laatste jaren word ik mij er steeds vaker van bewust hoe mijn visie op de westerse schilderkunst (vooral die van de negentiende eeuw) bepaald is door de canon uit de handboeken die ik halverwege de jaren tachtig op de kunstacademie als naslagwerk gebruikte: Wereldgeschiedenis van de kunst van H.W. Janson (1962) en De moderne wereld van Norbert Lynton (1966). In beide boeken wordt door de bril van het modernisme naar de westerse (schilder)kunst gekeken. De schilderkunst van de negentiende eeuw werd door het modernisme vooral als een opmaat gezien van de moderne en abstracte schilderkunst. Van Gogh en Cézanne waren door het modernisme als geestelijke vaders geadopteerd. Vervolgens werd van 1899 tot 1800 een rode loper uitgerold, die alleen betreden mocht worden door schilders die voor Van Gogh en Cézanne de weg hadden voorbereid: de impressionisten natuurlijk, Manet, Corot, Turner en Goya. Allemaal schilders die rebelleerden tegen de gevestigde orde van het academisme.













