Terry Pinkard Duitse filosofie 1760 -1860
In de tweede helft van de achttiende eeuw ging de Duitse filosofie de Europese overheersen. Hierdoor veranderde de manier waarop niet alleen Europeanen, maar mensen overal in de westerse wereld dachten over zichzelf, de natuur, de geschiedenis van de mensheid, religie, politiek en de structuur van de menselijke geest. In dit rijke en breed opgezette boek verweeft Terry Pinkard het verhaal van „Duitsland„ – dat in die tijd veranderde van een losse verzameling vorstendommen in een opkomende natie met een karakteristieke cultuur – met een analyse van de tendensen en complexiteit van het filosofische denken dat zich daar ontwikkelde. Hij onderzoekt de dominante invloed van Kant, met zijn revolutionaire nadruk op „zelfbeschikking„, en volgt die invloed via de ontwikkeling van de Romantiek en het idealisme naar de kritiek van postkantiaanse denkers zoals Schopenhauer en Kierkegaard. Dit boek zal bij veel lezers interesse wekken voor de geschiedenis van de filosofie, de culturele geschiedenis en de geschiedenis van ideeën.Bron: uitgeverijatlas.nl
De Duitse toneelschrijver en criticus Gotthold Ephraïm Lessing (1729-1781) is een van de aantrekkelijkste denkers uit de Verlichting en een sleutelfiguur in geschiedenis van de moderne kunst.Met zijn essay Laocoön (1766) is hij de eerste die het onderscheid tussen literatuur en beeldende kunst even eenvoudig als geniaal onder woorden brengt: beeldende kunst speelt zich af in ruimte, literatuur in tijd. Als uitgangspunt koos Lessing de beroemde beeldengroep in het Vaticaans Museum die de dood van de Trojaanse priester Laocoön verbeeldt. In de Aeneis van Vergilius schreeuwt
Gijsbert van der Wal praat met Diederik Kraaijpoel en Lennaart Allan, die samen met Willem L. Meijer het boek „Niet alles is kunst‘ schreven: een helder boek over de hedendaagse verwarring omtrent het begrip kunst. De verwarring die ertoe leidt dat de schoonmakers van een museum per ongeluk een kunstwerk voor afval aanzien en weggooien. De verwarring die bij het publiek ontstaat als een kunstenaar maandenlang in een afgesloten tent in een Zwolse nieuwbouwwijk werkt aan een kunstwerk dat, als de tent is afgebroken, blijkt te bestaan uit „de essentie van het niets„. De verwarring, kortom, die maakt dat alles – zelfs niets – kunst kan zijn, zolang het maar met conceptueel gepraat of geschrijf wordt omgeven.












