Categorie archief: geschiedenis

Spaans spektakelstuk [ 1 ]

vanmiddag op BBC2: El Cid (1961)

El CidEl Cid werd kort na het kassucces van Ben Hur (1959) gemaakt. Charlton Heston kreeg opnieuw de titelrol en de Hongaarse filmcomponist Miklós Rósza mocht weer de score componeren. Bij de gevechtsscenes horen we dus weer veel schallend koper, cimbalen en paukenslagen en bij de romantische scenes mierzoete strijkarrangementen. Rósza zou er deze keer geen Oscar mee winnen, maar kreeg wéll twee oscarnominaties (best music en original song: “The Falcon and the Dove”). Martin Scorsese noemde El Cid “one of the greatest epic films ever made” en was een van de initiatiefnemers van de restauratie in 1993.

Spektakelfilms uit de jaren 1950-1965 vinden we nu oubollig. Ze duren te lang, het acteerwerk is vaak houterig en de muziek bombastisch. Bovendien is het verhaal ondergeschikt gemaakt aan het visuele spektakel. Het is amusement voor in de bioscoop waarbij het vooral draait om indrukwekkende panoramashots in Super-Technirama 70 en overrompelende muziek. In de huiskamer gaat dat aspect grotendeels verloren.

Films met duizenden figuranten en reusachtige filmsets worden niet meer gemaakt. De laatste was The Fall of the Roman Empire (1964) ook met Sophia Loren in een van de hoofdrollen. Figuranten en indrukwekkende decors halen we nu uit blik. Maar Computer Generated Imagery mist de charme van het handwerk. Vanwege dat handwerk filmden grote filmmaatschappijen in de jaren zestig nog in Spanje waar ze goedkope arbeidskrachten en figuranten bij de vleet vonden. Bovendien zijn er in Spanje uitgestrekte en dorre landschappen te vinden die een ideaal decor vormden voor westerns en sandalenfilms.

El Cid [ en.wikipedia.org ]

maniërisme

Die Welt als Labyrinth (1957) van Gustav René Hocke
Malerei des Manierismus (1985) van Jacques Bousquet

ManierismusNa 1520 raakt de Renaissancistische schilderkunst uit balans. Het centraal perspectief dat ruimtelijke eenheid schept, de harmonie van vorm en kleur en het klassieke schoonheidsideaal worden op losse schroeven gezet. De eerste schilders die na de Hoog-Renaissance een nieuw mens- en wereldbeeld laten zien, zijn in 1494 geboren: Jacopo Pontormo en Rosso Fiorentino. Tegenwoordig worden ze tot het maniërisme gerekend. Zoals bij alle stijlperioden het geval is, zijn kunsthistorici verdeeld over de stijldefinitie en de periodisering van het maniërisme. In de negentiende eeuw zag men de schilderkunst tussen 1520 en 1620 als een periode van verval. Het maniërisme zat ingeklemd tussen twee bloeiperiodes in de westerse kunst: de Renaissance en de barok.

In de twintigste eeuw is er meer waardering gekomen voor het maniërisme. Dat heeft te maken met herkenning. Wanneer we een stijl opvatten als de uitdrukking van een bepaald levensgevoel dat een bepaalde periode beheerst, dan zijn er opvallende overeenkomsten tussen de zestiende eeuw en de twintigste eeuw. Beide eeuwen hadden in het eerste kwart een duidelijk keerpunt. In 1525 werd Rome geplunderd door de troepen van Karel V. Het trotse zelfbewustzijn van de Renaissance liep een enorme deuk op. Er brak een onzekere tijd aan die getekend was door godsdienstoorlogen. Ook de twintigste eeuw begon met het instorten van de oude wereldorde. De Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan het vooruitgangsgeloof dat sinds de Verlichting de Europese beschaving tot ongekende hoogte had voortgestuwd. Na 1918 brak er een nieuwe tijd aan, waarin de loopgravenoorlog verwerkt moest worden.

Dit afgrondelijke, dat ieder mens in zichzelf kan vinden, de angst voor het onbekende, de vervreemding en de eenzaamheid zijn tegelijkertijd grondthema’s van het existentialisme.

Het expressionisme, dadaïsme en surrealisme zijn verwant aan het maniërisme van de zestiende eeuw. Deze kunstenaars hebben een voorliefde voor het afgrondelijke. Dit afgrondelijke, dat ieder mens in zichzelf kan vinden, de angst voor het onbekende, de vervreemding en de eenzaamheid zijn tegelijkertijd grondthema’s van het existentialisme dat net als het surrealisme ook in de jaren twintig ontstaan is. Dit levensgevoel, dat men in de zestiende eeuw “saturnisch” of “melancholisch” noemde, is van alle tijden. Gustav René Hocke rekt het begrip maniërisme zover op dat bij hem de geest van het maniërisme door alle tijdperken waait. De romantici uit het begin van de negentiende eeuw waren voor hem dus ook maniëristisch.

Malerei des ManierismusJacques Bousquet geeft in de inleiding van Malerei des Manierismus een klein overzicht van verschillende opvattingen in gezaghebbende studies over het maniërisme. De eerste positieve waardering is van Max DvoÃ…â„¢ák in Kunstgeschichte als Geistesgeschichte (1924). Hij erkende als eerste kunsthistoricus de parallel tussen zijn eigen tijd en de tijd van het maniërisme. Curtis, Hoffmann en Friedländer definiëren het maniërisme als “anti-classicisme”. Heinrich Wölfflin analyseerde in 1888 de kunst van de Renaissance en de barok op stijlkenmerken. Op het maniërisme, dat ertussen ligt, kun je ook een analyse loslaten.

enkele karakteristieken van het maniërisme (Bousquet)

  • uitgesproken harde contouren en gladde vormen
  • voorliefde voor geometrische figuren
  • deformatie: uitgerekte figuren en ongewone perspectieven
  • “figura serpentina”, onnatuurlijke houdingen en gebaren
  • harde, koele kleuren
  • atmosferische stemmingen

 

Maniërisme [ nl.wikipedia.org ] | Maniërisme [ artcyclopedia.com ]