Op 26 april 1913 waren de Gentenaars zonder meer trots. Trots op hun wereldtentoonstelling, die na jaren van hard werken en taaie inzet op die bewuste dag werd ingehuldigd door koning Albert I en koningin Elisabeth. De „Exposition universelle et internationale de Gand„ was de 28ste in een lange rij expo’s die sinds 1851 in Europa en Amerika hadden plaatsgevonden. En het was maar liefst de zevende en meteen ook spectaculairste in het kleine België, dat zich mettertijd had opgewerkt tot een economisch zwaargewicht. De expo van 1913 werd bij uitstek een vitrine voor de vroege uitingen van de moderniteit en een ongebreideld geloof in de vooruitgang. En hoewel het er na afloop op leek dat de Eerste Wereldoorlog alle hooggespannen verwachtingen in één klap de bodem had ingeslagen, bleek die vooruitgang niet meer te stuiten: ons land en onze samenleving waren voorgoed nieuwe wegen opgegaan. (Bron: gent.be)
In het boek 1913 de zomer van de twintigste eeuw van Florian Illies wordt de Gentse wereldtentoonstelling niet genoemd. Volgens Peter Jacobs in De Standaard is dat jammer, “want de wereldtentoonstelling daar was een stuiptrekking van de belle époque die perfect te contrasteren valt met de voortekenen van de nieuwe tijd.”
De Venetiaanse architect en graficus Giovanni Battista Piranesi (1720-1778) is vooral bekend van zijn serie fantasierijke gravures van gevangenissen en van zijn honderden prenten van het antieke Rome. In zijn 






Giovanni Battista Piranesi (1720-1778) is vooral bekend geworden door zijn carceri d’invenzione (imaginaire kerkers) uit 1745. Het is een serie etsen met claustrofobische voorstellingen van denkbeeldige gevangenissen die je gemakkelijk met de architectonische fantasieën van M.C.Escher kunt associëren. Toch vormen zij maar een fractie van zijn oeuvre. Piranesi werkte o.a. samen met de graficus 













