in de expressionistische film Die Weber (1927)
Het toneelstuk Die Weber (1893) van Gerhart Hauptmann werd in 1927 verfilmd. Het verhaal speelt zich af in juni 1844 wanneer er in Sileziëonder de wevers een opstand uitbreekt. In een van de scenes vragen de wevers aan een reservist (Moritz Jäger) die op verlof is, of de koning in Berlijn eigenlijk weet dat zijn onderdanen honger moeten lijden. Moritz is de enige die kan lezen. Hij pakt een krant en leest een bericht voor waarin staat dat de koning en zijn ministers de Schwanenorden nieuw leven hebben ingeblazen. Ze willen de orde inzetten om de armoede in de wereld aan te pakken: de arme bevolking in Afrika zal tot het Christendom bekeerd worden. Maar over het ellendige bestaan van de wevers in Sileziëwordt geen woord gerept.
Terwijl Moritz het bericht voorleest, zien we in een volgende scene koning Friedrich Wilhelm IV en zijn ministers aan een lange tafel het glas heffen. Hoe voldaan de raadsheren over zichzelf zijn, zien we in de serie close ups. Het zijn stuk voor stuk gluiperds met toegeknepen oogjes en een valse trek om de mond. In de expressionistische film is geen plaats voor subtiliteit. Emoties worden uitvergroot. We zien een soort poppenkast met groteske figuren, uitgesneden langs scherpe contouren.
Deze overdreven manier van voorstellen vormt voor mij de kracht van de expressionistische film. Het concentreert zich op één betekenis. Deze representatie van de werkelijkheid vinden we tegenwoordig onrealistisch, geconditioneerd als we zijn door een ambigue, subtiele en problematische benadering van de werkelijkheid.

Die Weber werd gemaakt in 1927 tijdens die Goldene Zwanziger. Het socialisme van de Weimar Republiek had afgerekend met het keizerrijk en wees de monarchie ook af. In de Vormärz was de koning van Pruisen in feite een dictator en de ministers waren zijn trawanten. Ze vertegenwoordigden niet het volk maar hun eigenbelang. Dit is precies het beeld dat de scene uit Die Weber ons haarscherp geeft: de trawanten van de koning zijn hypocriete en zelfingenomen gluiperds. Expressionistische schilders als George Grosz en expressionistische filmmakers wisten wel raad met dit soort types.
De roman
Vor 100 Jahren fand in Köln eine der wichtigsten Ausstellungen der jüngeren Kunstgeschichte statt. Die heute legendäre Kölner Sonderbundausstellung war im Sommer 1912 angetreten, dem konservativen Kaiserreich die moderne Kunst nahe zu bringen – mit durchschlagendem Erfolg. Die Schau wurde in Deutschland zum wichtigsten Wegbereiter für die Moderne. Qualität und Quantität der Exponate waren atemberaubend. Rund 650 Kunstwerke – darunter alleine 130 Gemälde von Van Gogh, 26 von Cézanne, 25 von Gauguin, 32 von Munch und 16 von Picasso – waren in der eigens für die Schau errichteten Ausstellungshalle zu sehen. Das Spektrum der ausgestellten Kunst reichte vom Postimpressionismus bis hin zum deutschen Expressionismus, den jungen Malern der Brücke und des Blauen Reiters.












