Categorie archief: geschiedenis

Friedrich & co [ 13 ]

Carl Rottmann (1797-1850)

Bij een bezoek aan de Neue Pinakothek in München zou ik erg graag eens de Griechenlandzyklus van Carl Rottmann willen zien. Deze schilderijenreeks ontstond na 1835 in opdracht van de Beierse Koning Ludwig I en geeft in een realistische stijl een schitterend beeld van het droge en desolate Griekse landschap. De voorstellingen hebben iets onmiskenbaar Bijbels. Vaak wordt dat nog versterkt door een eenzame figuur midden in het landschap. Bij Friedrich is zo’n personage meestal een wandelaar die mijmert ten overstaan van een ontzagwekkende natuur. Bij Rottmann denk je eerder aan een profeet, een mens met een roeping om eenzaam te zijn.

Sikyon mit Korinth
Sikyon mit Korinth um 1836
olieverf op doek, 85,3 x 102,0 cm
in 1841 door koning Ludwig I verworven

Sikyon mit Korinth vind ik een van de sterkste schilderijen uit Rottmann‘s cyclus. het is een tijdloos beeld en toch heeft dit beeld voor mij ook iets negentiende eeuws. Ik associeer het met de Bijbelillustraties van Gustave Doré en het historisme in de geschiedschrijving dat een wetenschappelijk objectief beeld van het verleden probeert te benaderen. Terwijl Rottmann aan deze schilderijencyclus werkte, verscheen het controversiële geschrift Das Leben Jesu (1835) van de jonge theoloog David Friedrich Strauss. Deze probeerde een wetenschappelijk verantwoord beeld van de historische Jezus van Nazareth te geven. In het schilderij Sikyon mit Korinth kun je zo’n wetenschappelijk verantwoorde Jezus projecteren zodat je eigenlijk een scene hebt uit een Bijbelfilm. Maar evengoed zou je in het desolate landschap ergens de archeoloog Heinrich Schliemann kunnen zien rondlopen. Ook een man met een roeping in de ogen van het negentiende eeuwse realisme.

Karl RottmannCarl Rottmann war der von Ludwig I. bevorzugte Landschaftsmaler. In Heidelberg geboren erhielt er den ersten Zeichenunterricht von seinem Vater und übersiedelte 1821 nach München. 1826/27 bereiste Rottmann Italien, um sein Motivrepertoire, das bis dahin aus einheimischen Landschaften bestanden hatte, zu erweitern. Nach der Rückkehr erhielt er von Ludwig I. den Auftrag zu einem monumentalen Zyklus italienischer Landschaften in den Arkaden des Münchner Hofgartens. Der 1833 fertiggestellte, in Freskotechnik ausgeführte Zyklus gab der Verbundenheit Ludwigs I. mit Italien sichtbaren Ausdruck und hob die Landschaftsmalerei als Gattung auf die Höhe der Historienmalerei, der die übrigen Großaufträge des Königs im Bereich der Monumentalmalerei galten.
 
1834 erhielt Rottmann vom König den Auftrag zu einem zweiten, nun den Landschaften Griechenlands gewidmeten Zyklus. Ursprünglich ebenfalls für die Hofgartenarkaden vorgesehen, kamen die 23 großen Landschaftsbilder schließlich in der neu erbauten Neuen Pinakothek zur Aufstellung, wo ihnen ein eigener Saal zugewiesen wurde.
 
Als Landschaftsmaler hat Rottmann Bedeutendes geleistet. Die vor der Natur entstandenen Skizzen und die Kompositionsentwürfe zeigen eine eher summarische Behandlung des Gegenstands und einen freien Einsatz der Farbe. Seine Ölgemälde, denen häufig das Skizzenmaterial für die beiden großen Zyklen zugrunde liegt, sind dagegen weniger frei aufgefasst, sondern klassizistisch geglättet und vor allem von der idealisierenden Anlage der Gesamtkomposition bestimmt.
 
Bron: pinakothek.de

Carl Rottmann [ pinakothek.de ]

Krinke Kesmes

Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes (1708)
de oude droom van vreedzame coëxistentie door religieus syncretisme

Krinke KesmesDe Zwolse chirurgijn Hendrik Smeeks (1645-1721) zal het niet eens geweest zijn met zijn tijdgenoot Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) die beweerde dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven. Of in ieder geval, meende Smeeks dat we niet in het beste deel van die wereld leven. Ruim driehonderd jaar geleden schreef hij een imaginair reisverhaal: Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes (1708).

Hoofdpersoon is de koopman Juan de Posos, zoon van een Spaanse vader en Nederlandse moeder, die tijdens een van zijn handelsreizen schipbreuk lijdt en strandt op een vierkant eiland van twintig bij twintig kilometer dat deel uitmaakt van het mysterieuze Zuidland. In het begin van de achttiende eeuw fantaseerde men nog over dit onbekende deel van de wereld dat sinds Ptolemaeus (100 – 161 na Chr.) Terra australis incognita heette. De ontdekkingsreiziger James Cook zou met het in kaart brengen van de Stille Zuidzee in 1772 voorgoed een einde maken aan de fantasieën over het Zuidland. In navolging van Thomas Moore’s Utopia (1516) projecteert Smeeks op dit eiland een ideale maatschappij: het onbekende koninkrijk Krinke Kesmes

Hendrik Smeeks was een man van de Verlichting. Hij was opgegroeid in het Europa van na de godsdienstvrede van Münster (1648). Maar toch was het in de tweede helft van Europa allesbehalve rustig gebleven op religieus gebied. Smeeks moet de gevolgen van de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 door Lodewijk de XIV bewust hebben meegemaakt. Vijftigduizenden hugenoten waren naar het buitenland gevlucht en velen daarvan kwamen naar de relatief tolerante Republiek. Maar voor verlichte geesten was de situatie in ons land ook nog verre van ideaal. En zo projecteerde Smeeks een ideale maatschappij ergens op het Onbekende Zuidland: Krinke Kesmes.

De Hollanders waaren de vreedigste, om dat haar geloof
het zagste scheen te weesen.

uit: Krinke Kesmes (blz. 131)

vreedzame coëxistentieIn het fictieve Koninkrijk Krinke Kesmes kan iedereen door dezelfde godsdienstige deur omdat er maar één religie is die alle religies in zich verenigt. Smeekssyncretisme is een voorloper van de luie maar populaire opvatting dat ‘alle wegen naar Rome leiden’ en dat alle religieuze uitdrukkingen in feite op hetzelfde neer komen. Vanuit de achtergrond van de godsdienstoorlogen uit de zestiende en zeventiende eeuw is het syncretisme een diplomatieke oplossing: de verschillen tussen de godsdiensten worden uitgewist en de overeenkomsten worden benadrukt. Maar vanuit de beleving van de afzonderlijke godsdiensten is interreligie een soort ‘MacDonald-isering’ waarbij eeuwenoude tradities door de gehaktmolen van de Verlichting tot eenheidsworst worden gedraaid. Het gaat natuurlijk vooral om het bewaren van de lieve vrede. Maar echte tolerantie en vreedzame coëxistentie zijn alleen mogelijk wanneer er verschillen zijn die om wederzijdse acceptatie vragen. Het opruimen van die verschillen getuigt juist van weinig respect voor de eigenheid van de traditie(s). Smeeks‘ ideaal van één wereldreligie is even rationeel als naïef. Maar tot op de dag van vandaag zijn er nog goedbedoelende gelovigen van de interreligieuze ‘kerk’.

Onse Godsdienst en onse Wijsheid bestaan alle in Spreuken, die wy uit Europische en Asiatische boeken hebben uitgetrokken;

uit: Krinke Kesmes (blz. 126)

Wy gelooven niet als de Europers, dat de Weereld voor vijf+ a ses duisend jaaren zoude geschaapen zijn, waar over zy twisten+. Deese Natie aanbad in voortijden de Sonne, Balone+, en haaren Koning, zonder meer andere Goden te kennen. Tot dat naa uwe reekeninge van de geboorte Christi duisend en dertig, als wanneer hier een Persiaansch Schip kwam te stranden, welke Schip van Bender Abassi+ of Cambron+ bevragt was na Mecca, met veel kostelijkheid, onder andere waaren daar op veele Boeken van verscheide Taalen en Faculteiten, gelijk als Persiaanze, Maleize, Turkze, Latijnze, Italiaanze, en veele andere.
 
Bron: dbnl.org
citaat
Krinke Kesmes blz. 109

Krinke Kesmes [ nrc.nl ] | literatuurgeschiedenis.nl

Friedrich & co [ 12 ]

Carl Gustav Carus (1789-1869)
Neun Briefe über Landschaftsmalerei

Carl Gustav CarusDe Dresdener arts Carl Gustav Carus was niet alleen bevriend met zijn stadsgenoot Caspar David Friedrich maar ook met Alexander von Humboldt en correspondeerde bovendien nog met Goethe. Hij was dan ook een veelzijdige man. Naast medicus was hij net als Friedrich landschapsschilder en schreef hij filosofische verhandelingen over natuur en wetenschap. Hij wordt zelfs wel eens gezien als de grondlegger van de dieptepsychologie. Een echte homo universalis dus die net als Von Humboldt en Goethe kunst en wetenschap (nog) als één ongebroken geheel zag. Maar als romanticus beschouwde hij de kunst als “Gipfel der Wissenschaft”. In zijn beroemde Neun Briefe über Landschaftsmalerei die hij als jongeman tussen 1815 en 1824 schreef, komt dat sterk naar voren. Deze brieven werden in 1831 in Leipzig uitgegeven en zijn nu integraal op internet te lezen. Goethe heeft deze uitgave nog net mogen meemaken en schreef zelfs een brief als inleiding.

Carus 1831
Neun Briefe über Landschaftsmalerei 1831

Naast de negen brieven zijn in deze bundel drie bijlagen opgenomen. De eerste bijlage gaat over Fysiognomie der Gebirge. Fysiognomie (gelaatskunde) was sinds de publicatie van Physiognomische Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (1775-78) van Johann Kaspar Lavater een populaire wetenschap geworden (en nog niet besmet door de geschiedenis). De fysiognomie probeert uit de uiterlijke kenmerken van het gezicht het innerlijk (de persoonlijkheid) naar boven te halen. Analoog aan het menselijk gelaat probeert Carus uit de vormen van bergen en rotsen de aard van een landschap bloot te leggen. Zijn waarnemingen zijn deels wetenschappelijk en behoren daarmee tot het terrein van de geologie. Maar Carus gaat verder en komt tot een soort psychologische geologie waarmee hij ‘de aard van de aarde’ wil beschrijven. Het is niet zo verwonderlijk dat hij met Goethe over dit onderwerp gecorrespondeerd heeft. Als je Goethes dagboek van zijn reis naar Italiëleest, kom je ook telkens geologische waarnemingen tegen.

Grot van Fingal
De basaltgrot van Fingal (1834)
laat Carus’ interesse voor geologie zien.
inkt en aquarel, 27,6 x 32 cm (Kupferstichkabinett Staatliche Kunstsammlungen Dresden)

Carl Gustav Carus was evenals Goethe in wolken geïnteresseerd. Ook de meteorologie was aan het begin van de negentiende eeuw een nieuwe en populaire wetenschap. Dat was vooral te danken aan de Engelsman Luke Howard die in 1803 Essay on the Modification of Clouds had geschreven. Goethe had Howard zelfs eer bewezen met een gedicht. In de tweede bijlage van Carus’ Brieven staan fragmenten uit zijn Malerischen Tagbuch. Hierin staan nauwkeurige waarnemingen en beschrijvingen van de hemel . Hij leidt zijn dagboek in met een citaat van, ja alweer…

Ich sah die Welt mit liebevollen Blicken/Und Welt und ich, wir schwelgten in Entzücken/So duftig war, belebend, immer frisch/Wie Fels, wie Strom, so Bergwald und Gebüsch

Goethe

December 1823. Erstes Mondsviertel
Einmal Abends im großen Garten. Bitter kalt, aber reiner duftiger Himmel. Frischer Schnee ziert die Fichten und Kiefern, erscheint klar, aber im Dunkel violett sich von der abendlich gerötheten Luft absetzend; selbst gegen östliche Gegendämmerung steht der Schnee dunkel.Am Waldrande bei der Krahenhütte schiner Schneehügel mit einsamer Kiefer durch helle Flachen von der schmalt-grauen Luft sich abhebend.
 
Im vollen ersten Viertel Abends nach vier Uhr über Brühl’s Terrasse und Brücke nach dem Palaisgarten, An dem Elbthore ein schönes Bild. Drei Bogen der Brücke im duftigen Braungrau mit den dreieckigen beschneiten Dächern der Pfeiler; davor breite Schneeflache als Hauptlicht, mit dunkelsten Steinen im Vorgrunde unterbrochen. Unter den Bogen duftiges Gebüsch und Ferne, darüber schmaltegrauer Himmel in ockerröthlich übergehend, alles mit Wolkendunst erfüllt; aber endlich der Mond durchdringend, noch nicht leuchtend, doch von gelblichem Schimmer umgeben. Seitwärts die Frauenkirche dunkler violettgrau. Auch von dem Hügel am Palais die Rücksicht nach der Stadt schön abgestuft, vorn hellster Schnee und dunkelste Bäume nun; stufenweise Lichter und Tiefen nach der Ferne hin abklingend, doch noch die letzten Schneedacher von dem duftigen Himmel hell abgesetzt.
 
Bron: Neun Briefe über Landschaftsmalerei, blz. 189

Ausstellung Carl Gustav Carus. Natur und Idee [ carusinberlin.org ]