de kredietcrisis als einde van het neo-kapitalisme (1983-2008) ?
Afgelopen maandag schreef Will Tiemeijer, onderzoeker bij de WRR, in Trouw dat de kredietcrisis een paar gevaarlijke illusies finaal onderuit haalt. De meest fundamentele daarvan is de idee dat als iedereen zijn eigen belang volgt, het resultaat vanzelf goed is voor de samenleving als geheel. Deze idee werd voor het eerst door Adam Smith verwoord in 1776. Gefundeerd in dit ‘laissez-faire, laissez-passer’principe zou het moderne kapitalisme (én het proletariaat!) vanaf dat moment vooral in Engeland en in de Verenigde Staten tot grote bloei komen.

Laissez faire, laissez passer is in feite een legitimatie voor schaamteloos kapitalisme waarin het eigenbelang uiteindelijk altijd het algemeen belang zou dienen. Maar na ruim tweehonderd jaar interpretatie van Smith’s invisible hand blijft de conclusie steeds gelijk: je kunt individuele belangen bij elkaar optellen, aftrekken, vermenigvuldigen of delen tot je een ons weegt, er komt nooit een algemeen belang uitrollen.
Na de val van het communisme zou het kapitalisme (de vrije markteconomie) aan het einde van de twintigste eeuw tot zegevierende ideologie worden uitgeroepen. Volgens de historicus Frank Ankersmit is men in het Westen zijn eigen reclameslogan ( van de zelfregulerende vrije markt met de ‘onzichtbare hand’ ) gaan geloven.
Adam Smith (1723-1790) werd geboren in Kirkcaldy in Fife in Schotland, en studeerde aan de Universiteit van Glasgow moraalfilosofie, waarna hij met een beurs aan de Universiteit van Oxford studeerde. In 1748 begon hij te doceren aan de Universiteit van Edinburgh. In 1751 werd hij benoemd tot hoogleraar in de logica aan de Universiteit van Glasgow; deze functie werd in 1752 voortgezet op het gebied van de moraalfilosofie. In zijn belangrijkste werk, An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations (1776), opgedragen aan de Amsterdamse bankier Henry Hope, legde hij de basis voor het moderne kapitalisme, dat snel en gemakkelijk ingang vond in de net onafhankelijk verklaarde Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk, door de economische crisis die veroorzaakt werd door de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Uiteindelijk zou deze publicatie de doodsteek betekenen voor het mercantilisme, dat eeuwen de economie in Europa beheerste.
Bron: nl.wikipedia.org
Adam Smith (1723-1790) werd geboren in Kirkcaldy in Fife in Schotland, en studeerde aan de Universiteit van Glasgow moraalfilosofie, waarna hij met een beurs aan de Universiteit van Oxford studeerde. In 1748 begon hij te doceren aan de Universiteit van Edinburgh. In 1751 werd hij benoemd tot hoogleraar in de logica aan de Universiteit van Glasgow; deze functie werd in 1752 voortgezet op het gebied van de moraalfilosofie. In zijn belangrijkste werk, An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations (1776), opgedragen aan de Amsterdamse bankier Henry Hope, legde hij de basis voor het moderne kapitalisme, dat snel en gemakkelijk ingang vond in de net onafhankelijk verklaarde Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk, door de economische crisis die veroorzaakt werd door de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Uiteindelijk zou deze publicatie de doodsteek betekenen voor het mercantilisme, dat eeuwen de economie in Europa beheerste.
Na de introductie van de boxcamera van Kodak in 1888 wordt fotograferen een stuk makkelijker. De foto’s werden nu in een handzaam kastje belicht op een rolletje, dat ter ontwikkeling en afdruk naar het laboratorium werd verstuurd. Opeens was fotografie voor menigeen bereikbaar. Vooral na 1900 toen de zgn. Brownie, een simpele boxcamera nog maar 1 dollar kostte! In de tentoonstelling worden albums getoond van enkele amateur-fotografen, die rond 1900 de wereld afreisden. Onder hen zijn de Rotterdamse dominee Louis Heldring en de oprichter van de Koninklijke Shell, G.A. Kessler.
Toen de collectie Duitse schilderijen uit de 18de en 19de eeuw in de Hermitage voor deze tentoonstelling nader werd bekeken door gastconservator (en voormalig directeur van het Rijksmuseum) Henk van Os werd duidelijk dat de prominente positie van kunstenaars uit de Duitse landen in St.-Petersburg rond 1800 ertoe heeft geleid, dat er zich in de depots een verrassend rijke collectie van Duitse schilderkunst uit die tijd bevindt. Met onder andere belangrijke schilderijen en tekeningen van landschapsschilders die in Nederland niet of nauwelijks bekend zijn. Met deze ontdekking ontstond het idee om in een tentoonstelling in de Hermitage Amsterdam te laten zien welke ingrijpende revolutie Friedrich teweeg had gebracht in de Duitse landschapsschilderkunst. Meer traditionele schilders als Hackert, Reinhart en Mechau, tijdgenoten als de onbekende jonge kunstenaar Carl Fohr (1795-1818) en Carl von Kügelgen (1772-1832) en navolgers als Hagens, Carus en Von Klenze zetten Friedrich in een kunsthistorische context. Door de confrontatie van Friedrichs werken met traditionele landschappen kan er pas begrepen worden waarom zoveel critici in zijn tijd Friedrichs werk niet konden of wilden begrijpen. Friedrichs werk is uniek en dat wordt temeer duidelijk wanneer zijn schilderijen in de context met andere schilders worden getoond.












