Bent double, like old beggars under sacks,
Knock-kneed, coughing like hags, we cursed through sludge,
Till on the haunting flares we turned our backs,
And towards our distant rest began to trudge.
Men marched asleep. Many had lost their boots,
But limped on, blood-shod. All went lame, all blind;
Drunk with fatigue; deaf even to the hoots
Of gas-shells dropping softly behind.
Gas! Gas! Quick, boys! – An ecstasy of fumbling,
Fitting the clumsy helmets just in time,
But someone still was yelling out and stumbling
And floundering like a man in fire or lime.-
Dim, through the misty panes and thick green light,
As under a green sea, I saw him drowning.
In all my dreams before my helpless sight
He plunges at me, guttering, choking, drowning.
If in some smothering dreams, you too could pace
Behind the wagon that we flung him in,
And watch the white eyes writhing in his face,
His hanging face, like a devil’s sick of sin;
If you could hear, at every jolt, the blood
Come gargling from the froth-corrupted lungs,
Bitter as the cud
Of vile, incurable sores on innocent tongues,-
My friend, you would not tell with such high zest
To children ardent for some desperate glory,
The old Lie: Dulce et decorum est
Pro patria mori.

Dubbel gebogen, als oude bedelaars onder hun lasten
Op x-benen en hoestend als oude wijven,
vloekten we ons een weg door slijk
Tot we onze rug keerden naar de niet aflatende vuurpijlen
En begonnen terug te sjokken naar onze verre rustplaats
Mannen marcheerden slapend. Velen waren hun laarzen kwijt
Maar hinkten verder, tot bloedens. We raakten allemaal lam, allemaal blind;
Dronken van uitputting; doof, zelfs voor de sirenes
Waarschuwend voor gasbommen die stil achter ons neervielen.
Gas! Gas! Snel, jongens! Opgejaagd rommelend
Aan onhandige gasmaskers, net op tijd.
Maar iemand stond nog te schreeuwen en struikelde
En spartelde als een man in het vuur of onder de lijm
Vaag, door nevelslierten en in dikke groene schijn
Als in een groene zee, zag ik hem verdrinken.
In al mijn dromen, stort hij zich op mij,
Gulpend, stikkend, verzuipend, en ik kijk hulpeloos toe.
Als ook jij in verstikkende dromen eens kon opstappen
Achter de kar waarop wij hem gooiden
En het wit van zijn ogen in zijn gezicht zien draaien
Zijn hangende mond, als van een duivel ziek van zonde
En ook jij bij elke schok, het bloed kon horen
Opborrelend uit zijn door schuim bezoedelde longen,
Smerig als een kanker, bitter als etter
Van walgelijk oude, ongeneeslijke wonden in onschuldige monden,
Mijn vriend, dan zou je niet met zoveel ijver,
Aan kinderen snakkend naar wanhopige roem,
De oude leugen vertellen: Dulce et decorum est
Pro patria mori.
Wilfred Owen
1917 in many ways was the pivotal year in his life, although it was to prove to be his penultimate. In January he was posted to France and saw his first action in which he and his men were forced to hold a flooded dug-out in no-man’s land for fifty hours whilst under heavy bombardment. In March he was injured with concussion but returned to the front-line in April. In May he was caught in a shell-explosion and when his battalion was eventually relieved he was diagnosed as having shell-shock (‘neurasthenia’). He was evacuated to England and on June 26th he arrived at Craiglockhart War Hospital near Edinburgh.
Had Owen not arrived at the hospital at that time one wonders what might have happened to his literary career, for it was here that he met Siegfried Sassoon who was also a patient. Sassoon already had a reputation as a poet and after an awkward introduction he agreed to look over Owen’s poems. As well as encouraging Owen to continue, he introduced him to such literary figures as Robert Graves (a friend of Sassoon’s) which in turn, after his release from hospital, allowed Owen to mix with such luminaries as Arnold Bennett and H. G. Wells.
The period in Craiglockhart, and the early part of 1918, was in many ways his most creative, and he wrote many of the poems for which he is remembered today. In June 1918 he rejoined his regiment at Scarborough and then in August he returned to France. He was awarded the Military Cross for bravery at Amiens, but was killed on the 4th November whilst attempting to lead his men across the Sambre canal at Ors. The news of his death reached his parents on November 11th 1918, the day of the armistice.
1917 in many ways was the pivotal year in his life, although it was to prove to be his penultimate. In January he was posted to France and saw his first action in which he and his men were forced to hold a flooded dug-out in no-man’s land for fifty hours whilst under heavy bombardment. In March he was injured with concussion but returned to the front-line in April. In May he was caught in a shell-explosion and when his battalion was eventually relieved he was diagnosed as having shell-shock (‘neurasthenia’). He was evacuated to England and on June 26th he arrived at Craiglockhart War Hospital near Edinburgh.
Zuster Margriet (1883-1977) was een diepreligieuze vrouw en in dienst van de jeugd een bekwame onderwijzeres. Zo gaf ze vele jaren (voor en na De Grote Oorlog) het zesde studiejaar bij de Zusters van Maria (stichting Lamotte) in de Rijselsestraat in Ieper. Dat ze van geen kleintje vervaard was, bleek algauw toen ze zelfs tijdens de zwaarste Duitse artilleriebeschietingen in 1914 en 1915 in Ieper wou blijven. Samen met de pastoor van de Sint-Pietersparochie Camille Delaere en commandant Young van de quakers maakte ze zich erg verdienstelijk bij het helpen van bejaarden en kinderen.
De Yorkshire Trench is in 1992 ontdekt en door de 
Vlak ten zuiden van deze plek aan de andere kant van het kanaal ligt de site John McCrae waar het beroemde gedicht In Flanders Fields is geschreven. Lopende langs de graven van de soldaten van de West Riding Division die hier tijdens de Tweede Slag om Ieper (april-mei 1915) zijn omgekomen, kreeg het gedicht voor mij zijn maximale betekenis: “Between the crosses, row on row that mark our place” en vooral “We are the dead”. McCrae heeft de doden voor altijd een stem gegeven. De doden zélf leven voort en het is niet alleen hun naam zoals op elk Brits monument van de Grote Oorlog staat geschreven:

Tijdens de tweede slag bij Ieper bevond zich in het plaatsje Boezinge een verpleegpost waar de militaire arts John McCrae werkzaam was. Hij was van Canadese afkomst, geboren in 1872, en had zich onderscheiden in de Boerenoorlog (1899-1902) waaraan hij als arts-vrijwilliger had deelgenomen. In 1901 nam hij ontslag uit militaire dienst en wijdde zich aan een medische carrière tot op 4 augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak en hij zich opnieuw meldde als vrijwilliger. Hij werd benoemd tot arts bij de First Brigade van de Canadian Field Artillery.












