Categorie archief: 18e eeuw

goede smaak

gisteren gezien op Arte: Der erotische Blick – Johann Winckelmann
documentaire van Christian Feyerabend over “de vader van de archeologie”

WinckelmannDe Frans-Duitse zender Arte legt vaak het Frans-Duitse cultuurverschil bloot. In de documentaire Der erotische Blick – Johann Winckelmann die gisterenavond te zien was, kwamen een Duitse en een Franse kunsthistorica aan het woord. In Duitsland wordt Winckelmann in de eerste plaats gezien als kunsttheoreticus en als de vader van de archeologie, maar in Frankrijk staat hij vooral bekend als een politiek denker.

Dit verschil heeft alles te maken met de invloed van de klassieke oudheid op de kunst en politiek in de tweede helft van de achttiende eeuw. Winckelmann propageerde de kunst van de antieken en zag deze als superieur. De geest van de klassieke kunst vatte hij krachtig samen in de oneliner edele eenvoud, stille grootsheid. Het rococo van zijn tijd was daar ver van afgedwaald en getuigde volgens Winckelmann niet van goede smaak. Om weer terug te keren naar de goede smaak moest de kunstenaar zich verdiepen in de klassieke kunst.

Gedanken über die Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildhauerkunst uit 1755 was Winckelmann’s eerste geschrift over zijn esthetische opvattingen en vestigde zijn naam. Het werd een bestseller. Winckelmann had de juiste snaar weten te raken en zijn devies vond overal navolging. Tussen 1770 en 1780 vond er een stijlverandering plaats. De frivole rococo begon langzaam maar zeker plaats te maken voor een strenge en serieuze stijl, het neo-classicisme. In Frankrijk werden de esthetische opvattingen van Winckelmann gehoord door Jacques-Louis David en kregen ze een sterke politieke lading mee.

David 1774
Jacques-Louis David Erasistratos ontdekt welke ziekte Antiochius heeft (1774)
In dit vroege werk van David is duidelijk de overgang van het rococo naar het neo-classicisme te zien. De compositie is nog overvol, de kleuren gloeiend en de posen barok. In de jaren 1780′s zal David zijn sobere en koele stijl vinden.

Op de klassieke kunst van de Romeinen en de Grieken werd ook een vrijheidsideaal geprojecteerd. Toen Winckelmann zijn ideeën begon te verkondigen, was de Verlichting doorgebroken, maar was de staat nog allesbehalve verlicht. De meeste mensen zuchtten nog onder de onderdrukking door het ancien régime. De klassieke kunst fascineerde niet alleen door haar schoonheidsideaal, maar gaf ook hoop. Vergeleken bij het rococo, die de smaak van het hof vertegenwoordigde, leek de klassieke kunst zich niet te richten op aardse genoegens maar op deugden. Jacques-Louis David pakte dat op en zijn schilderijen zouden dit gaan laten zien. Ze zouden het volk gaan onderwijzen in burgerdeugden en het patriottisme aanwakkeren.

Johann Joachim Winckelmann
Geschichte der Kunst des Altertums 1776

Door de invloed van Winckelmann op David en het neoclassicisme, dat de officiële stijl van de Franse Revolutie zou worden, wordt Winckelmann in Frankrijk dus meer gezien als een politieke denker dan als een archeoloog.

Für Winckelmann war die Schönheit schlechthin das Maß aller Dinge, und so wurde er zu einem wahren Meister des guten Geschmacks. Sein wohl bekanntester Spruch lautet: „Edle Einfalt, stille Größe”, und er bewunderte die Kunst der stilsicheren Griechen, nicht zuletzt mit seinem Werk „Gedanken über die Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildhauerkunst” (1755). So ebnete er den Weg für den Klassizismus – seiner Ansicht nach sollten sich die Menschen und die Kunst von Rokoko und Barock distanzieren und vielmehr die griechische und römische Antike neu entdecken.
 
Bron: schwaebische.de

messidor architectuur

gelezen in 1793 van Victor Hugo

Toen Victor Hugo de zeventig gepasseerd was, schreef hij zijn laatste roman 1793. Zijn hele leven had hij al een roman willen schrijven waarin hij zijn gedachten over de Franse Revolutie kon uitwerken. Hij koos voor het jaar 1793, het annus horribilis van de Franse Revolutie, waarin een verschrikkelijke burgeroorlog woedde in Bretagne en de Vendée en het jaar waarin de beruchte Loi des suspects van kracht werd, waardoor het schrikbewind op een dieptepunt kwam.

1793 is een roman én geschiedenisboek. Het tweede deel is een soort intermezzo met o.a. een uitgebreide beschrijving van de Convention Nationale. Hugo geeft een lange opsomming van namen die hij vaak van voetnoten heeft voorzien. Na 180 bladzijden zijn er al 375 voetnoten voorbijgekomen. Voor de romanlezer kan dat storend zijn, maar voor degene met interesse voor geschiedenis van de Franse Revolutie, is het een bonus.

Convention Nationale
het kale interieur van de Convention Nationale
c’était quelque chose comme Boucher guillotiné par David.
Het was alsof Boucher door David was geguillotineerd.

Hugo over het interieur

Vooral de beschrijving die Hugo geeft van het interieur van de Nationale Conventie vind ik boeiend. De sobere, uitgeklede variant van het classicisme, wordt in Frankrijk l’architecture messidor genoemd. Hugo schrijft: “Na de overweldigende orgiën van vorm en kleur in de achttiende eeuw, ging de kunst op dieet, en alleen nog de rechte lijn was toegestaan. Een dergelijke ontwikkeling mondt uit in lelijkheid. Je krijgt een kunst die gereduceerd is tot skelet. Dat is het nadeel van een dergelijke zedigheid en onthouding; de stijl is zo sober dat hij schraal wordt.”

Convention Nationale
Hugo geeft een beschrijving van het spreekgestoelte. Links de Déclaration des droits de l’homme uit 1789 en rechts de grondwet.
Tout cet ensemble était violent, sauvage, régulier. Le correct dans le farouche; c’est un peu toute la révolution. La salle de la Convention offrait le plus complet spécimen de ce que les artistes ont appelé depuis ‘l’architecture messidor’ c’était massif et grêle. Les bâtisseurs de ce temps-là prenaient le symétrique pour le beau. Le dernier’ mot de la Renaissance avait été dit sous Louis XV, et une réaction s’était faite. On avait poussé le noble jusqu’au fade, et la pureté jusqu’à l’ennui. La pruderie existe en architecture. Après les éblouissantes orgies de forme et de couleur du dix-huitième siècle, l’art s’était mis à la diète, et ne se permettait plus que la ligne droite. Ce genre de progrès aboutit à la laideur. L’art réduit au squelette, tel est le phénomène. C’est l’inconvénient de ces sortes de sagesses et d’abstinences; le style est si sobre qu’il devient maigre. En dehors de toute émotion politique, et à ne voir que l’architecture, un certain frisson se dégageait de cette salle. On se rappelait confusément l’ancien théâtre, les loges enguirlandées, le plaforid d’azur et dé pourpre, le lustre à facettes, les girandoles à reflets de diamants, les tentures gorge de pigeon, la profusion d’amours et de nymphes sur le rideau et sur les draperies,toute l’idylle royale et galante, peinte, sculptée et dorée, qui avait empli de son sourire ce lieu, sévère, et l’on regardait partout autour de soi ces durs angles rectilignes, froids et tranchants comme l’acier; c’était quelque chose comme Boucher guillotiné par David.
 
Bron: Quatre-vingt-treize, deuxième partie, livre troisième: la convention
Convention Nationale
een bladzijde met een illustratie van de Conventie uit de oorspronkelijke uitgave van Quarte-vingt-treize (1874)

Nationale Conventie [ nl.wikipedia.org ]

verlichte postzegels

Fransen uit de achttiende eeuw (1949)

Postzegels blijven mij fascineren. Je kunt de hele wereld ophangen aan dit kleine stukje waardepapier, een druppel uit de oceaan. Tegelijkertijd gaan postzegels ook over vormgeving en laten ze iets van de geschiedenis van de vormgeving zien. Als kind hield ik niet zo van Franse postzegels. Ze waren op ruw papier gedrukt en vaak maar in één of twee kleuren. Maar veel later ben ik juist gaan houden van gegraveerde éénkleurige voorstellingen in plaatdruk. Onderstaande serie uit 1949 van zes beroemde Fransen (Montesquieu, Turgot, Dupleix, Buffon, Watteau en Voltaire) uit de achttiende eeuw vind ik mooi. Het modernisme is hier ver te zoeken. De Victoriaanse ornamentiek die de postzegel sinds zijn geboorte vergezelt, is in 1949 nog springlevend.

Montesquieu
Montesquieu 1689-1755
Turgot
Turgot 1727-1781
Dupleix
Dupleix 1697-1763
Buffon
Buffon 1707-1788
Watteau
Watteau 1684-1721
Voltaire
Voltaire 1694-1778

Annus horribilis [ 2 ]

gelezen in Quatrevingt-Treize (1793) van Victor Hugo
in combinatie met de oorspronkelijke illustraties uit 1874 van Émile Bayard

1793Vorige week kreeg ik van Michaela de Nederlandse vertaling van Quatrevingt-treize, de laatste roman van Victor Hugo. Ik had mij voorgenomen in juli op een Franse camping een begin te maken, maar ik kon niet wachten. Ik las het eerste hoofdstuk en het boek had mij te pakken. Het overrompelde mij. De flaptekst had mij hier overigens al voor gewaarschuwd: “Hier wordt geen geschiedenis geschreven, hier wordt de lezer meegetrokken in de chaos van de gebeurtenissen en ondervindt hij aan den lijve wat en wie er allemaal op het spel staat, als in het jaar van de Terreur de contrarevolutie losbreekt onder koningsgezinde boeren in de Vendée.”

1793 is een magistrale roman. Na 141 jaar werd deze eindelijk in het Nederlands vertaald en dat moet een zware klus geweest zijn voor Tatjana Daan. Hugo doorspekte zijn verhaal met details over de Franse Revolutie waarbij de lezer “getrakteerd” wordt met ruim 500 noten. Veel fact- en namedropping dus, en voor de lezer die het verschil niet weet tussen jacobijnen, girondijnen, cordeliers, hébertisten en montagnards zal het verhaal soms stroef lezen. Ook als je redelijke voorkennis hebt, moet je toch steeds bladeren naar de toelichting bij de noten achterin het boek. Maar wat komt de Franse Revolutie dan tot leven!

De vertaalster zal het niet altijd gemakkelijk hebben gehad met het vertalen van tijdgebonden woorden (bijvoorbeeld van kledingstukken) en jargon (zoals scheepstermen en militaire benamingen). Zo kwam ik enkele malen Nederlandse woorden tegen waar ik maar zelden van hoor of die ik nog niet kende. Dat zijn ook de cadeautjes die je krijgt bij het lezen van een historische roman: niet alleen de blik op de geschiedenis maar ook de taal wordt verruimd.

1793
In het Eerste Boek van het Tweede Deel (Cimourdain) schrijft Hugo iets over het omvertrekken van het ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV op de Place Vendôme op 12 augustus 1792. Het beeld had er op de dag af 100 jaar gestaan. (illustratie van Émile Bayard)

Ik las de eerste 150 bladzijden in combinatie met de oorspronkelijke illustraties uit 1874 van Émile Bayard die ik vond op gallica.bnf.fr. Émile Bayard is niet zo bekend als zijn tijdgenoot Gustave Doré maar wel wereldberoemd geworden door zijn illustratie van Cosette uit Hugo‘s andere roman Les Misérables uit 1862.

Een paar weken terug citeerde ik een beschrijving van Georges Danton door Jo van Ammers-Küller in De Sans-culotten. Ook Hugo voert Danton in zijn roman op, samen met Robespierre en Marat. Danton was niet moeders mooiste. “Hij heeft een neus als een platgeslagen karbonkel boven een mond, die als een snuit van een dier vooruitsteekt.” schreef Van Ammers-Küller. Hugo deed het op zijn manier:

Le grand, débraillé dans un vaste habit de drap écarlate, le col nu dans une cravate dénouée tombant plus bas que le jabot, la veste ouverte avec des boutons arrachés, était botté de bottes à revers et avait les cheveux tout hérissés, qnoiqu’on y vît un reste de coiffure et d’apprêt; il y avait de la crinière dans sa perruque. Il avait la petite vérole sur la face, une ride de colère entre les sourcils, le pli de la bonté au coin de la bouche, les lèvres épaisses, les dents grandes, un poing de portefaix, l’œil éclatant.
 
Bron: Deuxième Partie: à Paris – Livre Deuxième – Le Cabaret de la Rue du Paon
1793
Danton, Marat en Robespierre in Le Cabaret de la Rue du Paon (illustratie van Émile Bayard)

1793 [ gutenberg.org ]

1799

begonnen aan het laatste deel van de Tavelinck Trilogie
De Getrouwen (1799-1813) van Jo van Ammers-Küller (1938)

De Getrouwen“Zeventienhonderd negenennegentig. De eeuw waarin de Grote Revolutie begon, is ten einde. Tien jaar geleden hebben de eerste stormklokken over Frankrijk geluid, schaarde al wat jong, dapper en idealistisch was zich in de strijd om de rechten van de mens, en van overal, van oost en west, van noord en zuid kwam een weerklank. Nu staat een ring van vijanden om Frankrijk heen, met Engeland en Oostenrijk, met Rusland is het in oorlog, het heeft het koningshuis uitgemoord en duizenden zijner beste burgers naar het schavot gezonden. Het schrijft Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap in zijn vaandel, maar de guillotine verricht nog altijd haar luguber werk, zij kopt nu jakobijnen terwijl ze vroeger aristocraten kopte.” Zo begint De Getrouwen, het laatste deel van de Tavelinck Trilogie. Jo van Ammers-Küller sprak liever van de trilogie “Heren, Knechten en Vrouwen“. In het naschrift spreekt ze van “een gefantaseerd verhaal dat tegen een achtergrond van historische gebeurtenissen is opgebouwd”, en definieert daarmee ook het genre van de historische roman.

Ondanks alle kritiek die er vóór de oorlog op haar schrijverschap was (na de oorlog werd ze vanwege haar connecties met de Kulturkammer verguisd), maakt de Tavelinck Trilogie indruk op mij. Fijne psychologische observaties keren steeds terug en de schrijfster heeft ook het talent om in brede streken het historische decor te schilderen, zoals uit het bovenstaande fragment blijkt. Het “kleine” menselijke drama, in dit geval de lotgevallen van de familie Tavelinck, weet ze te verbinden met de storm die tussen 1778 en 1813 door de wereld trok, de Patriottentijd, de Franse Revolutie en de Napoleontische Tijd tot aan de Restauratie. In deze 35 jaar voltrok zich een paradigmawisseling: vanuit Frankrijk werd de gelijkwaardigheid tussen heren en knechten geforceerd en zette heel Europa op zijn kop.

In De sans-culotten wordt deze omwenteling van heel dichtbij beschreven. Een voorbeeld: de valet César Cornot brengt twee voorname patriotten vanuit Saint-Omer naar Parijs, een afstand van ruim tweehonderd kilometer die in vijf dagen wordt afgelegd. In het noorden van Frankrijk is weinig van de Revolutie te merken, maar hoe dichter het gezelschap bij Parijs komt, hoe concreter de omwenteling wordt: Er wordt algemeen getutoyeerd, iedereen wordt met citoyen aangesproken, ci-devants (voormalige aristocraten) worden vijandig benaderd en aan bomen en lantaarns in Picardië zien de verbijsterde Hollandse patriotten de dode lichamen van aristocraten hangen. De bediende wordt zich er steeds meer van bewust dat zijn slavernij voorbij is. In Saint-Denis hijst een menigte hem in de koets en moeten zijn heren achter op de bok plaatsnemen.

De Grote Omkering werkte zich uit tot in de kleinste details. Een wereld zonder standsverschillen bleek al gauw een utopie en de euforie van Vrijheid, gelijkheid en Broederschap sloeg tijdens de Terreur om in hysterie. Maar alle emancipatiebewegingen in de negentiende en twintigste eeuw tot in onze eeuw zijn echo’s van die ene grote golf aan het einde van de achttiende eeuw, sterk uitgedrukt in de klankuitbarstingen in de muziek van Beethoven.

Annus horribilis [ 1 ]

gisteren gekregen van Michaela: 1793 (1874) van Victor Hugo

Historische romans zijn voor mij waarschijnlijk de beste manier om een tijd van binnenuit te leren kennen. De schrijver van een historische roman moet zich dan natuurlijk wel goed hebben ingeleefd in een tijd. Hij (of misschien wel vaker: zij) is meestal geen historicus, maar zal zich meestal wel historisch willen verantwoorden. Niet alleen omdat zich onder de lezers altijd historici bevinden, maar vooral ook omdat de auteur geloofwaardigheid van het historische decor nastreeft. De historische roman is toch een heel ander genre dan fantasy of het sprookje. In de historische roman is de fictie ingebed in non-fictie. Daarom gaat er aan het schrijven van een historische roman meestal veel onderzoek vooraf.

Een bekend voorbeeld is natuurlijk Oorlog en Vrede van Tolstoj. Oorspronkelijk wilde Tolstoj een boek schrijven over de dekabristen, maar hoe meer hij zich verdiepte in de geschiedenis van de dekabristenopstand, hoe vaker hij uitkwam bij de oorlog van 1812 waarin de opstand zijn oorsprong had. En zo begon Tolstoj aan een uitputtende studie van de de Veldtocht van Napoleon naar Moskou in 1812. Hij las uitgebreide militaire rapportages (o.a. van de veldslagen bij Austerlitz en Borodino ), verdiepte zich in allerlei details en in het leven van de Russische aristocratie.

De titanenarbeid van Tolstoj staat niet op zichzelf. Het is een typische exponent van het historisme in de negentiende eeuw, waarbij alles tot in de details moest kloppen “wie es eigentlich gewesen ist”. Het historisme was in de jaren zestig van de negentiende eeuw tot een hoogtepunt gekomen. Tolstoj begon Oorlog en Vrede in 1862 maar leverde het pas in 1869 af nadat hij grote delen herschreven had. Ook de Franse schilder Ernst Meissonier werkte in die jaren aan een enorm project waarbij hij heel veel historische onderzoek deed. Zijn Friedland, een groot schilderij dat een historisch verantwoord beeld van Napoleon tijdens de Slag bij Friedland (1807) geeft, begon hij in 1861. Hij voltooide het pas in 1875.

1793En zo kom ik bij de historische roman Quatrevingt-treize (1793) van Victor Hugo. Het is zijn laatste historische roman en deze past ook helemaal in de traditie van het historisme. Oorspronkelijk had 1793 deel moeten gaan uitmaken van een trilogie, een project waaraan Hugo in 1862, vlak na de publicatie van Les Misérables, al begonnen was. Maar pas tien jaar later begon hij echt te schrijven aan Quatrevingt-treize. Hij documenteerde zich daarvoor uitgebreid over de burgeroorlog in de Vendée die in 1793 begon. Naar schatting zijn toen tweehonderdduizend Franse burgers en soldaten om het leven gekomen. Nog altijd loopt er in Frankrijk debat over de vraag of er toen sprake is geweest van genocide. Hugo heeft met 1793 geprobeerd om een portret te schilderen van het meest gruwelijke gezicht van de Franse Revolutie.

Voorlopig ben ik nog even bezig met de Tavelinck-trilogie van Jo van Ammers-Küller. Daarin heb ik het jaar 1793 nu ook bereikt, het jaar van de Terreur, waarin het schrikbewind van Robespierre, en dus de guillotine, op volle toeren is gaan draaien. Maar als ik deze trilogie afgesloten heb, hoop ik deze zomer op een Franse camping een begin te maken aan de roman van Hugo.

Groots en meeslepend was de Franse Revolutie; groots en meeslepend is Victor Hugo’s evocatie van deze zinderende titanenstrijd tussen de oude en nieuwe wereld in zijn laatste roman, 1793. Hier wordt geen geschiedenis geschreven, hier wordt de lezer meegetrokken in de chaos van de gebeurtenissen en ondervindt hij aan den lijve wat en wie er allemaal op het spel staat, als in het jaar van de Terreur de contrarevolutie losbreekt onder koningsgezinde boeren in de Vendée.
 
Bron: papierentijger.org

het verraad van Dumouriez

gekregen van mijn vader: De Huzaren van Castricum (1973)
een geschiedenis van de Nederlandse Republiek van A. Alberts

De Huzaren van CastricumVijfendertig jaar geleden was ik net klaar met mijn VWO-examen. Voor mijn mondeling tentamen Nederlands had ik mij gespecialiseerd in het werk van A. Alberts (1911-1995). Ik las zijn meeste romans en verhalenbundels, veelal boekjes van geringe omvang. Kaal en nuchter geschreven. Nog steeds staan ze in mijn boekenkast, een geschenk van mijn oud-leraar Nederlands: De vergaderzaal (1974), Haast hebben in september (1975), Maar geel en glanzend blijft het goud (1981) en Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (1986). Maar Alberts schreef ook een dik boek waar ik in 1983 met een boog omheen liep: De huzaren van Castricum (1973) Dat was niet alleen omdat het een dik boek is. Het kwam ook omdat dit boek geen fictie is, maar een historische studie. Een geschiedenisboek over de patriottentijd in Nederland. En als negentienjarige had ik daar niets mee. Dat is nu wel veranderd.

De Sans-culottenOnlangs schreef ik over de Tavelinck-trilogie van Jo van Ammers-Küller, een schrijfster die fout was in de oorlog en dus sinds 1945 “vergeten” is. Jammer, want haar kroniek over een Amsterdamse regentenfamilie in de jaren 1778 tot 1813 geeft een levendig beeld van ons land (en het revolutionaire Frankrijk) in de patriottentijd. Het tweede deel, de sans-culotten, begint in 1792 in Frankrijk en eindigt in 1795 in Nederland. Van Ammers-Küller weeft fictie en geschiedenis knap door elkaar. In een naschrift verantwoordt ze zich tegenover de lezer en achterin het boek zijn ook een aantal mini-biografieën opgenomen van historische personages die haar romanfiguren ontmoeten. Zo brengt ze haar hoofdpersoon Dirk Egbert Tavelinck bijvoorbeeld in aanraking met de bekende Nederlandse patriot Johan Valckenaer (1759-1821). Maar ook met de Nederlandse feministe en spionne Etta Palm (1743-1799). De roman wordt echt spannend wanneer Dirk Egbert in Parijs door Etta Palm bij Charles-François Dumouriez geïntroduceerd wordt.

In hoofdstuk VIII in het tweede boek van De sans-culotten gaat het over het verraad van Dumouriez. Dat is een bekend historisch feit. Van Ammers-Küller betrekt haar hoofdfiguur bij de samenzwering. In hoofdstuk VII van De huzaren van Castricum vertelt A.Alberts in wederwaardigheden van Dumouriez ook over het complot tussen de Franse generaal en de orangisten in Den Haag, waarbij de patriotten verraden worden. In de sans-culotten vindt het verraad plaats in een hutje aan de Moerdijk waar Dumouriez een geheime ontmoeting heeft met Gijsbert Willem Tavelinck, de broer van Dirk Egbert. De schrijfster laat de spionne Etta Palm hierbij bemiddelen. In werkelijkheid vond er geen geheime ontmoeting plaats, maar de voorbereidingen waren er wel. De Engelse diplomaat Auckland en raadspensionaris Laurens Pieter van de Spiegel zouden in een stadhouderlijk jacht op de Moerdijk een geheime bespreking hebben met Dumouriez. De Conventie in Parijs gaf Dumouriez echter het bevel om onmiddellijk de Republiek aan te vallen. Op 17 februari 1793 ging hij de grens over bij Bergen op Zoom en trok daarna op naar Geertruidenberg.

De redding van de Republiek kwam in het voorjaar van 1793 uit onverwachte hoek: de Oostenrijkers en de (conservatieve) Belgen kwamen in opstand tegen de Fransen en op 18 maart werd het Franse leger verslagen bij Neerwinden. Dumouriez, de held van Valmy en Jemappes, bleek nu de verliezer. De Conventie in Parijs stelde een onderzoek in naar de integriteit van Dumouriez. Deze had toen geen andere keuze meer dan over te lopen naar de Oostenrijkers. Dumouriez (1739-1824) zou nooit meer een voet op Franse bodem zetten. Anderhalf jaar later, in de winter van 1794/1795 zouden de Fransen opnieuw de Republiek binnenvallen. En ditmaal was het wel succesvol.