Categorie archief: 18e eeuw

Annus horribilis [ 1 ]

gisteren gekregen van Michaela: 1793 (1874) van Victor Hugo

Historische romans zijn voor mij waarschijnlijk de beste manier om een tijd van binnenuit te leren kennen. De schrijver van een historische roman moet zich dan natuurlijk wel goed hebben ingeleefd in een tijd. Hij (of misschien wel vaker: zij) is meestal geen historicus, maar zal zich meestal wel historisch willen verantwoorden. Niet alleen omdat zich onder de lezers altijd historici bevinden, maar vooral ook omdat de auteur geloofwaardigheid van het historische decor nastreeft. De historische roman is toch een heel ander genre dan fantasy of het sprookje. In de historische roman is de fictie ingebed in non-fictie. Daarom gaat er aan het schrijven van een historische roman meestal veel onderzoek vooraf.

Een bekend voorbeeld is natuurlijk Oorlog en Vrede van Tolstoj. Oorspronkelijk wilde Tolstoj een boek schrijven over de dekabristen, maar hoe meer hij zich verdiepte in de geschiedenis van de dekabristenopstand, hoe vaker hij uitkwam bij de oorlog van 1812 waarin de opstand zijn oorsprong had. En zo begon Tolstoj aan een uitputtende studie van de de Veldtocht van Napoleon naar Moskou in 1812. Hij las uitgebreide militaire rapportages (o.a. van de veldslagen bij Austerlitz en Borodino ), verdiepte zich in allerlei details en in het leven van de Russische aristocratie.

De titanenarbeid van Tolstoj staat niet op zichzelf. Het is een typische exponent van het historisme in de negentiende eeuw, waarbij alles tot in de details moest kloppen “wie es eigentlich gewesen ist”. Het historisme was in de jaren zestig van de negentiende eeuw tot een hoogtepunt gekomen. Tolstoj begon Oorlog en Vrede in 1862 maar leverde het pas in 1869 af nadat hij grote delen herschreven had. Ook de Franse schilder Ernst Meissonier werkte in die jaren aan een enorm project waarbij hij heel veel historische onderzoek deed. Zijn Friedland, een groot schilderij dat een historisch verantwoord beeld van Napoleon tijdens de Slag bij Friedland (1807) geeft, begon hij in 1861. Hij voltooide het pas in 1875.

1793En zo kom ik bij de historische roman Quatrevingt-treize (1793) van Victor Hugo. Het is zijn laatste historische roman en deze past ook helemaal in de traditie van het historisme. Oorspronkelijk had 1793 deel moeten gaan uitmaken van een trilogie, een project waaraan Hugo in 1862, vlak na de publicatie van Les Misérables, al begonnen was. Maar pas tien jaar later begon hij echt te schrijven aan Quatrevingt-treize. Hij documenteerde zich daarvoor uitgebreid over de burgeroorlog in de Vendée die in 1793 begon. Naar schatting zijn toen tweehonderdduizend Franse burgers en soldaten om het leven gekomen. Nog altijd loopt er in Frankrijk debat over de vraag of er toen sprake is geweest van genocide. Hugo heeft met 1793 geprobeerd om een portret te schilderen van het meest gruwelijke gezicht van de Franse Revolutie.

Voorlopig ben ik nog even bezig met de Tavelinck-trilogie van Jo van Ammers-Küller. Daarin heb ik het jaar 1793 nu ook bereikt, het jaar van de Terreur, waarin het schrikbewind van Robespierre, en dus de guillotine, op volle toeren is gaan draaien. Maar als ik deze trilogie afgesloten heb, hoop ik deze zomer op een Franse camping een begin te maken aan de roman van Hugo.

Groots en meeslepend was de Franse Revolutie; groots en meeslepend is Victor Hugo’s evocatie van deze zinderende titanenstrijd tussen de oude en nieuwe wereld in zijn laatste roman, 1793. Hier wordt geen geschiedenis geschreven, hier wordt de lezer meegetrokken in de chaos van de gebeurtenissen en ondervindt hij aan den lijve wat en wie er allemaal op het spel staat, als in het jaar van de Terreur de contrarevolutie losbreekt onder koningsgezinde boeren in de Vendée.
 
Bron: papierentijger.org

het verraad van Dumouriez

gekregen van mijn vader: De Huzaren van Castricum (1973)
een geschiedenis van de Nederlandse Republiek van A. Alberts

De Huzaren van CastricumVijfendertig jaar geleden was ik net klaar met mijn VWO-examen. Voor mijn mondeling tentamen Nederlands had ik mij gespecialiseerd in het werk van A. Alberts (1911-1995). Ik las zijn meeste romans en verhalenbundels, veelal boekjes van geringe omvang. Kaal en nuchter geschreven. Nog steeds staan ze in mijn boekenkast, een geschenk van mijn oud-leraar Nederlands: De vergaderzaal (1974), Haast hebben in september (1975), Maar geel en glanzend blijft het goud (1981) en Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (1986). Maar Alberts schreef ook een dik boek waar ik in 1983 met een boog omheen liep: De huzaren van Castricum (1973) Dat was niet alleen omdat het een dik boek is. Het kwam ook omdat dit boek geen fictie is, maar een historische studie. Een geschiedenisboek over de patriottentijd in Nederland. En als negentienjarige had ik daar niets mee. Dat is nu wel veranderd.

De Sans-culottenOnlangs schreef ik over de Tavelinck-trilogie van Jo van Ammers-Küller, een schrijfster die fout was in de oorlog en dus sinds 1945 “vergeten” is. Jammer, want haar kroniek over een Amsterdamse regentenfamilie in de jaren 1778 tot 1813 geeft een levendig beeld van ons land (en het revolutionaire Frankrijk) in de patriottentijd. Het tweede deel, de sans-culotten, begint in 1792 in Frankrijk en eindigt in 1795 in Nederland. Van Ammers-Küller weeft fictie en geschiedenis knap door elkaar. In een naschrift verantwoordt ze zich tegenover de lezer en achterin het boek zijn ook een aantal mini-biografieën opgenomen van historische personages die haar romanfiguren ontmoeten. Zo brengt ze haar hoofdpersoon Dirk Egbert Tavelinck bijvoorbeeld in aanraking met de bekende Nederlandse patriot Johan Valckenaer (1759-1821). Maar ook met de Nederlandse feministe en spionne Etta Palm (1743-1799). De roman wordt echt spannend wanneer Dirk Egbert in Parijs door Etta Palm bij Charles-François Dumouriez geïntroduceerd wordt.

In hoofdstuk VIII in het tweede boek van De sans-culotten gaat het over het verraad van Dumouriez. Dat is een bekend historisch feit. Van Ammers-Küller betrekt haar hoofdfiguur bij de samenzwering. In hoofdstuk VII van De huzaren van Castricum vertelt A.Alberts in wederwaardigheden van Dumouriez ook over het complot tussen de Franse generaal en de orangisten in Den Haag, waarbij de patriotten verraden worden. In de sans-culotten vindt het verraad plaats in een hutje aan de Moerdijk waar Dumouriez een geheime ontmoeting heeft met Gijsbert Willem Tavelinck, de broer van Dirk Egbert. De schrijfster laat de spionne Etta Palm hierbij bemiddelen. In werkelijkheid vond er geen geheime ontmoeting plaats, maar de voorbereidingen waren er wel. De Engelse diplomaat Auckland en raadspensionaris Laurens Pieter van de Spiegel zouden in een stadhouderlijk jacht op de Moerdijk een geheime bespreking hebben met Dumouriez. De Conventie in Parijs gaf Dumouriez echter het bevel om onmiddellijk de Republiek aan te vallen. Op 17 februari 1793 ging hij de grens over bij Bergen op Zoom en trok daarna op naar Geertruidenberg.

De redding van de Republiek kwam in het voorjaar van 1793 uit onverwachte hoek: de Oostenrijkers en de (conservatieve) Belgen kwamen in opstand tegen de Fransen en op 18 maart werd het Franse leger verslagen bij Neerwinden. Dumouriez, de held van Valmy en Jemappes, bleek nu de verliezer. De Conventie in Parijs stelde een onderzoek in naar de integriteit van Dumouriez. Deze had toen geen andere keuze meer dan over te lopen naar de Oostenrijkers. Dumouriez (1739-1824) zou nooit meer een voet op Franse bodem zetten. Anderhalf jaar later, in de winter van 1794/1795 zouden de Fransen opnieuw de Republiek binnenvallen. En ditmaal was het wel succesvol.

De sans-culotten

gelezen in de sans-culotten (1936) van Jo van Ammers-Küller

de sans-culottenTwee weken geleden schreef ik over de trilogie Heren, knechten en vrouwen van de “vergeten” schrijfster Jo van Ammers-Küller. Van mijn achternicht kreeg ik het eerste deel De Patriotten en dat las ik in tien dagen uit. Vorige week maakte De Olde Jan uit Herwen mij blij met de resterende twee delen De sans-culotten en De Getrouwen met originele stofomslag in behoorlijke staat. Voor een uitgave uit 1953 geen vanzelfsprekendheid. De stofomslagen zijn geschilderd door Karel Thole (1914-2000) vooral bekend door zijn werk voor het Italiaanse scifi-blad Urania.

Gisteren begon ik aan De sans-culotten dat net als het vorige deel uit drie “boeken” bestaat. Het eerste “boek” speelt zich af in het revolutionaire Frankrijk van 1792. De hoofdpersoon Dirk Egbert Tavelinck, zoon van een patriottische burgemeester uit Amsterdam, is gevlucht naar het Noord-Franse stadje Saint-Omer. Toen in 1787 de Pruisen ons land binnenvielen om stadhouder Willem V, de zwager van de Pruisische koning, aan de macht te houden, vluchtten veel patriotten het land uit. Ze vonden tenslotte asiel in Frankrijk, dat aan de kant van de patriotten stond.

Van Ammers-Küller brengt deze geschiedenis, waar ik vrijwel niets van wist, overtuigend tot leven. Ze beschrijft het leven in de vluchtelingenkolonie van Saint-Omer tot in de details. Hier leefden vijfduizend Nederlandse patriotten in ballingschap. In 1792, als het verhaal van De sans-culotten begint, woont Dirk Egbert Tavelinck al ruim vier jaar in het Noord-Franse stadje dat bekend staat als een katholiek bolwerk. De Hollanders vormden er een parallelle samenleving met hun eigen schaduweconomie en eigen kerk(en). Van koning Lodewijk XVI ontvingen ze een kleine toelage. Het beheer was in handen van de patriot Coert Lambertus van Beyma en dat leidde tot een ruzie met zijn medepatriot Johan Valckenaer. Dit conflict tussen beide voormannen splitste de kolonie op in twee groepen, de Beymanisten en de Valckenaeristen.

Omdat in Nederland stadhouder Willem V de macht grijpt vluchten er eind 1787 vele Nederlanders, voornamelijk (5000) Patriotten, naar Saint-Omer. De meeste gaan wonen in of buiten de stad. Eén op de tien inwoners van Saint-Omer is in 1788 Nederlander. De Franse koning heeft met de Nederlandse Patriotten te doen en regelt dat bij aankomst bedden voor hen klaar staan. Ook geven de Fransen de Nederlanders zakgeld. De Patriotten vormen een kolonie van politieke ballingen in Saint-Omer onder bescherming van de Franse regering.De lokale bevolking stelt de Nederlandse aanwezigheid niet altijd op prijs. De Nederlanders staan nogal bekend als wanbetalers. De meeste vluchtelingen zijn jonge mannen en die drinken graag een borrel. Dit loopt nog al eens uit de hand en de Amsterdammers gaan regelmatig met de Utrechtenaren op de vuist. Of zij keren zich met z’n allen tegen de Fransen.
 
Bron: bojawalboyaval.nl

Met Johan Valckenaer reist de hoofdpersoon naar het revolutionaire Parijs. Vanuit Saint-Omer is dat zo’n tweehonderdvijftig kilometer, een vermoeiende reis met tussenstops in Arras, Amiens, Chantilly en Saint-Denis die in vijf dagen wordt afgelegd. In het katholieke Saint-Omer is weinig van de revolutie te merken, maar in Picardië verandert dat. De reizigers zien langs de route geplunderde en uitgebrande kloosters en kastelen. Ze zijn diep geschokt als ze in de bomen halfvergane lijken zien hangen. Het land van de revolutie toont de patriotten uit Holland voor het eerst zijn grimmige gezicht.

Tenslotte komen ze aan in Parijs. Daar ontmoeten ze de Nederlandse Etta Palm (1743-1799), een voorvechtster van vrouwenrechten die “la belle Hollandaise” genoemd wordt. Een andere historische figuur die Dirk Egbert Tavelinck ontmoet, is Georges Danton (1759-1794). Van Ammers-Küller beschrijft zijn kop, die volgens de sardonische eigenaar “de aanblik waard was.” Zijn laatste woorden tegen de beul op het schavot zouden zijn geweest: “N’oublie pas surtout, n’oublie pas de montrer ma tête au peuple : elle est bonne à voir.”

Georges DantonHij is lelijk, deze volksheld, voor wie zich een dolle menigte de kelen hees schreeuwt. De pokken hebben hem zo geschonden, hebben zo ingevreten in het vlees van zijn gezicht, dat het bijna zijn menselijke trekken heeft verloren. Hij heeft een neus als een platgeslagen karbonkel boven een mond, die als een snuit van een dier vooruitsteekt. Kleine verzonken ogen liggen onder een laag bultig voorhoofd, hij heeft dikke uitpuilende wangen en vleeskwabben van vet hangen langs en onder zijn zware vierkante kin. En toch is het een lelijkheid die boeit en fascineert, die vooral vrouwen aantrekt.
 
uit: de sans-culotten, hoofdstuk VII

Grachtenboek 1768

Het Grachtenboek van Caspar Philips Jacobszoon (1768)

grachtenboek 1768Volgende week hoop ik aan de Keizersgracht het Museum Van Loon te bezoeken. In 2015 bezocht ik met Michaela al het Museum Willet-Holthuysen aan de Herengracht. We kregen toen een prachtige indruk van het rijke leven achter een van de fraaie gevels. Nu ik in De Patriotten aan het lezen ben, een roman over een Amsterdamse regentenfamilie in de jaren 1778-1787, trekt de grachtengordel mij weer aan. De website amsterdamsegrachtenhuizen.info is online misschien wel de beste voorbereiding op een bezoek aan de grachtengordel. Alle gevels zijn hier aan te klikken en van informatie voorzien, zoals bouwjaar, architect en overzicht van de bewoners. Het standaardwerk van Caspar Philips Jacobszoon uit 1768 dient als basis.

grachtenboek
gravures van Caspar Philips Jacobszoon
Op de Heren- en Keizersgracht staan ca. 490 halsgevels, 230 lijstgevels, 200 verhoogde lijstgevels, 190 trapgevels, 190 klokgevels, 70 verhoogde halsgevels, 25 tuitgevels en 20 overige gevels.
Het Grachtenboek geeft een gaaf en harmonisch beeld van het Amsterdamse stadsgezicht tegen het einde van de 18de eeuw. Op de Heren- en Keizersgracht staan ca. 490 halsgevels, 230 lijstgevels, 200 verhoogde lijstgevels, 190 trapgevels, 190 klokgevels, 70 verhoogde halsgevels, 25 tuitgevels en 20 overige gevels. Van de meer dan 1.400 afgebeelde gevels zijn er zo’n 480 in min of meer ongewijzigde toestand bewaard gebleven. Klaarblijkelijk zijn geen opmetingen verricht, want de verhoudingen van de meeste gevels kloppen niet. In 1959 werden door C.A. van Swigchem in een kast van de KNAW de tekeningen teruggevonden die de basis vormde voor de gravures en toen bleek dat de tekeningen zeer nauwkeurig waren gegraveerd en dus dat de onnauwkeurigheden door de oorspronkelijke tekenaars zijn gemaakt. Voor een deel zijn de onnauwkeurigheden toe te schrijven aan het toegepaste vereenvoudigingssysteem. De in 1959 gevonden tekeningen bevatten een verrassing: van een aantal huizen is de oorspronkelijke tekening overgeplakt met een nieuwe tekening. Kennelijk heeft men vlak vóór het graveren nog even snel de laatste mutaties aangebracht.
 
Bron: onderdekeizerskroon.nl

Dallas aan de Amstel

gelezen in: De Patriotten van Jo van Ammers-Kuller
deel 1 uit de trilogie Heren, knechten en vrouwen (1934-1938)

De patriottenVan mijn achternicht kreeg ik een damesroman uit 1934 van Jo van Ammers-Kuller. Had ik nog nooit van gehoord. Deze schrijfster is in de vergetelheid geraakt, niet in de laatste plaats omdat ze fout was in de oorlog. Maar in de jaren dertig werd ze veel gelezen. Haar werk werd vertaald in het Engels, Duits, Pools en Tsjechisch. De literaire kritiek moest weinig van haar hebben, ook voordat ze in de oorlog haar bijdragen leverde aan de Kulturkammer. Deze informatie heeft me er niet van weerhouden om aan dit boek te beginnen.

Als ik ga volhouden, heb ik een lange adem nodig. De Patriotten (438 blz.) is het eerste deel uit de trilogie Heren, knechten en vrouwen en gaat over het lot van de familie Tavelinck in de jaren 1778-1813. De Tavelincks behoren tot de Amsterdamse elite van de achttiende eeuw. In de zomer verblijven ze in de schitterende buitenplaats Oostermeer bij Oudekerk aan de Amstel. De schrijfster maakte een grondige studie van dit landgoed voordat ze aan haar trilogie begon. De schatrijke familie Tavelinck van de buitenplaats Oostermeer vormt net als de familie Ewing van de Southfork Ranch uit Dallas het middelpunt van een soap.

Tavelinck Trilogie
De sans-culotten en De getrouwen complementeren de Tavelinck Trilogie
De hof van Oostermeer is groot en breed, ze is rondom begrensd door berceaus en vol paden en perken, vijvers en beelden en overal verrast zij door ingenieus bedachte perspectieven. De burgemeester slaat links af en schrijdt door een weg van taxushagen, die telkens halve cirkels vormen en waarin godinnen van de Olympus op voetstukken zijn opgesteld. Hij heeft echter in het geheel geen aandacht voor de goden en slechts een zeer vluchtige voor sommige der godinnen, hij zoekt een ander pad, dat naar een kunstmatige heuvel voert, waarop het kleine Amortempeltje staat, dat gloednieuw en de laatste aanwinst van Oostermeer is.
 
uit: De Patriotten, blz. 10/11

In Huis en habitus- Over kastelen, buitenplaatsen en notabele levensvormen schrijft Jaap Moes op blz. 167-168 over buitenplaats Oostermeer als decor van de roman van Jo van Ammers-Kuller. Op deze pagina zijn fraaie historische foto’s van het landgoed te zien.

volg de meester [ 127 ]

kopie van portret van Benjamin Franklin door J.S. Duplessis

Franklin 1778Joseph Duplessis (1725-1802) was een van de meest getalenteerde portretschilders van de achttiende eeuw. Hij schilderde Lodewijk XVI (1775), zijn minister van financiën Jacques Necker (1781), de componist Christoph Willibald Gluck (1775) en zijn collega Joseph Marie Vien (1784). Maar zijn bekendste werk is het portret van Benjamin Franklin (1706-1790) uit 1778. Het is ook een van de meest gereproduceerde portretten ter wereld omdat het sinds 1914 op het biljet van honderd dollar staat afgebeeld.

Zaterdag begon ik een paar onderschilderingen volgens de vertrouwde werkwijze: Een imprematuur van rauwe omber met dunne witte tempera om te hogen en dunne rauwe omber om te diepen. Hierna volgde een uniform glacis van rauwe sienna en zinkwit.

Duplessis
toonschildering in rauwe omber en zinkwit (tempera) als basis voor een olieverfportret. rechts met een uniform glacis van rauwe siena en zinkwit.

Tijdens de eerste “close watching” van Franklins kop viel mij op hoe duidelijk de schilderkunst van de zeventiende eeuw doorschemert. Hoewel Duplessis als kind van het galante tijdperk thuis was in poezelige pastelplaatjes, zit er Franklins kop een rauwheid van een Cromwell of Hollandse zeeheld. Nu was Franklin ook wel de man die daartoe uitnodigde. Hij wist dat de Fransen hem als native “Americain” graag zagen als de bon sauvage van Rousseau.

Dus koketteerde hij daarmee. In Versailles had hij het lef zonder pruik te verschijnen. Hij kon zich dat veroorloven omdat hij in 1776, toen hij voor het eerst in Frankrijk was om steun te vragen voor de Amerikaanse onafhankelijkheid, al een beroemd man was. Zijn landgenoot John Adams was ook een geboren Amerikaan, maar deze haalde het niet in zijn hoofd om zonder pruik aan het Franse hof te verschijnen. Franklin ging nog een stapje verder. Hij droeg een berenmuts om te onderstrepen dat hij een “wilde” was. De overbeschaafde Fransen vonden het prachtig.

volg de meester [ 1-126 ] | van oude meesters en dingen die niet voorbijgaan

Het is de aanblik waard

vandaag is het 224 jaar geleden dat Georges Danton
en Camille Desmoulins terechtgesteld werden
guillotine
na de onthoofding toonde de beul het hoofd van de terechtgestelde aan het volk
N’oublie pas surtout, n’oublie pas de montrer ma tête au peuple : elle est bonne à voir

Georges Danton tegen de beul, 5 april 1794

DantonHalf maart verloor het Comité de Salut Public zijn geduld en Jacques-René Hébert en zijn buitenlandse vrienden werden op 24 maart onthoofd, na beschuldigingen van een complot. Op 30 maart was er een bespreking over wie er vervolgens gearresteerd zouden worden: Desmoulins, Delacroix, Danton of Philippeaux. Robespierre schijnt te hebben getwijfeld, maar werd overgehaald. Het hele viertal werd op 31 maart 1794 gearresteerd als vijanden van het vaderland. De slager Legendre stelde voor de gevangenen voor de Conventie te dagvaarden en niet voor het Revolutionaire tribunaal. Saint-Just had een belangrijk aandeel in de ondergang van Danton. Hij verkondigde dat Danton een tegenstander van de revolutie was geworden vanwege zijn medelijden met gevangenen en zijn verzet tegen het schrikbewind. Hij las een verklaring voor in de Conventie en karakteriseerde Danton als verrader, knecht van de graaf de Mirabeau en handlanger van Dumouriez. Danton werd overgebracht naar het Palais du Luxembourg, de gevangenis van de aristocraten.
 
DesmoulinsDe rechtbank in de conciergerie bestond uit zeven juryleden: een vioolbouwer, een klompenfabrikant, een musicus, een vroegere markies, een pruikenmaker, een meubelmaker en een chirurgijn. Danton werd beschuldigd van corruptie omdat hij niet alle uitgaven en inkomsten had kunnen verantwoorden, zoals het bedrag dat bestemd was voor vredesonderhandelingen met Zweden. Danton vroeg om getuigen à decharge, hetgeen hem niet werd toegestaan. De rechter antwoordde op de derde dag van het proces dat de schriftelijke bewijzen voldoende waren. Het publiek werd onrustig en begon Dantons partij te trekken. De beschuldiging luidde: een samenzwering om de monarchie in ere te herstellen. Danton schreeuwde: “Gerechtelijke moord, tirannenwillekeur, moordenaars!” De aangeklaagden werden uit de zaal verwijderd nog voor het vonnis was uitgesproken. Danton en Desmoulins, een oude schoolkameraad van Robespierre, werden tot de guillotine veroordeeld en ‘s middags waren zij al op weg naar het schavot.
 
Toen de kar langs het huis van Robespierre reed, richtte Danton zich plotseling op en schreeuwde: “Je zult ons spoedig volgen: je huis zal gesloopt worden, men zal er zout strooien.” Tegen de beul zei Danton: “Jij bent nog wreder dan de dood; maar je zult onze hoofden niet kunnen beletten, elkaar onder in de zak te kussen.” Zijn laatste woorden waren: “Je moet mijn hoofd aan het volk laten zien; het is de aanblik waard.” De dood van Danton schiep een machtsvacuüm. Het gevaar bestond dat Robespierre zich nog meer zou isoleren en zich tot een Nero zou ontwikkelen.
 
Bron: nl.wikipedia.org

The Execution of Georges Danton and Camille Desmoulins [ madamegilflurt.com ]