gisteren op de Filosofie Scheurkalender vandaag nog steeds actueel
Bron: Pieter Lemmens op de Filosofie Scheurkalender


Vijfentwintig jaar geleden moest ik het als kunststudent nog met een uitreksel doen, dat bij Uitgeverij Boom onder de naam Over Schoonheid is verschenen. Ruim tweehonderd jaar na Kants dood is er bij dezelfde uitgever nu eindelijk een integrale Nederlandse vertaling van de Kritik der Urteilskraft.
Deze derde Kritiek is het sluitstuk van Kants Magnum Opus, die de Kritik der Reinen Vernunft en de Kritik der Praktischen Vernunft compleet maakt. De vertaling is van Jabik Veenbaas en Willem Visser. Ze vertaalden ook de voorgaande kritieken, waarvan de laatste, Kritiek van de praktische rede, drie jaar geleden verscheen. Vandaag staat er in Trouw een artikel van Sebastian Valkenberg over Kritiek van het oordeelsvermogen waarin hij in gesprek is met Bart Vandenabeele, hoogleraar esthetica aan de Universiteit Gent.
Robert Musil
November is Maand van de Spiritualiteit en schrijver Kluun schreef in het kader daarvan het essay God is gek. In Filosofie Magazine reageert hij op een uitspraak van Nietzsche: “Het is de godsdienst die God verstikt heeft”. Atheïsme vindt hij dogmatisch, maar hij positioneert zichzelf niet expliciet als agnosticus. wéll heeft hij sympathie voor ietsisten, dat zijn mensen die geloven dat er meer is, alleen weten ze niet wat of wie die God-achtige macht dan is.
Wat mij opvalt is dat Kluun hier over “Hem” (God) spreekt en niet over “het”(goddelijke). Impliciet ziet hij God dus als Persoon, als Iemand. Geldt voor een relatie met God niet hetzelfde als voor een relatie met een mens? Wanneer je iemand wilt (leren) kennen, dan wil je toch weten hoe die persoon heet, waar die persoon woont en hoe je met die ander in contact kunt komen? Wanneer die Iemand nu God in hoogsteigen Persoon is, dan wil je toch weten hoe je een relatie met Hem kunt krijgen? Kun je God leren kennen door Hem volledig transcendent te houden? Kun je met Hem in contact komen, wanneer je Hem geen Naam wilt geven? Wij hebben zélf toch ook een naam waarmee anderen ons kunnen aanspreken en waarmee we gekend kunnen worden?

Welke waarde heeft het opzettelijk niet benoemen en het openlaten van “het God-achtige” door de ietsisten? Is het een deur waardoor God naar binnen kan komen? Of is dit “openlaten” juist een muur waarmee God, zoals Hij door ons gekend wil worden, wordt buitengesloten? Kun je een deur openhouden (of op een kier laten staan) voor iemand die per se onzichtbaar moet blijven? Ik denk het niet. Maar er is ook een andere houding die open maar gastvrij is: je erkent dat deze onzichtbare persoon al binnengekomen is en je behandelt Hem vervolgens als Mystery Guest: je wilt graag weten Wie Hij is.
Kluun in FM
In de voetsporen van Heidegger
Voetnoten bij de 19e eeuw
Amerikaanse Burgeroorlog
Napoleon en zijn schilders
Landschapsschilders uit de Goethezeit
Schilders in Italië
De schilder en zijn broodheer
De waakzaamheid van het hart
Ovidius’ Metamorphosen
Dantes Divina Commedia
Wolkenkrabbers
Op zoek naar de atoomstijl
Een avontuur van luitenant Blueberry
My favourite things