De digitalisering van onze leefruimte zie ik als de eindfase van het seculariseringsproces dat sinds de Renaissance de Westerse cultuur (en daarmee de hele wereld) vooruit gestuwd heeft. Digitalisering is radicale onttovering. Middeleeuws bijgeloof is uitgebannen en in toenemende mate wordt ook het geloof zélf uit het openbare leven weggedrukt. In de publieke ruimte schijnt het koele en zakelijke licht van de Verlichting. Aangesloten op een wereldwijd netwerk van computers persen we triljoenen enen en nullen door de kabel om onszelf van informatie te voorzien.

Met Google Maps overzien we bijna elke vierkante meter van de aardbol en zo hebben we de illusie van overzicht, beheersing en onafhankelijkheid steeds verder geperfectioneerd. Tegelijkertijd worden we steeds afhankelijker van datgene waarmee we ons leven calculeren, de computer. De boze geesten lijken verdreven, maar de enen en nullen zijn onder ons.


Vijfentwintig jaar geleden las ik voor het eerst Filosofie van het Landschap (1970) van Ton Lemaire. Het boek was een openbaring voor mij. Toen we in de zomer van 1984 in de Provence waren, moest en zou ik dan ook naar de top van de Mont Ventoux omdat Lemaire daar in zijn boek over geschreven had. Ik las daarin voor het eerst dat de beklimming van deze berg door de humanistische dichter Petrarca in het jaar 1336 algemeen beschouwd wordt als een sleutelmoment in de Westerse geschiedenis. Het is achteraf gekozen als hét moment geworden waarop mens de blik naar buiten keert en de nieuwe mens van de Renaissance geboren wordt. 














