Categorie archief: filosofie

de paleizen van het geheugen

Augustinus in de Belijdenissen over het geheugen

In het Tiende Boek van de Belijdenissen onderzoekt Augustinus het menselijk brein. Deze tekst van 1600 jaar oud overtreft in frisheid en verwondering veel moderne psychologische teksten.

.. En dan kom ik aan de velden en de weidse gebouwen van het geheugen, waar zich de schatkamers bevinden met de talloze beelden die daar van alle soorten waargenomen dingen binnen zijn gebracht. Daar ligt ook alles wat wij met vergrotingen of verkleiningen of onverschillig welke wijzingen van de door onze waarneming aangeraakte dingen hebben gedacht, en ook alles wat er verder nog in bewaring is gegeven of neergelegd, voorzover het niet is opgezogen en bedolven door het vergeten.
 
Wanneer ik daar ben, beveel ik dat te voorschijn wordt gebracht wat ik maar verkies: bepaalde dingen komen dan onverwijld opdagen, terwijl naar andere langer wordt gezocht en deze om zo te zeggen uit verderweg gelegen bergplaatsen worden opgediept; er zijn er ook die in zwermen komen aanvliegen en die terwijl naar iets anders gevraagd en gezocht wordt, tussenbeide springen, alsof ze willen zeggen: ‘Zijn wij het soms niet?’ En met de hand van mijn hart blijf ik ze wegduwen van het aangezicht van mijn herinneren, net zolang totdat het gewenste doorbreekt en uit de verborgenheid voor mijn ogen treedt. Andere dingen bieden zich zonder moeilijkheden en in ongestoorde volgorde aan, juist zoals ze worden opgeroepen: het voorafgaande maakt plaats voor het volgende en wordt, terwijl het zo plaatsmaakt, opgeborgen om te voorschijn te komen wanneer ik dat weer wens. Dit alles doet zich voor wanneer ik uit mijn herinnering iets aan het vertellen ben.
Rembrandt: de filosoof
Rembrandt: de filosoof
Goed geordend en soort bij soort liggen daar al de dingen opgeborgen, die ieder langs zijn eigen toegang naar binnen zijn gebracht: zo zijn bijvoorbeeld het licht en alle kleuren en vormen van lichamen langs de ogen gekomen, langs de oren alle soorten klanken, alle geuren langs de neusgaten, alle smaken langs de mond, terwijl van het over geheel het lichaam verspreide zintuig gekomen is wat hard is of zacht, wat koud is of warm, glad of ruw, zwaar of licht, hetzij buiten, hetzij binnen het lichaam.
 
Om het mogelijk te maken dat al deze dingen zo nodig worden hervat en hernomen, worden ze geherbergd in de wijde verborgenheid van het geheugen, in zijn-hoe moet ik het zeggen?-ontoegankelijke en niet onder woorden te brengen ruimten: ze komen er allemaal langs hun eigen deuren naar binnen en worden er opgeborgen. Overigens zijn het niet de dingen zelf die er binnenkomen: het zijn veeleer de beelden van de waargenomen dingen, die daar ten beschikking staan van het denken dat zich hen herinnert.
 
Hoe die beelden tot stand zijn gebracht? Wie zal het zeggen, ook al blijkt duidelijk door welke zintuigen ze zijn gegrepen en daarbinnen opgeborgen? Want ook al vertoef ik in duisternis en stilte, ik breng, als ik dat wil, in mijn geheugen kleuren te voorschijn en maak onderscheid tussen wit en zwart en tussen andere kleuren waar ik dat wil; daarbij komen geen klanken tussenbeide die storend werken op wat ik door mijn ogen heb opgenomen en bezig ben te beschouwen, en dit terwijl toch ook die klanken zich daar bevinden en er als het ware in een afzonderlijke bergplaats bewaard worden. Ook die klanken immers roep ik op wanneer mij dat zint, en ze zijn dan onverwijld bij de hand; en met mijn tong in rust en mijn keel zonder geluid zing ik dan zoveel ik wil, en die beelden van kleuren, die zich daar toch evengoed bevinden, komen niet storend tussenbeide bij het ophalen van de andere voorraad, die via de oren is binnengestroomd.
 
lees verder…

van persoon tot individu [ 2 ]

gelezen: Jan Oegema over Meister Eckhart

Dit weekend verscheen in de zaterdagbijlage Letter & Geest van Trouw een tweede artikel van Jan Oegema over Meister Eckhart. Op de zingevingsmarkt is mystiek op dit moment razend populair en ook voor Meister Eckhart is de belangstelling gestaag groeiende. Oegema noemt hem in de introductie stijgen naar het ongewone samen met Eckhart Tolle, net als Anselm Grün een schrijver van bestsellers:

Meister Eckhart lijkt alleen al door zijn naam verwant te zijn met Eckhart Tolle, ook een Duitser, ook een mysticus, maar dan uit de 20ste eeuw en goed voor grote oplagen. Beiden spreken over loslaten van het ik, afgescheidenheid, ledigheid van gemoed. Beiden zouden deze zin kunnen schrijven: „Ledig is een gemoed wanneer het door niets in de war wordt gebracht en aan niets is gebonden, wanneer het niet door bepaalde emoties wordt vertroebeld en in geen enkel opzicht met zichzelf bezig is.“ Maar de volgende zin kan alleen van de Meister zijn:
„Wanneer de afgescheidenheid haar hoogste graad heeft bereikt, wordt zij door te kennen kennisloos en door liefde liefdeloos en door licht duister.“

Bij Eckhart Tolle is weinig duister, bij Meister Eckhart heel veel. Daarom verkoopt de uitgever van de eerste honderdduizend boeken per jaar, de uitgever van de tweede slechts duizend – als hij geluk heeft. Ik zou liever zien dat het andersom was, ik zou het de Meister graag gunnen.

Juan de la CruzMeister Eckhart toont op dit punt duidelijk verwantschap met de Spaanse mysticus Juan de la Cruz, die met zijn mystieke gedicht Noche Oscura del Alma (donkere nacht van de ziel) de duisternis benadrukt. Uiteraard komen we de duisternis tegen wanneer we een geestelijk leven willen gaan leiden, maar Juan de la Cruz en Meister Eckhart gaan veel verder: ze zien de duisternis als een wezenlijk kenmerk van God. Wanneer we het begin van het Johannesevangelie erbij pakken, lezen we het volgende:

Evangelie naar Johannes 1 : 4-13
In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

Hoe komt het dat een mysticus als Meister Eckhart die volgens Oegema ‘verknocht is aan het christendom’ tot een ervaring van God komt die haaks staat op wat de evangelist Johannes schrijft? Voor een mysticus uit de oosterse traditie van het christendom zoals Simeon de Nieuwe Theoloog zou een dergelijke uitspraak ondenkbaar zijn. Niet alleen de polariteit licht-duisternis wordt door Meister Eckhart als een oosters yin-yangprincipe gehanteerd, ook de polariteit: volheid-leegte.

“De meesters leren, God is een wezen, een intelligent wezen en herkent alle dingen. Ik zeg echter: God is géén wezen, hij is niet intelligent, noch herkent hij dit of dat. Daarom is God leeg van alle dingen. Daarom is het nodig dat de mens er naar streeft van het werken Gods niets te weten noch te herkennen.”
(Bron: Meister Eckhart in Warum wir sogar Gottes ledig werden sollen.)

Een uitspraak als deze doet denken aan een oosterse wijsheid en lijkt een peilloze diepzinnigheid te bezitten. Maar als we deze ervaring toetsen aan het Evangelie en de traditie is deze gewoon onwaar. Het punt is nu dat deze toets steeds meer als (negatief!) fundamentalisme wordt beschouwd. De ‘vrije’ individuele ervaring lijkt nog de enige toets die OK is. Het individu zoekt boven alles zijn eigen-zinnigheid, zichZelf, onafhankelijkheid, orginaliteit en zijn eigen-wijsheid. Oosterse eenheidsmystiek, gnosis en Eckhart sluiten hier naadloos op aan. Dat de kerkelijke leer hier niet in meegaat, wordt vaak als een bevestiging gezien dat het individu gelijk heeft en het instituut zich daartegen verzet. Uit angst voor machtsverlies zou de Kerk daarom inzichten van mystici afwijzen. De tegenstelling instituut-individu (meestal geinterpretteerd als verdrukker-onderdrukte) is een hardnekkig denkbeeld, maar in het geestelijk leven bestaat deze tegenstelling niet. De mens is juist een persoon, in de eerste plaats afhankelijk van Zijn Schepper en geroepen om voor altijd in een relatie met Hem te leven. De oosterse mystiek en gnosis gaan er juist vanuit dat de mens ondeelbaar (individuum) is en in wezen Zélf God is en bij zijn bestemming komt als hij volledig ontwaakt. Oosterse mystiek en gnosis spreken daarom bij voorkeur over het onpersoonlijke leven, over ‘het’ goddelijke, over ‘onzijdig’ bewustzijn en verwerpen God als Persoon.

Meister Eckhart leefde in een tijd (eind 12e , begin 13e eeuw) waarin de theologie in het westen intellectueel geworden was. Het vertrekpunt in de omgang met God had zich verplaatst van het hart naar het hoofd. Er werd heel diep nagedacht en wat Meister Eckhart doet, lijkt op het kraken van een zen-koan. Het lijkt diepzinnig als hij over God spreekt in termen van duisternis en leegte, maar zijn uitspraken getuigen niet meer van een levende omgang met God Die Persoon is. Het is ook niet voor niets dat bij Eckhart God zijn gezicht verliest. Voor het individu betekent dit het begin van zijn ‘verlichting’, maar voor de persoon betekent dit zijn dood.

De vaders van de Orthodoxe Kerk benadrukken de apofatische kennis van God. We kunnen God kennen door wat Hij allemaal niet is. Het lijkt op negatieve theologie avant la lettre. Maar in de Orthodoxie verzelfstandigt de apofatische kennis zich nooit maar blijft ze steeds verbonden met de levende ervaring met God. Daarom schrijft de evangelist Johannes (die ook wel Johannes de Theoloog wordt genoemd) in zijn eerste Brief :

Johannes de TheoloogEerste Brief van Johannes 1: 5-7
En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis

van persoon tot individu [ 1 ]

gelezen in Letter & Geest (weekendbijlage van Trouw):
Jan Oegema over Meister Eckhart

Jan OegemaNa mij tussen kerst en nieuwjaar te hebben overgeven aan een horizontaal leven met de Top 2000, ben ik mij deze week weer gaan verdiepen in ernstiger zaken. Ik ben chronisch achter met lezen en daar ben ik inmiddels al zo aan gewend geraakt dat ik de stapels aan het begin van het nieuwe jaar maar gewoon doorschuif naar een archief dat door mij waarschijnlijk altijd ongelezen zal blijven. Positieve bijkomstigheid is dat ik voortdurend mag blijven reflecteren op het nut en nadeel van kennis voor het leven. Hierop half-bezinnend kwam vanmorgen de volgende alinea van een artikel van Jan Oegema voor mijn neus:

En u, waarom leest u deze aflevering van Letter & Geest? U zegt tegen uzelf dat u behoefte heeft aan verdieping, dat u graag over de grote dingen van het bestaan nadenkt. Dat is zonder twijfel zo. Maar uw broer en zuster lezen nooit een krant, laat staan een betere – hoe komt het dan dat u dat wéll doet? Zeker, u bent geinteresseerd in zingeving. – maar wat u daar ten diepste toe aanzet, onttrekt zich aan uw waarneming. Verdieping, zingeving, dat zijn verklaringen achteraf. U bent uw eigen werk niet, u ontkomt er domweg niet aan te doen wat u nu doet.
Geen enkele mens kent zijn particuliere broncode

Eckhartzegt Jan Oegema aan het begin van een vervolgartikel over Meister Eckhart met de titel De godheid heeft geen gezicht. Ik moet hem gelijk geven dat ik niet precies weet waarom ik dit artikel ben gaan lezen en waarom ik het eerste deel van zijn reeks over de Duitse mysticus van 2 december j.l. (inderdaad nog ongelezen in het archief!) nu ook ben gaan lezen. Waarschijnlijk komt het omdat ik deze week weer een oefening cultuurbeschouwing heb gedaan op deze plek en de naam van Eckhart daarin voorbij had laten komen. Ik noemde zijn mystiek als voorbeeld van een reactie op het intellectualisme van zijn tijd, maar tegelijkertijd toch ook weer een product van dit intellectualisme. Ik vergelijk het maar met de Romantiek als reactie op de Verlichting. (Niet voor niets werd Eckhart in de Romantiek, na 500 jaar, pas herontdekt.) Een reactie voegt zich altijd ook naar datgene waarop het reageert en zoals er in de Romantiek heel veel elementen uit de Verlichting zijn opgenomen, zo nam Meister Eckehart veel over uit de scholastiek die hem in zekere zin heeft voortgebracht.

Een van mijn motieven om Oegema’s essay te gaan lezen heb ik hiermee genoemd. Een ander motief is dat ik mij graag op de hoogte wil laten houden van de bewegingen in het geestelijke leven om mij heen. Dat is ook de reden waarom ik Trouw | de Verdieping lees, volgens mij de enige krant in Nederland die kwalitatief en veelzijdig schrijft over religie en zingeving. De uitgever en publicist Oegema is al een paar jaar een van de terugkerende essayisten in het zaterdagbijvoegsel Letter & Geest en met zijn artikelen bedient de krant een deel van haar lezers dat iets van zichzelf herkent in Oegema’s etiket (dat eigenlijk geen etiket mag zijn) soloreligieus. Vaak hebben deze lezers een christelijke én kerkelijke achtergrond, maar vinden ze de christelijke leer en het kerkelijk leven te benauwd geworden om zichzelf volledig te kunnen ontplooien en om ‘datgene’ te kunnen vinden dat ze ‘God’ noemen.

In levensbeschouwelijk opzicht zijn soloreligieuzen actiever dan zgn. ietsisten. Een ietsist ben je namelijk al zodra je gelooft dat er ‘meer’ is en een soloreligieus is juist iemand die een actieve en persoonlijke zoektocht gaat naar dat ‘meer’. Wat de soloreligieus dan weer onderscheidt van de traditionele gelovige, is juist het geloof in de persoonlijke God. Waar de (niet vrijzinnige) christen spreekt over God of Christus, spreekt de soloreligieus over God, god, godheid, het goddelijke of de historische Jezus van Nazareth. Meestal gaat het in de soloreligiositeit al veel te ver om God (het goddelijke) een naam te geven en daarvan getuigt ook Oegema’s essay in Letter & Geest: “De godheid heeft geen gezicht.”

EckhartDe komende weken wil ik in mijn weblog een paar citaten uit dit artikel gaan belichten vanuit het orthodox christendom. de mysticus Meister Eckhart is nu voor velen een held en een voorbeeld, maar in 1329 werd de ban over zijn geschriften uitgesproken. Het cliché dicteert ons tegenwoordig dat dit een laffe actie was van het machtsinstituut kerk dat eigenlijk bewijst dat Eckhart gewoon gelijk had. Hoewel ik zelf tien jaar lang een weg van (verre-)oosterse en westerse mystiek gevolgd heb en dacht dat de christelijke dogma’s voor mij en de mensheid een gepasseerd station waren, ben ik uiteindelijk gaan ingezien waarom de citaten (die ik tot nu toe van Eckhart gehoord heb) niet spreken over een echte relatie met God, maar dat ze spreken over een bepaalde ervaring van ‘de godheid’ die bij het individu past. Het is daarom ook heel logisch dat hij ons nu, in onze geïndividualiseerde tijd, zo aanspreekt. Bij Eckhart verliest God zijn gezicht, is Hij niet langer een Persoon. Dat spreekt de meeste mensen van nu aan, omdat we van een persoon steeds meer tot een individu geworden zijn. We lijken zelfs het verschil tussen persoon en individu vergeten …

(wordt vervolgd…)

De angst nooit meester [ Anton van Harskamp over soloreligieuzen ]
Meister Eckhart [ eckhart.de ]