In het Tiende Boek van de Belijdenissen onderzoekt Augustinus het menselijk brein. Deze tekst van 1600 jaar oud overtreft in frisheid en verwondering veel moderne psychologische teksten.
Wanneer ik daar ben, beveel ik dat te voorschijn wordt gebracht wat ik maar verkies: bepaalde dingen komen dan onverwijld opdagen, terwijl naar andere langer wordt gezocht en deze om zo te zeggen uit verderweg gelegen bergplaatsen worden opgediept; er zijn er ook die in zwermen komen aanvliegen en die terwijl naar iets anders gevraagd en gezocht wordt, tussenbeide springen, alsof ze willen zeggen: ‘Zijn wij het soms niet?’ En met de hand van mijn hart blijf ik ze wegduwen van het aangezicht van mijn herinneren, net zolang totdat het gewenste doorbreekt en uit de verborgenheid voor mijn ogen treedt. Andere dingen bieden zich zonder moeilijkheden en in ongestoorde volgorde aan, juist zoals ze worden opgeroepen: het voorafgaande maakt plaats voor het volgende en wordt, terwijl het zo plaatsmaakt, opgeborgen om te voorschijn te komen wanneer ik dat weer wens. Dit alles doet zich voor wanneer ik uit mijn herinnering iets aan het vertellen ben.

Om het mogelijk te maken dat al deze dingen zo nodig worden hervat en hernomen, worden ze geherbergd in de wijde verborgenheid van het geheugen, in zijn-hoe moet ik het zeggen?-ontoegankelijke en niet onder woorden te brengen ruimten: ze komen er allemaal langs hun eigen deuren naar binnen en worden er opgeborgen. Overigens zijn het niet de dingen zelf die er binnenkomen: het zijn veeleer de beelden van de waargenomen dingen, die daar ten beschikking staan van het denken dat zich hen herinnert.
Hoe die beelden tot stand zijn gebracht? Wie zal het zeggen, ook al blijkt duidelijk door welke zintuigen ze zijn gegrepen en daarbinnen opgeborgen? Want ook al vertoef ik in duisternis en stilte, ik breng, als ik dat wil, in mijn geheugen kleuren te voorschijn en maak onderscheid tussen wit en zwart en tussen andere kleuren waar ik dat wil; daarbij komen geen klanken tussenbeide die storend werken op wat ik door mijn ogen heb opgenomen en bezig ben te beschouwen, en dit terwijl toch ook die klanken zich daar bevinden en er als het ware in een afzonderlijke bergplaats bewaard worden. Ook die klanken immers roep ik op wanneer mij dat zint, en ze zijn dan onverwijld bij de hand; en met mijn tong in rust en mijn keel zonder geluid zing ik dan zoveel ik wil, en die beelden van kleuren, die zich daar toch evengoed bevinden, komen niet storend tussenbeide bij het ophalen van de andere voorraad, die via de oren is binnengestroomd.
lees verder…
Meister Eckhart toont op dit punt duidelijk verwantschap met de Spaanse mysticus
Eerste Brief van Johannes 1: 5-7
Na mij tussen kerst en nieuwjaar te hebben overgeven aan een horizontaal leven met de Top 2000, ben ik mij deze week weer gaan verdiepen in ernstiger zaken. Ik ben chronisch achter met lezen en daar ben ik inmiddels al zo aan gewend geraakt dat ik de stapels aan het begin van het nieuwe jaar maar gewoon doorschuif naar een archief dat door mij waarschijnlijk altijd ongelezen zal blijven. Positieve bijkomstigheid is dat ik voortdurend mag blijven reflecteren op het nut en nadeel van kennis voor het leven. Hierop half-bezinnend kwam vanmorgen de volgende alinea van een artikel van Jan Oegema voor mijn neus:
zegt Jan Oegema aan het begin van een
De komende weken wil ik in mijn weblog een paar citaten uit dit artikel gaan belichten vanuit het orthodox christendom. de mysticus Meister Eckhart is nu voor velen een held en een voorbeeld, maar in 1329 werd de ban over zijn geschriften uitgesproken. Het cliché dicteert ons tegenwoordig dat dit een laffe actie was van het machtsinstituut kerk dat eigenlijk bewijst dat Eckhart gewoon gelijk had. Hoewel ik zelf tien jaar lang een weg van (verre-)oosterse en westerse mystiek gevolgd heb en dacht dat de christelijke dogma’s voor mij en de mensheid een gepasseerd station waren, ben ik uiteindelijk gaan ingezien waarom de citaten (die ik tot nu toe van Eckhart gehoord heb) niet spreken over een echte relatie met God, maar dat ze spreken over een bepaalde ervaring van ‘de godheid’ die bij het individu past. Het is daarom ook heel logisch dat hij ons nu, in onze geïndividualiseerde tijd, zo aanspreekt. Bij Eckhart verliest God zijn gezicht, is Hij niet langer een Persoon. Dat spreekt de meeste mensen van nu aan, omdat we van een persoon steeds meer tot een individu geworden zijn. We lijken zelfs het verschil tussen persoon en individu vergeten …












