Categorie archief: filosofie

verstrikt in de waarheid, kan dat?

“Het kwam veeleer doordat de mensen in hun bewustzijn geen ruimte wilden vrijmaken voor een dergelijke onvoorstelbare verschrikking. Ze bezaten noch de verbeeldingskracht, noch de moed die verschrikking onder ogen te zien. Het blijkt mogelijk te zijn om te leven in het schemergebied tussen kennen en ontkennen.”
W.A. Visser ‘t Hooft, Memoirs
Londen 1973

Dit is het motto van het boek “Albert Speer: verstrikt in de waarheid” geschreven door Gitta Sereny.

Interessant boek. Albert Speer is een van de weinigen die de dans ontsprongen bij de Neurenberger processen tegen Nazi-misdadigers, hij werd ‘slechts’ veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf. In de gevangenis is hij boeken gaan schrijven, waarin hij tot een soort gewetensonderzoek kwam. In die zin is was hij beter dan de meeste andere nazis : hij gaf toe dat hij ‘fout’ geweest was. Echter, hij is, ondanks dat de ‘feiten’ hebben ‘aangetoond’ dat hij wel op de hoogte geweest moést zijn van de Holocaust, blijven ontkennen dat hij hier iets van wist .

Nietzsche heeft de vraag gesteld “hoeveel waarheid verdraagt de mens”.

Blijkbaar zit er in mensen, zie Albert Speer, een mechanisme, dat er voor zorgt dat we ‘bepaalde waarheden’ over onszelf, niet onder ogen krijgen, er is iets dat zich hardnekkig verzet.

Dit mechanisme beschermt ons, zou je kunnen zeggen, tegen die waarheden die we niet aankunnen.

Behoort dit mechanisme tot het Goede ( bijvoorbeeld omdat het ons dan pas met waarheden confronteert, op het moment dat we het aankunnen) of tot het Kwade( bijvoorbeeld omdat het ons afhoudt van de waarheden die we, hoe verschrikkelijk ze ook zijn ,
nodig hebben om tot onszelf te komen.

gepost door Kees Straks

Reactie Woest & Vredig
De vraagstelling blijft enerzijds gesteld binnen het relativisme, omdat er over waarheden gesproken wordt. Aan de andere kant veronderstelt de vraag juist het Goede en het Kwade met een hoofdletter. De vraag zou consistenter zijn als gesproken zou worden over de Waarheid i.p.v. waarheden. In dat geval lijkt het mij dat elke gedachte die mij afhoudt van de Waarheid nooit uit het Goede kan voortkomen. Het Goede wil dat we tot de Waarheid komen en niet dat we gevangen raken in deelwaarheden. Een deelwaarheid die grote macht uitoefent, is bijvoorbeeld de opvatting dat de Waarheid uit stukjes (van de Waarheid) zou bestaan. Of de gedachte dat elk mens en elke tijd zijn eigen waarheid heeft.

Het Goede openbaart mij persoonlijk dat er één ongedeelde Waarheid bestaat. Dat is voor de achterdochtige postmoderne mens een levensgevaarlijke uitspraak. Maar ik weet het zeker: ook al hebben wij in deze gebroken wereld de neiging ons te laten misleiden door stukjes van de waarheid, we kunnen nog altijd de ongebroken Waarheid (her)kennen, mits we daarbij het hart gebruiken. Vanuit mijn verstand kan ik hoogstens een relativistisch standpunt innemen of juist een absolute waarheid liegen.

fout!

Wat niet goed is wordt niet langer kwaad genoemd, want dat klinkt te abstract, te moralistisch, het riekt naar metafysica. ‘Wat dat betreft zijn we allemaal enorme relativisten, ervan doordrongen dat dit subjectieve waarden zijn, voor jou weer anders dan voor mij. Dat erken ik ook wel, maar ik denk alleen dat onze morele begrippen afglijden. Wat niet goed is, wordt tegenwoordig ‘fout’ genoemd. Dat is een devaluatie van het begrip goedheid. ‘Fout’ klinkt zoveel milder dan ‘kwaad’ of ‘slecht’. Het woord is ook verbonden met het uiterlijk: we hebben het over ‘een fout pak’. De term wekt de suggestie dat een morele categorie te maken heeft met imago, dat er iets te herstellen valt met een jasje dat beter afkleedt. Die vervlakking van begrippen komt ook door de snelheid waarmee we oordelen.
Schrijfster Désanne van Brederode in Filosofie Magazine

Met het wegvallen van de christelijke religie als bindend normen en waardensysteem zijn in onze postmoderne tijd de begrippen ‘goed’ en ‘kwaad’ problematisch geworden. Vaak wordt het denken in de tegenstelling goed en kwaad gelijkgeschakeld met denken in zwart en wit. Dat is een al te gemakzuchtige visie. Denken in termen van goed en kwaad kan ongenuanceerd zijn, maar niet denken in termen van goed en kwaad kan ook ongenuanceerd zijn. Je komt de grijzen pas tegen als je licht en donker wilt waarnemen.

De visie die denken in termen van goed en kwaad verwerpt, wordt voortgebracht door een verkrampt relativisme waarin ‘goed’ en ‘kwaad’ per definitie inwisselbaar moeten zijn. Het enige absolute kwaad dat dit verkrampte relativisme nog toelaat, is het gezicht van fascisme en rascisme. Decennialang kon je alleen door deze woorden te gebruiken een (politieke) tegenstander demoniseren en elk serieus debat lamleggen.

Relativisme is een (beschermings)mechanisme om ons te behoeden voor totalitair denken. We moeten ons geestelijke onderscheidingsvermogen ontwikkelen door het waarnemen van de grijzen om ons heen. Maar het clair-obscur van goed en kwaad hebben we uiteindelijk wel nodig om die grijzen te kunnen waarnemen. Vanuit onszelf zijn we niet in staat een ethiek te ontwikkelen, want ons bestaan wordt ons geopenbaard in een morele dimensie, in een clair-obscur van goed en kwaad denken en handelen.

Een relativisme dat zich hiervoor afsluit, brengt ons helemaal niet bij de nuance, maar maakt ons juist geestelijk blind. Vergelijk het met een virus dat het verdedigingssysteem van het lichaam aanvalt. Wanneer dit eenmaal gesaboteerd is, kan een verkoudheid al fataal worden. Wanneer we onszelf door een krampachtig relativisme laten opleggen dat denken in termen van goed en kwaad verkeerd is, dan verdedigen we onze ziel niet goed en kunnen er vervolgens allerlei gedachten binnendringen die onze ziel schaden. Bovendien hebben we dan geen geestelijk kompas meer in huis om richting te kiezen in de morele dimensie van ons bestaan.

blik in de afgrond

Nog steeds ben ik aan het lezen in Hoeveel waarheid heeft de mens nodig? In het derde hoofdstuk over Nietzsche beschrijft Rüdiger Safranski hoe en waarom Nietzsche definitief met alle metafysica wil afrekenen. Het begint met zijn eerste kennismaking met de filosofie van Schopenhauer:

In 1866, inmiddels student klassieke talen in Leipzig, heeft Nietzsche zijn Schopenhauer-belevenis. Bij Schopenhauer leert hij wat het betekent echt met alle voorstellingen van een aan gene zijde en alle transcendentie af te rekenen: het betekent het leven de waarde van het heilige, die rest religiositeit te ontnemen. De wereld is ‘wil’, een oneindig begeren, een opvreten en opgevreten worden, van elke zin ontdaan. Alleen onze ‘voorstellingen’ projecteren ‘zin’ in die wederwaardigheden. Voor de illusieloze blik van Schopenhauer kunnen die projecties geen stand houden. Met de surrogaatgoden, die het aardse leven moeten heiligen, wordt korte metten gemaakt. Wat overblijft is de afgrond van een wereldwil die door ons heen gaat en die geen hoger doel, geen zin kent, maar alleen zichzelf wil, zinloos en doelloos, niettemin machtig, zelf oppermachtig.”

SchopenhauerMet Schopenhauer heeft Nietzsche in het leven de donkere afgrond in het oog gekregen en is pessimist geworden. Maar hij wil ook Schopenhauer overtreffen. Hij wil iets paradoxaals: hij wil het onverdraagelijke leven in een oneindige hartstocht omzetten, zonder in een aan gene zijde te vluchten, ook niet in het aan gene zijde van de negatie. De formulering voor deze houding luidt: dionysisch pessimisme.

“We moeten inzien hoe alles wat ontstaat, bereid moet zijn om smartelijk ten onder te gaan, we worden gedwongen een blik te werpen in de verschrikkingen van het individuele bestaan- maar van een schrik verstarren doen we niet, want een metafysische troost rukt ons kortstondig weg uit het gewoel van vluchtige gestalten. Voor enkele ogenblikken zijn we werkelijk het oerwezen zelf en voelen diens tomeloze bestaansdorst en bestaanslust; de strijd, de kwelling, de vernietiging van de verschijnselen dunkt ons nu noodzakelijk, gezien de overdaad van ontelbare, naar het leven snakkende en elkaar verdringende bestaansvormen bij de overweldigende vruchtbaarheid van de wereldwil; we worden door de helse stekel van deze kwellingen doorboord, en op hetzelfde moment voelen we ons als het ware één met de onmetelijke oerlust in het bestaan en worden we de onverwoestbaarheid en eeuwigheid van deze lust in dionysische vervoering gewaar. Ondanks vrees en medelijden zijn we de gelukkig-levenden, niet als individuen, maar als het ene levende, met de voortplantingslust waarvan we versmolten zijn.”
uit: Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik

Wee de mens die boven alles stoer en sterk wil zijn.

Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik
The birth of Tragedy [ integrale tekst in Engelse vertaling ]