Categorie archief: filosofie

Duik in het diepe

De vraag naar de waarheid veronderstelt scheiding.
“Wie ben ik?” kan ik bijvoorbeeld alleen vragen als ik mijzelf nog niet goed genoeg ken, als er tussen mijn zijn en mijn bewustzijn een kloof gaapt, dus als ik nog van mijzelf ben gescheiden. Nietzsche heeft deze schijnbare tegenstrijdigheid vastgelegd in de uitspraak: “Word die je bent.”
Je moet dus ‘buiten jezelf zijn’ om jezelf de vraag naar je eigen waarheid te kunnen stelen. Je wilt de waarheid over jezelf achterhalen om eindelijk in het volle bezit van jezelf te zijn. Je wilt thuis zijn bij jezelf. De precaire situatie van het zoeken naar waarheid is die van het ‘buiten’. Je bent van jezelf gescheiden, en het is het bewustzijn dat die scheiding aanbrengt. Niet het zijn, alleen het bewustzijn stelt waarheidsvragen. Omdat het bewustzijn scheiding aanbrengt, wordt het ook als pijnlijk ervaren: het berooft ons van de onmiddellijke lichtheid van het bestaan.”

Zo begint Hoeveel waarheid heeft de mens nodig? van Rüdiger Safranski. Zaterdag kreeg ik het boek binnen en nu ligt het op mijn nachtkastje. Het is niet mijn eerste boek van Safranski. Ik heb inmiddels zes boeken van hem die uitstekend in het Nederlands vertaald zijn (o.a. door Mark Wildschut) waaronder drie monografieën over Schopenhauer, Nietzsche en Heidegger.

boeken van Safranski

Hij heeft een heldere stijl en het vermogen om filosofische vraagstukken toegankelijk maken zonder daarbij de complexiteit uit het oog te verliezen. Met zijn enorme parate kennis is hij in staat citaten van verschillende denkers aan elkaar te koppelen om zo een gedachtegang te illustreren. Zijn betoog is meestal goed getimed met hier en daar een vermakelijke annekdote, zonder dat dit ten koste gaat van de diepgang. Integendeel, op filosofisch entertainment kun je Safranski niet betrappen. Meestal neemt hij je op de eerste bladzijde al direct mee naar het diepe.

Sommige alinea’s zijn zo geconcentreerd in betekenis dat je ze meer keren moet lezen. Het is een soort peilen van de diepte, een inspanning die de lezer ( gelukkig ) zelf moet doen. Bijvoorbeeld in de opening van het hoofdstuk over Rousseau:

We zijn altijd al binnen voor we merken dat we binnen zijn. We merken het als zich iets aandient en aan ons opdringt dat we als buiten ervaren. Het buiten is het vreemde. Volwassen worden betekent dat een merkwaardige chemie ons met dit vreemde vermengt en de evidentie van een zuiver innerlijk verloren gaat.
Het genie van Jean-Jacques Rouseau bestaat uit niets anders dan dat hij aan die evidentie van het innerlijk heeft vastgehouden of die heeft herontdekt en met een polemische energie tegenover de buitenwereld heeft ingezet, met onafzienbare gevolgen voor onze cultuur; een buitenwereld die zich door deze tegenstelling onvermijdelijk als universum van de vervreemding moet voordoen.”

Interview met Rüdiger Safranski in De Groene

meta-racisme

Slovoj ŽižekGisteren viel de nieuwe Filosofiemagazine op de deurmat. Met daarin o.a. een kort vraaggesprek met de Sloveense postmoderne marxist Slavoj Žižek. Ivana Ivkovic legt hem de vraag voor wat het einde van het muticulturalisme voor linkse denkers betekent. Zijn boodschap:

“Kabbel niet mee met rechts populisme en durf een tikje militant te zijn. Want er is nog een Groot Verhaal te vertellen.”

Opmerkelijk voor een postmodern denker. En blijkbaar hoeven postmodernisme en relativisme ook niet altijd samen te gaan:

“Ik ben geen waarderelativist. ( … ) Ik vind dat slechts één van ons gelijk kan hebben. Er is slechts één positie die aanspraak kan maken op universele geldigheid.”

In een heldere analyse ontmaskert hij de mythe van de neutrale positie t.o.v. niet-Westerse culturen als meta-racisme.

( … ) Het einde van het multiculturalisme is immers vooral een einde aan de vermeende zelfvernedering, waar westerlingen zo in getraind waren. Vroeger kon je als witte, heteroseksuele man niet eens spreken over je eigen “authentieke” cultuur en identiteit, want dan was je bij voorbaat al verdacht, dan was je al bijna een neofacist. Maar die zelfvernedering bleek ook een dekmantel. Juist doordat wij “identiteitloos” waren, konden wij namelijk spreken over universele waarden. Want omdat wij geen identeit hadden, spraken we vanuit een neutrale positie. En precies dat was zo arrogant tegenover die mensen die we zogenaamd beschermen. “Toe maar, wees vooral jezelf”, zeiden we – maar daarmee stellen wij de norm van wat “jezelf” is. Niet omdat we “westers” en dus superieur waren, want dat zou racistisch zijn, maar omdat we “neutraal” waren. Maar superieur bleven we… stiekem. Het is eigenlijk meta-racisme. Fascinerend, hoe deze hypocresie mogelijk was: meta-racisme als kritiek op het racisme! ( … )

Slavoj Žižek: Pleidooi voor intolerantie

de wijze der wijzen

De moed geen enkele vraag voor zich te houden maakt iemand tot een filosoof. Hij moet op Oedipus van Sophocles lijken, die op zoek naar opheldering over zijn eigen ontstellende lot onvermoeibaar verder zoekt, zelfs als hij vermoedt dat uit de antwoorden het allerverschrikkelijkste voor hem zal blijken.
Arthur Schopenhauer in een brief aan Goethe.
uit: Rüdiger Safranski, Het Kwaad, Atlas 1998

schopenhauer-online.de