Categorie archief: Frankrijk

Oriëntalisme

Vorige week las ik De Graaf van Monte Cristo (1846) uit

Graaf van Monte CristoIn april begon ik aan de klassieker van Alexandre Dumas. Deze succesvolle roman-feuilleton, voor het eerst gepubliceerd in het Journal des Débats in 18 delen tussen 28 augustus 1844 tot 15 januari 1846, bevat allerlei elementen die het Franse publiek tijdens de regering van Louis-Philippe bezig hielden. Bonapartisme, effectenhandel, de opkomst van de telegraaf en spoorwegen en oriëntalisme. Het oriëntalisme heeft veel meer met West-Europa (Frankrijk in het bijzonder) te maken dan met het Midden-Oosten. Je zou dit fenomeen kunnen zien als een mengsel van romantische idealisering, volkenkunde en toerisme.

Larnaca
De Graaf van Monte Cristo op Cyprus
De Venetianen heersten van 1489 tot 1573 over Cyprus. Op de Finikoudes Boulevard in Larnaca staat een (grijnzende!) kopie van de leeuw van San Marco. Het origineel werd tijdens de Vierde Kruistocht (1202-1204) gejat uit Constantinopel en is sindsdien het symbool van La Serenissima. Een geschenk van de stad Venetië aan de stad Larnaca die sinds 2010 met elkaar een stedenband onderhouden. Het Levantijnse bezit van de voormalige zeemacht wordt met dit vriendelijke plasje alsnog afgebakend.

Dumas weeft het oriëntalisme handig door zijn roman heen door te verwijzen naar het verblijf van zijn hoofdpersoon, Edmond Dantès, in de Oriënt. Nadat hij na veertien jaar gevangenschap in het Château d’If (vlak voor de kust bij Marseille) ontsnapt is, brengt hij ongeveer tien jaar door in het Midden-Oosten alvorens hij in 1838 terugkeert naar Parijs om wraak te nemen op degenen die hem ten onrechte veroordeeld hebben tot levenslang wegkwijnen in een kerker, een straf die hij als vele malen erger beschouwt dan de doodstraf. Over die jaren schrijft Dumas niets, want hij maakt op een gegeven moment en sprong van tien jaar.

Maar als Edmond Dantès als de Graaf van Monte Cristo terugkeert in zijn land, is hij naast zijn trouwe dienaar Bertuccio, omgeven door een kleine oosterse hofhouding. Prinses Haydée is in Dumas’ roman de verpersoonlijking van het oriëntalisme.

Haydée is de dochter van Ali Pasja van Ioannina en Vasiliki. Haydée wordt op driejarige leeftijd geconfronteerd met het verraad van Fernando Mondego. Haydée weet zich dit nog goed te herinneren doordat Fernando een litteken op zijn hand heeft. Tijdens de Turkse oorlog is haar vader verraden door Fernando Mondego en is zij samen met haar moeder verkocht als slavin. Op het moment dat haar moeder het hoofd van Ali op een spies ziet staan, sterft zij ter plekke en is Haydée wees. Monte Cristo heeft haar tijdens een van zijn reizen gekocht en voedt haar op alsof ze zijn eigen dochter is. Door de jaren heen is er een intieme band tussen de twee ontstaan. Bron: nl.wikipedia.org

Door de expeditie van Napoleon naar Egypte (1798-1799) waren de Fransen al sinds 1800 vertrouwd geraakt met het Midden-Oosten. Napoleon had uit Egypte zijn Mammelukse lijfwacht Roustam Raza naar Frankrijk meegenomen, en deze was tot april 1814 een van de trouwste dienaren van de Franse keizer. De Fransen raakten met zijn exotische verschijning naast Napoleon vertrouwd, doordat hij op vele schilderijen (en nog veel meer prenten) stond afgebeeld. Roustam werd in de jaren na 1815 opgevolgd door de ontelbare oosterse figuren op de schilderijen van Delacroix, Ingres, Gérôme en andere oriëntalisten.

Roustam Raza werd in Georgië geboren als zoon van een Armeense koopman en zijn Georgische echtgenote. In 1797 werd hij in Constantinopel als slaaf verkocht. Na het overlijden van zijn meester kwam hij in Caïro in het bezit van een met Napoleon bevriende sjeik. In augustus 1799, kort voor Napoleons terugkeer in Frankrijk, trad hij in zijn dienst. De volgende vijftien jaar vergezelde Roustam de consul en latere Franse keizer op al zijn krijgstochten, van Spanje tot Rusland aan toe. ‘s Nachts sliep hij direct naast Napoleons vertrek. Op 1 februari 1806 trouwde hij Alexandrine Douville, de dochter van de eerste kamerjonker, valet de chambre, van keizerin Joséphine de Beauharnais. Bron: nl.wikipedia.org

de ontwaakte camera

gisteren gezien op Arte: A bout de souffle (1960)

A bout de souffleGisterenavond nog eens gekeken naar de moeder van alle nouvelle vague films. Dit genre ontstond aan het einde van de jaren vijftig en werd vertegenwoordigd door Agnes Varda, Robert Bresson, Claude Chabrol, Alain Resnais, Jacques Rivette, Éric Rohmer, François Truffaut en Jean-Luc Godard.

De filmtaal van de nouvelle vague berust voor een deel op de deconstructie van de traditionele filmtaal. Zo worden er moedwillig as-fouten gemaakt. Dit betekent dat er tegen de 180-graden regel gezondigd wordt, waarbij in dialogen de personen in een hoek van 180 graden (dus recht) tegenover elkaar staan.

Stijlmiddelen van de Nouvelle Vague
Er wordt met een handcamera gefilmd, De personen spreken tegen de camera, Bewuste vergrijpen tegen de continuïteit, Gebruikmaken van springers (zogenoemde ‘jump-cuts’) en as-fouten, Doorgedreven ellipsgebruik, Klankband, Men hoort verschillende geluiden, Het geluid is niet synchroon, Het geluid gaat op en neer, Soort muziek: jazz (bedoeld om de kijker geconcentreerd te houden), auteur staat centraal (auteurstheorie) Bron: nl.wikipedia.org

Een ander stijlmiddel uit de nouvelle vague is de zogenaamde jumpcut, een haperende montage waarbij ook de filmhoek verandert. Deze stijlmiddelen geven aan de film een rommelige natuurlijkheid. Bij Godard laat de camera het kunstmatige van de aangeleerde filmtaal achter zich en gaat op zoek naar het echte leven.

Het denkende shot [ W&V ]

demonen en wonderen

gisteren gezien op TV5: Jacquot de Nantes (1991)
biografische film over de Franse cineast Jacques Demy van Agnes Varda

Jacquot de NantesDrie weken geleden overleed de Franse filmregisseur Agnes Varda (1928-2019), sinds 1990 weduwe van de Franse regisseur Jacques Demy (1931-1990). Vlak voor zijn dood maakte ze de biografische film Jacquot de Nantes waarin ze haar man als jongetje portretteert in zijn vaderstad Nantes tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog.

Al op jeugdige leeftijd wist Demy dat hij filmmaker wilde worden. In de etalage van een rommelwinkeltje in de fotogenieke Passage Pommeraye in Nantes (die figureert in zijn film Lola) vond hij zijn allereerste filmcamera. Deze moest nog met een slinger bediend worden. Hiermee maakte hij zijn eerste filmpje waarbij kinderen uit de omgeving figureerden. Zijn ambities om cineast te worden botsten met de wil van zijn vader die een klein garagebedrijf had en zijn zoon naar de polytechnische school wilde sturen zodat hij zijn vader kon opvolgen in de garage. Op een zoldertje boven de werkplaats van zijn vader bouwde Jacquot zijn eerste ‘studio’ waar hij stop motion filmpjes maakte met papieren figuurtjes.

Jacquot de Nantes
Jacques Demy als jongetje bij de garage van zijn vader in Jacquot de Nantes (1991)
Mais dans tes yeux entrouverts
Deux petites vagues sont restées

uit: Démons et merveilles
van Jacques Prévert

Bij Demy vallen zijn liefde voor film en zijn liefde voor zijn geboorteplaats met elkaar samen. Zoals Bertolucci intens verbonden is met zijn vaderstad Parma en Edgar Reitz met de Hunsruck, zo speelt in de auteursfilms van Demy de havenstad Nantes en de zee altijd wel een rol. En als hij filmt in andere havensteden, zoals Cherbourg (1964) of Rochefort (1967), dan is dat voor hem toch een beetje Nantes. Steeds zien we weer de matrozen die hij zo goed kende uit zijn jeugd.

Varda filmt net als Edgar Reitz in Heimat afwisselend in zwart-wit en kleur. Ze tast graag in extreme close ups oppervlakten af. Zo eindigt de film ook, met een wandeling van de camera langs het schuim en zeewier in de branding. Totdat we Jacques Demy zelf op het strand zien zitten, vlak voor zijn dood gefilmd toen hij al doodziek was. Het gedicht Jacques Prévert Démons et merveilles (demonen en wonderen) wordt daarbij zachtjes gezongen. Een gedicht dat Demy op zijn lijf geschreven was.

Jacques Demy zag altijd het betoverende in het aardse, maar de betovering stond nooit op zichzelf en was steeds verbonden met de pijn van het afscheid nemen. Agnes Varda zei over zijn films: “Zijn films doen van het leven houden. Ze geven vreugde en de kracht om te wachten”. Maar ze hebben een dubbele persoonlijkheid: enerzijds zijn het ernstige gevoelsfilms met diepe wortels, anderzijds zulke lichte bloemen dat het zonnige sneeuwvlokjes lijken”

Démons et merveilles, vents et marées
Au loin déjà la mer s’est retirée
Et toi comme une algue
Doucement caressée par le vent
Dans les sables du lit
Tu remues en rêvant
 
Démons et merveilles, vents et marées
Au loin déjà la mer s’est retirée
Mais dans tes yeux entrouverts
Deux petites vagues sont restées
 
Démons et merveilles, vents et marées
Deux petites vagues pour me noyer

Demonen en wonderen, wind en getijden / In de verte heeft de zee zich al teruggetrokken / En je houdt van een stukje zeewier / voorzichtig gestreeld door de wind / in het zand van het bed / Je beweegt je terwijl je droomt / Demonen en wonderen, wind en getijden / In de verte heeft de zee zich al teruggetrokken / Maar in je halfopen ogen / bleven er nog twee golfjes over / Demonen en wonderen, wind en getijden / Twee golfjes om me te verdrinken

Jacquot de Nantes [ imdb.com ] | the essential Jacques Demy [ criterion.com ]

De graaf van Monte-Cristo

de eerste 40 hoofdstukken gelezen van De Graaf van Monte Cristo (1844)

De Graaf van Monte CristoDe Graaf van Monte Cristo behoort tot de beroemdste romanfiguren van de negentiende eeuw. Ik kende hem alleen nog van de film en zag dan Richard Chamberlain of Gerard Depardieu voor mij. Maar ik wilde Edmond Dantes zien zoals ik Julien Sorel, Fabrizio del Dongo, Jean Valjean of Raskolnikov kan zien: zoals Stendhal, Hugo en Dostojewsky hun personages oorspronkelijk gezien hebben. Dus besloot ik het boek toch maar eens te gaan lezen. Weliswaar veertig jaar te laat, want de roman van Alexandre Dumas is eigenlijk een jongensboek dat je op je vijftiende zou moeten lezen. Dumas schrijft met een sneltreinvaart en neemt geen tijd voor filosofische bespiegelingen zoals Hugo of voor fijne psychologische observaties zoals Stendhal en Dostojewsky. Het is geschreven met een behangerskwast.

Veel Franse romans uit de negentiende eeuw nemen hun aanvang bij Napoleon. De Kartuize van Parma (1839) begint met de intocht van Napoleon in Milaan op 15 mei 1796, Les Miserables (1862) begint in 1815. Ook De Graaf van Monte Cristo begint in 1815 en wel op 27 februari, vlak voor de landing van Napoleon in de Golfe-Juan op 1 maart 1815. Dumas gebruikt de geschiedenis als decor en lijkt daarin meer op Stendhal dan op Hugo. Hij probeert de geschiedenis niet te begrijpen en schetst in een paar streken de situatie. De graaf van Monte Cristo treedt pas veertien jaar na de aanvang van het verhaal naar buiten, waardoor het meeste zich eigenlijk pas na 1829 afspeelt. Maar je hoort Dumas niet over Louis-Philippe (1830-1848) of de politieke situatie in zijn land.

Alexandre Dumas (1802-1870) is niet geïnteresseerd in de sociale misstanden van zijn tijd zoals zijn leeftijdsgenoten Victor Hugo (1802-1885) en Eugène Sue (1803-1857). Hij houdt er meer van om de extravagante levensstijl van zijn hoofdpersonage, de graaf van Monte Cristo, te beschrijven. Ongetwijfeld een alter ego van zichzelf. De succesvolle Dumas liet voor zichzelf een kasteeltje bouwen, het Château de Monte-Cristo. Zijn fantasie was een beetje werkelijkheid geworden. Uiteindelijk zou hij door zijn roekeloosheid alles weer verliezen.

De graaf van Monte Cristo [ nl.wikipedia.org ]

capriccio

vandaag is het de 211e sterfdag van Hubert Robert

Hubert Robert door Elisabeth Vigee-LebrunWanneer je in Nederland vraagt een Franse schilder uit de achttiende eeuw te noemen, zal het antwoord meestal luiden: Jacques-Louis David, de grote classicistische schilder aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw die zo ernstig brak met het kokette rococo. Of men noemt Watteau, de Noord-Franse schilder helemaal aan het begin van de achttiende eeuw die Rubens weer tot leven wekte in een heel nieuwe en lichte vorm van barok die bekend zou worden onder de naam rococo, de stijl die de achttiende eeuw tussen 1730 en 1770 in zijn greep zou krijgen. Chardin, Boucher en Fragonard zouden eventueel nog genoemd kunnen worden. Maar de naam van Hubert Robert (1733-1808) hoor je in Nederland niet zo gauw. Toch behoort hij tot de grote Franse schilders van de achttiende eeuw.

Hubert Robert had een specialisme waar hij zijn bijnaam Robert des ruines aan te danken had: het schilderen van ruïnes. Halverwege de achttiende eeuw had hij dit geleerd in Rome waar hij van zijn 21e tot zijn 33e woonde (1754-1765). De eeuwige stad was toen naast Florence en Venetië de hoofdbestemming van de Grand Tour, de Italiaanse reis die rijke Engelsen graag maakten. De wieg van het moderne toerisme lag in de achttiende eeuw in Italië. Hier ontwikkelde zich toen al een toeristenindustrie, voornamelijk gericht op schatrijke Engelsen. Omdat er nog geen fotografische ansichtkaarten waren, was er veel vraag naar gravures van antieke ruïnes.

In Rome en Venetië ontstond een aparte bedrijfstak die zich bezighield met het tekenen en schilderen van ‘toeristenkiekjes’ de zogenaamde vedute. De allerberoemdste veduteschilder uit de achttiende eeuw is ongetwijfeld Canaletto. Hij was een van de honderden en waarschijnlijk duizenden veduteschilders die rond het midden van de achttiende eeuw werkzaam waren in Rome of Venetië.

Pannini
capriccio van Giovanni Paolo Pannini uit 1758

De jonge Hubert Robert heeft het schilderen van vedute afgekeken bij Giovanni Paolo Pannini (1691-1765). Oorspronkelijk was Pannini decoratieschilder. Door de toenemende vraag naar Romeinse stadsgezichten door Engelse toeristen stapte hij over op de lucratieve handel in vedute. Vanuit zijn ervaring als decoratieschilder nam Panini het niet zo nauw met de werkelijkheid. Hij gebruikte de ruïnes van het antieke Rome voor gefantaseerde taferelen, zogenaamde capricci.

Hubert Robert
capriccio van Hubert Robert

Capriccio of veduta?
Een capriccio is een gefantaseerde voorstelling met architectonische elementen die aan de werkelijkheid zijn ontleend. Een veduta is een stadsgezicht dat topografisch vaak correct is. De fantastische etsen van Piranesi zijn een schoolvoorbeeld van capricci terwijl de heldere en topografisch nauwkeurige stadsgezichten van Canaletto een goed voorbeeld zijn van vedute.

Urban gothic

aan het lezen in Les Mystères de Paris (1842) van Eugène Sue

Os Misterios de Lisboa (1854) van de Portugese schrijver Camilo Branco (1825-1890) was een van de vele roman-feuilletons halverwege de negentiende eeuw die gebaseerd waren op Les Mystères de Paris van Eugène Sue (1804-1857). In 1842-43 was dit feuilleton een enorm succes. Beïnvloed door de socialistische ideeën van zijn tijd beschreef Sue de dagelijkse ellende van de onderste klasse in Parijs. Twintig jaar later zou Victor Hugo met Les Miserables het feuilleton van Sue in bekendheid nog eens overtreffen.

gravure uit 1851
illustratie Les Mystères de Paris 1851

Les Mystères de Paris vond ook navolging in Engeland. In 1844 schreef George W.M. Reynolds de Mysteries of London. In de jaren veertig van de negentiende eeuw waren London en Parijs de grootste steden ter wereld en boden dus enorm veel stof voor verhalen over de sociale ellende van die tijd. Ook Dostojevski en Multatuli lieten zich inspireren door het sociaal-realisme van Eugène Sue.

Urban Gothic romans uit het City Mysterie genre
 
Les Vrais Mysteres des Paris by Eugene Vidocq
The Mysteries of London by G. W. M. Reynolds
The Mysteries of Lisbon by Camilo Branco
The Slums of St. Petersburg by Vsevolod Krestovsky
The Mysteries of New York by Ned Buntline

Les Mystères de Paris [ gallica.bnf.fr ]

Door de bril van Bril

vrijdag in Rotterdam gekocht: De kleine keizer
verslag van een passie (2008) van Martin Bril

De kleine keizer - verslag van een passieDe stukjes die Martin Bril in 2004 voor de Vlaamse krant De Morgen over Napoleon schreef, aangevuld met enkele stukjes die tussen 2004-2007 in De Volkskrant gepubliceerd werden, zijn in 2008 gebundeld in het boekje De kleine keizer – verslag van een passie. Op 21 april 2009 ontving hij voor deze bundel de Bob den Uyl-prijs voor het beste literaire of journalistieke reisboek van 2008 een dag voordat hij kwam te overlijden. Door zijn columns en zijn optredens in DWDD was Bril een mediapersoonlijkheid geworden.

De schrijver staat met zijn fotogenieke hoofd op de foto op de achterkant van het boekje met een tinnen miniatuurtje van Napoleon voor zijn neus. Zijn kop lijkt tien meter hoog uit te torenen boven een van de meest invloedrijke historische figuren aller tijden. Ironie van de schrijver uiteraard. Maar of het van de uitgever ook ironie is dat op de voorkant en rug van het boekje in koeienletters Martin Bril staat? Ik denk dat dit eerder een uitvloeisel is van de Wet van het gewicht van een mediapersoonlijkheid in boekenland. De vormgever bij Uitgeverij Balans heeft het wat mij betreft beter gedaan. Adam Zamoyski is inmiddels een merknaam geworden, maar wordt met kleinere letters gepresenteerd dan Napoleon.

In het stukje ‘Wenen‘ beschrijft Martin Bril zijn bezoek aan het eiland Lobau in de Donau. Tijdens de Slag bij Aspern-Essling (21-22 mei 1809) en de Slag bij Wagram (5 en 6 juli 1809) hadden de Fransen hier hun kamp opgeslagen. Via noodbruggen deden de Fransen tweemaal een uitval. De eerste maal moesten ze zich terugtrekken omdat de Oostenrijkers een van de bruggen zo gesaboteerd hadden dat de Fransen de Donau dreigden te worden ingedreven. De tweede maal haalde Napoleon een strategische overwinning bij Wagram.

Bril beschrijft het eiland Lobau zoals het er tegenwoordig bij ligt. Het is een recreatiegebied waar Wenen vooral in de zomer naartoe trekt en het wemelt er van uitspanningen. De Napoleontoerist probeert zich een voorstelling te maken hoe het hier in de zomer van 1809 moet zijn geweest. De schrijver stelt vast dat dit ondoenlijk is. ‘Is het een troost dat we nooit werkelijk zullen weten hoe iets was?’