Categorie archief: Frankrijk

huilen met Rousseau

gelezen: Jean-Jacques Rousseau – een rusteloos genie (2012)
door Leo Damrosch

RousseauOp 28 juni 2012 was het precies 300 jaar geleden dat Jean-Jacques Rousseau in Genève geboren werd. Maarten Doorman schreef een boekje over zijn persoonlijke relatie met de vader van de moderne autobiografie (en nog wel meer) en Uitgeverij Ten Have/Veen bracht in 2012 een bijna vuistdikke vertaling van Rousseau – Restless Genius (2005) van Leo Damrosch op de markt. Een paar jaar later kwam het in de ramsj en ik kocht het om het bijna twee jaar ongelezen in de boekenkast te laten staan.

Deze zomer kwam een mooie gelegenheid om het te lezen: tijdens onze vakantie in de Jura bezochten we Môtiers, het Zwitserse bergdorpje waar Rousseau en zijn levensgezellin Thérèse tussen 1762 en 1765 in ballingschap zouden wonen. Helaas was het kleine museum gesloten, maar het was toch fijn om even op de beroemde waranda te hebben gestaan, al is in de afgelopen 250 jaar bijna alles vernieuwd.

Môtiers
Môtiers …op de trap naar de waranda van het huis waar Rousseau na de publicatie van Emile en Le contract social in 1762 verbleef.
(Foto genomen op 11 juli 2018)

In Frankrijk zijn er nog tientallen andere “Rousseau bedevaartsplaatsen”. De meeste dateren van kort na zijn dood in 1778 toen er een Rousseaucultus ontstond. In de achttiende eeuw hoorde je in de voetsporen van Rousseau je zakdoek te pakken en enkele tranen te plengen. Ik hield het droog in Môtiers.

boekbespreking door Sebastien Valkenberg in Trouw [ trouw.nl ]

de Salon van 1880 [ 2 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

Met 7.289 inzendingen was de Parijse salon van 1880 de grootste tot dan toe. De schilder Joseph E. Dantan, bekend van zijn inventariserende interieurstukken (meestal van kunstenaarsateliers of kunstverzamelingen) schilderde een gedetailleerde voorstelling van de Salon van 1880. Hij deed dat jaar ook zelf mee met Un coin d’atelier.

Salon de 1880
De salon van 1880 door Joseph E. Dantan

Maar Huysmans negeert in zijn commentaar het werk van Joseph E. Dantan

Dantan
Joseph E. Dantan 1880
Un coin d’atelier

… en ook Julien Dupré blijft onvermeld…

Dupré
Julien Dupré 1880
Faucheurs de luzerne

… en John Singer Sargent

Singer Sargent
John Singer Sargent 1880
Fumée d’ambre gris

… maar dan! Henri Fantin Latour:

Fantin-Latour
Henri Fantin Latour 1880
portret van Louise Riesener

Voor Huysmans is het portret van Louise Riesener door Fantin Latour het beste van de salon: “J’arrive maintenant au portrait qui est, selon moi, de beaucoup, le meilleur du salon, à celui de M. Fantin-Latour. Ce portrait représente une femme vêtue de noir et assise sur une chaise. La tête vous regarde, parle ; c’est superbement enlevé, sans tapage et sans fracas ; c’est de la peinture solide, presque austère, en quelque sorte puritaine et grave comme celle de quelques toiles de l’école moderne anglaise.”

Manet
Edouard Manet 1880
Chez le père Lathuille
Le moderne dont j’ai parlé, le voilà!

Huysmans over Manet

Verrukt is hij ook over de inzending van Manet: “…dans le Père Lathuile, le jeune homme et la jeune femme sont superbes, et cette toile, si claire et si vive, surprend, car elle éclate au milieu de toutes les peintures officielles qui rancissent dès que les yeux se sont portés sur elle. Le moderne dont j’ai parlé, le voilà!”

Moreau
Gustave Moreau 1880
Galatée
Entre tous, un artiste existait dont le talent le ravissait en de longs transports, Gustave Moreau.

A Rebours, 1884, Chapitre 5

Een van de favoriete moderne schilders van Huysmans‘ alter ego Des Esseintes in A Rebours (1884) is Gustave Moreau: “Entre tous, un artiste existait dont le talent le ravissait en de longs transports, Gustave Moreau.” Het is interessant om zijn commentaar uit 1880 te op Galatée te lezen, vier jaar voordat hij zijn beroemde roman schreef. Daarin loopt hij al vooruit op de beschrijving van de Salomé (1875) van Gustave Moreau in A Rebours:

“L’autre toile nous montre Galatée, nue, dans une grotte, guettée par l’énorme face de Polyphème. C’est ici surtout que vont éclater les magismes du pinceau de ce visionnaire. La grotte est un vaste écrin où, sous la lumière tombée d’un ciel de lapis, une flore minérale étrange croise ses pousses fantastiques et entremêle les délicates guipures de ses invraisemblables feuilles. Des branches de corail, des ramures d’argent, des étoiles de mer, ajourées comme des filigranes et de couleur bise, jaillissent en même temps que de vertes tiges supportant de chimériques et réelles fleurs, dans cet antre illuminé de pierres précieuses comme un tabernacle et contenant l’inimitable et radieux bijou, le corps blanc, teinté de rose aux seins et aux lèvres, de la Galatée endormie dans ses longs cheveux pâles !”

Salon de 1880 [ huysmans.org ]

de salon van 1880 [ 1 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansOok in 1880 deed Joris-Karl Huysmans verslag van de Salon de Paris. Er waren dat jaar 7.289 inzendingen, meer dan ooit tevoren. In 1883 werden zijn kritieken gebundeld in l’Art Moderne. Tegenwoordig is deze bundel weer opgenomen in Écrits sur l’art, naast zijn andere teksten over schilderkunst: Certains (1889) en Trois Primitifs (1905).

In 1879 had Huysmans al partij gekozen voor de nieuwe generatie (Huysmans was zelf van 1848) en was tekeer gegaan op de salonschilders. Zijn commentaar op de Salon van 1880 begint met een tirade op de salonschilders en hun navolgers: “Partout ce sont les élèves de Cabanel et de Bouguereau, qui égalent, s’ils ne dépassent, en nullité, leurs déplorables maîtres.”

Jules Aviat
Jules Aviat 1880
Charlotte Corday

Jules Charles Aviat (1844-1931) was een leerling van Carolus Duran et Léon Bonnat. Zijn inzending voor de salon van 1880 was een portret van Charlotte Corday, de moordenares van Marat. Als we tegenwoordig aan Marat denken, dan zien we daarbij vanzelf het kale schilderij van David met de man in bad, bekend van ontelbare boekomslagen. Dat Marat levenloos in zijn bad hing, was te danken aan een 24-jarige vrouw uit de Gironde die Marat hartgrondig haatte. Aviat schildert haar kort na de moord, waarbij ze zich achter een gordijn verstopt. Baudry schilderde dit moment al eens in 1860 en Aviat moet hier zeker naar gekeken hebben.

Jules Bastien-Lepage
Jules Bastien-Lepage 1879
Jeanne d’Arc

De Jeanne d’Arc van Jules Bastien-Lepage hangt tegenwoordig in het Metropolitan Museum of Art in New York. We zien het moment dat de jonge vrouw haar heilige missie ontvangt. Het katholieke Frankrijk heeft wat met jonge strijdbare vrouwen; ook Charlotte Corday zou met haar verzetsdaad een martelares worden van het katholieke en royalistische Frankrijk. Huysmans, die zich in 1880 nog niet tot het katholicisme bekeerd had, vindt de maagdenverering eerder lachwekkend: “Ajoutons-y encore les vierges et les nudités des peintres d’histoire, les Charlotte Corday et les Marat qui abondent, plus comiques les uns que les autres.” In zijn ogen heeft de gerenommeerde Salon de Paris zich gedegradeerd tot een ordinaire “verkoopbazar”.

William Adolphe Bouguereau
William Adolphe Bouguereau 1880
La flagellation du Christ

Huysmans loopt met een wijde boog om La flagellation du N.S. Jésus-Christ heen.

Alexandre Cabanel
Alexandre Cabanel
Phèdre

Ook Phèdre van de salonschilder Alexandre Cabanel (1823-1889) laat hij links liggen.

Pierre Cot
Pierre Cot 1880
l’Orage

Het honingzoete neo-rococoplaatje van Pierre Cot zal Huysmans zeker niet behaagd hebben! Geen woord dus daarover in zijn verslag.

Pascal Dagnan-Bouveret
Pascal Dagnan-Bouveret 1880
Un accident
Un enfant s’est coupé la main. Que de sang! Il y en a plein une cuvette! Quelle pâleur de visage, quel mélo, quelle scène dramatiquement composée!

Over het naturalistische en melodramatische schilderij Un accident van Pascal Dagnan-Bouveret (1852-1929) maakt Huysmans zich vrolijk: “Un enfant s’est coupé la main. Que de sang ! Il y en a plein une cuvette ! Quelle pâleur de visage, quel mélo, quelle scène dramatiquement composée ! Après la boutique du photographe, le doigt coupé; après le rire les larmes ! Succès sur toute la ligne. Des dames étouffent devant cette cuvette rouge, devant ces bandelettes de linge taché. Eh ! Ce n’est pas du sang qui devrait sortir de cette poupée blême, c’est du son, du joli son jaune ! La vérité exigeait impérieusement ce sacrifice ; mais comme d’habitude, M. Dagnan s’y est refusé”.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De Salon van 1879 [ 2 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansJoris-Karl Huysmans had nog maar twee romans (Le Drageoir aux épices, Marthe) geschreven toen hij in 1879 verslag deed van de Salon de Paris. In zijn kunstkritieken, die in 1883 gebundeld werden in l’Art Moderne, kiest hij hartstochtelijk voor de modernen (de impressionisten en symbolisten) en keert hij zich af van de zogenaamde ‘salonschilders’, schilders die zich conformeerden aan de officiële smaak waarvan de Salon de Paris de uitdrukking was. De bijtende toon waarmee hij zijn afkeur uitspreekt, doet mij denken aan die van zijn latere alter ego Des Esseintes in zijn roman A Rebours (1884). Huysmans kon zijn walging met passie en vuur uitbraken.

In deze eerste rondgang door de Salon van 1789 zes schilders. Ze komen geen van allen in de canon van Janson voor: Ernest Duez, Léon Bonnat, Jean Béraud, Eva Gonzalez en Jules Lefebvre. William Adolphe Bouguereau is de enige schilder in het rijtje die bij breder publiek bekend is, maar voor Huysmans staat hij juist voor alles wat hij afwijst. De kunstcriticus was goed geïnformeerd. Hij kende meestal wel de beknopte bio van de betreffende schilder en wist in ieder geval door wie deze was opgeleid. Meestal brachten salonschilders weer nieuwe salonschilders voort. Bij Huysmans bemerk je een groot verlangen om uit dat salonsysteem te ontsnappen. Niet voor niets waren de impressionisten en de symbolisten zijn helden.

Duez
Ernest Duez 1879
De heilige Cuthbert (middenpaneel van een drieluik)

Het bovenstaande schilderij van Ernest Duez laat op het middenpaneel een episode uit het leven van de heilige Cuthbert zien. Huysmans merkt op dat deze schilder altijd hedendaagse voorstellingen had geschilderd, maar dat hij nu eens het religieuze genre heeft uitgeprobeerd. Hij zou daarvoor naar Gent en Brugge zijn gereisd om Van Eyck en Memling te bestuderen. Huysmans betreurt dat en besluit met: “Passons donc sur cet anachronisme sans doute motivé par un désir de médaille ou de commande; mais, de grâce ! que M. Duez revienne bien vite aux jolies parisiennes dont il a parfois rendu les élégances!”

Leon Bonnat
Léon Bonnat 1879
portret van Victor Hugo

Toen Léon Bonnat in 1879 dit portret schilderde, was Victor Hugo 77 jaar oud. Het is duidelijk bedoeld als een officieel portret van een gigant (Hugo zou in 1885 onder groot eerbetoon bijgezet worden in het Panthéon). We zien hem hier drie jaar nadat Ettiene Carjat de bekende foto van hem maakte met zijn handen op de knieën. De pose waarin Bonnat zijn model heeft geplaatst, is allesbehalve zo informeel als de foto uit 1876. Huysmans schrijft: “La pose elle-même est banale ; le coude appuyé sur un volume d’Homère donne une idée de l’esprit du peintre.”

Béraud
Jean Béraud 1879
De Hallen in Parijs

Met zijn impressie van De Hallen laat Jean Béraud een eigentijds straatgezicht zien. Het is geen impressionistisch schilderij dat plein air geschilderd is maar een atelierstuk. Huysmans lijkt dat te betreuren en is geen liefhebber van dit schilderij: “j’apprécie peu, oh ! très peu, sa Vue des Halles”.

Gonzalez
Eva Gonzalez 1879
Une logo aux Italiens

Dan komen we bij een schilderij van Eva Gonzalez en we denken onmiddellijk: Manet! Dat is natuurlijk ook niet vreemd want Gonzalez was een leerling van Manet en is dicht bij de stijl van haar leermeester gebleven. Het boeket links lijkt gejat uit de handen van de zwarte bediende van Olympia. Huysmans is opgetogen over het schilderij, al staat de donkere tint van de achtergrond hem tegen: “Cette toile, dérivé des Manet, a une certaine saveur amère et rêche qui nous console des écoeurantes sucreries auxquelles nous venons de goûter. C’est, en somme, une oeuvre qui, malgré sa teinte déplaisante, possède une belle tournure.”

Lefebvre
Jules Lefebvre 1879
Diana en nimfen

Het is niet verrassend dat Huysmans het schilderij van Jules Lefebvre afkeurt. Zijn voorstelling van Diane is representatief voor de smaak van de Salon. Al was het Tweede Keizerrijk in 1879 alweer 9 jaar ter ziele, de smaak van Napoleon III was niet van de ene op de andere dag verdwenen. “Comme peinture creuse et vide, ce n’est pas inférieur à du Bouguereau.” oordeelt de criticus.

Bouguereau
William Adolphe Bouguereau 1879
De geboorte van Venus

Bij la Naissance de Venus van William Adolphe Bouguereau kan Huysmans losbarsten: “De concert avec M. Cabanel, il a inventé la peinture gazeuse, la pièce soufflée. Ce n’est même plus de la porcelaine, c’est du léché flasque.” Dit is het toppunt van salonschilderkunst en dus valse schijn. Huysmans heeft totaal geen oog meer voor de fabelachtige techniek van Bouguereau. het enige wat hij ziet is nep, nep en nog eens nep. Het lichaam van Venus doet hem denken aan een opgeblazen ballon. “Ni muscles, ni nerfs, ni sang.” Huysmans lijkt zijn afkeer te overdrijven en beweegt met zijn kritiek zelfs in de richting van razernij wanneer hij schrijft: “C’est à hurler de rage quand on songe que ce peintre qui, dans la hiérarchie du médiocre, est maître, est chef d’école, et que cette école, si l’on n’y prend garde, deviendra tout simplement la négation la plus absolue de l’art!”

In het derde en laatste deel tenslotte nog zes schilders: Edouard Manet, Pierre Auguste Renoir, Pascal Dagnan-Bouveret, Jules Bastien-Lepage, Jean-François Raffaëlli en Pierre Puvis de Chavannes.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De Salon van 1879 [ 1 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

Een van de aangename aspecten van de verleden tijd is voor mij de overzichtelijkheid. Het verleden lijkt tot stilstand gekomen en blijft onbeweeglijk voor mij liggen zodat ik het kan onderzoeken. Het ordenen en archiveren hebben anderen al voor mij gedaan. Daarbij is bijna alles onder de oppervlakte verdwenen en “vergeten”. Slechts een deel van de ontelbare namen uit het verleden is boven komen drijven, de rest is weggezakt in vergetelheid. De tijd heeft de bekende namen van de naamlozen geschift.

Toen ik in de jaren tachtig op de kunstacademie zat, gebruikten we bij kunstgeschiedenis A History of Art uit 1962 van H.W.Janson als naslagwerk. Dit boek presenteert een canon, een selectie van kunst en kunstenaars uit het verleden die in 1962 relevant of representatief werden gevonden voor historische periodes. De reikwijdte van mijn historische kennis en mijn visie op schilderkunst zijn in die jaren sterk door de canon van Janson bepaald. Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling. Een specifieke groep schilders uit de negentiende eeuw werd door Janson vooral gezien als wegbereider van de moderne kunst. Doordat hij door de bril van het modernisme naar het verleden keek, werden de kunstenaars uit de negentiende eeuw vooral beoordeeld op hun vernieuwende kwaliteiten.

Janson 1962
mijn Nederlandstalige uitgave van A History of Art van H.W. Janson kocht ik in 1986
Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling.

Zo kwam er een scheiding tussen salonkunst en moderne kunst, waarbij de salonkunst gezien werd als de gevestigde orde die door een avant garde omvergeworpen moest worden. De impressionisten waren (en zijn nog altijd) helden vanuit de opvatting dat moderne schilderkunst nieuwe visies moet openbaren. Van het impressionisme werd het spoor tot in de eerste helft van de negentiende eeuw terug gevolgd. Turner, Corot en Jongkind zouden wegbereiders zijn geweest van een revolutie in de schilderkunst. En vanuit dat impressionisme werden lijnen doorgetrokken tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het expressionisme en tenslotte ook de abstracte schilderkunst zouden uit het impressionisme zijn voortgekomen.

Het internet heeft de laatste twintig jaar mijn uitzicht (en daarmee inzicht) op de historische schilderkunst enorm vergroot. Ik ontdekte tientallen schilders die in de canon van Janson ontbreken. En ik ontdekte hoe het werkt: laat een gezaghebbend instituut een selectie van namen maken, zodat dit merknamen worden en laat deze vervolgens door de industrie eindeloos rouleren: in kunstboeken, op reproducties, boekenleggers, placemats, kussenslopen, koffiemokken, enz… Het vermarkten van kunst is al zo oud als de kunst zelf, maar wat nieuw is in de moderne tijd, is de technische reproduceerbaarheid van het kunstwerk. In onze massacultuur is het kunstwerk een onderdeel van de massacultuur geworden.

Dan is het aardig om eens terug te gaan naar de jaren waarin het impressionisme, het zaadje van de moderne kunst, ontkiemde: de jaren zeventig van de negentiende eeuw. De gevestigde kunst hield vanaf 1834 (behalve 1858 en 1871) jaarlijks zijn feestje: de Salon de Paris. Wilde je als kunstenaar carrière maken, dan was de Salon de Paris dé plek waar je moest exposeren. Aanvankelijk was de selectie streng maar na de revolutie van 1848 was er een liberaler beleid en werden er minder kunstenaars geweigerd. Geweigerde kunstwerken werden gemerkt met een stempel met de letter R (van refusé). Wanneer een werk geweigerd was, was het voor een kunstenaar bijna onmogelijk om nog elders te exposeren. Om aan deze kunstenaars tegemoet te komen, werd in 1863 de Salon des Refusées in het leven geroepen. Daar vierden de impressionisten vanaf 1874 hun eigen feestje en werden ze wegbereiders van de moderne schilderkunst.

Huysmans - Écrits sur l'artDe Franse schrijver Joris-Karl Huysmans (1848-1907) was begin dertig toen hij zijn kritieken schreef over de Salons van 1879, 1880 en 1881. Deze werden in 1883 gebundeld onder de naam l’art moderne. Ook zijn verslaggeving van de Exposition des Indépendants van 1880 en 1881 (vanaf 1884 de Salon des Indépendants) is in Écrits sur l’art opgenomen. Zijn kritieken verschenen tussen 1879 en 1881 in le Voltaire, la Réforme en la Revue littéraire et artistique.

Voor de Salon van 1879 werden 5.895 kunstwerken ingezonden. De Salon was ook ‘s avonds geopend, dankzij de elektrische verlichting (voor de eerste maal). Huysmans doet in tien paragrafen verslag van deze tentoonstelling. Hij kwam zelf uit een familie van kunstschilders en was daardoor geïnteresseerd in schilderkunst. Als schrijver zou hij in 1884 doorbreken met zijn roman A Rebours dat een belangrijke betekenis zou krijgen voor de symbolisten en het l’art pour l’art aan het einde van de negentiende eeuw.

Huysmans a publié trois ouvrages de critique d’art : L’Art moderne (1883), Certains (1889) et Trois Primitifs (1905), composés à partir d’articles parus dans la presse. Après s’être essayé, dans L’Art moderne, au compte rendu de la visite des salons officiels et des expositions impressionnistes, il propose, dans Certains, l’inventaire de ses goûts personnels, en s’attachant à l’étude de peintres – Pierre Puvis de Chavannes, Gustave Moreau, Odilon Redon, Félicien Rops… – et de thèmes particuliers : ‘ Le fer ‘, ‘ Le monstre ‘, etc. Dans Trois Primitifs, enfin, il s’attarde sur des artistes jusque-là négligés : constitué d’une monographie de Mathias Grünewald et du récit de la visite de l’Institut Staedel de Francfort, ce texte apparaît comme un retour sur l’origine même de son intérêt pour les arts plastiques. Souvent ironiques et pleins de verve – ‘ Il peint à la bile, comme d’autres à la gouache, à l’encaustique ou au pastel ‘, écrivait Charles Maurras -, ces écrits présentent un double intérêt : outre qu’on y découvre les peintres de prédilection de Huysmans, de Degas à Caillebotte, en passant par Renoir, Monet et Hokusai, ils éclairent aussi, par ricochet, les romans de l’auteur et la fonction singulière qu’y assument les œuvres d’art.

In de volgende afleveringen wil ik samen met Huysmans gaan kijken naar een aantal schilderijen die op de salon van 1879 te zien waren. Een paar namen (Manet, Renoir, Puvis de Chavannes) zijn gecanoniseerd, de anderen zijn (tamelijk) onbekend.

de Salon van 1879

als een rat in de val

opnieuw geluisterd naar de score van Ascenseur pour l’echafaud (1958)

Miles DavisEen van mijn favoriete Franse films uit de jaren vijftig is Ascenseur pour l’echafaud (1958) van Louis Malle. Het is een meesterwerk van het existentialisme. Een krachtig verhaal over misdaad en straf met een nauwkeurige sfeertekening die vooral te danken is aan een van de mooiste soundtracks uit de filmgeschiedenis. Dat is niet alleen een verdienste van Miles Davis, maar ook van zijn (voornamelijk Franse) begeleiders Barney Wilen (tenor sax), René Urtreger (piano), Pierre Michelot (bass) en Kenny ‘Klook’ Clarke (drums).

De meest memorabele track is Nuit sur les Champs-Elysées, die een dolende Carala (Jeanne Moreau) in het nachtelijke Parijs begeleidt. Ze speelt de minnares van Julien die zojuist met haar goedkeuring haar rijke echtgenoot op zijn kantoor vermoord heeft. Het plan lijkt te slagen, totdat Julien vast komt te zitten in de lift terwijl de nachtportier geen dienst heeft. Zijn minnares heeft na de misdaad met hem afgesproken, maar hij komt niet opdagen. Ze begrijpt dat er iets is misgegaan maar blijft in het ongewisse. Dat gevoel, in het ongewisse blijven met een verschrikkelijk vermoeden, wordt treffend hoorbaar gemaakt in Nuit sur les Champs-Elysées. Maar het klinkt fantastisch! In plaats van een gierend stuk dat paniek uitdrukt, is gekozen voor een intens loom stuk dat gelatenheid uitdrukt. De vrouw kan niets anders meer dan door de stad dwalen en zich overgeven aan de onmacht. Geen onderhuidse paniek maar een verdoving die grenst aan de bedwelmende roes van het moment.

Nuit sur les Champs-Elysées
een dolende Jeanne Moreau in
Nuit sur les Champs-Elysées
De vrouw kan niets anders meer dan door de stad dwalen en zich overgeven aan de onmacht. Geen onderhuidse paniek maar een verdoving die grenst aan de bedwelmende roes van het moment.

De scene met Nuit sur les Champs-Elysées is een schitterende metafoor van het levensgevoel van het existentialisme. De mens is een dolende in de ruimte geworden en de weg kwijt. Maar in plaats van hopeloos naar een uitweg te zoeken, levert hij zich uit aan het naakte bestaan: glanzende straatstenen in de regen, lichten van passerende auto’s, verlokkende etalages, een bedelaar, een wegschietende kat…

Er is in de filmscore nog een andere track die het levensgevoel van het existentialisme uitdrukt. Assassinat horen we op het moment dat Julien beseft dat hij in de lift gevangen zit. Anders dan zijn minnares Carala wordt hij niet verlamd door onmacht, maar gaat hij tot het uiterste om een uitweg uit zijn impasse te zoeken. Zijn blik tast elk stukje van de inwendige liftcabine af naar een uitweg, elke naad en elk schroefje wordt in overweging genomen. We horen ijle, langgerekte tonen uit de trompet van Miles Davis die de desolaatheid van een woestijn uitdrukken. De lift is het negatief van de woestijn. Je kunt er moeilijk in verdwalen, maar het gevoel van beklemming is precies hetzelfde: Julien zit als een rat in de val terwijl de tijd wreed doortikt tot het naderende doodvonnis.

Miles Davis
Franse plaat met soundtrack
Julien zit als een rat in de val terwijl de tijd wreed doortikt tot het naderende doodvonnis.

De lift naar het schavot gaat over het mislukken van een vluchtplan na de misdaad. Het lot wordt geradicaliseerd doordat hun uitbraak tenslotte uitloopt op het op heterdaad betrapt worden en gevangenschap. Julien en Carala zijn een soort Adam en Eva na de zondeval. Ze weten dat ze fout zijn en vellen door hun misdaad hun eigen doodsvonnis.

Het naakte bestaan [ W&V ]

vivre libre ou mourir

gelezen: Cette histoire qui a fait l’Alsace tome 9
Allons, enfants… (de 1792 à 1815)

histoire l'alsaceDe meeste boeken over de Franse Revolutie in het Nederlandse taalgebied concentreren zich op Parijs. De Zonnekoning had van Frankrijk de meest gecentraliseerde staat van Europa gemaakt waarbij hijzelf in het middelpunt stond. Het revolutionaire Frankrijk centraliseerde nog verder, de oude regio’s werden vervangen door departementen, er werd een agressieve taalpolitiek in de regio gevoerd en Parijs werd nog meer het administratieve centrum dan het al was. Toch is Frankrijk veel meer dan Parijs. Neem de Elzas, een gebied dat Lodewijk XIV in 1681 op het Duitse Rijk veroverde en wat cultuur betreft (nog altijd!) veel beter aansluit bij de Rijnlandse dan bij de Franse cultuur.

Toen de Franse Revolutie op 14 juli 1789 en definitief op 10 augustus 1792 doorbrak, hoorde de Elzas ruim honderd jaar bij Frankrijk. Maar de bevolking sprak hoofdzakelijk nog een Duits dialect en de gebruiken waren voornamelijk Duits. De Straatsburgse vrouwen droegen bijvoorbeeld een Schneppenhauben, een verzilverde of vergulde kam in het haar. In oktober 1793 toen de Jakobijnen in de Elzas een anti-Duitse koers gingen volgen, moesten alle vrouwen deze inleveren omdat het als nationalistisch symbool werd gezien. De onderstaande (anonieme) prent werd door tekenaar Francis Keller gebruikt voor de omslag van het educatieve stripboek.

Schneppenhauben
Les Strasbourgeoises déposent leurs bonnets d’or et d’argent, “les Schneppenhauben”, comme dons patriotiques.[credits: Musée Carnavalet, Histoire de Paris]

Het is interessant te lezen hoe de Revolutie in de Elzas verliep. De Elzas is altijd een grensgebied geweest met een uitwisseling tussen de Duitse en Franse cultuur. Het was overwegend katholiek maar na de Reformatie waren er ook protestante enclaves ontstaan, bijvoorbeeld binnen de zogenaamde Tienstedenbond (décapolis), tien vrije rijkssteden die van 1354 tot 1648 deel uitmaakten van het heilige Duitse Roomse Rijk. Kort na het uitbreken van de Revolutie vluchtten veel ci-devants (aristocraten) de Rijn over naar Duitsland waar ze zich voorlopig vestigden in de hoop dat de Franse Revolutie een mislukt project zou blijken. De Duitstalige bevolking van de Elzas werd vanaf de linker Rijnoever (Baaden) gevoed met politieke (royalistische!) geschriften om een contrarevolutie te ontketenen. vanuit Parijs werd dit keihard bestreden, want het vaderland heette nu eenmaal “één en ondeelbaar”.

Van de Franse Revolutie in de Elzas kunnen we leren wat de veerkracht van de regio en de traditie kan zijn.

In 1793 werd de guillotine ook in de Elzas geïntroduceerd. De Duitse Franciscaan en hoogleraar Euloge Schneider werd in Straatsburg openbaar aanklager en hij is een van de vele voorbeelden van de revolutionair die anderen naar het schavot verwees maar tenslotte ook zélf “gekopt” werd. Op 25 maart was er in Molsheim een royalistische opstand waarbij luidkeels “vive le roi” werd geroepen. De leiders van deze opstand werden terechtgesteld; het was de eerste keer dat in de Elzas de guillotine gebruikt werd. Het grootseminarie van Straatsburg werd in het voorjaar van 1793 tot gevangenis omgebouwd. Toen op 17 september 1793 in heel Frankrijk de Loi des Suspects werd doorgevoerd, konden gevangenen zonder proces tot de guillotine veroordeeld worden. De terreur, en dus de guillotine, zou daarna op volle toeren gaan draaien.

Op 12 september 1793 gaat het revolutionaire Frankrijk aan de Rijn in de aanval. Kehl (aan de overkant van Straatsburg) en Breisach worden allebei onder vuur genomen omdat daar Oostenrijkse troepen liggen. Ook al wordt Breisach in as gelegd, de Oostenrijkers worden niet verdreven. De Oostenrijkse veldmaarschalk Würmser valt via Wissembourg in het Noorden de Elzas binnen en rukt op naar de hoofdstad Straatsburg. De revolutionairen zijn zich bewust van de vijfde colonne die zich op dat moment nog binnen de stadsmuren bevinden en kondigen een ultimatum af op 15 november. Alle ci-devants (lees: royalisten) moeten onmiddellijk de stad verlaten.

De revolutionairen weten het tij te keren. Dan radicaliseert het. Net als de Notre Dame in Parijs wordt de kathedraal van Straatsburg omgedoopt tot de tempel van de Rede. Religieuze beelden en schilderijen worden vernietigd tijdens een jakobijnse beeldenstorm. Ook in Colmar wordt veel christelijk erfgoed kapotgemaakt. De Revolutie toont zijn meest intolerante gezicht: vivre libre ou mourir. In Hitzbach wordt een Mariabeeld rood-wit-blauw opgeschilderd en mag daarom blijven staan. In december 1793 worden straatnamen omgedoopt. De Rue Saint Louis heet voortaan Rue Guillotine en de Quai Saint Nicolas is nu de Quai de Bonnet Rouge .

Tempel van de Rede
Monument élevé à la Nature dans le Temple de la Raison à Strasbourg la 3.me décade de Brumaire l’an 2 de la République

De Franse Revolutie houdt de huidige tijd een spiegel voor. Ook nu zijn er weer krachten werkzaam die straatnamen willen veranderen en die tolerantie en diversiteit prediken, maar in werkelijkheid intolerant zijn en uniformiteit eisen. Van de Franse Revolutie in de Elzas kunnen we leren wat de veerkracht van de regio en de traditie kan zijn.

En 23 ans se succèdent la République révolutionnaire, le Directoire, le Consulat, le Premier Empire, la Première Restauration, les Cent-Jours et le début de la Seconde Restauration ! Chaque changement politique apporte son cortège de revirements, d’épurations et de remaniements. L’Alsace où, à l’époque, très peu de gens savent le français, est pour cette raison souvent suspecte aux autorités parisiennes, surtout après la Grande Fuite de 1793. Pourtant, les départements du Rhin ne sont pas en reste sur les autres pour ce qui est du civisme ! Beaucoup d’alsaciens figurent parmi les généraux de la République et de l’Empire. L’épopée napoléonienne marquera durablement les esprits.
Bron: babelio.com