Samen met de vorig jaar overleden Frans filmregisseuse Agnes Varda (1928-2019) en Jean-Luc Godard (1930) stond Claude Chabrol (1930-2010) aan de wieg van de nouvelle vague in Frankrijk. Chabrol wordt vaak als de theoretische grondlegger van deze beweging gezien. Hij was oorspronkelijk filmcriticus en voordat hij op zijn 27e zelf begon te filmen, schreef hij samen met Eric Rohmer (1920-2010) in 1957 een studie over de films van Hitchcock. Chabrol onderging zo sterk de invloed van deze grote filmregisseur dat hij vaak “de Franse Hitchcock” genoemd wordt.

De Franse zender zendt deze maand zijn eerste films uit. Vrijdag keek ik naar zijn debuutfilm Le beau Serge (1958) en vanavond is Les cousins (1959) aan de beurt, opnieuw met Gérard Blain en Jean-Claude Brialy in de hoofdrollen. In Le beau Serge viel mij de fraaie zwart-wit cinematografie op, met veel oog voor licht-donkerverhoudingen en close ups. Net als Hitchcock was Chabrol duidelijk beïnvloed door de Duitse film uit de jaren twintig met zijn sterke visuele expressies.
De beroemde roman-feuilleton Les mystères de Paris van Eugene Sue werd in de pionierstijd van de film in Frankrijk maar liefst driemaal verfilmd. Een korte verfilming in 1909, een langere in 
Televisieseries uit de vorige eeuw zoals 

De geheimen in Les Mystères de Paris worden beetje bij beetje onthuld. De hoofdpersoon heet Rodolphe. In werkelijkheid is hij de groothertog van Gerolstein (een fictief groothertogdom) die incognito in Parijs is neergestreken en op zoek is naar de werkelijke ouders van het meisje Fleur-de-Marie bijgenaamd la Goualeuse. Rodolphe doet zich voor als als handarbeider. Hij is fysiek ontzettend sterk en komt op voor de zwakkeren in de samenleving. Zijn secretaris ontvangt in de elfde episode een zekere Baron Von Graun, die van zijn informant Monsieur Badinot veel over de geschiedenis van verschillende personages te weten is gekomen. Zo wordt de lezer steeds meer onthuld.












