Categorie archief: natuur

ontluikend

De symfonische gedichten van Claude Debussy

Claude DebussyIn de eerste voorjaarsweek heb ik weer eens buiten in de zon gezeten. Wanneer ik dan even mijn ogen sluit en in de verte de roep van de houtduif hoor, glij ik weg in een eeuwigheidservaring. Alle geluiden in de buitenwereld dringen dan intens naar binnen en begeleiden als vrije en ongebonden muziek mijn onderdompeling in het nunc stans van de ontluikende natuur. Voor mij was deze ervaring een aanleiding om weer eens de muziek van Claude Debussy op te gaan zetten.

Vrijdagavond luisterde ik naar La Mer (1905) en Iberia (1909). In Debussy‘s symfonische gedichten hoor ik telkens het ontluikende van het voorjaar. In de eerste maten van Prélude à l’après-midi d’un faune (1894) met de kletterende harp op de voorgrond en hoorns in de verte, breekt de betovering door. Het valt mij overigens steeds vaker op dat Debussy sterk beïnvloed is door Russische volksmuziek en componisten. Soms hoor ik duidelijk Tsjaikovsky doorschemeren (bijv. de Zesde Symfonie) maar vooral ook elementen uit de rijke klankwereld van Rimsky-Korsakov en Moessorgsky.

katjes
Debussy’s music is a synthesis of primarily Russian folk influences, the desire to integrate impressions of the natural world including dreamlike images and the naiveté of childhood.

Anthony Tobin

Russian nationalist composers of the late nineteenth century, such as Mussorgsky and Rimsky-Korsakov, influenced composers in the early part of the twentieth-century including Stravinsky, Debussy, and Bartók.
 
Bron: debussypiano.com

nieuwe klanken [ Woest & Vredig ]

Puskásbosje forever …

à la recherche du temps perdu

PoeskasbosjeIn 1969 verhuisden we naar een bungalowpark aan de rand van het bos. Ik was zes jaar en het bos betekende bijna alles voor mij. Elk paadje kende ik en tussen de paden wist ik ook precies of er ‘onderaardse hutten’ waren te vinden. Meestal waren deze hutten niet zo onderaards meer, want er waren veel kinderen in deze jonge wijk en als je een hut gebouwd had, was hij de volgende dag meestal door anderen alweer ontdekt en gesloopt.

Tot mijn twaalfde was ik een echte bosman. De bosjes in onze wijk waren niet alleen mijn territorium, ik droeg ze zelfs als een tweede huid om mij heen. In de eerste helft van de jaren zeventig verrezen in het park overal bungalows en verdween er telkens weer een stukje bos. Een enkele rij eiken bleef tussen de huizen staan. Maar daar mocht je dan niet meer komen. Het was privéterrein geworden. In 1975 was het hele park bebouwd. Twee bosjes overleefden: het Puskásbosje en het Bergwegbos. Maar in 1976 werd het Bergwegbos wreed doormidden gescheurd door een verkeersweg. Er ontstonden twee bosjes die hun glans hadden verloren. Overal in het bos hoorde je nu het verkeer.

Alleen het Puskásbosje bleef ongeschonden. Groot was het niet, hooguit een hectare. Het bosje was in mijn jeugd zo belangrijk dat het deel is gaan uitmaken van ‘de topografie van mijn onderbewustzijn’. Al veertig jaar keer ik in mijn dromen naar deze plek terug, die natuurlijk altijd net iets anders is dan in werkelijkheid. Zo gaat dat in dromen. Vaak heb ik gedroomd dat het bos verdwenen was en dat er iets anders voor in de plaats was gekomen. Maar telkens bleek het bos er weer te staan. Daardoor had het iets van eeuwigheidswaarde gekregen. Het Puskásbosje overleefde alles!

Puskásbosje
de plek van het voormalige Puskásbosje

Tot vorige week. Nu is het een kale zandplek. Het bruikbare hout van de hoge grove dennen is al afgevoerd. Het enige dat nog van het bos getuigt, is een berg ontwortelde stammen die nog tot houtschilfers moeten worden vermalen. “Daar liggen mijn wortels, achteloos op een hoop gesmeten!” dramatiseerde ik het beeld, toen ik er een foto van nam. Maar ik weet dat er weer een droom zal komen, waarin het Puskásbosje er weer staat. Net als mijn lagere school die vorig jaar werd afgebroken. De plekken uit mijn jeugd zullen zolang ik leef, deel uit blijven maken van de topografie van mijn dromen.

Puskásbosje
de plek van het voormalige Puskásbosje
En dan: wat is natuur nog
in dit land? Een stukje bos,
ter grootte van een krant

J.C.Bloem

Een paar jongetjes van een jaar of acht liepen met stokken en zelfgemaakte wapens aan de rand van het verdwenen bos en keken naar de vijandige graafmachines die hun bos hadden verwoest, als indianen die van hun grondgebied waren verdreven. Ik zag mijzelf weer lopen, veertig jaar geleden. De dichter J.C.Bloem heeft het lang geleden al opgemerkt: “En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant” Het bosje “ter grootte van een krant” is nu ook verdwenen.

Friedrich & co [ 12 ]

Carl Gustav Carus (1789-1869)
Neun Briefe über Landschaftsmalerei

Carl Gustav CarusDe Dresdener arts Carl Gustav Carus was niet alleen bevriend met zijn stadsgenoot Caspar David Friedrich maar ook met Alexander von Humboldt en correspondeerde bovendien nog met Goethe. Hij was dan ook een veelzijdige man. Naast medicus was hij net als Friedrich landschapsschilder en schreef hij filosofische verhandelingen over natuur en wetenschap. Hij wordt zelfs wel eens gezien als de grondlegger van de dieptepsychologie. Een echte homo universalis dus die net als Von Humboldt en Goethe kunst en wetenschap (nog) als één ongebroken geheel zag. Maar als romanticus beschouwde hij de kunst als “Gipfel der Wissenschaft”. In zijn beroemde Neun Briefe über Landschaftsmalerei die hij als jongeman tussen 1815 en 1824 schreef, komt dat sterk naar voren. Deze brieven werden in 1831 in Leipzig uitgegeven en zijn nu integraal op internet te lezen. Goethe heeft deze uitgave nog net mogen meemaken en schreef zelfs een brief als inleiding.

Carus 1831
Neun Briefe über Landschaftsmalerei 1831

Naast de negen brieven zijn in deze bundel drie bijlagen opgenomen. De eerste bijlage gaat over Fysiognomie der Gebirge. Fysiognomie (gelaatskunde) was sinds de publicatie van Physiognomische Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (1775-78) van Johann Kaspar Lavater een populaire wetenschap geworden (en nog niet besmet door de geschiedenis). De fysiognomie probeert uit de uiterlijke kenmerken van het gezicht het innerlijk (de persoonlijkheid) naar boven te halen. Analoog aan het menselijk gelaat probeert Carus uit de vormen van bergen en rotsen de aard van een landschap bloot te leggen. Zijn waarnemingen zijn deels wetenschappelijk en behoren daarmee tot het terrein van de geologie. Maar Carus gaat verder en komt tot een soort psychologische geologie waarmee hij ‘de aard van de aarde’ wil beschrijven. Het is niet zo verwonderlijk dat hij met Goethe over dit onderwerp gecorrespondeerd heeft. Als je Goethes dagboek van zijn reis naar Italiëleest, kom je ook telkens geologische waarnemingen tegen.

Grot van Fingal
De basaltgrot van Fingal (1834)
laat Carus’ interesse voor geologie zien.
inkt en aquarel, 27,6 x 32 cm (Kupferstichkabinett Staatliche Kunstsammlungen Dresden)

Carl Gustav Carus was evenals Goethe in wolken geïnteresseerd. Ook de meteorologie was aan het begin van de negentiende eeuw een nieuwe en populaire wetenschap. Dat was vooral te danken aan de Engelsman Luke Howard die in 1803 Essay on the Modification of Clouds had geschreven. Goethe had Howard zelfs eer bewezen met een gedicht. In de tweede bijlage van Carus’ Brieven staan fragmenten uit zijn Malerischen Tagbuch. Hierin staan nauwkeurige waarnemingen en beschrijvingen van de hemel . Hij leidt zijn dagboek in met een citaat van, ja alweer…

Ich sah die Welt mit liebevollen Blicken/Und Welt und ich, wir schwelgten in Entzücken/So duftig war, belebend, immer frisch/Wie Fels, wie Strom, so Bergwald und Gebüsch

Goethe

December 1823. Erstes Mondsviertel
Einmal Abends im großen Garten. Bitter kalt, aber reiner duftiger Himmel. Frischer Schnee ziert die Fichten und Kiefern, erscheint klar, aber im Dunkel violett sich von der abendlich gerötheten Luft absetzend; selbst gegen östliche Gegendämmerung steht der Schnee dunkel.Am Waldrande bei der Krahenhütte schiner Schneehügel mit einsamer Kiefer durch helle Flachen von der schmalt-grauen Luft sich abhebend.
 
Im vollen ersten Viertel Abends nach vier Uhr über Brühl’s Terrasse und Brücke nach dem Palaisgarten, An dem Elbthore ein schönes Bild. Drei Bogen der Brücke im duftigen Braungrau mit den dreieckigen beschneiten Dächern der Pfeiler; davor breite Schneeflache als Hauptlicht, mit dunkelsten Steinen im Vorgrunde unterbrochen. Unter den Bogen duftiges Gebüsch und Ferne, darüber schmaltegrauer Himmel in ockerröthlich übergehend, alles mit Wolkendunst erfüllt; aber endlich der Mond durchdringend, noch nicht leuchtend, doch von gelblichem Schimmer umgeben. Seitwärts die Frauenkirche dunkler violettgrau. Auch von dem Hügel am Palais die Rücksicht nach der Stadt schön abgestuft, vorn hellster Schnee und dunkelste Bäume nun; stufenweise Lichter und Tiefen nach der Ferne hin abklingend, doch noch die letzten Schneedacher von dem duftigen Himmel hell abgesetzt.
 
Bron: Neun Briefe über Landschaftsmalerei, blz. 189

Ausstellung Carl Gustav Carus. Natur und Idee [ carusinberlin.org ]