
Bron: nl.wikipedia.org

De eerste vermelding van Celle (Kellu, wat nederzetting aan de rivier betekent) dateert van 986, maar dit Kellu was niet het huidige Celle, maar het vier kilometer oostelijker gelegen Altencelle. Al in de 11e eeuw beschikte Celle over muntrecht: munten uit de stad zijn op het eiland Sandoy in de Faeröer teruggevonden. 1292 kan als het jaar van de stichting van de huidige stad gezien worden, omdat hertog Otto de Strenge in dat jaar de burcht en het hof vanuit Altencelle hierheen verplaatste. In 1378 werd Celle de residentie van de hertogen van Saksen-Wittenberg. Vanaf 1433 resideerden er de hertogen van Brunswijk-Lüneburg. Celle was inmiddels een belangrijke handelsplaats op de route tussen Brunswijk en Bremen: goederen konden vanaf hier resp. tot hier per schip worden vervoerd. In de periode 1665-1705 beleefde Celle een bloeiperiode als residentie onder hertog George Willem. In deze periode werden de Franse en Italiaanse tuinen aangelegd en het nog altijd gebruikte barokke slottheater gebouwd. In 1705 stierf de laatste Celler hertog en werd het vorstendom geërfd door de Welfen.
George Lodewijk werd als George I koning van Engeland. Nog steeds zijn daardoor de banden met Engeland nauwer dan in vele anderen steden van Duitsland. Ter compensatie van het verlies van haar status als residentiestad kreeg Celle verschillende bestuurlijke en juridische instellingen binnen haar grenzen. Tijdens de Kristallnacht van 1938 werd de synagoge van Celle niet geheel verwoest, omdat zich in de nabijheid oude vakwerkhuizen bevonden. De oude binnenstad is overigens ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog gekomen, omdat alleen het stationsgebied werd getroffen door geallieerde luchtbombardementen. De vernietiging van de stad kon worden voorkomen door overgave van de stad aan de Geallieerde troepen in april 1945.


Als echte Pruis werkte hij met grote zelfdiscipline en bleef hij trouw aan de directe waarneming. In de Nationalgalerie in Berlijn hangt een prachtig schilderijtje uit 1876 van nog geen 40 bij 35 centimeter met daarop zijn eigen voet op ware grootte afgebeeld. In de Europese kunstgeschiedenis wordt meestal Gustave Courbet als de vader van het realisme naar voren geschoven. Maar Adolph Menzel was hem waarschijnlijk voor. En niet alleen Courbet of Manet, maar ook de impressionisten. In de jaren veertig van de negentiende eeuw, schilderde de autodidactische Menzel als zelfstudie kleine schilderijen, vaak van interieurs op directe wijze met zoveel gevoel voor licht en sfeer dat ze in de twintigste eeuw in de categorie ‘pre-impressionistisch’ zijn geplaatst. Tegenwoordig wordt aan dit vroege werk (Menzel schilderde het voor zijn 35e) de meeste aandacht gegeven. Vooral der Balkonzimmer uit 1845 (Nationalgalerie Berlin) en die Schwester des Künstlers uit 1847 (Neue Pinakothek, München) zijn eindeloos gereproduceerd.

Adolph von Menzel wird 1815 als Sohn eines Schulvorstehers in Breslau geboren. Sein Vater gründet eine Steindruckerei, in der er schon mit 14 Jahren tätig ist. Die Familie zieht 1830 nach Berlin um, und der junge Menzel muss nach dem frühen Tod des Vaters für den Lebensunterhalt der Familie sorgen. In den Jahren 1833 bis 1834 besucht Adolph von Menzel die Königliche Akademie der Künste und lernt dort seinen späteren Freund und Förderer, den Tapetenfabrikanten Carl Heinrich Arnold, kennen.
Max Planck verrichtte onderzoek naar de wetten van de thermodynamica en de uitstraling van energie door zwarte lichamen (black body radiation) en zocht naar de oplossing voor het probleem waar de klassieke natuurkunde niet uit kwam: hoe luidt de formule die het continue energieverloop beschrijft van een energie uitstralend lichaam. Het was al bekend dat de golflengte van elektromagnetische straling korter wordt naarmate de temperatuur van het lichaam stijgt. Wilhelm Wien vond in 1893 een formule voor de energiedistributie van straling vanuit zwarte lichamen, die gold voor het violette eind van het spectrum en John Rayleigh en James Jeans produceerden een formule voor het rode gebied, maar niemand kon een formule vinden die gold voor het hele spectrum. Zijn onderzoekingen brachten Planck er in 1900 toe de klassieke Newtoniaanse principes te verwerpen en een heel nieuw principe te introduceren, wat uiteindelijk resulteerde in de kwantumtheorie. Hij publiceerde zijn bevindingen in de verhandeling Zur Theorie des Gesetzes der Energie-Verteilung im Normal-Spektrum. Plancks theorie komt erop neer dat energie wordt uitgestraald in kleine ‘pakketjes’ of eenheden, die hij quanta (kwanta) noemde, meervoud van het Latijnse quantum (kwantum), wat “hoeveelheid” betekent.













