» » boeken

zondag 19 mei 2013
Italiëgangers [ 16 ]
gekocht in Brussel: Alle wegen leiden naar Rome
Kunstenaarsreizen in Europa
(16e-19e eeuw) van Dominique Vautier
Alle wegen leiden naar RomeVoor vele reizigers uit het noorden was de ‘Grand Tour’ een eerste lijfelijke kennismaking met overblijfselen van de klassieke wereld en de idealen die zo vaak - zij het abstract - werden bezongen. Het voornaamste doel van de reis waren de Italiaanse kunststeden, maar ook andere bestemmingen in Zuid- en Midden-Europa waren populair. Het was in de eerste plaats een studiereis, maar ook het ‘wandern’ - het doelloos en flanerend rondzwerven - was een doel. En er ontstond een heuse souvenir-business, waar bijvoorbeeld vedutisti als Panini en Canaletto hun faam mee konden maken. De omgeving werkte inspirerend.
 
Velen kropen in de pen om de reisindrukken in de details te beschrijven. Het reizen zelf werd een doel op zich. Europa werd overspannen met transnationale routes en reiswegen en de vreemdeling werd een toerist. Alle wegen leiden naar Rome verzamelt vele getuigenissen van kunstenaars, schrijvers, politici en filosofen als Erasmus, Brueghel, Chateaubriand, Stendhal, Balzac, Dumas of Freud. Vele aspecten van de reis worden behandeld: de voorbereiding, de haltes, de herbergen, de soms moeilijke omstandigheden en verrassende manieren van verplaatsen. Wat de schrijvers vertellen wordt in verband gebracht met schilderijen van kunstenaars als Jean-Honore Fragonard, Joseph Vernet, Jan Both, Michael Sweerts, Salomon Van Ruysdael, Nicolas Tournier en Jacques Volaire, maar ook met allerhande voorwerpen die reizigers nodig hadden of tegenkwamen.
 
Bron: zvab.com

meer Italiëgangers

zaterdag 20 april 2013
nieuw wereldbeeld
gezien bij VPRO Boeken: Wim Brands in gesprek met Peter Westbroek
over De ontdekking van de aarde (herhaling)

De ontdekking van de aardeDe emeritus hoogleraar geofysiologie Peter Westbroek (1937) schreef vorig jaar De ontdekking van de aarde en kwam daar in december j.l. over vertellen in het programma Boeken. Het werd een mooi gesprek. Deze mediagenieke en bevlogen wetenschapper zou van mij best een avond bij Zomergasten mogen vullen.

Zijn boodschap is eenvoudig: we blijven vastzitten aan een oud wereldbeeld: we benaderen de aarde als een globe waar we macht op kunnen uitoefenen. In de tijd van de ontdekkingsreizen, het kolonialisme en imperialisme verdeelden de kolonialiserende landen de aarde met elkaar. In onze tijd willen we “de aarde redden” en wordt dat onderdeel van een politiek programma. Alweer gaat het om machtsuitoefening dus.

Peter Westbroek pleit ervoor om te kijken vanuit de planeet aarde en niet vanuit onze wil tot macht. Keerpunt en kanteling van het oude wereldbeeld is volgens hem de foto die in 1968 door de Apollo 8 missie werd genomen. Volgens de Duitse filosoof Rüdiger Safranski is deze foto dé icoon van globalisering. Peter Westbroek ziet het zo: in 1968 kreeg de planeet aarde na 45 miljoen eeuwen door de mens zelfbewustzijn.

maanzegel 1968Toen de bemanning van de Apollo 8 in 1968 zijn beelden naar de aarde stuurde, was dat voor Westbroek een soort Eureka-moment. De foto die de astronauten van de aarde maakte, markeert volgens hem het begin van de planetaire zelfkennis: voor het eerste zag de mens de aarde met een oplichtende atmosfeer. Een revolutie. Na Copernicus (‘de aarde is niet het centrum van de heelal’) een kantelpunt in ons wereldbeeld.
 
De Apollo-foto dwong ons over klimaatverandering na te denken. Volgens Westbroek dachten we voorheen de macht over de aarde te hebben en konden we het niet aanvaarden dat we die macht aan het verliezen waren. Het vormde tevens de kiem voor Earth System Science: de nieuwe wetenschappelijke benadering van de planeet om geologie, biologie en sociale wetenschap samen te voegen. Pas als je weet hoe alle afzonderlijke processen onderling samenhangen en hoe de aarde zich ontwikkelt, kunnen we iets begrijpen van die wonderlijke planeet waarop we leven.
 
Bron: boeken.vpro.nl

Westbroek is een bewonderaar van zijn generatiegenoot Lynn Margulis (1938-1911), bekend van de endosymbiose-theorie. Samen met de biochemicus en medicus James Lovelock ontwikkelde ze vanaf 1969 de zogenaamde Gaia-hypothese. Alle leven op aarde wordt daarbij voorgesteld als één organisme. Westbroek die met Margulis bevriend geweest is, is gecharmeerd van deze theorie. Het is een vorm van posthumanisme, die niet de mens, maar de planeet centraal stelt. Wim Brands wees terecht op de paradox dat de mens “een broodkruimel op de rok van het universum", maar tegelijkertijd ook van onschatbare waarde is, omdat de aarde zichzelf door het oog van de mens kan zien én bewust worden.

De Gaia-hypothese is een (pseudo) wetenschappelijke hypothese, maar heeft onmiskenbaar een spiritueel aspect. Net als de evolutietheorie neemt ze afstand van het antropocentrisme. Het scheppingsverhaal met de mens als kroon van de Schepping, wordt achter ons gelaten. Daarvoor in de plaats komt een onzijdig en onpersoonlijke Universeel Leven. Paradoxaal wordt dit gepersonifieerd door Gaia. Het Universele Leven blijkt dus “een meisje".

ClintonEr zijn duidelijk connecties met New Age en feminisme: het oude patriarchaat is ten einde gekomen, een nieuwe tijd is aangebroken, waarin we de aarde leren zien als onze Oermoeder die voor ons zorgt. Wanneer we haar proberen te redden, belanden we weer in traditioneel (mannelijk) machtsdenken. Dit zien we bijvoorbeeld op een foto van Bill Clinton in krijtstreep die de aardbol als een baby koestert. Van dit soort machtsdenken, vermomd als zorg, moeten we volgens Westbroek af.

Persoonlijk vind ik de Gaia-hypothese een dwaas Groot Verhaal. Het lijkt voor mij enige verwantschap te hebben met het Grote Verhaal van Richard Dawkins, waarin een eindeloze stroom DNA zich een doelloze weg baant door de miljarden jaren in een pikzwart universum. Niemand heeft deze troosteloosheid ooit zwartgalliger in een beeld weten te vatten dan Arthur Schopenhauer:

In de oneindige ruimte talloze lichtgevende bollen, om elke waarvan zo’n dozijn kleinere cirkelen, door de grote verlicht; ze zijn van binnen heet en overtrokken met een gestolde, afgekoelde korst; op deze korst heeft een schimmellaag levende en kennende wezens voorgebracht – dit is de empirische waarheid, de realiteit, de wereld. Voor een denkend wezen is het hoe dan ook een netelige zaak om op een van die talloze, vrij in de onbegrensde ruimte zwevende bollen te leven, zonder te weten waarvandaan of waarheen, en om slechts één van ontelbare gelijksoortige wezens te zijn die zich daar al ploeterend en tobbend verdringen, die in een vloek en een zucht ontstaan en vergaan, in een tijd zonder begin en zonder einde.
 
uit: De wereld als wil en voorstelling II, Hfdst. 1, p.13. 1859, vertaling: Hans Driessen
… op deze korst heeft een schimmellaag levende en kennende wezens voorgebracht …

Arthur Schopenhauer

Aan de schrijver van De ontdekking van de aarde is dit pessimisme niet besteed. Wim Brands vroeg hem wat er na onze dood gebeurt. “Dan leven we miljoenen verschillende manieren verder", antwoordde Westbroek. Dat zou voor Schopenhauer een te rooskleurig beeld zijn. Het klinkt op het eerste gehoor positief: miljoenen verschillende manieren associeer je met ontelbare nieuwe mogelijkheden. Maar als ik het concreet wil maken, dringt de onsterfelijke DNA-diarree van Dawkins zich aan mij op. De mens als persoon en ziel moet blijkbaar gekleineerd worden …

boeken.vpro.nl | De Ontdekking van de Aarde [ uitgeverijbalans.nl ]

maandag 1 april 2013
noche oscura del alma
gezien op Canvas bij Katholieke Televisie en radio Omroep: Braambos
karmeliet Reinhard Körner over depressie en Juan de la Cruz

De benedictijner monnik Anselm Grün is niet alleen in Duitsland maar ook in Nederland en Vlaanderen een bekende auteur van boeken over zingeving. Tientallen van zijn boeken zijn inmiddels in het Nederlands vertaald. Een grote kracht van Anselm Grün is dat hij een brug weet te slaan van het christendom naar de hedendaagse zoektocht naar zingeving. In zijn teksten gebruikt hij vaak de taal van de psychologie.

Reinhard KörnerGisteren viel ik op het Belgische Canvas in een mooi gesprek met een andere Duitse monnik. De karmeliet Reinhard Körner is zielzorger en begeleidt mensen die aan depressies lijden. Daarbij baseert hij zich op de spiritualiteit van Juan de la Cruz. Met Lucette Verboven sprak hij een halfuur lang over depressiviteit, Johannes van het Kruis en geloof in eeuwig leven. Zijn boeken verschijnen bij Vier-Türme Verlag die ook de boeken van Anselm Grün uitgeeft. Deze uitgeverij is gevestigd in de benedictijner Abtei Münsterschwarzach. Zelf woont Körner in het Karmelitenkloster Birkenwerder.

En una noche oscura,
con ansias en amores inflamada,
¡oh dichosa ventura!
salí sin ser notada,
estando ya mi casa sosegada.

Juan de la Cruz, ca. 1577

Dunkle NachtDonkere nacht van de ziel is een metafoor die de spirituele ervaring beschrijft van iemand die een fase in zijn leven doormaakt waarin hij zich door iedereen verlaten voelt, zonder hoop op een betere toekomst. Deze aan depressie verwante gevoelens ervaart de persoon als een crisis van geestelijke identiteit. Verschillende spirituele tradities zoals de christelijke mystiek verwijzen naar deze ingrijpende en louterende ervaring. Zo beschreef Johannes van het Kruis in een gedicht de reis van de ziel vanuit zijn lichamelijke thuis naar een vereniging met God. Deze reis is bijzonder zwaar want het betekent een onthechting van de wereld om zich “met het licht van de schepper te kunnen verenigen.” In zijn werken maakt Johannes onderscheid tussen twee donkere nachten: de nacht van de zuivering van de zintuigen en de nacht van de zuivering van de geest. Bron: nl.wikipedia.org

reinhard-koerner.de

zondag 31 maart 2013
coolness
gelezen in No Logo : de merken gaan terug naar de schoolbanken

no logoTot een halve eeuw geleden genoten ouderen het respect van jongeren. Dat grijsaards niet alleen de meeste levenservaring maar ook de meeste levenswijsheid verzameld hadden, was een even grote vanzelfsprekendheid als ademen. Maar de massaconsumptiemaatschappij heeft de verhoudingen tussen de generaties omgekeerd. In plaats van dat jongeren naar ouderen luisteren, zijn ouderen naar jongeren gaan luisteren. In No Logo staat een passage waarin die ontwikkeling treffend beschreven wordt. Doordat ons bewustzijn door merken wordt gekolonialiseerd, is de heilige graal van de massacultuur geen levenswijsheid, maar coolness. Hoor je erbij? (of niet?) is levensvraag nummer één geworden.

Vinden de jongelui ons
wel cool genoeg?

uit: No Logo (Naomi Klein)

De weg naar coolness is per definitie geplaveid met twijfel aan je zelf. ("Vind je dit wel cool?” hoor je legioenen tieners elkaar in de winkels zenuwachtig vragen. “Of is dit stom?") De verscheurende twijfels van de adolescentie zijn in onze tijd echter vragen geworden waar miljarden dollars mee gemoeid zijn. Die onzekerheden worden uitputtend besproken in raden van bestuur en ze maken van copywriters, reclamemakers en president-directeuren rusteloze tieners die voor de spiegel uitproberen hoe ze er het best verveeld uit kunnen zien. Wat ze willen weten is dit: Vinden de jongelui ons wel cool genoeg? Sloven we ons te veel uit om cool te zijn, of zijn we het echt? Kunnen we ons een houding geven? De juiste houding?
 
uit: No Logo - de jeugdmarkt en de markt van coolness

naomiklein.org

donderdag 28 maart 2013
imagebuilding
vanaf vanavond om 23.00 op Nederland 1: Mad Men season 5
gelezen in No Logo (1999) van Naomi Klein

Naomi Klein begint het eerste hoofdstuk van No Logo met een citaat uit het boek Confessions of an advertising man uit 1963 van David Ogilvy, een klassieker uit de reclamewereld. Het boek kwam ook even ter sprake in de episode Seven Twenty Three uit het derde seizoen van Mad Men. Roger moppert op de bestseller van Ogilvy en meent dat het een boek is dat iedereen kan schrijven. Een betere titel was volgens hem geweest: A Thousand Reasons I’m so Great.

Mad Men

Ogilvy, Mad Men en No Logo gaan over marketing en hoe reclame ons denken en handelen beïnvloedt. In een historische terugblik laat Naomi Klein in hoofdstuk 1 (A Brand New World) overtuigend zien dat in de post-industriële wereld niet langer de producten centraal staan, maar de beeldvorming bij de producten. En die beeldvorming wordt gemaakt in de reclamewereld. Imago en beeldvorming zijn de eigenlijke producten geworden die de consument krijgt aangeboden. In de jaren veertig begon een reclameman in New York zichzelf niet langer meer als straatventer te zien, maar als de “koning-filosoof van de commerciële cultuur". (Randall Rothenberg, 1995)

In de jaren veertig begon een reclameman in New York zichzelf niet langer meer als straatventer te zien, maar als de “koning-filosoof van de commerciële cultuur”

General Electric 1920'sVroeger kocht je dingen. In de brand new world koopt de consument merken. Die merken zijn concepten. Zo gaf de legendarische reclameman Bruce Barton in de jaren twintig de merknaam General Motors een corporate identity die de gemiddelde Amerikaan diep in zijn ziel aansprak. Hij maakte van General Motors een metafoor van het Amerikaanse gezin: “persoonlijk, warm en menselijk.” Barton vond dat de de letters GE niet zozeer duidden op het anonieme bedrijf General Electrics, maar op “de initialen van een vriend".

Terwijl in Europa in de jaren twintig de kracht van mythe en beeldvorming vooral in de politiek werd aangewend, werden in de Verenigde Staten krachtige woorden en beelden gebruikt om de consument te mobiliseren. Want ieder huishouden moest aan een radio, een elektrisch strijkijzer, wasmachine en koelkast. De banken zorgden wel voor krediet.

De tv-serie Mad Men begon in 1960 en is met seizoen vijf aangekomen in 1967. In die tijd begon het steeds duidelijker te worden, dat als je werkelijk een wereldmerk wilde, dat je dan vooral veel geld aan reclame moest uitgeven. In de jaren zestig verdienden reclamejongens in de Verenigde Staten als Sterling Cooper Draper Pryce allemaal bij elkaar een paar miljard dollar. Dat is niets vergeleken met de astronomische bedragen die merken tegenwoordig aan reclame uitgeven. In een grafiek in No Logo is het in één oogopslag te zien: van 50 miljard dollar in 1979 naar het viervoudige in 1998. Na het verschijnen van No Logo in 1999 zal de curve haar steile weg omhoog vervolgd hebben.

madmen.vara.nl | no logo [ en.wikipedia.org ]

maandag 25 maart 2013
Hoe genoeglijk rolt het leven …
van Michaela gekregen: H.K.Poot - Dichter en Boer
Hubert Korneliszoon PootHubert Korneliszoon Poot (1689-1733) was bij zijn leven een hype. Het was in Nederland nog nooit vertoond dat een boer tegelijk dichter was. Zijn eerste bundel Mengeldichten (1716) met vooral liefdespoëzie kreeg meteen een paar herdrukken. Zijn tweede boek, Gedichten, werd chic uitgegeven met tal van illustraties bij de afzonderlijke gedichten, waaronder het bekende Akkerleven, ‘Hoe genoeglijk rolt het leven / des gerusten landmans heen’, dat onder dit brave begin heel wat ironie verbergt. Zijn roem is zo groot dat men hem op de boerderij opzoekt: kijk, hij dicht. Als eerste literator probeert hij van de pen te leven, door poëzie in opdracht te schrijven en redactioneel werk te verrichten. Daartoe verhuist de boerenzoon van Abtswoude naar Delft.
 
Het loopt op een pijnlijke mislukking uit. Hij raakt in een depressie en keert naar huis terug. Die teleurstelling is hij nauwelijks te boven gekomen. Maar wel heeft hij zijn poëzie een nieuwe wending gegeven. In zijn laatste jaren heeft hij vernieuwende gedichten geschreven met de natuur als uitgangspunt. Ook had hij de durf zijn schrijnende levenservaringen een plaats in zijn poëzie te geven.
 
Bron: uitgeverijprometheus.nl
Hubert Korneliszoon Poot was bij zijn leven een hype. Het was in Nederland nog nooit vertoond dat een boer tegelijk dichter was.
Hubert Korneliszoon PootHubert Korneliszoon Poot (1689-1733) was een Nederlands dichter, wiens werk aansluit bij zowel de klassiek georiënteerde poëzie van bijvoorbeeld Vondel, als bij de gevoelige stemmingspoëzie uit de 18e eeuw. Poot stond ook aan de basis van een ommekeer in de Nederlandse literatuur: hij nam zich voor om te proberen van zijn pen te leven en, wat heel ongebruikelijk was in de 17e eeuw, daarnaast geen ander beroep uit te oefenen. Als brooddichter trad hij ook op als uitgever.
 
Aanvankelijk was Poot boer. Dat hij als boerenzoon de Latijnse school niet bezocht, heeft hem echter niet belet om door middel van vertalingen vertrouwd te geraken met de klassieke auteurs. Dat blijkt uit de vele klassieke toespelingen die in zijn gedichten te vinden zijn. Zo is zijn Akkerleven (uit Gedichten, verschenen in 1722) een navolging van wat Horatius schreef in zijn verheerlijking van het leven van de boer. Het succes van zijn in 1716 gepubliceerde Mengeldichten (herdrukt in 1718) bracht hem er in 1723 toe om zich in Delft te vestigen en zich geheel aan de literatuur te wijden. Dat draaide echter uit op een teleurstelling en een jaar later keerde hij terug naar zijn dorp. Na zijn huwelijk in 1732 verhuisde hij opnieuw naar Delft, waar hij na een jaar aan een nierziekte overleed.
 
Bron: nl.wikipedia.org
dinsdag 19 maart 2013
Drenthse Hobbema
van Michaela gekregen: Egbert van Drielst (1745-1818)
Egbert van DrielstEgbert van Drielst kreeg zijn eerste tekenonderwijs bij J.F. Francé in de lakfabriek van Steven Numan in Groningen. Omstreeks 1761 kwam Van Drielst, samen met Numans zoon Hermanus naar Haarlem en werd daar leerling van de behangschilder Jan Augustini. In 1765 trok Van Drielst naar Amsterdam. Zijn eerste schilderij ontstond in 1776. Hij studeerde tot 1768 bij Hendrik Meijer; daarna was hij twee jaar werkzaam bij de behangschilder Jan Smeijers.
 
Tussen 1770 en 1810 schilderde Van Drielst ongeveer tien behangensembles van uitstekende kwaliteit, meestal voor huizen aan de Amsterdamse Keizersgracht. De behangschilderingen zijn helaas deels bewaard gebleven en vrijwel nooit op de oorspronkelijke plek. Egbert van Drielst woonde zelf ook op Keizersgracht 592 en 418 en schilderde bij de opdrachtgever, zodat hij rekening kon houden met de lichtinval.
 
Als een van de eerste Hollandse kunstenaars heeft Van Drielst zich door de bossen en dorpen in de provincie Drenthe laten inspireren. Van Drielst was eigenlijk tekenaar. Zijn tekeningen van landschappen zijn geliefde verzamelobjecten.
 
Bron: nl.wikipedia.org
Egbert van Drielst
Egbert van Drielst 1809
Achterbuurtje met tuinen
vrijdag 15 maart 2013
Johann Elias Ridinger
gravures van Johann Elias Ridinger (1698-1767)

De Duitse graficus Johann Elias Ridinger (1698-1767) is ook in zijn vaderland tamelijk onbekend. Toch kennen in Duitsland veel mensen zijn werk. Tot in de negentiende eeuw werden zijn dier- en jachtprenten veel gepubliceerd. Zijn boek Abbildung der jagtbaren Thiere uit 1740 is voor jagers als handboek te gebruiken. Onder de gravures van dieren staat een afdruk van hun spoor.

Ridinger
Johann Elias Ridinger 1740
Abbildungen der jagtbaren Thiere (titelblad)
Ridinger
Johann Elias Ridinger 1740
Wie ein Fuchs oder Tachs mit der Drath-schlinge zu fangen
RidingerJohann Elias Ridinger wurde als Sohn eines zeichnerisch begabten Vaters von Christoph Rasch (Resch) in Ulm und Johann Falk (Falch) in Augsburg unterrichtet und bildete sich dann in Regensburg weiter, wo ihn seine Vorliebe für die Jagd zum Studium des Wildes am Hof des Grafen Metternich hinführte. Nach 1717 unternahm er weitere Studien in der reichsstädtischen Akademie des Georg Philip Rugendas. Er gründete später in Augsburg einen eigenen Kunstverlag, in dem die meisten seiner Werke erschienen. 1759 wurde er Direktor der Kunstakademie. Ridinger starb am 10. April 1767 in Augsburg. Sein Werk wurde von seinen Söhnen Martin Elias und Johann Jakob weitergeführt. Der Verlag wurde später von der Martin Engelbrechtschen Kunsthandlung übernommen (1827 Alois Schlosser).
 
Bron: de.wikipedia.org
Ridinger
Johann Elias Ridinger 1750
Nach der Natur entworffene Vorstellungen …

ridinger.de

maandag 11 maart 2013
architectonische visioenen
twee weken geleden gekregen: Piranesi The Complete Etchings

Piranesi bij TaschenGiovanni Battista Piranesi (1720-1778) is vooral bekend geworden door zijn carceri d’invenzione (imaginaire kerkers) uit 1745. Het is een serie etsen met claustrofobische voorstellingen van denkbeeldige gevangenissen die je gemakkelijk met de architectonische fantasieën van M.C.Escher kunt associëren. Toch vormen zij maar een fractie van zijn oeuvre. Piranesi werkte o.a. samen met de graficus Giuseppe Vasi (1710-1782) die gespecialiseerd was in het produceren van vedute (gezichten) van Rome. Deze waren erg in trek bij de toeristen die naar Rome kwamen.

Rond het midden van de achttiende eeuw bloeide het toerisme in Rome. Met name voor jongemannen uit de Engelse upperclass was een reis naar Italië een verplicht nummer. Op de route van de Grand Tour lagen steden als Venetië, Florence en Napels. Meestal was Rome het einddoel. In deze stad verbleven ook veel Engelse diplomaten en kooplieden. De rijke Engelsen zorgden niet alleen voor een opbloei van het toerisme maar bevorderden ook de werkgelegenheid voor kunstenaars. Pompeo Batoni was de meest gevraagde portretschilder uit de eeuwig stad. Zijn klantenkring bestond hoofdzakelijk uit rijke Engelsen. Ook grafici als Vasi en Piranesi profiteerden van het toerisme. Er was namelijk veel behoefte aan prenten met voorstellingen van het antieke Rome. De toeristen konden dan met een prent in de hand bij de ruïnes zien hoe het ooit was.

Uitgever Taschen bracht in twee delen in luxe cassette alle etsen van Piranesi bijeen. Bij het doorbladeren valt op dat het oeuvre uit verschillende typen van voorstellingen is opgebouwd. De imaginaire voorstellingen van gevangenissen nemen maar een heel klein deel van zijn complete werk in beslag. Ze ontstonden vóór 1750 en je ziet duidelijk invloed van het fantasierijke rococo. Bij een reeks van vier grotesken die hij tussen 1744 en 1747 maakte, is dat nog beter te zien. Net als de gravures in het boek Quatrieme LivreDe Formes Ornées de Rocailles Cartels Figures Oyseaux et Dragons chinois uit 1736 (ontworpen door Jean Mondon le Fils met gravures van Antoine Aveline) zijn deze grotesken 100% barokke fantasie.

Piranesi
Parte di ampio magnifico Porto all’uso degli antichi Romani (1749–50) een mooi voorbeeld van een “architectonisch visioen” van Piranesi met invloed van barok en rococo.

Na 1750 worden Piranesi’s gravures strakker en wetenschappelijker. Deze tendens laat zich in heel Europa zien. Het is de tijd waarin de eerste delen van de Encyclopédie (1751-1772) verschijnen. De voorstellingen ogen mechanisch, de schwung is eruit. In zijn boek Antichità Romane uit 1756 zijn voorstellingen van gereconstrueerde Romeinse gebouwen vaak gecombineerd met technische tekeningen, doorsneden en plattegrond in één prent die zo in de Franse Encyclopédie zou passen.

Een groot deel van Piranesi’s gravures zijn vedute die laten zien hoe de eeuwige stad er rond het midden van de achttiende eeuw uitzag. Net als bij tekeningen van Italianisanten uit de 17e eeuw staan ruïnes vaak nog niet los, maar zijn ze half ingebouwd in woonwijken. Triomfbogen steken soms nog half boven de grond uit en zijn overwoekerd met vegetatie, een klauterparadijs voor geiten. Piranesi beperkte zich niet alleen tot ruïnes uit de Oudheid. Ook kerken, paleizen en overheidsgebouwen uit de barok en het rococo legde hij vast.

Giovanni Battista Piranesi [ metmuseum.org ]

zaterdag 9 maart 2013
wereldverbeteraars [ 3 ]
gelezen in: Aardse Machten van Michael Burleigh (2005)
over utopisten uit de 19e eeuw: Fourier (1772-1837)
 

Utopisten in de negentiende eeuw waren idealisten die meenden dat de volmaakte maatschappij bestond. Hun ideeën hoefden “alleen maar” in praktijk gebracht te worden! Twijfel aan zichzelf leken ze niet te kennen. Bescheidenheid evenmin. De nieuwe mens, de nieuwe religie en de nieuwe wereld begon voor utopisten in hun eigen hoofd. Verblind door een naïef geloof in de vooruitgang en de goedheid van de mens, zagen ze aan de horizon hun schitterende visioen. En alles wat hun utopie in de weg stond, werd gezien als kwaad. Dat kwaad projecteerden ze buiten zichzelf in de oude maatschappij, die tot een nieuwe wereld omgevormd moest worden. Utopisten werden zo de wegbereiders van de totalitaire ideologieën uit de twintigste eeuw.

Aardse MachtenUtopisten geloven dat een harmonieuze wereld mogelijk is. Eén les uit de geschiedenis lijken ze niet te willen trekken, namelijk de les dat de menselijke wil tot macht altijd weer tot chaos, strijd, waanzin en vernietiging leidt. Charles Fourier die in 1772 geboren werd, groeide op in de jaren voor en na de Franse Revolutie. Als jongeman maakte hij al genoeg mee om voor de rest van zijn leven ontgoocheld te zijn over de goede bedoelingen van de mens. Zo moest hij van zijn baas uit commerciële overwegingen eens een grote voorraad rijst vernietigen, terwijl er in het land honger werd geleden. Hij zou er een levenslange afkeer van handel aan over houden. Maar de onrechtvaardigheid en chaos in de wereld ontmoedigden hem niet, maar wakkerden zijn idealisme juist aan.

Charles Fourier werkte een ideale samenleving uit op basis van de menselijke hartstochten. Hij onderscheidde twaalf verschillende hartstochten en leidde daar 810 verschillende karaktertypen uit af. De ideale maatschappij was voor hem georganiseerd in gemeenschappen die hij phalanstères noemde. Dit waren grote gebouwen met meerdere verdiepingen waar in het ideale geval 2000 mensen woonden. Het waren geen communes of pseudo-kloosters waarin iedereen gelijk was, want Fourier geloofde in meritocratie. Niet de ongelijkheid, maar de armoede was voor hem de oorzaak van alle ellende in de wereld. 

Ledoux
La Saline royale d’Arc-et-Senans uit 1778 van de utopische architect Claude-Nicolas Ledoux toont verwantschap met de woon- en werkgemeenschappen die Fourier phalanstères noemde.

In de phalanstères zou er nog steeds verschil zijn in positie en inkomen, maar degenen die niet konden werken, zouden een basisinkomen krijgen zodat er geen armoede meer was. De rijken zouden in de bovenste luxe verdiepingen wonen en de minder rijken op de begane grond. Joden werden echter uitgesloten en moesten op aparte boerderijen buiten de phalanstères wonen. Maar Fourier discrimineerde geen vrouwen en homoseksuelen. Hij zag hen als volwaardige individuen, wat voor zijn tijd heel opmerkelijk was. Er is nog nooit één phalanstère echt gerealiseerd. Toch werd er na zijn dood in 1837 wel geëxperimenteerd met zijn gedachtegoed, met name in de Verenigde Staten. Het bekendste project dat gebaseerd was op het utopisme van Fourier, was de Familistère van de Franse industrieel Jean-Baptiste André Godin

Charles Fourier
Charles Fourier
Goed, het is niet de eerste keer dat God een kleine man heeft gebruikt om de groten te vernederen en een onbekende man heeft gekozen om de wereld de belangrijkste boodschap te brengen.

Charles Fourier over zichzelf

Tijdens zijn leven had Charles Fourier slechts enkele aanhangers. Just Muiron was de belangrijkste; Victor Prosper Considérant heeft een belangrijke rol gespeeld bij het verspreiden van het gedachtegoed van Fourier, met het uitbrengen van het tijdschrift La Phalanstere (vanaf 1832). Na Fouriers dood groeide zijn beweging, het fouriérisme. Vooral in de Verenigde Staten werden gemeenschappen gesticht, die gebaseerd waren op het gedachtegoed van Fourier. Ze waren echter meestal geen lang leven beschoren.
 
Bron: nl.wikipedia.org

charlesfourier.fr | familistere.com

vrijdag 8 maart 2013
wereldverbeteraars [ 2 ]
gelezen in: Aardse Machten van Michael Burleigh (2005)
over utopisten uit de 19e eeuw: Comte (1798-1757)
 

Utopisten in de negentiende eeuw waren idealisten die meenden dat de volmaakte maatschappij bestond. Hun ideeën hoefden “alleen maar” in praktijk gebracht te worden! Twijfel aan zichzelf leken ze niet te kennen. Bescheidenheid evenmin. De nieuwe mens, de nieuwe religie en de nieuwe wereld begon voor utopisten in hun eigen hoofd. Verblind door een naïef geloof in de vooruitgang en de goedheid van de mens, zagen ze aan de horizon hun schitterende visioen. En alles wat hun utopie in de weg stond, werd gezien als kwaad. Dat kwaad projecteerden ze buiten zichzelf in de oude maatschappij, die tot een nieuwe wereld omgevormd moest worden. Utopisten werden zo de wegbereiders van de totalitaire ideologieën uit de twintigste eeuw.

Auguste Comte“Als jullie nu allemaal even naar mij luisteren en doen wat ik zeg, dan zal alle ellende uit de wereld verdwijnen!” Dit is waarschijnlijk de kortste samenvatting van het evangelie van de utopist. Voorzien van een blinde vlek voor het kwaad in zichzelf kan de utopist compleet overtuigd zijn van de oorspronkelijke goedheid van de mens. De wereldverbeteraar is een idealist, geen realist. Vaak heeft hij daarom iets met wiskunde, het terrein van het ideële bij uitstek. En met organisatie en planning. Zo ook Auguste Comte (1798-1857). Tussen zijn 19e en 26e (1817-1824) was hij de secretaris van Claude Henri de Saint-Simon (1760-1825) en werd hij gevormd door het utopische socialisme van zijn leermeester. Elke tekst die Comte schreef, moest hij ondertekenen met de naam van zijn meester. In 1824 sloeg hij zijn vleugels uit en brak hij met Saint-Simon. Vanaf dat moment noemde hij zijn leermeester “een ontaarde charlatan".

Evenals Saint-Simon zou zijn leerling eindigen met het stichten van een pseudo-religie. Tussen 1851 en 1854 publiceerde hij een vierdelig sociologisch werk waarmee hij de basis legde voor zijn Religie van de Mensheid. Volgens Comte vormde deze een derde weg tussen christelijke theologie en abstract rationalisme. De betekenis van Auguste Comte ligt vooral in zijn rol als grondlegger van het positivisme en als munter van het begrip “sociologie". Het motto van zijn positivisme L’amour pour principe et l’ordre pour base; le progrès pour but” ("Liefde als principe en orde als basis; vooruitgang als doel") leeft voort in de vlag van Brazilië met het opschrift Ordem e Progresso.

de vlag van Brazilië
het utopisme van Comte is nog altijd springlevend in de vlag van Brazilië:
Ordem e Progresso
Uiteindelijk is Comtes ideaal van maatschappelijke orde zijn werk zo sterk gaan beheersen dat het religieuze trekken kreeg. Hij ontwierp een Religie der Mensheid en kroonde zichzelf tot hogepriester. De Religie der Mensheid kaderde zijn streven in naar maatschappelijke orde, dat op treffende wijze uitgedrukt wordt in zijn devies “Orde en vooruitgang". Volgens Comte ligt de grondslag van iedere maatschappelijke orde immers in een gemeenschappelijk stelsel van opvattingen en ideeën. Hij beschouwt dat stelsel als de “lijm” waarmee afzonderlijke delen van de maatschappij (gezin, kerk, staat) door consensus aan elkaar vastplakken.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Aardse Machten [ debezigebij.nl ]

donderdag 7 maart 2013
wereldverbeteraars [ 1 ]
gelezen in: Aardse Machten van Michael Burleigh (2005)
over utopisten uit de 19e eeuw: Saint-Simon (1760-1825)
 

Utopisten in de negentiende eeuw waren idealisten die meenden dat de volmaakte maatschappij bestond. Hun ideeën hoefden “alleen maar” in praktijk gebracht te worden! Twijfel aan zichzelf leken ze niet te kennen. Bescheidenheid evenmin. De nieuwe mens, de nieuwe religie en de nieuwe wereld begon voor utopisten in hun eigen hoofd. Verblind door een naïef geloof in de vooruitgang en de goedheid van de mens, zagen ze aan de horizon hun schitterende visioen. En alles wat hun utopie in de weg stond, werd gezien als kwaad. Dat kwaad projecteerden ze buiten zichzelf in de oude maatschappij, die tot een nieuwe wereld omgevormd moest worden. Utopisten werden zo de wegbereiders van de totalitaire ideologieën uit de twintigste eeuw.

Aardse MachtenNergens vermengde religie en politiek zich zo sterk als in het utopisme van de vroege negentiende eeuw. Michael Burleigh behandelt in het zesde hoofdstuk van Aardse Machten drie utopisten: Claude Henri de Saint-Simon, Auguste Comte en Charles Fourier. Om in de hemel op aarde te geloven en in de goedheid van de mens, moet je naïef zijn, een beetje gek, of je moet vóór 1914 geleefd hebben en de catastrofe van de wereldoorlogen niet gekend hebben. De utopisten uit de eerste helft van de negentiende eeuw voldeden aan deze criteria.

Als mij tot nu toe één ding duidelijk is geworden na het lezen in Aardse Machten, dan is het wel dat de “lange negentiende eeuw", de tijd tussen de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog, de voedingsbodem is geweest voor de totalitaire regimes van de twintigste eeuw. Ondanks allerlei stormachtige ontwikkelingen in de maatschappij, wetenschap en techniek, was er een constante in de negentiende eeuw: een blijmoedig geloof in de vooruitgang. Doordat wetenschap en techniek economische voorspoed met zich meebrachten, was er een grenzeloos optimisme over de menselijke mogelijkheden. Terwijl het christelijk geloof als een rem op de vooruitgang werd gezien, werd de wetenschap bejubeld als de motor van alles.

Terwijl het christelijk geloof als een rem op de vooruitgang werd gezien, werd de wetenschap bejubeld als de motor van alles.

In het laatste decennium van de achttiende eeuw probeerden Jacobijnen het christelijke geloof te vervangen door een artificiële religie, waarin de dienst aan het Opperwezen de plaats moest innemen van de heilige Mis. Napoleon zag al snel dat dit een doodlopende weg was, omdat de meeste Fransen trouw bleven aan de christelijke traditie. Toen een revolutionaire voorstander van de nieuwe religie eens een keer aan Talleyrand om advies vroeg bij het werven van bekeerlingen, antwoordde deze fijntjes: “Ik raad u aan u te laten kruisigen en op de derde dag weer te verrijzen.” Hiermee vatte hij perfect samen wat er mis was met de surrogaat-religie: Christus ontbrak.

Claude Henri de Saint-SimonUtopisten waren vaak messiaanse figuren die Christus probeerden te imiteren. Een ervan was Claude Henri de Saint-Simon. Hij stond niet direct afwijzend tegenover het christelijk geloof, maar probeerde het stiekem toch te vervangen door zijn eigen leer, het saintsimonisme . In zijn laatste levensjaren werd hij daar steeds duidelijker in. Hij wilde de stichter zijn van een “nieuw christendom". Het moest een wereldomvattende religie zijn dat in totalitarisme vooruit liep op het communisme en fascisme. Saint-Simon wilde een nieuwe wereldorde en zag zichzelf als de messias: “De rol van de praters nadert zijn einde, en het zal niet lang meer duren voor die van de doeners zijn intrede doet.” Je zou hem een proto-communist of een proto-fascist kunnen noemen. Dat de sovjets in hem een voorloper zagen, bewijst de obelisk die ze in Moskou ter ere van Saint-Simon hadden opgericht.

Het utopisme van Saint-Simon kenmerkt zich door een onwankelbaar geloof in de wetenschap en zijn leerling Auguste Comte zal dit van hem overnemen. Saint-Simon erkende het belang van vrijhandel en een efficiënte infrastructuur voor een ideale samenleving. Kanalen en wegen zouden de wereld voor de handel ontsluiten. De opkomst van de spoorwegen zou hij niet meer meemaken, maar op dit punt had Saint-Simon een vooruitziende blik. Tussen 1830 en 1850 zou de wereld door een netwerk van spoorlijnen en telegraafverbindingen ingrijpender veranderen dan in de drie eeuwen daarvoor. Als kind van de Franse Revolutie geloofde hij in de verheffing van het volk door kunst en cultuur. In zijn ideale maatschappij zouden de Academie van de Rede en de Academie van het Gevoel het volk opvoeden tot ideale burgers.

Félicien David
de componist Félicien David
door Raymond Bonheur (1832)

Na zijn dood in 1825 vormde zijn trouwe discipel Barthélemy Prosper Enfantin de leer van zijn meester om tot een religieuze sekte. In Ménilmontant werd een commune gesticht, waar de volgelingen van Saint-Simon als pseudo-monniken leefden. Ze droegen een speciaal uniform dat alleen van achteren kon worden vastgemaakt. Dat speelde een rol in een ritueel om de wederzijdse afhankelijkheid te benadrukken. De schilder Raymond Bonheur maakte een portret van de componist Félicien David in zijn saintsimonistische “monniksgewaad".

Aardse Machten [ debezigebij.nl ]

dinsdag 5 maart 2013
Aardse Machten [ 3 ]
gelezen in: Aardse Machten van Michael Burleigh (2005)
over Giuseppe Mazzini (1805-1872) en Giovane Italia

Aardse MachtenIn het vijfde hoofdstuk van Aardse Machten kijkt Michael Burleigh naar de liberale bewegingen die tijdens de Restauratie overal in Europa ontstonden. Meestal werden ze door het repressieve systeem van Metternich dat sinds het Congres van Wenen (1814-1815) de nieuwe orde in Europa bepaalde, snel de kop ingedrukt. Nadat Napoleon verslagen was, vestigden zich in Europa overal monarchistische dictaturen. Liberalen en republikeinen die tussen 1789 en 1815 aan de vrijheid hadden geroken, moesten hun droom van een vrije natiestaat in het verborgene met elkaar delen. Er ontstonden zo geheime genootschappen. Het oudste republikeinse genootschap noemde zich carbonari en was al in 1802 in Italië ontstaan uit de vrijmetselarij. Deze groepering streefde naar eenwording van het Italiaanse schiereiland en luidde de Risorgimento in.

Na een mislukte liberaal-nationalistische opstand in Napels in 1820-21 worden de carbonari overal vervolgd en velen van hen vluchten naar het buitenland. Pas tien jaar later volgt een tweede opstand, ditmaal in Romagna, Parma en Modena, vazalstaten van Oostenrijk. Ook nu herstelt het Oostenrijkse leger de orde weer. Een van de opstandelingen is Giuseppe Mazzini, die in 1831 de beweging Giovane Italia zal oprichten. Het mengsel tussen politiek en religie, waar Aardse Machten over gaat, is nergens zo bedwelmend als bij Giuseppe Mazzini en zijn Giovane Italia. Zijn geschriften zijn doorspekt met religieuze retoriek als apostolaat, overtuiging, credo, enthousiasme, geloof, martelaarschap, missie, loutering, wedergeboorte, heilig, offer, redding, etc..

martelaars
De Restauratie (1815-1848) was in feite een wrede monarchistische dictatuur. Italianen die Mazzini’s geschriften lazen, werden vaak zonder pardon doodgeschoten.
Mazzini probeert zijn volgelingen te leiden met een kracht die zij al in zich hebben. Het moet gezegd dat zijn aanhangers die stierven voor de zaak, dat deden met zoveel moed en zoveel toewijding dat ze doen denken aan de eerste martelaren van het christendom.

uit: Noi Credevamo

Tegenwoordig doet de taal van Mazzini ons denken aan die van moslimfundamentalisten. Ook de Italiaanse republikeinen van Giovane Italia voerden een heilige strijd. Zoals het met een heilige strijd altijd gaat, wordt elk slachtoffer automatisch martelaar. Anna Banti begint haar roman noi credevamo (“wij geloofden”) met drie vrienden in het Koninkrijk der beide Siciliën die in 1831 trouw zweren aan Giovane Italia. We zien hoe hun levens bepaald worden door de heilige strijd. De eerste gaat deze strijd te ver. Voor de tweede gaat het nog lang niet ver genoeg. De derde wordt gelouterd door jarenlange opsluiting in Montefusco. Toch blijft het vuur van de revolutie in hem branden en in 1860 sluit hij zich aan bij de roodhemden van Garibaldi.

Het optreden van de Carbonari kwam voor het eerst aan het licht in het Koninkrijk Napels rond 1815. Hierbij richtten zij zich tegen de Franse overheersing onder het bewind van Napoleon Bonaparte. Na de val van Bonaparte richtten zij zich meer op het nationalistische gevoel en bestreden zij ook de Oostenrijkse invloed binnen de Italiaanse gebieden. In 1820 dwongen zij koning Ferdinand I van de Beide Siciliën een constitutionele monarchie af te kondigen. Dit succes bracht Carbonari in het koninkrijk Sardinië ertoe dezelfde eis aan koning Victor Emanuel I voor te leggen, die hierop besloot af te treden ten gunste van zijn broer Karel Felix. Beide politieke omwentelingen waren slechts van korte duur doordat met hulp van de legers van de Heilige Alliantie –Rusland, Oostenrijk en Pruisen- de opstanden onderdrukt werden en de situatie van vóór 1820 weer hersteld werd. Hierop besloten verschillende Carbonari het land te ontvluchten en zich vooral in Frankrijk te vestigen.
 
Giuseppe MazziniBij het uitbreken van de Julirevolutie in 1830 te Frankrijk, die zich richtte tegen koning Karel X, waren ook de Carbonari actief. Het succes dat geboekt werd, was aanleiding om te geloven dat soortgelijke opstanden ook mogelijk moesten zijn in Italië. Begin 1831 slaagden de Carbonari er dan ook in verschillende steden binnen de Kerkelijke Staat los te maken van het pauselijk bestuur en er een tijdelijke republiek te vestigen. Op aandrang van paus Gregorius XVI waren het opnieuw de Oostenrijkse legers die ingrepen en de opstand neersloegen. Hierop volgden grootschalige vervolging van de Carbonari waardoor veel leden besloten uit te treden en toe te treden tot een nieuwe beweging, Giovane Italia (Jong Italië), geleid door de Vrijmetselaar Giuseppe Mazzini.
 
Bron: nl.wikipedia.org

150anni-lanostrastoria.it

maandag 4 maart 2013
Aardse Machten [ 2 ]
gelezen in: Aardse Machten van Michael Burleigh (2005)
hoofdstuk vijf: uitverkoren volkeren: politiek messianisme

Aardse MachtenAardse Machten beschrijft een deel van het geestelijke landschap van Europa in “de lange negentiende eeuw” (1789-1914). Historici die mammoetprojecten op zich nemen, begeven zich in de kolkende stroom van het worden en moeten daarin hun eigen koers bepalen. Michael Burleigh navigeert op twee stromen in de uitwaaierende ideeëngeschiedenis sinds de Franse Revolutie. De symbiose tussen politiek en seculiere religie heeft zijn eigen dynamiek, waarbij de koele en de warme stroom zich telkens met elkaar vermengen.

Het vijfde hoofdstuk gaat over nationalisme en nationale bewegingen. Dat is bij uitstek een symbiose tussen politiek en religie, want hier wordt een mystieke band gesmeed tussen individu, gemeenschap, volk en territorium, die zowel door en door religieus als door en door politiek is. Een voorloper van het fascistische Blut und Boden. Het negentiende eeuwse nationalisme is geboren uit de idealen van de Franse Revolutie, die de monarchie en het christelijke geloof tot vijand hadden verklaard. Maar terwijl de kop van de koning van het schavot rolde, lukte het de republiek maar niet om het christelijk geloof te vernietigen. Er was van alles geprobeerd, van iconoclasme, afschaffing van de zondag tot het vestigen van een nieuw tijdperk op basis van een revolutionaire kalender. De heilige mis was vervangen vervangen door een deïstische eredienst aan het Opperwezen. Maar het christelijk geloof bleek onuitroeibaar.

Regnault 1795
La Liberté ou la Mort J-B. Regnault, 1795
Tijdens de eerste fase van de Franse Revolutie moesten dergelijke koele deïstische fantasieën het christelijk geloof overbodig maken…

Toen Napoleon met kerst 1799 alle macht naar zich had toegetrokken, begreep hij dat hij het over een andere boeg moest gooien. De katholieke kerk en de paus gebruikte hij als pionnen in zijn strategische spel om over Europa te heersen. Religie werd onder Napoleon koele berekening en politiek een vurige, publieke aangelegenheid. Individu, gemeenschap, volk en natie kregen een sacrale betekenis binnen een surrogaat-religie, het nationalisme. Vanuit Frankrijk werd het naar andere delen van Europa geëxporteerd, zodat het ook daar wortel kon schieten en de monarchie kon verwerpen. Het koningschap was een christelijk concept waarbij de koning bij gratie Gods over het volk heerste. En dat het volk bestond uit horige onderdanen, niet uit vrije burgers. De Franse Revolutie zette dit concept op de kop. Niet God en de koning waren de baas, maar de mens die de moed had om zélf na te denken en te heersen over zijn wereld. De bevrijding van het volk onder één natie werd tot heilig doel verklaard.

Het negentiende eeuwse nationalistische “geloof", zoals veel van zijn aanhangers en voorvechters het zonder een spoortje van ironie noemden, verrees niet simpelweg als een nieuw bouwwerk op het terrein van het traditionele geloof dat als gevolg van de secularisatie braak was komen te liggen, want de geschiedenis van het nationalisme gaat in dit tijdperk gelijk op met periodes van ontkerstening en herkerstening.
 
Bron: Michael Burleigh in hoofdstuk 5, blz. 173. Naties in opkomst

Aardse Machten [ debezigebij.nl ]

zondag 3 maart 2013
Aardse Machten [ 1 ]
gisteren gelezen in: Aardse Machten van Michael Burleigh (2005)
over de Opstand in de Vendée (1793-1796)

De Britse historicus Michael Burleigh schreef in 2005 een vuistdikke studie over “politieke religie” in “de lange negentiende eeuw” (1789-1914). Het oprekken van de negentiende eeuw tot een periode van 125 jaar, heeft hij overgenomen van zijn collega Eric Hobsbawm. Die schreef de trilogie The Age of Revolution (1789-1848), The Age of Capital (1848-1875) en The Age of Empire (1875-1914) over een tijdvak dat begon met de Franse Revolutie en werd afgesloten met de Eerste Wereldoorlog. Burleigh begint zijn studie over de sacralisering van Verlichtingsidealen logischerwijs in Frankrijk tijdens het Ancien Régime. Als belijdend katholiek schenkt hij veel aandacht aan de rol van de Kerk en onderscheidt zich daarin van de marxistische Hobsbwam. In het eerste hoofdstuk “Tijdperk van de rede, tijdperk van het geloof” herinnert hij ons eraan dat Frankrijk niet alleen het land van de Revolutie en politieke en atheïstische ideologieën is, maar ook “de oudste dochter van de Kerk.”

De Opstand in de Vendée (1793-1796)
Na het bloedbad van Machecoul in maart 1793 veranderde de opstand in de Vendée in een burgeroorlog. Tegenwoordig zijn historici het er over eens dat er in de Vendée een genocide heeft plaatsgevonden. Daarmee wierpen de gruwelen van de totalitaire regimes van de twintigste eeuw hun schaduwen al vooruit in jaren van de grote omwenteling in Frankrijk. Burleigh beschrijft de gruwelen van de Terreur, die zich niet beperkten tot “het scheermes van de Revolutie", de guillotine. In de Vendée vonden barbaarsheden plaats, die van alle tijden zijn, maar die we bij voorkeur in een ver verleden projecteren, in de Middeleeuwen.

Machecoul
De schilder François Flameng belicht in 1884 de historische gebeurtenissen eenzijdig: royalisten begeven zich als ramptoeristen naar een plek in Machecoul waar revolutionairen zijn afgeslacht.

Victor Hugo beschreef in zijn laatste roman Quatrevingt-treize (1874) de opstand in de Vendée. En historieschilders lieten tot in de late negentiende eeuw hun visie op de gebeurtenissen zien. Deze was bijna altijd wit (monarchistisch) of blauw (revolutionair) gekleurd. Hugo probeerde in zijn roman in de personage Cimourdain een neutraal standpunt in te nemen. Beide partijen hadden zich schuldig gemaakt aan excessief geweld. Een derde van de bevolking werd afgeslacht. De revolutionairen maakten geen onderscheid tussen mannen, vrouwen en kinderen. Burleigh vergelijkt deze genocide met de Killing Fields in Cambodja.

Aardse MachtenAardse Machten gaat ( … ) over de 19de-eeuwse wortels van de totalitaire ‘politieke religies’ van de 20ste eeuw – de term is ontleend aan een aantal 20ste-eeuwse denkers, voor Burleigh is met name Eric Voegelin van belang. Verder handelt het boek over de grillige patronen van secularisatie en herkerstening, het lot van de kerken, de verhouding van kerk en staat en civil religion (opnieuw zo’n typisch 20ste-eeuwse term waarvan Burleigh de wortels al diep in de 19de eeuw weet bloot te leggen). Maar het gaat ook over utopisten en nieuw-spirituelen, de manier waarop positivisten en materialisten omgaan met religie, een cultus als die rond de muziek van Wagner, de spirituele of religieuze kanten van vroege socialisten, marxisten en andere ideologen en nog veel meer. Het boek gaat, kortom, over van alles.
 
Ook valt er wel een onderliggend thema aan te wijzen. In Aardse Machten gaat het over de vele invullingen die de lange 19de eeuw bedenkt voor het grote geestelijke gat dat de Franse Revolutie, en dat verhaal eindigt in de apocalyps van de Eerste Wereldoorlog, dat aan veel illusies een einde maakt. Juist ook de 19de eeuw kent tal van onverwachte pogingen nieuwe ideeën te sacraliseren. Hoe aardser de machten, hoe heftiger ze hunkeren naar de hemel lijkt het wel. Een onafzienbare rij van nieuwe devoties en cultussen moet het gat dichten – en Burleigh is op z’n best in de beschrijving van al die nieuwe vormen van ‘religie’.
 
De tien hoofdstukken waaruit beide boeken zijn opgebouwd zijn veelal fascinerende leesstof. Aardse Machten vertelt niet alleen het verhaal van de pogingen tijdens de Franse Revolutie een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te scheppen, maar ook tientallen andere, minder bekende. Neem de pogingen van de oervaders van de sociologie, Saint-Simon en Comte, om het christendom te vervangen door een ‘Religion de l’Humanité’, compleet met alle eigen rituelen en symbolen. Toen iemand Talleyrand vroeg wat ze toch moesten doen om het volk te winnen voor de nieuwbakken religie, antwoordde deze droogjes: ‘Als ik u was, zou ik me laten kruisigen en op de derde dag weer uit de dood herrijzen’.
 
Bron: Johan Snel op wapenveldonline.nl

Aardse Machten [ debezigebij.nl ] | inthevendee.com

woensdag 13 februari 2013
Philokalia [ 14 ]
opnieuw gelezen: De weg van een pelgrim

de weg van een pelgrimNa bijna twintig jaar las ik afgelopen week weer het verhaal van een Russische pelgrim. Het is een klein en eenvoudig boekje dat ergens tussen 1853 en 1863 geschreven moet zijn. Het manuscript werd jarenlang in een klooster bewaard voordat het in 1884 in Kazan gepubliceerd werd. Buiten Rusland bleef het onbekend. Pas in 1930 verscheen een Engelse vertaling. Na de oorlog kwam er ook een Nederlandse vertaling.

De anonieme pelgrim verhaalt over zijn belevenissen op zijn pelgrimstocht door Siberië maar vooral over de kracht van het Jezusgebed (“Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar”) Het enige dat de pelgrim in zijn ransel met zich meedraagt zijn een Bijbel en een exemplaar van de Philokalia.

Repin
Ilya Repin twee pelgrims
Heer Jezus Christus
Zoon van God
ontferm U over ons!

De Philokalia is een verzameling geestelijke geschriften die tussen de vierde en veertiende eeuw (in het Grieks) geschreven zijn en in de achttiende eeuw door de heilige Nikodimos van de berg Athos gebundeld zijn. Nikodimos‘ tijdgenoot, de Russische monnik Paisius Velichkovsky maakte een vertaling in het Kerkslavisch onder de naam ДОБРОТОЛЮБИЕ. In de negentiende eeuw verschenen Russische vertalingen van Ignatius Brianchaninov (1857) en Theophan de kluizenaar (1877). Deze zorgden voor een opleving van het hesychasme in het tsaristische Rusland. Het boekje De weg van een pelgrim maakt deze opleving heel concreet en persoonlijk.

The two levels of The Way of a Pilgrim, the prayer method and the life of the wandering hermit, give readers of either disposition entry to fresh approaches to prayer and to eremitism. The authenticity of the homeless wanderer is well sustained by his simplicity of belief and practice. Whether the reader is prompted to incorporate the Philokalia into a short list of religious classics or to count the narrative as a heartfelt testimony of the eremeticall life, The Way of a Pilgrim has universal appeal. The work complements and extends the traditions of spiritual simplicity while confirming the simplicity and insightfulness of the hermit life.
 
Bron: hermitary.com

het innerlijk gebed in de Philokalia
1. Nicephorus: Over de waakzaamheid van het hart
2. Gregorius van de Sinaï: over gedachten, hartstochten en deugden
3. Simeon de Nieuwe Theoloog: over de drie vormen van gebed
4. Simeon de Nieuwe Theoloog: over het geloof
5. Calistus en Ignatius: aanwijzingen voor hesychasten

Three Stages In the Practice of the Jesus Prayer | meer Philokalia

vrijdag 8 februari 2013
ballet van emoties
gezien op DVD: Barry Lyndon (1975)

Barry LyndonOoit maakte ik een begin met Barry Lyndon van Stanley Kubrick maar haakte al snel af. De film leek door zijn traagheid eindeloos te duren. Maar Harry Lyndon blijkt een film met gebruiksaanwijzing. Voor mij althans. In de documentaire A personal journey with Martin Scorsese through American movies gaf Scorsese mij de sleutel. Hij gaf zijn visie op de lange en trage verleidingsscene die helemaal zonder dialoog is en sprak over the ballet of emotions. Als je het zo bekijkt, blijkt de traagheid uiterst effectief.

His audacity is to insist on slowness in order to recreate the pace of life, and to ritualise behaviour of the time. A great example is the seduction scene, which he stretches until it settles into a sort of trance, what always struck me is the ballet of emotions of the film, watch the tension between the camera’s movements and the characters body language orchestrated by the music in this scene.
 
Bron: kubrickfilms.tripod.com

Een andere ingang tot Barry Lyndon kreeg ik door de omstandigheden. De laatste maanden verdiep ik mij in de schilderkunst van de achttiende eeuw. Zo kwam Barry Lyndon vanzelf op mijn weg. Want de art direction van Roy Walker en de cinematografie van John Alcott leunen zwaar op schilderijen uit de achttiende eeuw.

Barry Lyndon
tableau vivant uit Barry Lyndon
(…) I found this to be one of the most profoundly emotional films I’ve ever seen

Martin Scorsese

In onze tijd van superdynamische camera’s, flitsende montage en de snobistische handheld camera á la Lars von Trier, is het statische camerawerk in Barry Lyndon een verademing. Alsof we terug gaan naar 1910 toen de trackingshot nog moest worden uitgevonden. De statische camera brengt ons bij de oorsprong van film: de fotografie en nog meer: de schilderkunst. In Kubrick’s film zie je duidelijk schilderijen uit de achttiende eeuw passeren. Vaak als complete scenes die dan als een tableau vivant werken, maar ook in details.

Gainsborough  en Hogarth
Het portret van Lady Georgiana Cavendish (1787) van Thomas Gainsborough lijkt model te hebben gestaan voor de Countess of Lyndon en de echtgenoot uit het bekende schilderij Shortly After the Marriage (1743) van William Hogarth voor een doorgezakte Barry Lyndon

De Countess of Lyndon lijkt met haar weelderige kleding en haardracht sprekend op het portret van Lady Georgiana Cavendish geschilderd door Thomas Gainsborough. Op tafel tref je soms een stilleven aan dat zo van Chardin zou kunnen zijn. Bij de interieurs moest ik denken aan genrestukken van Hogarth en Greuze. Er werd bewust niet met kunstlicht gefilmd en voor de avondlijke opnamen met kaarslicht werd een speciale camera gebruikt.

Barry Lyndon
tableau vivant uit Barry Lyndon

Kenners beschouwen Barry Lyndon als een meesterwerk. Het is voor veel regisseurs een voorbeeld geweest. Zo zou het mij niets verbazen als Jos Stelling voor zijn film Rembrandt fecit 1669 (1977) door de verstilde cinematografie van John Alcott beïnvloed is. Ook Martin Scorsese laat in zijn period piece The Age of Innocence (1994) zien wat hij aan Barry Lyndon verschuldigd is. Een voice over begeleidt ons en het tijdsbeeld is met perfectionisme gereconstrueerd.

Meer over Barry Lyndon
Integrale tekst van The Luck of Barry Lyndon
Een formele analyse van Barry Lyndon [M. Coëgnarts en P. Kravanja]
Barry Lyndon reconsidered
What it means to call Barry Lyndon a museum piece
The most beautiful movie ever made

Barry Lyndon [ imdb.com ] | Barry Lyndon [ en.wikipedia.org ]

maandag 28 januari 2013
il n’y a pas d’amour heureux
gezien op DVD: Aurélien (2003)

Aurelién DVD 2003Aurélien (2003) is een verfilming van de gelijknamige roman van Louis Aragon uit 1944. Het is goed verzorgd drama dat ons zowel in de binnen- als de buitenscènes terugbrengt naar de roaring twenties in Parijs. Luis Aragon (1897-1982) moet veel autobiografische gegevens in zijn roman verwerkt hebben. Kort na de Eerste Wereldoorlog sloot hij zich aan bij het dadaïsme en samen met André Breton en Paul Eluard stond hij bij de wieg van het surrealisme. Het verhaal speelt zich voor een deel af in de hippe kunstenaarswereld van Parijs halverwege de jaren twintig. Aragon modelleerde zijn hoofdpersoon Aurélien waarschijnlijk naar zijn vriend Pierre Drieu la Rochelle.

Sa vie est un étrange
et douloureux divorce
Il n’y a pas d’amour heureux

Louis Aragon

In het naoorlogse Parijs is bijna iedereen getekend door de Grote Oorlog. De meesten houden hun littekens verborgen en proberen het gewone leven weer op te pakken. Aurélien kampt met telkens terugkerende aanvallen van malaria die hij in de loopgraven heeft opgelopen. Bijna alle mannen die in de oorlog gevochten hebben, zijn cynisch geworden. Ook Aurélien heeft zijn geloof in de liefde opgegeven. Verzekerd door familiekapitaal leidt hij een mondain leventje en loopt hij in Parijs van het ene naar het andere feestje. Wanneer hij het nichtje van zijn vriend Edmond de Barbentane ontmoet, ontdekt hij dat zij de enige persoon op de wereld is van wie hij houdt.

Zijn liefde voor Bérenice blijkt wederzijds, maar wordt niet geconsumeerd. Niet omdat Bérenice getrouwd is en haar man trouw wil blijven, maar omdat ze de zuiver liefde die ze voor Aurélien niet wil vermengen met lichamelijke liefde. In het decadente uitgangsleven anno 1925 waarin beide verkeren, zijn de meesten zo losgeslagen dat liefde en seks niets meer met elkaar te maken hebben. Seks gaat net als de drankjes en de hapjes rond en heeft zijn waarde als bezegeling van de liefde tussen twee mensen totaal verloren. Bij Bérenice ontdekt de cynische Aurélien de waarde van de liefde en dus van het leven opnieuw. Op zijn kamer koestert hij een gipsen masker met de gelijkenis van Bérenice. Het masker geeft aan het verhaal een surrealistische sfeer maar is ook een metafoor voor het karakter van Bérenice. Zij wil de liefde tussen hen absoluut houden en hecht aan een strenge scheiding tussen lichaam en geest.

Aragon’s roman gaat tenslotte over oorlog en liefde, niet over geluk. Een van zijn gedichten Il n’y a pas d’amour heureux ken ik al ruim dertig jaar door de uitvoering van Georges Brassens. Het past precies bij Aurélien en Bérenice.

Il n’y a pas d’amour heureux
 
AureliénRien n’est jamais acquis à l’homme Ni sa force
Ni sa faiblesse ni son coeur Et quand il croit
Ouvrir ses bras son ombre est celle d’une croix
Et quand il croit serrer son bonheur il le broie
Sa vie est un étrange et douloureux divorce
Il n’y a pas d’amour heureux
 
Sa vie Elle ressemble à ces soldats sans armes
Qu’on avait habillés pour un autre destin
A quoi peut leur servir de se lever matin
Eux qu’on retrouve au soir désoeuvrés incertains
Dites ces mots Ma vie Et retenez vos larmes
Il n’y a pas d’amour heureux
 
Mon bel amour mon cher amour ma déchirure
Je te porte dans moi comme un oiseau blessé
Et ceux-là sans savoir nous regardent passer
Répétant après moi les mots que j’ai tressés
Et qui pour tes grands yeux tout aussitôt moururent
Il n’y a pas d’amour heureux
 
Le temps d’apprendre à vivre il est déjà trop tard
Que pleurent dans la nuit nos coeurs à l’unisson
Ce qu’il faut de malheur pour la moindre chanson
Ce qu’il faut de regrets pour payer un frisson
Ce qu’il faut de sanglots pour un air de guitare
Il n’y a pas d’amour heureux
 
Il n’y a pas d’amour qui ne soit à douleur
Il n’y a pas d’amour dont on ne soit meurtri
Il n’y a pas d’amour dont on ne soit flétri
Et pas plus que de toi l’amour de la patrie
Il n’y a pas d’amour qui ne vive de pleurs
Il n’y a pas d’amour heureux
Mais c’est notre amour à tous les deux
 
Louis Aragon

Bron: Aurélien [ imdb.com ]

zaterdag 26 januari 2013
rood zwart
gezien op DVD: Le Rouge et le noir (1997)

Le Rouge et le NoirStendhal’s meesterwerk Le Rouge et le Noir (1830) werd al meerdere keren verfilmd. De eerste verfilmingen uit 1920 en 1947 waren Italiaanse producties. In 1954 kwam er pas een eerste Franse verfilming. In 1961 en 1997 volgden nog twee Franse televisiefilms. Deze week keek ik naar de verfilming uit 1997. Het was mijn eerste kennismaking met Stendhal’s beroemde roman. De ondertitel van het boek luidt Chronique de 1830 en dat betekent dat de Julirevolutie de historische achtergrond bepaalt. Le Rouge et le noir is een liefdesgeschiedenis, een zedenschets, een psychologische en historische roman in één.

un roman, c’est un miroir
que l’on promène
le long d’un chemin.

César Vichard de Saint-Réal (1643-1692)

Oorspronkelijk schreef Stendhal zijn roman onder de naam Julien, naar de naam van de hoofdpersoon Julien Sorel, een briljante timmermanszoon met een grote bewondering voor Napoleon en ambities. Omdat hij tot de lagere klasse behoort, is het onmogelijk om maatschappelijke carrière te maken. Maar tijdens de Restauratie (1815-1848) en in het bijzonder toen onder de Franse koning Karel X (1825-1830) de ultramonarchisten aan de macht waren, kon je via de katholieke kerk hoger op komen. Julien komt onder de bescherming van de plaatselijke pastoor en omdat hij vloeiend Latijn spreekt, krijgt hij een aanstelling als huisleraar voor het zoontje van een welgestelde familie. Meneer de Rênal is burgemeester van een naburig dorp. Wanneer Julien bij de familie zijn intrek heeft genomen, gaat het tussen hem en madame de Rênal flink broeien.

Stendhal staat bekend om zijn verfijnde psychologische analyses, in het bijzonder de observatie van het proces van verliefd worden. De regisseur heeft Stendhal’s beschrijvingen mooi in beelden weten om te zetten. De toenadering tussen de vrouw des huizes en de jonge huisleraar wordt subtiel gespeeld. Als het vuur tussen deze twee eenmaal gaat branden, weet Julien dat hij niet langer kan blijven. Via zijn beschermheer bij de kerk gaat hij voor priester studeren aan het seminarie. De episode bij de familie de Rênal is voorbij en daarmee het eerste deel van het boek. Maar deze hele liefdesgeschiedenis zal in het tweede boek nog een staartje krijgen.

Le Rouge et le NoirStendhal hechtte aan het principe van het être vrai. Dit betekent dat er aan zijn roman waargebeurde feiten ten grondslag moeten liggen. Le Rouge et le Noir baseerde hij op de zaak Berthet, waarover Stendhal in 1828 in de plaatselijke krant had gelezen. In een klein dorpje in zijn departement Isère was een zekere Antoine Berthet, de zoon van eenvoudige handarbeiders, tijdens de mis de kerk binnengestormd en had daar twee schoten gelost op Madame Michoud, zijn oude geliefde. De zaak kreeg veel aandacht en Antoine Berthet inspireerde Stendhal tot zijn hoofdpersonage. Antoine Berthet was een intelligente jongeman en de plaatselijke pastoor stuurde hem naar het seminarie. Daarna werd hij werd huisleraar voor de kinderen van de familie Michoud, waar hij de minnaar werd van Madame Michoud.

Julien Sorel is niet alleen gemodelleerd naar de figuur Antoine Berthet, maar heeft ook eigenschappen van Stendhal zélf. Zo is Julien wel de beschermeling van de Kerk, in wezen koestert hij revolutionaire ideeën en is hij atheïst. Opportunistisch als hij is, verzwijgt hij dit want anders kan hij geen carrière maken binnen de standenmaatschappij waarin de Kerk, de adel en hogere burgerij de macht hebben. Le Rouge et le Noir is ook een politiek boek. Het hekelt de macht van de hogere klassen en staat achter de Julirevolutie van 1830. De romanfiguur Julien Sorel wordt vaak vergeleken met een andere romanfiguur, Raskolnikov, uit Schuld en Boete van Dostojewsky. Beiden zijn trotse jongemannen met een grote bewondering voor Napoleon en vallen vervolgens diep. Deze twee romans van Stendhal en Dostojewsky maakten o.a. veel indruk op Nietzsche.

Le Rouge et le Noir [ nl.wikipedia.org ]

maandag 21 januari 2013
Helden van het vaderland
150 jaar geleden voltooid: de historische galerij
van Jacob de Vos Jacobszoon (1850-1863)

Helden van het VaderlandDit jaar vieren we het tweehonderdjarig bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden. “We” waren altijd een republiek geweest, maar tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) werd Nederland voor het eerst in zijn geschiedenis een koninkrijk. Ons bestaan als soevereine natie danken we vooral aan Engeland. Van de geallieerden die Napoleon bij Waterloo verslagen hadden, had Engeland het meeste belang bij een bufferstaat én bondgenoot aan de overzijde van het Kanaal, tussen het machtige Frankrijk en Pruisen.

Tijdens de Restauratie (1815-1848) was Nederland een autocratie onder koning Willem I en Willem II. Pas met de grondwet van 1848 werd een begin gemaakt met democratie. Het nationalisme hield ook het nieuwe Koninkrijk in zijn greep. Er werd zoals elders in Europa graag teruggekeken op een roemrijk verleden. Iedere natie had zijn eigen Gouden Eeuw en noemde deze dé Gouden Eeuw. Kunstenaars kregen de opdracht om de nationale trots te verbeelden. Nationaal zelfbewustzijn werd als een religie verkondigd. Over protestants Nederland waakte nóg een Drieeenheid: God, het Vaderland en Oranje.

Goejanverwellesluis
aanhouding van Wilhelmina van Pruisen
aan de Goejanverwellesluis op 28 juni 1787
door J.J.R. De Wetstein Pfister (1911)
De schoolplaten van Pfister en Issings belichten net als de galerij van Jacob de Vos Jacobszoon belangrijke gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis.

In 1850 gaf Jacob de Vos aan dertig schilders de opdracht om voorstellingen te maken bij de Nederlandse geschiedenis van 40 na Christus tot en met 1861. Zijn historische galerij was tussen 1897 en 1935 in het Stedelijk Museum in Amsterdam te zien.

In 1935 verhuisden de schilderijen naar museum Fodor, waarna zij in het museumdepot werden opgeborgen. Dit hing samen met de gedaalde waardering voor de schilderkunst uit de eerste helft van de 19de eeuw. Hierna volgde aan het eind van de jaren zeventig een herwaardering van deze kunst, waarbij een toenemende belangstelling voor de ideeëngeschiedenis uit die tijd kwam. De galerij van Jacob de Vos is boeiend, omdat zij een uniek overzicht van de artistieke overgang tussen romantiek en realisme geeft. Zij illustreert tevens hoe men zich in de 19de eeuw van het nationale verleden rekenschap gaf. De galerij herinnert ouderen bovendien aan de verhalen op school, terwijl jongeren er zich over zullen verbazen dat het Nederlandse geschiedbeeld vroeger zo volstrekt anders is geweest.
 
Toen de galerij in 1863 compleet was, waren de dagen van de historiekunst geteld en Jacob de Vos zal weinig resultaten van zijn inspanningen gezien hebben. Zijn initiatief heeft echter een bijzonder waardevol cultuurhistorisch document opgeleverd en het Amsterdams Historisch Museum is dan ook verheugd om de galerij van Jacob de Vos Jacobszoon na een periode van vergetelheid weer voor het publiek toegankelijk te mogen maken!
 
Bron: dbnl.org

Helden van het vaderland [ het volledige boek is te downloaden als PDF ]

dinsdag 18 december 2012
filosofische gesprekken
Filosofische gesprekken van Denis Diderot
Filosofische gesprekkenDenis Diderot was zonder enige twijfel een van de groten van wat de Fransen ‘De eeuw der filosofen’ noemen. Hij was geen bedenker van gesloten systemen. De verschillende benaderingen van een filosofisch probleem goot hij graag in de vorm van een gesprek, waarbij ieder aan het woord komt zodat het probleem van alle kanten bekeken kan worden.
 
In deze drie gesprekken uit de jaren zeventig van de achttiende eeuw bespreekt hij op bedrieglijk eenvoudige toon, in een vaak ironische stijl, de meest complexe vraagstukken. Zoals de vraag of je op eigen gezag de wet mag negeren als de toepassing ervan in jouw ogen onrechtvaardig is. In het tweede gesprek toetst hij de westerse seksuele moraal aan die van het ‘natuurvolk’ op Tahiti en in het derde gesprek praat hij met de vrouw van een maarschalk over de vraag of er een moraal kan bestaan zonder geloof. De dialoogvorm biedt steeds ruimte voor nuance én humor.
 
Filosofische gesprekken is vertaald en van een nawoord voorzien door Hannie Vermeer-Pardoen, die van Diderot eveneens de Filosofische gedachten vertaalde.
 
Bron: vangennep-boeken.nl

DiderotDenis Diderot was tussen 1750 en 1776 met D’Alembert redacteur van de beroemde Encyclopédie en schreef zelf ongeveer 6000 van de 72.000 artikelen in die encyclopedie. De Encyclopédie kende veel tegenstanders. In 1759 werd de Encyclopédie zelfs formeel verboden. Het werk ging vanaf die tijd clandestien door. De Encyclopédie was - door de nadruk op religieuze tolerantie en vrijheid van gedachten en een democratische geest - een bedreiging voor de aristocratie.
Bron: nl.wikipedia.org

Denis Diderot Archive [ marxists.org ]

vrijdag 30 november 2012
artiestenmetafysica [ 3 ]
De Geboorte van de Tragedie van Nietzsche bijna uitgelezen

… en een overzichtje van de eerste twintig paragrafen gemaakt…

De Geboorte van de Tragedie

1. introductie van het Apollinische en Dionysische - het principium individuationis
2. de kunstenaar - de verzoening tussen Apollo en Dionysus in de kunst
3. de Apollinische basis - Homerus - de Olympiërs
4. de dynamische symbiose tussen Apollo en Dionysus
5. voorbeelden uit de kunst: Schiller, Euripides, Schopenhauer
6. muziek en lyrische poëzie
7. de oorsprong van de tragedie - koor - dithyrambe
8. de satyr - koor - betovering en massavervoering
9. Sophocles (Oedipus) en Aeschylis (Prometheus)
10. de tragische held - Prometheus als “vermomde” Dionysus
11. Euripides en het verval van de Griekse tragedie - de toeschouwer op het toneel
12. esthetisch Socratisme - Dionysus vs. Socrates
De Geboorte van de Tragedie13. Socrates als tegenstander van tragische kunst - de logische aandrift
14. Socrates - Plato - afschaffing van het koor - optimisme vervangt pessimisme
15. de theoretische mens - kunst en wetenschap - de erfenis van Socrates
16. Schopenhauer over muziek (WWV §51) - de vreugde van het sterven in de onsterfelijke Oermoeder
17. authentieke dionysische muziek vs. nieuwe dithyrambe - regeneratie
18. de theoretische mens en de Alexandrijnse cultuur
19. het recitatief en de opera als verval van het Dionysische
20. de terugkeer van Dionysus in de Duitse cultuur

donderdag 29 november 2012
hier ligt Poot, hij is dood
Literatuurgeschiedenis van H.J.F.M.Lodewick
literatuurgeschiedenis.nl

LodewickIn 1979 kreeg ik in de vierde klas van het atheneum voor het eerst literatuuronderwijs. Op onze school gebruikten we de 34e druk van Literatuurgeschiedenis van H.J.F.M. Lodewick uit 1958. De drie delen (inclusief Literaire Kunst uit 1955) heb ik nog altijd bewaard en gebruik ik alweer dertig jaar als naslagwerk. Omdat ik de laatste tijd met de achttiende eeuw bezig ben, sloeg ik het boek weer eens open om de namen door te nemen van de achttiende eeuwse schrijvers en dichters die ik voor de boekenlijst moest leren (en lezen!)

De canon die Lodewick van de achttiende eeuw geeft, begint met “de laatste 17e eeuwer” Hubert Cornelisz. Poot, bij mij alleen nog bekend van het grafschrift van de Schoolmeester: “Hier ligt Poot, hij is dood.” Lodewick sluit de achttiende eeuw af met Willem Bilderdijk. Tussen Poot en Bilderdijk moesten we de volgende namen leren: Pieter Langendijk (1683-1756), Justus van Effen (1684-1735). Betje Wolff (1738-1804) en Aagje Deken (1741-1804), Hieronymus van Alphen (1746-1803) Rhynvis Feith (1753-1824) en Jacobus Bellamy (1757-1786).

Eind jaren zeventig vulden we onze boekenlijst graag helemaal met titels van Jan Wolkers, zoals na 1990 vooral boeken van Ronald Giphart en Herman Brusselmans bij scholieren op het menu staan. Maar we moesten ook stoffige literatuur lezen van vóór 1945. Daar werden uiteraard uitreksels voor gebruikt. Toch kreeg je op die manier nog een flinke scheut Vondel, Wolff en Deken of Hildebrand naar binnen. En dat was precies de bedoeling.

Arnold HoogvlietDe Literatuurgeschiedenis van H.J.F.M.Lodewick wordt al decennia lang niet meer gebruikt. De canon uit 1958 zal inmiddels gewijzigd zijn. Voor mijn generatie was literatuur van vóór 1900 vaak al onleesbaar, hoe zal dat dan wel niet zijn voor de Facebookgeneratie? In ieder geval hebben de jongeren van nu door het internet veel beter toegang tot ons literaire verleden dan wij destijds met Lodewick hadden. Ik nam eens een kijkje op literatuurgeschiedenis.nl en klikte de achttiende eeuw aan. Het rijtje dat ik in 1979 moest leren, is aanzienlijk langer. Voor mij onbekende namen als Arnold Hoogvliet, Hendrik Doedijns, Arend Fokke Simonsz, Jacob Haafner, Pieter Rabus, Cornelius Martinus Spanoghe, Jan Verlooy, Jacob Campo Weyerman, Pieter van Woensel en Jozef de Wolf komen voorbij. De achttiende eeuw krijgt voor mij zo weer wat meer profiel.

literatuurgeschiedenis.nl
literatuurgeschiedenis.nl

De achttiende eeuw in vijftien hoofdstukken [ literatuurgeschiedenis.nl ]

zaterdag 24 november 2012
Bond, JamesBond@Furkapass.ch
The James Bond Archives van Taschen

The James Bond ArchivesDit jaar is het een halve eeuw geleden dat de eerste James Bond film verscheen. Sinds 1962 produceerde het Londense bedrijf EON van Albert R. Broccoli en Harry Saltzman 24 films met James Bond. Om het 50-jarige jubileum te vieren kreeg Paul Duncan inzage in de archieven van de productiemaatschappij. Hij was twee jaar bezig om een selectie te maken uit honderdduizenden foto’s en documenten. Het resultaat is The James Bond Archives. Uitgeverij Taschen presenteert het als kerstcadeau (€150).

Een van de meest memorabele scenes uit een James Bond film, vind ik de sfeervolle scene op de Furkapas uit Goldfinger. Voor de rubriek Filmset Location (auf den Spuren von 007) op de website jamesbondfilme.de reisden Klaus Gericke en Jürgen Gött naar de filmlocatie uit 1964 op de Furkapas in Zwitserland. In The James Bond Archives staat een mooie foto van de geïmproviseerde filmset op de Furkapas. De toen hypermoderne 1964 Aston Martin DB5 contrasteert schitterend met de Rolls-Royce Phantom III van Goldfinger in een tijdloos landschap.

Goldfnger
James Bond bespiedt Goldfinger
op de Furkapas

Bondgirl Tilly Masterson keerde in 2009 terug naar de Furkapas voor een fotoshoot met nieuwe automodellen. Op classicandperformancecar.com lees je het verhaal en zie je haar o.a. met de Aston Martin en Rolls-Royce Phantom. Goldfinger werd in 1964 een groot commercieel succes. De film kostte drie miljoen dollar en bracht bijna 125 miljoen dollar op. Door het succes van de film steeg de verkoop van de 1964 Aston Martin DB5 dat jaar met veertig procent. Ook werden er heel veel schaalmodellen van verkocht.

filmlocaties uit Goldfinger met o.a. hotel Galenstock en hotel Belvédère op de Furkapas 2011

James Bond films geproduceerd door EON
Dr. No (1962), From Russia with Love (1963), Goldfinger (1964), Thunderball (1965), You Only Live Twice (1967), On Her Majesty’s Secret Service (1969), Diamonds Are Forever (1971), Live and Let Die (1973), The Man with the Golden Gun (1974), The Spy Who Loved Me (1977), Moonraker (1979), For Your Eyes Only (1981), Octopussy (1983), A View to a Kill (1985), The Living Daylights (1987), Licence to Kill (1989), GoldenEye (1995), Tomorrow Never Dies (1997), The World Is Not Enough (1999), Die Another Day (2002), Casino Royale (2006), Quantum of Solace (2008), Skyfall (2012).
Never Say Never Again (1983), een remake van Thunderball (1965) werd niet geproduceerd door Albert R. Broccoli en Harry Saltzman maar door Jack Schwartzman.

The James Bond Archives [ taschen.com ]

donderdag 22 november 2012
artiestenmetafysica [ 2 ]
gelezen: §18 uit De Geboorte van de Tragedie van Nietzsche

De Geboorte van de TragedieDie Geburt der Tragödie is het eerste boek dat de 27-jarige Nietzsche in 1872 publiceerde en waarmee hij zichzelf diskwalificeerde als filoloog. Onder zijn vakbroeders oogstte het boek negatieve kritieken. Het voldeed namelijk niet aan de eisen die aan een wetenschappelijke publicatie gesteld werden. Men vond zijn geschrift te speculatief. De slechte ontvangst had ook te maken met afgunst. Nietzsche was in 1869 op 24-jarige leeftijd op voorspraak van Friedrich Wilhelm Ritschl aangesteld als hoogleraar filologie in Bazel, zonder dat hij gepromoveerd was. Jaloerse collega’s probeerden hem daarna ten val te brengen.

Rüdiger Safranski schrijft in Nietzsche - een biografie van zijn denken over het ontstaan van Nietzsche’s eersteling. Aan het einde van de jaren zestig speelt Nietzsche al met het idee om een boek te schrijven waarin hij filosofie en muziek verenigen wil. In 1868 heeft hij Wagner persoonlijk leren kennen en Nietzsche is in de ban van deze componist geraakt. Met Wagner deelt hij niet alleen zijn passie voor de muziek maar ook zijn passie voor de Oude Grieken. Begin 1870 houdt hij voor zijn studenten in Bazel twee voordrachten over de Griekse tragedie: Das griechische Musikdrama en Sokrates und die Tragödie. Uit deze voordrachten zal in 1872 Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik voortkomen.

Het boek is vooral bekend door de introductie van het dionysische en apollinische. Met name voor de kunstfilosofie heeft dit “begrippenpaar” enorme betekenis. Nietzsche schrijft in 1886 als voorwoord bij de heruitgave van zijn boek uit 1872 een proeve van zelfkritiek. Hij noemt Die Geburt der Tragödie “artiestenmetafysica". Met de “metafysisch troost” predikt hij een soort verlossingsleer door de “tragische kunst” en op het muziekdrama van Wagner heeft hij al zijn hoop gevestigd. Maar als de Ring der Nibelungen in 1876 eindelijk in Bayreuth in première gaat, is hij zo teleurgesteld, dat hij niet alleen Wagner maar ook de kunst de rug toekeert.

NietzscheJe kunt Die Geburt der Tragödie niet alleen lezen als een verlossingsleer door de kunst (van Wagner) maar ook als een diagnose van de cultuur. In §18 reflecteert Nietzsche over de cultuur van zijn tijd: “Heel onze moderne wereld zit gevangen in het web van de Alexandrijnse cultuur: haar ideaal is de met de meest verfijnde kennisvermogens toegeruste, theoretische mens, wiens prototype en stamvader Socrates is. Heel onze opvoeding is van het begin af aan op dit ene ideaal gericht.”

Heel onze moderne wereld zit gevangen in het web van de Alexandrijnse cultuur: haar ideaal is de met de meest verfijnde kennisvermogens toegeruste, theoretische mens, wiens prototype en stamvader Socrates is.

Die Geburt der Tragödie, §18

Nietzsche ziet Socrates dus als het prototype van de theoretische mens, de mens die hij in zijn tijd overal om zich heen ziet. Deze mens heeft een onwankelbaar geloof in de wetenschap en is verstoken van “tragisch bewustzijn". Nietzsche noemt dit “dionysische wijsheid".

Dionysische wijsheid vergaar je door een blik in het afgrondelijke, wanneer je de illusie van de wetenschappelijke kennis doorziet. Nietzsche heeft dit “tragische bewustzijn” gemeen met zijn leermeester Schopenhauer. Maar het vooruitgangsoptimisme rond 1870 wil van dit pessimisme niets weten en schaart zich achter de triomfen van de wetenschap. Ook hierdoor vindt zijn eerste boek geen ingang. Nietzsche heeft zichzelf in de academische wereld buitenspel gezet. Na de slechte ontvangst zijn er nauwelijks nog studenten die zijn colleges volgen. Zijn carrière als eenzame filosoof is begonnen. Maatschappelijk succes zal hij nooit kennen. Zijn boeken worden pas gepubliceerd nadat hij in 1889 krankzinnig is geworden. Dan pas begint de impact van zijn denken tot de wereld door te dringen. In Die Geburt der Tragödie is de basis van dit denken gelegd.

Es ist ein ewiges Phänomen: immer findet der gierige Wille ein Mittel, durch eine über die Dinge gebreitete Illusion seine Geschöpfe im Leben festzuhalten und zum Weiterleben zu zwingen. Diesen fesselt die sokratische Lust des Erkennens und der Wahn, durch dasselbe die ewige Wunde des Daseins heilen zu können, jenen umstrickt der vor seinen Augen wehende verführerische Schönheitsschleier der Kunst, jenen wiederum der metaphysische Trost, dass unter dem Wirbel der Erscheinungen das ewige Leben unzerstörbar weiterfliesst: um von den gemeineren und fast noch kräftigeren Illusionen, die der Wille in jedem Augenblick bereithält, zu schweigen. Jene drei Illusionsstufen sind überhaupt nur für die edler ausgestatteten Naturen, von denen die Last und Schwere des Daseins überhaupt mit tieferer Unlust empfunden wird und die durch ausgesuchte Reizmittel über diese Unlust hinwegzutäuschen sind. Aus diesen Reizmitteln besteht alles, was wir Cultur nennen: je nach der Proportion der Mischungen haben wir eine vorzugsweise sokratische oder künstlerische oder tragische Cultur: oder wenn man historische Exemplificationen erlauben will: es giebt entweder eine alexandrinische oder eine hellenische oder eine buddhaistische Cultur.
 
Bron: Die Geburt der Tragödie §18 [ gutenberg.org ]

Artiestenmetafysica [ 1 ]

zondag 18 november 2012
de kortste weg naar de ziel
Schopenhauer over muziek in Die Welt als Wille und Vorstellung

SchopenhauerIn Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik citeert Friedrich Nietzsche een lang fragment uit Die Welt als Wille und Vorstellung, het hoofdwerk van zijn leermeester Arthur Schopenhauer. Hij reflecteert hierin over het wezen van de muziek. Volgens Schopenhauer onderscheidt de muziek zich van de andere kunsten doordat zij geen afbeelding of verschijning is, maar de meest directe uitdrukking van de wereldwil.

Voor Nietzsche lag de oorsprong van de Griekse tragedie in de geest van de muziek en in het muziekdrama van Richard Wagner zag hij de wedergeboorte van de tragedie in zijn eigen tijd. Maar toen in Bayreuth in 1876 de Ring des Nibelungen voor het eerst werd opgevoerd, raakte hij hevig teleurgesteld in Wagner. In zijn boek uit 1872 is daar nog niets van te merken. De 27-jarige professor filologie uit Basel heeft al zijn hoop gesteld op Wagner.

Wagner’s ideaal van het Gesammtkunstwerk waarin de kunstvormen met elkaar verstrengeld zijn, zou in de twintigste eeuw in de film tot uitdrukking komen. Beeld en geluid versterken elkaar in de film wederzijds. Zoals Schopenhauer in 1819 al schreef, zijn beelden en begrippen de afgepelde buitenste schil van de dingen terwijl de muziek het hart van de dingen vormt. Vanuit dit bewustzijn werken de meeste filmcomponisten: door de muziek, hoe minimaal deze soms is, leggen ze het emotionele centrum bloot. Niet voor niets zeggen we dat de muziek de kortste weg naar de ziel is.

De muziek geeft daarentegen de
binnenste kern weer, die aan alle veraanschouwelijking voorafgaat, het hart van de dingen.

Arthur Schopenhauer

Die Welt als Wille und Vorstellung, 1819Denn die Musik ist, wie gesagt, darin von allen anderen Künsten verschieden, dass sie nicht Abbild der Erscheinung, oder richtiger, der adäquaten Objectität des Willens, sondern unmittelbar Abbild des Willens selbst ist und also zu allem Physischen der Welt das Metaphysische, zu aller Erscheinung das Ding an sich darstellt. (…) Indem die Begriffe nur die allererst aus der Anschauung abstrahirten Formen, gleichsam die abgezogene äussere Schale der Dinge enthalten, also ganz eigentlich Abstracta sind; die Musik hingegen den innersten aller Gestaltung vorhergängigen Kern, oder das Herz der Dinge giebt.
 
Bron: Die Welt als Wille und Vorstellung III. Band §51 [ zeno.org ]
De begrippen bevatten slechts de uit de aanschouwing geabstraheerde vormen, dus als het ware de afgepelde buitenste schil van de dingen: het zijn dus de abstracties in de strikte zin van het woord. De muziek daarentegen geeft de binnenste kern weer, die aan alle concretisatie voorafgaat, met andere woorden het hart van de dingen.
 
vertaling: Hans Driessen
dinsdag 13 november 2012
Architekt der Ewigkeit
Balthasar Neumann (1687-1753)

Neumann door TiepoloTwee jaar geleden bezochten we de Würzburger Residenz en maakten daar kennis met het levenswerk van de man die vroeger op het 50DM biljet stond, Balthasar Neumann. Hij was een selfmade man, van oorsprong kanonnengieter, maar zou de grootste architect van de late barok en rococo in Duitsland worden. De Italiaanse schilder Tiepolo, die in de prins-bisschoppelijke residentie de wereldberoemde fresco’s schilderde, beeldde de bouwmeester af in zijn trappenhuis, gezeten op een kanon.

Man kennt seinen Namen. Schulen, Restaurants, Hotels und Kulturvereine nennen sich nach ihm. Sein Bild zierte einst den 50-DM-Schein. Die von ihm geplante Würzburger Residenz gehört zum UNESCO-Weltkulturerbe. Seine zahlreichen Bauwerke sind Barock in Vollendung. Um sie zu bestaunen, kommen Menschen aus der ganzen Welt nach Würzburg und Franken.
 
Bron: balthasarneumann.de
Balthasar Neumann
Balthasar Neumann op biljet van 50 DM

Neumann’s laatste grote werk was de kloosterkerk Vierzehnheiligen Toen de kerk eindelijk werd voltooid, was Balthasar Neumann al bijna twintig jaar dood. Er was dertig jaar aan gebouwd van 1743 tot 1772, de tijd dat het rococo halverwege de achttiende eeuw in de mode was. Markus Grimm schreef een historische roman over het leven van Balthasar Neumann.

NeumannBalthasar Neumann, Architekt der Ewigkeit von Markus Grimm
 
Würzburg, am 19. August 1753
Der berühmte Würzburger Stadtbaumeister und Architekt Balthasar Neumann ist im Alter von 66 Jahren gestorben. In der Stadt herrscht Betroffenheit über den Tod des beliebten Mitbürgers. Auch bei dem Wirt einer Würzburger Weinstube, die der Baumeister gern besucht hat. Am Abend dieses Tages bekommt er zu später Stunde unerwartet Besuch von einem auswärtigen Fremden, den mit Neumann eine besondere Geschichte verbindet – der aber nun zu spät gekommen ist. Beim nächtlichen Wein entspinnt sich ein Gespräch zwischen dem Wirt, der Neumann persönlich kennengelernt hat, und dem Fremden, der nur seine Bauwerke kennt. In Rückblenden begeben sie sich an Neumanns Orte, besuchen seine Bauwerke, begegnen Fürsten, nehmen Teil an Reisen und Planungen, erleben seine Geschichte – und erwecken ihn so wieder zum Leben. Am Ende beginnen beide zu verstehen, wer dieser Mensch war, worin sein Genie bestand, seine Vision und überragende Leistung – und der Leser entdeckt seine Bedeutung für ganz Mainfranken und weit darüber hinaus – die Bedeutung Balthasar Neumanns, der einst als Glockengießer seine böhmische Heimat verließ und in Würzburg zum größten Baukünstler des Barock wurde.
 
Bron: balthasarneumann.de

Op de blog villalarepubblica las ik een uitvoerige beschrijving van Neumann’s trappenhuis naar de hemel.

balthasarneumann.de

dinsdag 30 oktober 2012
mantel- en degenfilm [ 2 ]
zaterdag gezien in Duitsland: Scaramouche (1952)

Scaramouche Als een film zich in de achttiende eeuw afspeelt, moet ik altijd even kijken. Zo bleef ik zaterdag “plakken” aan de Amerikaanse mantel- en degenfilm Scaramouche. Begin september zag ik al een andere mantel- en degenfilm. The Sea Hawk (1940) met Errol Flynn imponeert door zijn degengevechten.

Na de Tweede Wereldoorlog was men de degengevechten nog steeds niet moe. In 1952 werd een andere historische roman van Rafael Sabatini (voor de tweede maal) verfilmd: In Scaramouche komt een van de langste degengevechten uit de filmgeschiedenis voor: zeseneenhalve minuut. De set decoration werd o.a. verzorgd door Edwin B. Willis (1893–1963). De vaste set decorator van MGM werkt o.a. ook mee aan The Wizard of Oz (1939) en Singin’ in the rain (1951). De achtergronden in pastelkleurig technicolor ademen de droomachtige sfeer van het galante tijdperk.

Scaramouche
Scaramouche speelt zich af rond 1790 maar hier en daar is de film “ontzettend 1952″, bijvoorbeeld daar waar de Maidenform Bra doorschemert.
Spectaculaire degenfilm rondom een Fransman die zich verkleedt als Scaramouche (Granger) om de dood van zijn broer te wreken. De kwaadaardige Ferrer, een meester met de degen en boordevol zelfvertrouwen, moet op zijn tellen passen. De acteurs leveren uitstekende prestaties onder de kleurrijke eersteklas regie van Sidney. De film bevat verder voldoende humor en actie. Het hoogtepunt is een degenduel dat met een lengte van zeseneenhalve minuut beschouwd wordt als één van de langsten in de filmgeschiedenis. Naar het boek van Rafael Sabatini, dat stamt uit de 18de eeuw. met Stewart Granger, Eleanor Parker, Janet Leigh en Mel Ferrer.
 
Bron: veronicamagazine.nl
Scaramouche
het spectaculaire degenduel aan het eind van de film duurt zeseneenhalve minuut.

Scaramouche [ imdb.com ]

zondag 28 oktober 2012
artiestenmetafysica [ 1 ]
aan het lezen in Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik
van Friedrich Nietzsche (1872)
Die Geburt der TragödieDie Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik ist ein Buch von Friedrich Nietzsche, das er zuerst Anfang 1872 veröffentlichte. Es war das erste bedeutende Werk Nietzsches, mit dem sich der damals 27-jährige Philologieprofessor zugleich von der wissenschaftlichen Philologie distanzierte. Auf etwa 100 Buchseiten und in 25 knappen Kapiteln entwickelt der Jungwissenschaftler aus seinen Studien des Griechentums, seiner Liebe zur Musik und der Wertschätzung Schopenhauers und Wagners sein kulturelles Weltbild. Er präsentiert seine Theorien von der Entstehung und dem Niedergang der griechischen Tragödie und darüber hinaus allgemeine kulturphilosophische und ästhetische Betrachtungen, die auch im 20. Jahrhundert rezipiert wurden. Es enthielt ein Vorwort an Richard Wagner, dem die Schrift auch gewidmet war und in dem Nietzsche damals den möglichen Neubegründer einer der griechischen vergleichbaren Kunst und Kultur sah. 1886 ließ Nietzsche eine zweite Ausgabe unter dem Titel Die Geburt der Tragödie. Oder: Griechenthum und Pessimismus erscheinen, wobei dem Buch der „Versuch einer Selbstkritik“ vorangestellt wurde.
 
Bron: de.wikipedia.org
zaterdag 20 oktober 2012
de kracht van het beeld
vandaag gekocht in Kleef: Der Erste Weltkrieg (2008)
Wahrheit und Lüge in Bildern und Texten van Brigitte Hamann

Het gezicht van Hitler-DuitslandIn de jaren zeventig is het fotoboek, waar Uitgeverij Taschen groot in geworden is, al aan haar opmars begonnen. Zo kocht mijn vader in 1975 bijvoorbeeld het boek Het gezicht van Hitler-Duitsland van Frederic V. Grunfeld dat de Tweede Wereldoorlog benadert vanuit het beeld.

In de eenentwintigste eeuw zijn fotoboeken net zo gewoon geworden als leesboeken. Een fotoboek gaat uit van de kracht van het beeld. Dat zegt meer dan duizend woorden. Maar de kracht van het beeld is tegelijkertijd haar zwakte, want beelden kunnen gemakkelijk worden ingezet om leugens te verspreiden. Beelden blijken zonder bijschrift vaak misleidend.

Oorlogspropaganda maakt gebruik van de kracht van het beeld. Frederic V. Grunfeld liet dat zien in Het gezicht van Hitler-Duitsland. Als twaalfjarige heb ik er eindeloos in gebladerd. Mijn gedachten werden telkens 180 graden omgedraaid tussen de ene propaganda en de andere propaganda.

Der Erste WeltkriegOok Brigitte Hamann heeft een fotoboek samengesteld waarin de oorlog in beelden verschijnt. Ditmaal gaat het om de Eerste Wereldoorlog. De beelden in Der Erste Weltkrieg - Wahrheit und Lüge in Bildern und Texten maken ons deelgenoot van de Duitse bevolking tijdens de Grote Oorlog. Welke beelden werden er tussen augustus 1914 en november 1918 over haar uitgestort? Door de propaganda aan het thuisfront was er een mist van leugens en halve waarheden opgetrokken, waardoor het onmogelijk was geworden een heldere blik op de situatie te houden. De propagandamachine begon direct na de inval in België te draaien. Zo verscheen onderstaande prent in augustus 1914 en was het duidelijk: ook kinderen, of juist kinderen, werden niet gespaard.

soldaten
ook kinderen (of juist kinderen?) werden in de oorlogspropaganda niet gespaard.

Aanvankelijk heette de Eerste Wereldoorlog gewoon de Grote Oorlog. Sommige historici pleiten ervoor de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) die op drie continenten werd uitgevochten, al een Wereldoorlog te noemen. Dan zou de Eerste Wereldoorlog dus al de Tweede zijn geweest. In ieder geval was het een oorlog die echt overal werd uitgevochten, zelfs op plaatsen die voor mensen onbewoonbaar zijn, zoals in de lucht, onder de zeespiegel en ver boven de boomgrens. Dat realiseerde ik me toen ik in het boek onderstaande foto zag, waarop een Oostenrijks kanon omhoog getakeld wordt om vanaf een steile rots de Italianen te beschieten.

Zuid-Tirol
beeld van het front in Zuid-Tirol 1915
Seit längerem lässt sich ein den Ersten Weltkrieg betreffender “Bilderschwund” beobachten, konstatiert Rolf Wörsdorfer. Dies findet er um so bedauerlicher, als dieser Weltkrieg der erste große militärische Konflikt war, “in dem nahezu alles fotografiert wurde". Auch habe der Krieg “Tausenden von mehr oder weniger talentierten Malern” Gelegenheit gegeben, “die dramatischsten Schlachtenszenen als Motiv zu wählen". Brigitte Hamann steuert mit ihrem Buch Der Erste Weltkrieg. Wahrheit und Lüge in Bildern und Texten dem fatalen Bilderschwund entgegen. Sie stützt sich, so der Rezensent, hauptsächlich “auf das Familienarchiv ihres verstorbenen Schwiegervaters". In einem “bislang für historiografische Arbeiten ungewöhnlichen Maße” verlässt die Autorin sich dabei auf die “Wirkung von Abbildungen“, um mit dem Ersten Weltkrieg verknüpfte Problemkreise zu erfassen.
 
Bron: perlentaucher.de
vrijdag 12 oktober 2012
hogere krijgskunde
gekocht: Vom Kriege (1832) van Carl von Clausewitz

Vom KriegeDe uitspraak dat oorlog een voortzetting van politiek met andere middelen is, kent bijna iedereen. Het boek waarin deze uitspraak staat, is minder bekend. Vom Kriege van de Pruisische generaal en militaire theoreticus Carl von Clausewitz verscheen 180 jaar geleden voor het eerst en geldt sindsdien als hét standaardwerk in de krijgskunde. Het telt 750 pagina’s en behandelt de oorlogsvoering in zes boeken. Het zevende en achtste boek zijn onvoltooid gebleven.

Afgelopen zomer bezochten we het slagveld van Rivoli Veronese waar Napoleon in januari 1797 de Oostenrijkers versloeg. De jonge Von Clausewitz (1780-1831) zal er zeker van gehoord hebben. Als zoon van een Pruisische officier werd hij militaristisch opgevoed. Hij groeide op in een stormachtige tijd. Tussen 1792 en 1814 raasden er zeven coalitieoorlogen over Europa. Als twaalfjarige nam hij al deel aan de belegering van Mainz in 1793. Toen hij twintig was, ging hij naar de Kriegschule in Berlijn. Tijdens de Vierde Coalitieoorlog in 1806 nam hij deel aan de Pruisische campagne tegen Napoleon. Dat werd een debacle en Von Clausewitz werd door de Fransen krijgsgevangen gemaakt en naar Frankrijk gedeporteerd. Een jaar later kwam hij vrij en keerde hij terug naar zijn vaderland.

Von Clausewitz 1831-1981
postzegel ter gelegenheid van de 150e sterfdag van Carl von Clausewitz in 1981
Der Krieg ist eine bloße Fortsetzung der Politik mit anderen Mitteln.

Carl von Clausewitz, Vom Kriege

In 1810 werd hij bevorderd tot majoor en in 1810, 1811 en 1812 was hij de privéleraar krijgskunde van prins Friedrich Wilhelm van Pruisen (1797-1888), de latere keizer Wilhelm I. Net als Hegel en vele anderen overleed hij in 1831 aan de gevolgen van de cholera epidemie. Zijn theoretische hoofdwerk Vom Kriege werd een jaar later door zijn echtgenote Marie von Clausewitz postuum uitgegeven. De losse aantekeningen voor het zevende en achtste boek werden door majoor O’Etzel uitgewerkt en aan het werk toegevoegd.

Vom KriegeCarl von Clausewitz wurde durch sein unvollendetes Hauptwerk Vom Kriege (1832), das sich mit der Theorie des Krieges beschäftigt, bekannt. Seine Theorien über Strategie, Taktik und Philosophie hatten großen Einfluss auf die Entwicklung des Kriegswesens in allen westlichen Ländern. Seine Theorien werden bis heute an Militärakademien gelehrt und finden auch im Bereich der Unternehmensführung sowie im Marketing Anwendung.
( … )
Den Kontroversen zum Trotz ist Clausewitz’ Hauptwerk Vom Kriege zu einem der am weitesten verbreiteten Bücher der Erde geworden, dessen Inhalt bis heute an vielen Militärschulen gelehrt wird. In Deutschland bemüht sich die Clausewitz-Gesellschaft, aus den Gedanken Carl von Clausewitz’ Nutzen für die Gegenwart zu ziehen und das Erbe Clausewitzens zu bewahren.
 
Bron: de.wikipedia.org

Vom Kriege
Erster Teil
I. Erstes Buch: Über die Natur des Krieges (7 hoofdstukken)
II. Zweites Buch: Über die Theorie des Krieges (6 hoofdstukken)
III. Drittes Buch: Von der Strategie überhaupt (18 hoofdstukken)
IV. Viertes Buch: Das Gefecht (14 hoofdstukken)
Zweiter Teil
V. Fünftes Buch: Die Streitkräfte (18 hoofdstukken)
VI. Sechstes Buch: Verteidigung (30 hoofdstukken)
Dritter Teil
VII. Skizzen zum siebenten Buche: Der Angriff (21 hoofdstukken)
VIII. Achtes Buch: Kriegsplan (9 hoofdstukken)

clausewitz.com | Vom Kriege (integrale tekst)

dinsdag 9 oktober 2012
realisme vanaf 1850
van Michaela gekregen: catalogus van Feest der Herkenning!
Internationaal Realisme Kunsthal Rotterdam 25.09.2010 t/m 16.01.2011
realismeRuim 150 schilderijen, sculpturen, foto’s en videowerken belichten de rijkdom en diversiteit van de realistische kunst van 1850 tot nu. Het indrukwekkende overzicht omvat werk van talrijke internationaal gerenommeerde kunstenaars als Jean-François Millet, Walker Evans, Edward Hopper, Richard Estes, Duane Hanson en Thomas Ruff en is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de Kunsthalle Emden en de Kunsthalle der Hypo-Kulturstiftung in München. In de tentoonstelling is ook een aantal vooraanstaande Nederlandse kunstenaars vertegenwoordigd waaronder Carel Willink, Rineke Dijkstra, Jan Worst en Aernout Mik.
 
Het veelzijdige overzicht laat zien hoe kunstenaars de afgelopen honderdvijftig jaar de werkelijkheid weergeven: op doek, in foto’s of als videoprojectie. Het werk van belangrijke vertegenwoordigers van internationale realistische kunststromingen als de Nieuwe Zakelijkheid, het magisch realisme en het hyperrealisme zijn samengebracht. Feest der herkenning! toont de vele gezichten van het realisme: van de levensechte figuren van beeldhouwers als John de Andrea tot de gedetailleerde landschappen van fotograaf Michael Reisch. Gegroepeerd naar thema’s als het interieur, het stilleven, het portret, het landschap levert de tentoonstelling verrassende en spannende combinaties op. Zo zijn de krachtige vrouwenportretten van Christian Schad uit het Interbellum naast de technisch perfecte fotoportretten van Thomas Ruff uit de jaren tachtig te zien. En hangt een stilleven van magisch realist Franz Radziwill in nabijheid van een assemblage van Daniël Spoerri.
 
Bron: kunsthal.nl

Realismus - Das Abentuer der Wirklichkeit [ art-magazin.de ]

zondag 7 oktober 2012
Fred Emmer
De iconen van het NOS achtuurjournaal
12 persoonlijke verhalen, door Babs Assink

NOS journaalGrote afwezige in De iconen van het NOS achtuurjournaal van Babs Assink is natuurlijk Fred Emmer. Je was in de jaren zeventig pas weer helemaal thuis van vakantie als je de televisie aanzette en je Fred Emmer weer begroeten kon. Hij ontbreekt dus in het boek, dat overigens genoeg ruimte overlaat voor nostalgie. De nu 103-jarige Frits Thors verleende wél zijn medewerking. En dat belooft dus ver terugkijken in de geschiedenis van het NOS-journaal. De nieuwslezer met het witte haar zag er altijd al gepensioneerd uit.

Wanneer je de foto’s ziet van de oud nieuwslezers “in hun harnas” dan valt je onmiddellijk ook de vormgeving van het decor op. We zijn de laatste veertig jaar door een evolutie heengegaan van sober naar flashy. Neem nu de decors uit de jaren zeventig. “Edele eenvoud, stille grootsheid”, moeten de vormgevers van toen hebben gedacht. Op de achtergrond een strakke wand met een gat erin en op de voorgrond een moderne telefoon. Dus niet zo een met een draaischijf, maar een crèmekleurige hoorn met toetsen aan de binnenkant. Overigens, ik heb die telefoon nooit zien gebruiken. We kenden het nummer ook niet.

Je was in de jaren zeventig pas weer helemaal thuis van vakantie als je de televisie aanzette en je Fred Emmer weer begroeten kon.

Ook de topografische kaarten blonken uit in eenvoud. Wat ik opvallend vind, is dat het NOS-journaal ons lange tijd bestookt heeft met de wereldkaart volgens Mercator. Dat is zo’n projectie waarbij een reusachtig Groenland de wereldkaart domineert en waarbij de Verenigde Staten een dwergstaat lijkt vergeleken bij de Sovjet-Unie. Bij de staatstelevisie in de DDR had dit beeld niet misstaan. Het is niet de enige overeenkomst met de DDR, als we de decors op de foto’s van Fred Emmer en Rien Huizing nog eens goed bekijken. Een heel verschil met het huidige 8 uur-journaal dat een nieuwsshow is geworden waarbij de presentator ten voeten uit zichtbaar is.

journaal
Fred Emmer en Rien Huizing (NOS journaal in de jaren 70) en Jan Hofer (ARD Tagesschau, 1 augustus 2012)

Nee, dan kies ik voor het pratende pak Jan Hofer van ARD Tagesschau. Staatstelevisie? Nee! Helder en droog? journaal zoals journaal moet zijn? Ja!

Hoe gaan de anchors van het NOS Achtuurjournaal om met hun presentatie voordat zij voor miljoenen kijkers live de lucht in gaan? Philip Freriks sleutelde tot het allerlaatste moment nog aan zijn teksten, Noortje van Oostveen deed ademhalingsoefeningen en ook Eef Brouwers had ook zo zijn rituelen. Praktijkvoorbeelden van presentatoren van het NOS Achtuurjournaal. Hoe kijken oudere coryfeeën van het NOS Journaal, zoals Frits Thors, Joop van Zijl en Harmen Siezen terug op hun jaren bij het belangrijkste nieuwsprogramma van de afgelopen60 jaar? Maar ook de jongste generatie anchors, Sacha de Boer en Rob Trip, vertellen hoe spannend iedere dag de rechtstreekse uitzending verloopt. Achter de schermen van het NOS Achtuurjournaal blijkt dat bekende presentatoren ook maar gewone mensen zijn.
 
Bron: vanstockum.nl
woensdag 3 oktober 2012
de waanzin van Hölderlin
gelezen in Die Gedichte van Friedrich Hölderlin (1770-1843)

Friedrich Hölderlin - Die GedichteToen we vorig jaar het idyllische universiteitsstadje Tübingen bezochten, maakten we op een mooie zondagmorgen in juni een tochtje met een vlet over de Neckar. Onze gids vertelde natuurlijk het bekende verhaal van de Blutbruderschaft (in het Duits klinkt het mooier) tussen Hegel, Hölderlin en Schelling, die hier rond 1790 studeerden. Drie kamergenoten die het alle drie tot “grote geest” schoppen, dat is zeldzaam, zelfs in Duitsland. Terwijl Hegel en Schelling uiteindelijk in Berlijn terecht kwamen om daar in het pantheon van Grote Duitsers te worden bijgezet, belandde Friedrich Hölderlin in 1806 in de waanzin, in geistiger Umnächtung.

Een timmerman uit Tübingen die hem bewonderde, bood de geesteszieke dichter in 1806 een woning aan in een toren aan de Neckar. Hölderlin bleef er tot aan zijn dood in 1843 wonen. De Hölderlinturm is tegenwoordig het Wahrzeichen van Tübingen. Een waanzinnige dichter die 37 jaar in een toren leeft, hééft natuurlijk iets. Een ideaal onderwerp voor een gothic novel.

Emily Brontë schreef Jane Eyre, met het thema van “de waanzinnige in de toren", kort na Hölderlin’s dood. Toch lijkt het mij niet dat ze ooit van hem gehoord heeft, want aan het eind van zijn leven was de dichter totaal vergeten.

Hölderlinturm
Hölderlinturm in Tübingen, 26 juni 2011

Lang zou Hölderlin vergeten blijven. Toen Hegel en Goethe in 1832 gestorven waren, was het voorbij met het gouden tijdperk van Duits classicisme en Duitse romantiek. De Biedermeier bepaalde tijdens de Vormärz het klimaat in Duitsland en de cultuur was burgerlijk en oerconservatief geworden. Na 1850 was al het idealisme uit de romantiek drooggelegd en had de wereld een nuchtere en realistische aanblik gekregen, niet in de laatste plaats door een revolutie in wetenschap en techniek. De kunst en de filosofie waren aan de leiband van realisme en positivisme gelegd. Er was geen reden tot cultuurpessimisme. De Götternacht van Hölderlin was een weinig realistische gedachte in het optimistische licht van de vooruitgang.

Er was geen reden tot cultuurpessimisme.
De Götternacht van Hölderlin was een weinig realistische gedachte
in het optimistische licht
van de vooruitgang.

Nietzsche in 1862Toch was er kritiek op het “wir haben es so herrlich weit gebracht” van de burgerlijke cultuur. De jonge Friedrich Nietzsche bijvoorbeeld ontdekte in 1861 het werk van Hölderlin. Bijna niemand kende deze dichter toen nog, zelfs de leraar Duits was hem vergeten. Maar de 17-jarige Nietzsche zag in Hölderlin onmiddellijk een geestverwant. Hij deelde zijn grote liefde voor de oude Grieken en hun cultuur. Nietzsche verlangde ook naar een terugkeer van de mythos in de kunst, die in zijn beleving door de logos van de wetenschap verdrongen was. Rond 1860 domineerde positivistische wetenschap alle domeinen van het leven. Voor Nietzsche was dat verstikkend voor het leven zélf.

Filisters noemde Nietzsche iedereen die zich door het verleidelijke optimisme en de maakbaarheid van de positivistische wetenschap had laten bedwelmen. We moeten niet vergeten dat de schaduwzijde van de wetenschap en techniek zich in die tijd nog niet aan ons had opgedrongen. De “Materialschlacht” van de Eerste Wereldoorlog lag nog ver in de toekomst. Cultuurpessimisme bestond eigenlijk niet. Nietzsche ontdekte in Hölderlin niet alleen een gelijkgestemde geest door zijn diepe liefde voor het Oude Griekenland. Hij vond bij Hölderlin ook een gitzwart cultuurpessimisme. Dat was toch dragelijk omdat Hölderlin in die duisternis een toekomstvisioen had. Hij meende dat zijn eigen tijd een Götternacht was, een verduistering van het mythische. Maar achter de horizon zag hij een stralende Morgen.

Hölderlin leefde in een tijd waarin de industriële revolutie nog helemaal op gang moest komen, zeker in Duitsland. Maar de voedingsbodem voor een technologische revolutie was er al, omdat de Verlichting definitief was doorgebroken. Sapere aude!, durf te weten, de imperatief waarmee de grote Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant de mens uit zijn dogmatische sluimer wilde opwekken, kon Hölderlin in zijn jeugd overal horen klinken. De mens moest op eigen benen leren te staan, dat was de enige juiste richting die de Verlichting aangaf. Mythos en geloof werden teruggedrongen, de logos en de ratio ging heersen. Met het verstand zou de mens de natuur volledig aan zich kunnen onderwerpen, dat was de droom en het optimisme van de Verlichting.

Maar Hölderlin’s droom ging over iets heel anders. Hij zag het Oude Griekenland herleven, de goden bovenop de Olympus en saters en nimfen bij een koele bron in een imaginair Grieks landschap. Het bestond alleen in zijn verbeelding, want Hölderlin was nog nooit in Griekenland geweest. Het mythische landschap moet hij alleen gekend hebben van geïdealiseerde pastorales. Deze taferelen waren om te behagen. Niet voor niets vulden ze de paleizen en buitenplaatsen van de vorsten en de adel in de achttiende eeuw.

Schinkel
Karl Friedrich Schinkel 1836
Schinkel was schilder én bouwmeester. Hij idealiseerde het Oude Griekenland omdat classicisme goed in de markt lag en koning Friedrich Wilhelm III bestelde zo af en toe een “Griekse tempel” bij hem. Hölderlin’s droom over het Oude Griekenland ging veel dieper dan het uiterlijke vertoon van Schinkel en de koning.

Hölderlin zag door de oppervlakte van het behaagzieke plaatje heen. Voor hem waren de Griekse goden geen mythologische figuren in een zinnenstrelend decor, maar levende wezens die in de bestaansdiepte met ons verbonden zijn. In 1799 ontstond het onderstaande gedicht Götter wandelten einst bei Menschen, een liefdesgedicht voor Diotima (Susette Gontard).

An Diotima
 
Götter wandelten einst bei Menschen, die herrlichen Musen
Und der Jüngling, Apoll, heilend, begeisternd wie du.
Und du bist mir wie sie, als hätte der Seligen Einer
Mich ins Leben gesandt, geh ich, es wandelt das Bild
Meiner Heldin mit mir, wo ich duld und bilde, mit Liebe
Bis in den Tod, denn dies lernt’ ich und hab ich von ihr.
 
Laß uns leben, o du, mit der ich leide, mit der ich
Innig und gläubig und treu ringe nach schönerer Zeit.
Sind doch wirs! und wüßten sie noch in kommenden Jahren
Von uns beiden, wenn einst wieder der Genius gilt,
Sprächen sie: Es schufen sich einst die Einsamen liebend
Nur von Göttern gekannt ihre geheimere Welt.
 
Denn die Sterbliches nur besorgt, es empfängt sie die Erde
Aber näher zum Licht wandern, zum Äther hinauf
Sie, die inniger Liebe treu und göttlichem Geiste
Hoffend und duldend und still über das Schicksal gesiegt.
 
Bron: gutenberg.spiegel.de

Hölderlin: Allgemeine Einführung und Erklärung [ armin-risi.ch ]

maandag 1 oktober 2012
nietwaar?
zondagmorgen gezien bij Boeken: Wim Brands in gesprek
met Paul Verhoeven en Rob Scheers over Volgens Verhoeven

Volgens VerhoevenDe afgelopen twee jaar knipte ik een stapeltje columns uit uit De Volkskrant waarin regisseur Paul Verhoeven samen met zijn biograaf Rob Scheers een aantal klassiek geworden films bespreekt. Onlangs verschenen de 65 columns in boekvorm en zondag waren Verhoeven en Scheers in het programma Boeken te gast om over hun boek te praten. Dankzij de uitgeknipte columns kende ik de inhoud van Volgens Verhoeven dus al.

Bovendien was de regisseur twee jaar geleden uitgebreid aan het woord geweest in Zomergasten zodat ik al enigszins op de hoogte ben van zijn visie. Hij legde toen Jelle Brandt Corstius uit wat hij zo intrigerend vindt aan de film Lawrence mijn film top 10of Arabia. Een echte Jezusfilm, volgens Verhoeven, net als de western Shane. Ook in een van zijn columns en in het gesprek met Wim Brands werd het meesterwerk van David Lean weer besproken.

De films in Volgens Verhoeven vormen geen canon, al komen er een aantal klassiekers in voor die ook in de AFI’s 100 years 100 movies list van het American Film Institute staan. Voor filmcritici is dat een gezaghebbende lijst en deze geldt meer als een canon dan de top 250 van imdb.com of moviemeter.nl die door een breed publiek wordt samengesteld.

tien klassiekers (volgens mij)
nummer 1, 3 en 9 staan ook in
de selectie van Paul Verhoeven
Hitchcock knocks Welles off top of ‘greatest film’ poll
Alfred Hitchcock’s “Vertigo” has been named the greatest movie of all time, knocking long-time favorite Orson Welles‘ “Citizen Kane” off the top of a once-in-a-decade survey of critics from around the world. Hitchcock’s thriller, starring James Stewart and Kim Novak, came top of Sight & Sound magazine’s poll of 846 film experts more than 50 years after the movie was first released – to little critical acclaim – in 1958.
 
Bron: edition.cnn.com

Verhoeven brandt de klassieker Casablanca (nummer 3 op de AFI-lijst) ongenadig af: “Ik zie toch vooral een draak die al decennialang overschat wordt.” In zijn gesprek met Wim Brands werden er ook niet meer dan vijf woorden besteed aan Casablanca. Wél ging het tot mijn genoegen over
Vertigo van Hitchcock, de regisseur aan wie Verhoeven het boek opdraagt.

De selectie van Paul Verhoeven (1938) legt de nadruk op films uit de jaren vijftig en zestig. Hij selecteerde slechts zes films uit de laatste dertig jaar, waaronder The Artist, een ode aan de zwijgende film. Zelf zag ik dertig films uit zijn selectie. (hieronder in vet en cursief)

Double IndemnityThe Gold Rush (1925), The General (1926), La passion de Jeanne d’Arc (1928), Triumph des Willens (1935), Way out West (1937), Gone with the wind (1939), Casablanca (1942), Double Indemnity (1944), Ivan de Verschrikkelijke II (1946/58), A Matter of Life and Death (1946), The Third Man (1949), Rashomon (1950), Los olvidados (1950), Sunset Boulevard (1950), Strangers on a Train (1951), Viva Zapata! (1952), Shane (1953), Vera Cruz (1954), On the Waterfront (1954), Glimlach van een zomernacht (1955), Touch of Evil (1957), La règle du jeu (1957), VertigoVertigo (1958), Ben Hur (1959), North by Northwest (1959), Some like it Hot (1959), La dolce vita (1960), Lávventura (1960), Ride the high country (1962), Jules et Jim (1962), Lawrence of Arabia (1962), Otto e mezzo (1963), Il vangelo secondo Matteo (1964), Doctor Zhivago (1965), La Battalglia di Algeri (1966), Belle de Jour (1967), The Stalking Moon (1968), Il giardino dei Finzo Contini (1970), Patton (1970), The French Connection (1971), The Godfather (1972/74), Scènes uit een huwelijk (1973), One Flew over the Cuckoo’s Nest (1975), Taxi Driver (1976), Annie Hall (1977), The Shining (1980), Das Boot (1981), Scarface (1983), The Terminator (1984), Schindler’s List (1993), City of God (2002), Das weisse Band (2009) en The Artist (2011).

boeken.vpro.nl

zondag 30 september 2012
in those days …
vrijdag gezien: The Magnificent Ambersons (1942)

The Magnificent AmbersonsKort na de Eerste Wereldoorlog wonnen twee Amerikaanse romans over de Gilded Age (1870-1900) de Pulitzer Prize. In 1919 The Magnificent Ambersons (1918) van Booth Tarkington en in 1921 The Age of Innocence (1920) van Edith Wharton. Beide romans werden meerdere malen verfilmd. Martin Scorcese maakte in 1993 een weelderige verfilming van The Age of Innocence die je onderdompelt in de luxe wereld (en bekrompen moraal) van de New Yorkse upper class. De roman van Tarkington werd in 1925 voor de eerste maal verfilmd onder de titel Pampered Youth. Maar de verfilming van Orson Welles uit 1942 is legendarisch geworden.

De Belgische zender Een heeft de goede gewoonte om op zondagmiddag een filmklassieker uit te zenden. Ik nam The Magnificent Ambersons in januari op en keek afgelopen week. Het is voor mij een soort Citizen Kane Part Two. Voor de duidelijkheid: Een geslaagd Part Two.

Ambersons 1942
The Magnificent Ambersons 1942

The Magnificent Ambersons is net als Citizen Kane in meerdere opzichten een briljante film. Net als bij zijn voorganger is de manier van vertellen origineel en vaak grappig terwijl dat laatste niet ten koste gaat van de diepgang. Ook cinematografisch is de film een genot om naar te kijken. Er wordt vaak gebruik gemaakt van diagonale close ups die van onderaf zijn genomen.

De oorspronkelijke versie duurde 133 minuten maar producent RKO kortte deze in tot 88 minuten. Orson Welles vond dat zijn film met een grasmaaier bewerkt was. “They destroyed “Ambersons” and “it” destroyed me” was zijn commentaar. Het zou niet de laatste keer zijn dat er in het werk van “wonder boy” Welles door een producent gesnoeid zou worden. Achttien jaar later zou filmmaatschappij Universal zijn film Touch of Evil stevig inkorten.

Ambersons 1942
The Magnificent Ambersons still

In de lange openingsscene neemt de voice over van Orson Welles ons mee in de wereld van de Ambersons, een rijke familie die kort na de Amerikaanse Burgeroorlog zijn kapitaal vergaard heeft. Ze leven als Medici’s in Minneapolis. Net als alle andere nieuwe rijken uit de gilded age wonen ze in een mansion.

The Magnificent Ambersons openingsmonloog: “The magnificence of the Ambersons began in 1873.”
The magnificence of the Ambersons began in 1873. Their splendor lasted throughout all the years that saw their midland town spread and darken into a city. In that town, in those days, all the women who wore silk or velvet knew all the other women who wore silk or velvet, and everybody knew everybody else’s family horse and carriage. The only public conveyance was the streetcar. A lady could whistle to it from an upstairs window, and the car would halt at once and wait for her, while she shut the window, put on her hat and coat, went downstairs, found an umbrella, told the girl what to have for dinner, and came forth from the house. Too slow for us nowadays, because the faster we’re carried, the less time we have to spare.
 
Bron: imdb.com

In een van de scenes zien we de kleine George met zijn ouders in de tuin. De verwende Amberson kid is gekleed als een kleine zonnekoning met pijpenkrullen en een schuine baret op. Op de achtergrond staat het Louvre-achtige mansion met hoge mansardedaken. Het kinderachtige imiteren van de Europese cultuur door de Amerikaanse noveau riche aan het einde van de negentiende eeuw kan bijna niet beter in een beeld gevat worden.

Ambersons 1942
de kleine George voor het mansion
van The Magnificent Ambersons

Zo is de kleine George veel meer dan het verwende zoontje van de Amberson clan, hij staat ook voor de Amerikaanse jet set. Net als de roman van Edith Wharton is The Magnificent Ambersons van Booth Tarkington een zedenschets van de verwende upper class uit de Gilded Age.

Naast de neergang van een rijke Amerikaanse familie omstreeks 1900, gaat The Magnificent Ambersons ook over de opkomst van de automobiel. Toen Booth Tarkington aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zijn roman schreef, was het straatbeeld in Amerika door de massaproductie van de Ford-T (1908-1927) al ingrijpend veranderd. Het leven was niet alleen veel drukker en sneller geworden. Met de automobiel kwam er ook nog meer lawaai en nog meer vervuiling.

Automobiles are a useless nuisance

George (Tim Holt)
in The Magnificent Ambersons

Tijdens een diner met de Ambersons en Morgans geeft de verwende George zijn ongezouten mening over de automobiel aan de autofabrikant Eugene Morgan. Zijn ouders vinden dat hij zich moet verontschuldigen voor deze onbeschaamdheid. Maar Eugene Morgan geeft George gelijk.

… automobiles have come and almost all outwards things will be different because of what they bring. They’re going to alter war and they’re going to alter peace. And I think men’s minds are going to be changed in subtle ways because of automobiles.

Eugene (Joseph Cotten)
in The Magnificent Ambersons

Maj. Amberson: So your devilish machines are going to ruin all your old friend, eh Gene? Do you really think they’re going to change the face of the land?
Eugene: They’re already doing it major and it can’t be stopped. Automobiles…
[cut off by George]
George: Automobiles are a useless nuisance.
George: What did you say George?
George: I said automobiles are a useless nuisance. Never amount to anything but a nuisance and they had no business to be invented.
Jack: Of course you forget that Mr. Morgan makes them, also did his share in inventing them. If you weren’t so thoughtless, he might think you were rather offensive.
Eugene: I’m not sure George is wrong about automobiles. With all their speed forward they may be a step backward in civilization. May be that they won’t add to the beauty of the world or the life of the men’s souls, I’m not sure. But automobiles have come and almost all outwards things will be different because of what they bring. They’re going to alter war and they’re going to alter peace. And I think men’s minds are going to be changed in subtle ways because of automobiles. And it may be that George is right. May be that in ten to twenty years from now that if we can see the inward change in men by that time, I shouldn’t be able to defend the gasoline engine but agree with George - that automobiles had no business to be invented.
 
Bron: imdb.com
City Hall
Minneapolis City Hall 1891-1895
een typisch voorbeeld van historisme
in de Verenigde Staten in de Gilded Age

The Magnificent Ambersons [ wellesnet.com ] | ambersons.com
Artikels over de film in Amerikaanse magazines uit 1942

woensdag 26 september 2012
pak hier je rolator
gelezen: De Barbaren van Alessandro Baricco
vanmiddag de verbouwde IKEA in Duiven bezocht

In De Barbaren schrijft Alessandro Baricco in de paragraaf synthetische sequenties:

Alessandro BariccoTijdens zijn reis op volle snelheid over het oppervlak van de wereld op zoek naar het profiel van een baan die hij vervolgens ervaring noemt, stuit de barbaar af en toe op tussenstations van een heel bijzonder type. Ik noem maar wat: Pulp Fiction, Disneyland, Mahler, IKEA (…) In een meubelzaak kun je het nachtkastje vinden dat voor jou geschikt is, maar bij IKEA vind je een manier van wonen, een bepaald coherent idee van wat mooi is, misschien zelfs een manier van in het leven staan (het is een plek waar het idee om de kerstboom na gebruik terug te geven aan de natuur één is met een bepaalde kijk op de kinderkamer). Het zijn allemaal afwijkende macrovoorwerpen: ik zou ze “synthetische sequenties” willen noemen.

Alessandro Baricco heeft een verfrissend boek geschreven in een stijl die op de barbaren is toegesneden. Hij schrijft met vaart, hopt van het ene naar het andere voorbeeld, en hij begeleidt jou persoonlijk: “Het is niet eenvoudig uit te leggen, dus ga er even voor zitten, en als je niet kunt gaan zitten, stop dan even en lees weer verder als je al je hersencellen kunt inzetten.” Waar kennen we die taal van? Juist, het is de taal van IKEA .

Van Baricco kan ik zijn behulpzame getutoyeer wel hebben, maar bij IKEA vind ik het hinderlijk. In de mySpace van IKEA hangen en er overal bordjes om het je makkelijk te maken. “Neem hier je IKEA -catalogus mee", “pak hier je boodschappenlijstje", “plaats hier je volle dienblad op de band”, enz… Er liepen vanmiddag opvallend veel ouderen en het verbaasde mij dat we het bordje “pak hier je rolator” nog niet zijn tegengekomen.

Het ongevraagde gejij van IKEA is voor barbaren en websurfers iets vanzelfsprekends, maar voor mij komt het nog altijd in de buurt van ongewenste intimiteit. Ik koop een product zelf wel en pak het niet snel even mee omdat myIKEA mij daar zo persoonlijk over aanspreekt. Het geeft het gevoel dat er smörboll onder mijn huid wil kruipen…

de horizontale mens [ dereactor.org ] | evolueren tot barbaar [ athenaeum.nl ]

zondag 23 september 2012
de geest van het kapitalisme
gezien op DVD: Civilization (2012) aflevering 6: Arbeidsethos

CivilizationIn juni en juli zond omroep Human de BBC-serie Civilization uit, van en met Niall Ferguson. De Harvard hoogleraar financiële geschiedenis en sinds vorig jaar de echtgenoot van Ayaan Hirshi Ali baseerde deze serie op zijn boek Civilization - the West and the rest. De serie bestaat uit zes afleveringen en daarin staat steeds een kwaliteit centraal waaraan het Westen sinds 1500 haar dominante positie in de wereld te danken heeft. Deze kwaliteiten noemt Ferguson Killer Apps. Zolang het Westen deze niet verspeelt, kan het zijn hegemonie in de wereld behouden. Maar aan het begin van de twintigste eeuw is het duidelijk geworden dat “de rest” deze Killer Apps met succes heeft weten te downloaden. Daarom stelt Ferguson de voor de hand liggende vraag: Is the West history?

BeschavingFerguson presenteert de Killer Apps van de westerse beschaving in deze volgorde : competitie, wetenschap, democratie, medische zorg, massaconsumptie en arbeidsethos. Zijn verhaal begint hij telkens voor de skyline van Londen bij zonsondergang. De filmscore die mij aan het onheilszwangere Die Toteninsel van Rachmaninov herinnert, versterkt het gevoel van een naderende ondergang. Heeft het westen zijn nummer-één-positie in de wereld na de kredietcrisis definitief verspeeld? Je zou haast zeggen van wel. Niall Ferguson neigt inderdaad naar een bevestigend antwoord als hij de serie afsluit hoog boven de skyline van een jong en vibrerend Shanghai. Maar hij geeft het Westen toch nog een kans. Als het Westen haar geloof weer terugkrijgt, en hij laat even in het midden of dat het christelijk geloof is, dan kan het de huidige bedreigingen misschien het hoofd bieden. Hij noemt er drie: de opmars van de BRIC-landen, de confrontatie met de islamitische wereld en de toekomstige mondiale milieuramp.

Vrijdagavond keek ik naar het laatste deel van Civilization waarin het arbeidsethos centraal staat. Voor deze aflevering mag de BBC van mij de Nobelprijs geschiedenisles krijgen. Op een originele manier worden Darwin, Freud, Max Weber, protestants christendom en de Taiping opstand (1851-1864) samengebracht in de analyse van een succesvolle Killer App die inmiddels door China is gedownload: het protestantse arbeidsethos.

Max WeberFerguson volgt de Duitse socioloog Max Weber op zijn reis door de Verenigde Staten in 1904. Weber was op zoek naar het geheim van het kapitalisme. De socioloog Werner Sombart had hem in 1902 een voorzet gegeven in zijn boek Der moderne Kapitalismus. Hierin introduceert Sombart het begrip Geist des Kapitalismus. Als Duitse denker was Weber zeer vertrouwd met het begrip Geist. Maar in de Volksgeist zou hij der Geist des Kapitalismus niet kunnen vinden, want het kapitalisme is niet voorbehouden aan één volk. Het kwam voort uit een mentaliteit die vooral onder de volken in Noord-Europa aanwezig was. Hoe moest hij deze supranationale mentaliteit en identiteit, die met succes naar de Verenigde Staten was geëxporteerd, noemen?

In de Volksgeist zou Max Weber
der Geist des Kapitalismus niet kunnen vinden want kapitalisme is niet voorbehouden aan één volk.

Tijdens de wereldtentoonstelling in St Louis in 1904 zag de Europeaan Weber wat wij nu ook zien als we beelden uit Shanghai zien. The sky is the limit. Terwijl Europa gevangen zat in pompeuze neostijlen, was er in 1904 in New York en Chicago al moderne superhoogbouw. Het tentoonstellingsterrein in St Louis overtrof dat van Parijs in 1889 en 1900. Er stond dan wel geen Eiffeltoren maar de Amerikanen bouwden tientallen Hollywoodachtige paleizen die de American Dream materialiseerden. If you can dream it, you can make it.

In 1904 reisde Max Weber naar St Louis, Missouri, om het Congres van Kunsten en Wetenschappen bij te wonen op de Wereldtentoonstelling. Het park waar de wereldtentoonstelling werd gehouden, was tachtig hectare groot. Toch leek het nog te overstromen met alles wat het Amerikaanse kapitalisme te bieden had. Weber werd verblind door de verlichting van het Palace of Electricity. De Koning van de Wisselstroom , Thomas Edison himself was present, de personificatie van de Amerikaanse ondernemerschap. St Louis was vol met wonderen van de moderne technologie, van telefoons tot bewegende beelden. Wat kan de dynamiek verklaren van deze samenleving waarbij zelfs het industriële Duitsland traag en bezadigd scheen? Bijna manisch en rusteloos bewoog Weber zich door de Verenigde Staten op zoek naar een antwoord.
 
Bron: pbs.org

Max Weber 1905 Tenslotte besloot Weber om vanuit St Louis westwaarts te reizen en doorkruiste met de trein honderden plaatsjes die door de kolonisten in de negentiende eeuw langs de spoorlijn gesticht waren. Hier ontdekte hij het geheim achter het kapitalisme. Dit is spannende televisie! Ferguson voert ons mee naar “het Eureka” van Max Weber. Een geweldige manier om een inzicht over te brengen, is een reconstructie van dat inzicht, een terugkeer naar het moment dat het voor het eerst opkwam in het hoofd van de ontdekker. Denkers zijn ontdekkingsreizigers van de geest en hun inzichten verschijnen zelden in de studeerkamer. Zoals Nietzsche zijn inzicht van de Ewige Wiederkehr kreeg bij een monoliet in de buurt van Sils-Maria, zo kreeg Weber zijn beroemde inzicht dat het kapitalisme voortkomt uit het protestantisme, in de Verenigde Staten langs het spoor van de kolonisten. Toen hij in 1905 was teruggekeerd in Heidelberg voltooide hij Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus. De relatie tussen religie en kapitalisme was nu wetenschappelijk gefundeerd.

The little town of St James, about 100 miles west of St Louis, is typical of the thousands of new settlements that sprang up along the railroads as they spread westwards across America. When Weber passed through there a hundred years ago, he was amazed at the town’s huge number of churches of almost every denomination. With the industrial extravaganza of the World Fair still fresh in his memory, Weber began to discern a kind of holy alliance between America’s material success and its vibrant religious life.
 
Bron: pbs.org

The West and the rest [ amazon.com ]

donderdag 13 september 2012
Mann over übermensch
gelezen: essay over Nietzsche van Thomas Mann (1947)

Mann Schopenhauer NietzscheDe Duitse schrijver Thomas Mann is in 1939 met zijn gezin uitgeweken naar de Verenigde Staten. In 1944 wordt hij Amerikaans staatsburger. In de herfst van 1945 als de Processen van Neurenberg beginnen, neemt hij het besluit een lezing over Friedrich Nietzsche te houden voor de Library of Congress. Daarnaast wordt hij door de voor de Dial Press gevraagd een selectie uit het werk van Nietzsche te verzorgen en in te leiden. Maar in het daarop volgende jaar werkt hij keihard aan zijn laatste meesterwerk Doctor Faustus en van zijn essay over Nietzsche komt nagenoeg niets. Wel verdiept hij zich intensief in het werk van Nietzsche en deze studie vindt zijn neerslag in de roman Doctor Faustus. Pas in het voorjaar van 1947 komt hij ertoe om het essay over Nietzsche te schrijven. Hij doet er vier weken over. De lezing wordt op 29 april 1947 in Washington gehouden. Daarna leest hij zijn essay nog voor in New York en San Francisco en in Londen, Bern, Zürich en Bazel.

Ik heb een uitgave van Uitgeverij Aspekt uit 2003 waarin het essay over Nietzsche gebundeld is met een essay over Schopenhauer uit 1937. Het is door Evert K.M.van Leerdam uit het Duits vertaald. Ik werd getroffen door een citaat van Novalis dat Thomas Mann gebruikt om Nietzsches ideaal van de Uebermensch te bekritiseren.

Das Ideal der Sittlichkeit hat keinen gefährlichern Nebenbuhler als das Ideal der höchsten Stärke – des kräftigsten Lebens – was man auch das Ideal der ästhetischen Größe, im Grunde sehr richtig, der Meinung nach aber sehr falsch, benannt hat. – Es ist das Maximum des Barbaren – und hat leider in diesen Zeiten der verwildernden Kultur gerade unter den größesten Schwächlingen sehr viele Anhänger erhalten. Der Mensch wird durch dieses Ideal zum Tiergeiste – eine Vermischung, deren brutaler Witz eben eine brutale Anziehungskraft für Schwächlinge hat.
 
Bron: gutenberg.spiegel.de
Der Mensch wird durch dieses Ideal zum Tiergeiste – eine Vermischung, deren brutaler Witz eben eine brutale Anziehungskraft für Schwächlinge hat.

Novalis in : Sophie
oder über die Frauen

Thomas MannVanaf 1938 ontwikkelde Thomas Mann zich geleidelijk tot een energiek antifascist, die in toespraken en radiovoordrachten het “andere Duitsland” tegenover het nationaalsocialisme stelde. Deze houding bereikt in literaire zin haar hoogtepunt in een analyse van de fascistisch-demonische trekken van de Duitse aard in zijn roman Doctor Faustus. In deze filosofische roman over de fictieve demonische componist Adrian Leverkühn, verkent Mann het idee dat toewijding aan de kunst kan verworden tot een contract met de duivel, waarmee hij zich tevens rekenschap tracht te geven van de romantisch-muzikale, maar tegelijkertijd nihilistische factoren binnen de Duitse traditie. In Doctor Faustus geeft Thomas Mann ook eens te meer blijk van zijn grote kennis van klassieke muziek.
(Bron: nl.wikipedia.org)

lezingen van Thomas Mann over Nietzsche uit 1924 en 1947

dinsdag 11 september 2012
gek ?
aan het lezen: Ben ik nou gek? van Joël Voordewind
Ben ik nou gek?Duidelijk is dat Voordewinds manier van christen- zijn leidt tot een enorm, op buitenstaanders misschien wel vermoeiend overkomend, politiek activisme. Wat het vervolgens begrijpelijk maakt dat hij in politiek opzicht dicht aanzit tegen de PvdA en oud-minster Jan Pronk vroeg het voorwoord te schrijven.
 
De titel Ben ik nou gek? geeft in een notendop weer wat Voorde­wind ten diepste drijft: christelijke verontwaardiging over alle onrecht in de wereld en over de onverschillige houding waarmee veel mensen dat onrecht tegemoet treden.
 
Voordewind verwondert zich over het onrecht in de wereld. Terecht. En –in zekere zin– misschien ook onterecht. Want valt vanuit een christelijke levensvisie op de diepe verdorvenheid van mensen juist niet te verwachten dat het in dit ondermaanse op allerlei terreinen flink mis zal gaan? Zodat we ons over al dat onrecht juist níét hoeven te verbazen?
 
Bron: Addy de Jong in het Reformatorisch Dagblad

besprekingen uit Trouw, Nederlands- en Reformatorisch Dagblad (mei 2012)

zondag 9 september 2012
op de Hemelsche Berg
vanmiddag de Hemelsche Berg in Oosterbeek bezocht
en gelezen in: Gekleurd Grijs over het leven van Jan Kneppelhout

Gekleurd GrijsIn maart 2010 schreef ik hier iets over het dagboek van de negentiende eeuwse landschapsschilder Gerard Bilders (1838-1865) en de briefwisseling met zijn weldoener Jan Kneppelhout (1814-1885). Gisteren kocht ik Gekleurd Grijs in de ramsj voor maar €12,50.

Omdat het vandaag een heerlijke nazomerdag was, brachten we de middag buiten door op de Hemelsche Berg in Oosterbeek. Een ideale plek om over het leven van Jan Kneppelhout te lezen, want hier lag het landgoed dat hij in 1848 had gekocht. Tussen 1858 en 1860 liet hij er een kasteelachtig landhuis bouwen van het familiekapitaal dat hij geërfd had. Samen met zijn vrouw Ursula Knepplehout-Van Braam (1825-1919) woonde hij er tot aan zijn dood in 1885. Daarna bleef zijn weduwe tot 1919 op De Hemelsche Berg wonen.

Hemelse Berg
De Hemelsche Berg (1860-1944) zoals
Jan Kneppelhout het had laten bouwen.
Voor zijn dood verzamelde Kneppelhout zijn werk in twaalf delen. Hij stierf in Oosterbeek, waar hij een landgoed had gekocht dat hij zeer luxueus had ingericht en waar hij boeken en kunst verzamelde. Hij en zijn vrouw waren geliefd in het dorp, omdat ze anderen van hun rijkdom lieten profiteren. Kneppelhout richtte een concertzaal op en een opvoedingsinstituut voor Jonge Heren.
 
Bron: literatuurgeschiedenis.nl

dienstwoningTijdens de Slag om Arnhem in september 1944 werd het landgoed De Hemelsche Berg volledig verwoest. Na de oorlog verrees er een verpleeghuis dat inmiddels weer is afgebroken. Van het landgoed is niets meer over behalve de oranjerie uit 1860 en een kleine tuinmanswoning uit 1863. Het pittoreske huisje ligt schuin achter de plaats waar Kneppelhout ooit in “zijn torentje” boeken en reisverslagen schreef. Hier ligt ook Vijver Gielenbeek, op een mooie zondagmiddag een ontmoetingsplaats voor honden en hun baasjes. Het terrein ligt inmiddels jaren braak terwijl er een herbestemmingsplan wordt ontwikkeld. Als het aan de monumentencommissie van de gemeente Oosterbeek ligt, wordt het oorspronkelijke landgoed herbouwd.

Biografie van Jan Kneppelhout/Klikspaan [ literatuurgeschiedenis.nl ]

dinsdag 4 september 2012
Gangs of New York
vrijdagnacht gezien op RTL 5: Gangs of New York (2002)

Gangs of New YorkHistorische films na 2000 maken vrijwel allemaal gebruik van CGI. Met computer generated imagery wordt het verleden weer tot leven gewekt. Zo herrijst in Agora het Alexandrië uit de vierde eeuw en in The Borgias het Rome omstreeks 1500. Toch blijven filmsets noodzakelijk voor scenes die zich in een bebouwde omgeving maar niet op locatie afspelen. CGI wordt vooral gebruikt voor panorama’s en voor naadloze integratie van trucages, acteurs en decor. Maar reusachtige filmsets waar alles één op één is nagebouwd, zoals de filmsets voor spektakelfilms van D.W.Griffith en Cecil B. DeMille, lijken niet meer van de eenentwintigste eeuw. Toch liet Martin Scorcese voor Gangs of New York (2002) een van de grootste filmsets uit de geschiedenis bouwen. Niet in Hollywood maar in de Cinecittà Studio in Rome.

Cinecittà Sudio
deel van de reusachtige filmset
in de Cinecittà Studio in Rome

Dat Scorcese in historische films hoge eisen stelt aan geloofwaardige en gedetailleerde reconstructie hebben we bijvoorbeeld in The Age of Innocence (1993) en Aviator (2004) al kunnen zien. In de eerstgenoemde film waant de kijker zich aan de Fifth Avenue van de Gilded Age. Gangs of New York speelt zich twee decennia eerder af en in dezelfde stad. Toch is het decor niet te vergelijken met dat uit The Age of Innocence. Van de brede schatrijke Fifth Avenue kruipt de camera van Gangs of New York in de nauwe, smerige steegjes van de arme wijk van Five Points een beruchte wijk in New York halverwege de negentiende eeuw. Hier woonden de Ierse immigranten en de andere bevolkingsgroepen dicht op elkaar in grote armoede.

Five Points
Five Points geschilderd door George Catlin

Five Points was een melting pot waaruit het kosmopolitische New York is ontstaan. Scorcese is als zoon van Italiaanse immigranten in Lower Manhattan geboren. Met Gangs of New York is hij afgedaald naar de oorsprong van het multiculturele en gewelddadige New York uit zijn eerdere films. Zoals New York de natuurlijke omgeving is in de films van Woody Allen, zo is de New Yorkse onderwereld de biotoop in Mean Streets, Taxi Driver en Good Fellas, films die Scorcese een grote naam hebben bezorgd.

De Italiaanse production designer Dante Ferretti liet in de Cinecittà Studio onder andere een immense replica van vijf blokken van Five Points nabouwen. Daarbij werd gebruik gemaakt van schilderijen die George Catlin rond het midden van de negentiende eeuw in lower Manhattan maakte. Ook de prenten naar schilderijen van Nicholas Calyo vormden een bron van inspiratie. In 1835 teisterde een felle brand een deel van Lower Manhattan. Calyo heeft die brand vastgelegd en op zijn schilderijen is goed te zien dat het New York uit de eerste helft van de negentiende eeuw meer leek op een middeleeuwse stad met veel houten huizen dan op het wolkenkrabberwoud van de twintigste eeuw.

Brand van 1835
de brand van 1835 in Manhattan gravure naar een schilderij van Nicholas Calyo

Ook al zijn de kostuums en set decoration tot in de puntjes verzorgd, Gangs of New York is toch geen historische film geworden. Net als bij Moulin Rouge (2001) of The Prestige (2006) heb je het gevoel naar een circusvoorstelling te kijken. Het beeld is net als bij Batman bewust grotesk. Visueel om je vingers bij af te likken, maar historisch onverantwoord. Om de couleur locale nog wat te versterken, zijn berichten uit New Yorkse kranten en tijdschriften in de film verwerkt. Door historische gebeurtenissen als de New York City Draft Riots van 1863 en historische figuren als William “Bill the Butcher” Poole wordt het verhaal zo historisch gefundeerd.

Herbert AshburyIn 1970, Scorsese came across Herbert Asbury’s The Gangs of New York: An Informal History of the Underworld (1928), about the city’s nineteenth-century criminal underworld, and found it to be a revelation. Scorsese saw the potential for an American epic about the battle for the modern American democracy.
 
In 1979, he acquired screen rights to Asbury’s book, but it took twenty years to get the production moving forward. Difficulties arose with reproducing the monumental city scape of 19th-century New York with the style and detail Scorsese wanted; almost nothing in New York City looked as it did in that time, and filming elsewhere was not an option. Eventually, in 1999, Scorsese was able to find a partnership with Harvey Weinstein, noted producer and co-chairman of Miramax Films. The production was filmed at the large Cinecittà Studio in Rome, Italy, where sets were produced to create 19th-century New York. Production designer Dante Ferretti recreated over a mile of mid-nineteenth century buildings, consisting of a five-block area of Lower Manhattan, including the Five Points slum, a section of the East River waterfront and two full-sized sailing ships, a thirty-building stretch of lower Broadway, a patrician mansion, and replicas of Tammany Hall, a church, a saloon, a Chinese theater, and a gambling casino. For the Five Points, Ferretti recreated George Catlin’s painting of the area.
 
Bron: en.wikipedia.org

Gangs of New York [ imdb.com ] | The Killing of Bill the Butcher

maandag 3 september 2012
Nietzsche bij Trouw
zaterdag gratis bij Trouw: Nietzsche door Michael Tanner

NietzscheDe zomer is voorbij en de dagbladen zijn weer begonnen met het werven van nieuwe abonnees. Ook Trouw startte haar wervingscampagne. Ik kocht zaterdag een los nummer en kreeg daarbij een boek over Nietzsche cadeau. Het is het eerste deel van de serie De Grote Filosofen in twaalf delen. Je kunt deze voor €49,50 bestellen, tenzij je abonnee wordt. Dan krijg je de twaalf delen gratis. In de krant van zaterdag publiceerde Trouw twee brieven van trouwe lezers die hun verontwaardiging over deze actie uitten.

De een vond zoveel “papierverspilling” niet passend bij een krant die duurzaamheid zo hoog in haar vaandel heeft staan. Bovendien was het boek ook nog eens in plastic verpakt! Een andere lezer merkte op dat deze actie in het verleden slecht gevallen zou zijn onder de lezers van Trouw. Een boek over Nietzsche bij een christelijke krant!

Maar het zout van het christelijke geloof heeft in Trouw allang haar smaak verloren. De meeste lezers zijn nu helemaal gewend aan de smaak die Trouw heeft sinds het in de jaren negentig de pagina “kerk” heeft omgedoopt in “religie en filosofie”. Sindsdien proef je eerder het zoet van eigentijdse spiritualiteit of het zuur van Nietzsche . Alleen bij het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad heeft het zout zijn smaak niet verloren.

Trouw profileert zich al jaren als de krant met verdieping waarin veel aandacht voor religies, filosofie, onderwijs en zorg. En jawel, Trouw heeft zich ook in een groen jasje gestoken. Het boek over Nietzsche past bij Trouw. In het voorwoord van Ger Groot blijft de kerk overigens niet ongenoemd. “Wat zijn de kerken eigenlijk nog", zo schreef Nietzsche 130 jaar geleden “als ze niet de graven en grafmonumenten van God zijn?” En zo heeft de tijdgeest die Nietzsche voorspelde de krant genoodzaakt haar uitgesproken christelijke identiteit op te geven om op de post-christelijke markt te kunnen overleven. Het uitroepteken is een vraagteken geworden, het zout zoetzuur.

Trouw Filosofie Collectie [ trouw.nl ]

maandag 27 augustus 2012
Toscaanse Lente
gelezen in : Renaissance in mei van Hélène Nolthenius
Florentijns leven rond Francesco Landini (1956)

Renaissance in meiNa het lezen van Duecento van Hélène Nolthenius, kocht ik bij antiquariaat Dove è Dante? een ander boek van haar over Italiaanse geschiedenis. Renaissance in mei - Florentijns leven rond Francesco Landini behandelt niet de dertiende (duecento) maar de daarop volgende eeuw (trecento). De nieuwe geest die ontluikt in de eeuw van Petrarca en Boccaccio komt vooral in de stad Florence overal tot uitdrukking. Kunsthistorici noemen deze tijd de proto-Renaissance en Nolthenius gebruikt de uitdrukking Toscaanse Lente. In de geest van Huizinga´s Herfsttij der Middeleeuwen schrijft ze in het inleidende hoofdstuk Over de zon en de regen van een Florentijnse mei :

Dat niet enkel de stad maar ook de historie haar seizoenen kent, kan geen reiziger door het verleden ontgaan.

NoltheniusRenaissance in mei verscheen vijf jaar na Duecento en is in dezelfde rijke beeldende stijl geschreven. Ditmaal introduceert Hélène Nolthenius een gids die ons rondleidt door het Florence van de veertiende eeuw. In het eerste hoofdstuk Waarin een eeuw ontwaakt (1317-1333) lezen we hoe Iachopo, de vader van de blinde organist en componist Francesco Landini, uit Casentino wegtrekt en in Florence aankomt. Rond 1317 was dat een wereldstad. In negen hoofdstukken zien we Florence in het Trecento opbloeien naar de zomer van het Quattrocento. Waar Huizinga de Herfst van de Middeleeuwen ziet, ziet Nolthenius juist de Lente van de Nieuwe Tijd, die we later de Renaissance zijn gaan noemen.

Wij willen Firenze beschrijven in de meidagen van haar geschiedenis. De veertiende eeuw slaat ons tegen met alle heftigheid van een Toscaanse lente, vandaag in stromen en slagregens, morgen in een overrompeling van licht en kleuren die de ogen pijn doen, maar altijd levendig, luidruchtig, animaal. Golven van bestaansdrift overspoelen het dal, de mens weet er niet goed raad mee, maar ten slotte bezwijkt hij ervoor. Eeuwenlang stond onthechting boven aan zijn levensprogramma, eeuwenlang was het opwaartse, bovenzinnelijke, de enige richting waarin hij koerste. Nu ploft hij neer op de aarde en ervaart voor het eerst wat de zwaartekracht wil zeggen.
 
uit: Over de zon en de regen van een Florentijnse mei in Renaissance in mei

Renaissance in mei [ dbnl.org ] | Dove è Dante? [ dantesk.nl ]

vrijdag 24 augustus 2012
Venetiaanse prenten [ 2 ]
de ambachtelijke prenten van veneziastampa.com

In juli ontdekte Michaela in Venetië een kleine ambachtelijke drukkerij waar ze vier kleine prenten kocht. De drijvende krachten achter Venezia Stampa zijn Luca Valonta en Michele Costantini. Buiten hun drukkerij/winkel in Santa Croce presenteren zij zich op de website veneziastampa.com.

Venezia Stampa
drie prenten van Venezia Stampa met werk van Fabio Baldan en Roberto Mazzetto

De eeuw van TitiaanNa ons bezoek aan Venetië bladerde ik nog eens in het boek De eeuw van Titiaan van Gert Jan van der Sman over Venetiaanse prenten in de Renaissance. Venetië was in de zestiende eeuw niet alleen de plaats waar de schilderkunstige vernieuwingen plaatsvonden. De stad genoot ook een reputatie op het gebied van de prentkunst. Naast honderden kleine drukkerijen als Venezia Stampa waren in Venetië ook de beste grafici te vinden. Aan de hand van tekeningen en kopieën die door kunstenaars uit de belangrijke kunstcentra als Rome en Florence werden aangeleverd, maakten zij hout- en kopergravures waarvan de afdrukken in grote oplagen over heel Europa verspreid werden. Voor veel kunstenaars boven de Alpen was een reis naar Italië niet alleen een dure maar ook een riskante onderneming. De prenten boden een alternatief voor de Grand Tour. Zo leerde Rembrandt bijvoorbeeld langs deze weg het werk van Caravaggio en andere Italiaanse meesters kennen.

Venezia Stampa
Luca Valonta en Michele Costantini staan met Venezia Stampa in een lange en rijke traditie van Venetiaanse prentkunst.

veneziastampa.com | meer Venetiaanse prenten [ W&V ]

maandag 20 augustus 2012
Dante en het Duecento
gelezen in : Duecento (1951) van Hélène Nolthenius
duecentoDe tortuur is de trouwe dienares van de Italiaanse rechtspleging en men staat ontzet over de variaties in martelingen en martelwerktuigen, die de mensen hebben uitgedacht. Ze worden enkel geëvenaard door de variaties die men kende bij de terechtstellingen zelf. Wat voor breinen zijn dat geweest, die zó toegaven aan sadisme, wat voor ogen hebben de doodstrijd van medemensen zo gretig aangezien?
 
Vraagt het uw kinderen, als zij meikevers vangen en vliegen de poten uitrukken; dan weet gij het. Schavot, galg en rad waren de saaiste methoden; men kon ook in de modder worden verstikt, opengereten, vergiftigd, aan de grond gespiest, gekookt, geroosterd, doodgewaakt, ingemetseld of levend begraven worden, al naar het misdrijf dat moest worden gestraft. Keizer Frederik liet opstandelingen van de rotsen in zee werpen, genaaid in een zak samen met een hond, een aap, een kip en een adder, “opdat ze bij het verdrinken nog levend door de beangste en uitgehongerde dieren zouden worden verscheurd en opgevreten.”
 
Dante Alighieri heeft zijn verschrikkelijke helse straffen zó op de aardse straffen kunnen modelleren, en de uitvoerigheid waarmee hij ze beschrijft, stempelt hem enkel tot kind van zijn tijd.
 
Bron: Hoofdstuk Vier, De Burgers, uit Duecento (1951)
zondag 19 augustus 2012
Droom van Italië
van Michaela gekregen: Droom van Italië (2006) van Henk van Os
Droom van ItaliëDroom van Italië gaat over de liefde die West-Europese kunstenaars eeuwenlang voelden voor Italië, het land van licht, warmte, kunst en cultuur. Aan de hand van een kleine vijftig meesterwerken van onder andere Maarten van Heemskerck, Claude Lorrain, Poussin, Corot, Turner en Feuerbach schetst Henk van Os voor het eerst de ontwikkeling die zich in het dromen over Italië heeft voorgedaan.
 
Het boek begint met de zestiende eeuw, waarin kunstenaars de resten van de antieke beschaving wilden bestuderen en documenteren. Hun zeventiende-eeuwse opvolgers kregen oog voor de schoonheid van het landschap en de gouden gloed van de Italiaanse zon. Met hun geïdealiseerde landschappen zetten zij voor lange tijd de toon. Het schilderen in de buitenlucht ? in zwang geraakt in Rome ? leidde rond 1800 tot nieuwe visies op het land. Ook groeide de aandacht voor de bevolking en haar vanzelfsprekende religieuze besef. Italië werd een oord van volmaakte harmonie, waar kunstenaars zich op het eind van de negentiende eeuw ten slotte bewust werden van een verlangen dat even intens als onvervulbaar was.
 
Bron: wbooks.com
vrijdag 17 augustus 2012
geschiedenis als lied
gelezen in : Duecento (1951) van Hélène Nolthenius

duecentoGisteren las ik na jaren weer eens in Duecento van Hélène Nolthenius. Weer was ik getroffen door haar dichterlijke taalgebruik. Later nam ze afstand van haar boek. Te ‘romantisch’ en ‘onwetenschappelijk’ was haar strenge oordeel. Onmiskenbaar klinken in het voorwoord bij Duecento de eerste regels door van ’s Levens Felheid uit Hersfttij der Middeleeuwen van haar grote voorbeeld Johan Huizinga:

Dit is het relaas van een tijd die hels en heilig was met een felheid die ouderdom bant. Oude en nieuwe gedachten voeren er verbeten krijg, klare waterspiegels worden tot maalstromen, en eindigen even plotseling in een moeras. Pausen en keizers verheffen zich, steden en staten belangen elkaar. Tyrannen trekken brandschattend van Noord naar Zuid en door het wapengekletter is menig troubadours-snaar gesprongen. Kruisvaarders keren bedelend uit den vreemde weer, melaatsen, geselaars en profeten lopen te jammeren van stad tot stad. Het is een eeuw van verschrikking, maar in de kapellen worden geduldig wonderen aan de wand geschilderd. Bij kaarslicht zingt men er lied na lied en boven alle gewoel waait de glimlach van een straatarme heilige zo bevrijdend als een voorjaarswind.
 
Bron: Proloog uit Duecento (1951)
Bij kaarslicht zingt men er lied na lied en boven alle gewoel waait de glimlach van een straatarme heilige zo bevrijdend als een voorjaarswind.

uit de proloog van Duecento

NoltheniusMaar terwijl Herfsttij der Middeleeuwen leest als een gedetailleerd schilderij, lijkt Duecento meer op de zang van een troubadour. Vreemd is dat niet want Hélène Nolthenius kwam uit een muzikale familie en promoveerde op een proefschrift onder de titel: “De oudste melodie van Italië”. Ze besluit de proloog van Duecento met een lied:

Wij weten dat veel voortreffelijke mannen der wetenschap ons in dit streven zijn voorgegaan, en wij zijn hen dankbaar. Zonder hun verkenningstochten in de vele gewesten der oude cultuur was het nimmer mogelijk geweest het hele land zelfs maar vaag te overzien. Toch is het niet in hun gelederen dat zich de leidsman bevindt die ons door de bedrijven van dit schouwspel is voorgegaan. Ach neen.
 
Zo wij iemand als leidsman erkennen, dan is het de naamloze orgelman geweest die wij eens op het hete middaguur door een stadspoort hebben zien strompelen met zijn schamel muziekje. De burgers lagen te slapen in de smalle schaduwranden van de wallen. Doch toen hij draaide aan zijn rad en een volkslied zong door zijn gedeukte roeper, waren zij aanstonds ontwaakt. Uit alle hoeken en gaten dromden de mensen aan op de muziek, waaruit de verfrissing scheen te waaien: loomheid en witte haren op slag overwonnen. Achter op het orgeltje, waar in zijn kooi een kanarie meehotste over de keien van de straat, kon men een spitse Vesuvius eeuwig zien roken boven een vaal bestoven golf van Napels.
 
Zij trokken weer verder nadien, de man en zijn ezeltje, de berg af en door het dal waar de zonnelucht trilde. Ik zag hen na. En terwijl de tonen zoek raakten in de ruimte, en de middagnevel de arme optocht langzaam aan mijn ogen onttrok, heb ik voor het eerst het heimwee begrepen dat sommige tot zwervers maakt achter de muziek aan, eeuwig op zoek naar de horizon. Toen wist ik dat mijn boek enkel waarachtig zou zijn als het de echo’s borg van het lied dat ik simpel en kleurig hoorde klinken over het wijde Umbrische dal, hoog boven de poort van Assisi.
 
Bron: Proloog uit Duecento (1951)
dinsdag 14 augustus 2012
vreest niets
gelezen in Der taumelnde Kontinent van Philipp Blom
Hoofdstuk zeven: 1906, Dreadnought und die neue Angst

Der taumelnde Kontinent Zomergast Lidewij Edelkoort bekende in een interview in de VPRO-gids dat ze graag aan het begin van de twintigste eeuw geleefd zou hebben: “Het was een tijd van grote vernieuwingen. Het begon met art nouveau, art deco, kubisme, alle verschillende dansen, er waren snelle ritmische veranderingen van stijl. Ik denk dat het een magnifieke tijd geweest moet zijn.”

De Weense historicus Philipp Blom schreef een veelgeprezen portret van de eerste vijftien jaar van de vorige eeuw, The Vertigo Years (2008) waarvan ik een Duitse vertaling gekocht heb. Het is opgebouwd uit vijftien hoofdstukken die van 1900 tot 1914 telkens een gebeurtenis uit het betreffend jaar behandelen, gekoppeld aan een thema. Zo gaat Blom o.a. in op de technische vooruitgang, de psychologie, de vrouwenbeweging, de bewapeningswedloop, de eugenetica en de opkomst van de bioscoop.

Vanmorgen las ik het zevende hoofdstuk over een gebeurtenis uit het jaar 1906: de tewaterlating van de HMS Dreadnought in Portsmouth op 10 februari 1906. Het stalen oorlogsschip was het Britse antwoord op het Duitse vlootplan onder admiraal Alfred von Tirpitz. Dat plan was in 1898 in de Rijksdag goedgekeurd en het Duitse Keizerrijk begon in hoog tempo aan de bouw van een grote oorlogsvloot die het Britse imperium in het hart raakte. Tirpitz‘ Engelse opponent, admiraal Jackie Fisher, begreep dat een snelle hervorming van de Britse oorlogsvloot noodzakelijk was, wilde Engeland de hegemonie in de wereld behouden. Er werd een nieuw revolutionair type slagschip ontworpen, dat genoemd werd naar het eerste exemplaar, de HMS Dreadnought.

HMS Dreadnought
de HMS Dreadnought (1906-1922)
Met een waterverplaatsing van 18.000 longton was de HMS Dreadnought ook het grootste oorlogsschip van zijn tijd. Het concept was wel dermate vernieuwend dat alle andere slagschepen op slag verouderd waren.
Tot aan het begin van de twintigste eeuw hadden pantserschepen meerdere kalibers geschut, die, volgens de gewoonte bij de houten linieschepen uit de zeiltijd, opgesteld waren op meerdere dekken en door geschutpoorten in de romp vuurden. Aan dek was nog ruimte voor twee tot vier kanons van een zwaarder kaliber. Men begon in te zien dat dit een verspilling van draagvermogen was: op zee wordt het gevecht gevoerd met de zwaarste kanons op grote afstand en beter was het om de lichtere kanons op te geven en het vrijkomende gewicht te benutten om meer kanons van het zwaarste kaliber te voeren. Een verder nadeel van het plaatsen van geschut van uiteenlopend kaliber was dat de vuurleiding moeite had om in te schatten of de afgevuurde granaten op de juiste plaats “dekkend” neerkwamen. Er waren immers allerlei fonteinen van water te zien. Wanneer al het geschut hetzelfde kaliber had was dit probleem weggenomen.
 
In 1906 nam Groot-Brittannië als eerste een slagschip in gebruik volgens dit idee, HMS Dreadnought. Het schip was bewapend met 10 kanons van 12 inch in 5 dubbeltorens en was sneller en beter bepantserd dan zijn tijdgenoten. De voordelen zijn overigens niet alleen verkregen door de secundaire bewapening te beperken: met een waterverplaatsing van 18.000 longton was het ook het grootste oorlogsschip van zijn tijd. Het concept was wel dermate vernieuwend dat alle andere slagschepen op slag verouderd waren.
 
De naam dreadnought ("vreest niets") wordt sindsdien ook gebruikt ter aanduiding van de slagschepen, die volgens ditzelfde principe zijn gebouwd, ter onderscheid van de oudere typen slagschepen die meerdere typen kalibers geschut voerden, waarvan vaak maar vier van het zwaarste. (Bron: nl.wikipedia.org)

De legendarische HMS Dreadnought, het grootste wapen in de oorlogsgeschiedenis tot dan toe zou nooit één schot lossen. Aan de grootste zeeslag uit de Eerste Wereldoorlog, de Slag voor het Skagerrak op 31 mei en 1 juni 1916, kon zij niet deelnemen omdat ze gereviseerd werd. Zes jaar later werd de HMS Dreadnought als schroot verkocht.

HMS Dreadnought [ en.wikipedia.org ]

donderdag 9 augustus 2012
gouden mond
gelezen in Gebete am See (1922) van Nikolaj Velimirović

Nikolaj VelimirovićDe laatste keer dat ik de Servische skite van de heilige Spiridon bezocht, kreeg ik van Johannes Sigel een Duitse vertaling van Молитве на језеру van de Servische heilige Nikolaj Velimirović (1880-1956). Zijn leerling, de beroemde theoloog Justin Popović vergeleek deze honderd hymnen met de Psalmen van David. In Servië wordt Nikolaj Velimirović al lang als een heilige beschouwd, maar in 2003 werd hij door de patriarch van Konstantinopel pas heilig verklaard. De Servische Kerk viert zijn naamdag op 18 maart en 3 mei. Vanwege zijn dichterlijke gave en welsprekendheid wordt hij vaak “de Servische Chrisostomus” (=gouden mond) genoemd. De heilige Nikolaj heeft enorm veel geschreven. Zijn hoofdwerk is zonder twijfel De proloog van Ohrid (Охридски пролог) uit 1926-28, een boek van meer dan duizend bladzijden.

Vor allen Geschöpfen und bevor Zeit und Trauer waren, formtest Du, Herr, den Menschen in Deinem Herzen. Zuerst erdachtest Du den Menschen, auch wenn Du ihn als letzten erscheinen ließest im Rosenkranz der Schöpfung. So wie ein Gärtner an das Blühen seiner Rose denkt, während er noch gräbt und die trockenen Rosenstöcke pflanzt; so wie ein Bauherr schon Freude über die Kuppeln empfindet, die doch als letztes errichtet werden, während er die Kirche noch plant.
 
Bron: orthlit.de

Nikolaj VelimirovićNikolaj Velimirović wurde 1880 in dem kleinen serbischen Dorf Lelić bei Valjevo geboren. Er wuchs in einer frommen Familie auf. Schon früh wirkte Velimirović im Kirchenleben mit und beschloss angeblich mit 11 Jahren, Mönch zu werden. Er besuchte die Priesterschule in Belgrad, wo er schon damals wegen seiner Redekunst bemerkt wurde. Bis 1908 studierte er an der altkatholischen Fakultät der Universität Bern, wo er die Doktorwürde in Philosophie erlangte. Danach studierte Velimirović in Oxford und erwarb ein weiteres Doktorat. In England entwickelte er eine tiefe Freundschaft zur anglikanischen Kirche, die er später pflegen sollte. So war Velimirović auch der erste Nichtanglikaner, der in der Saint Paul’s Cathedral predigte. 1909 kehrte er nach Belgrad zurück und wurde Mönch.
Bron: de.wikipedia.org

Молитве на језеру [ rastko.org.rs ]

woensdag 8 augustus 2012
Il Moro
Ludovico Sforza (Il Moro) 1452-1508
De cultuur van de Renaissance in Italië van Jacob Burckhardt (1860)

BurckhardtIn de televisieserie The Borgias spelen behalve de Borgia’s verschillende historische figuren uit het laatste decennium van het Quattrocento een rol: Karel VIII van Frankrijk, kardinaal Giuliano della Rovere (de latere paus Julius II), Savonarola, Nicolo Machiavelli en Ludovico Sforza, de hertog van Milaan bijgenaamd il Moro. Jacob Burckhardt schreef in Die Kultur der Renaissance in Italien (1860) over hem:

Der Moro ist aber die vollendetste fürstliche Charakterfigur dieser Zeit und erscheint damit wieder wie ein Naturprodukt, dem man nicht ganz böse sein kann. Bei der tiefsten Immoralität seiner Mittel erscheint er in deren Anwendung völlig naiv; er würde wahrscheinlich sich sehr verwundert haben, wenn ihm jemand hätte begreiflich machen wollen, daß nicht nur für die Zwecke, sondern auch für die Mittel eine sittliche Verantwortung existiert; Ja er wurde vielleicht seine möglichste Vermeidung aller Bluturteile als eine ganz besondere Tugend geltend gemacht haben. Den halbmythischen Respekt der Italiener vor seiner politischen Force nahm er wie einen schuldigen Tribut an; noch 1496 rühmte er sich: Papst Alexander sei sein Kaplan, Kaiser Max sein Condottiere, Venedig sein Kämmerer, der König von Frankreich sein Kurier, der da kommen und gehen müsse, wie ihm beliebe. Mit einer erstaunlichen Besonnenheit wägt er noch in der letzten Not (1499) die möglichen Ausgänge ab und verlässt sich dabei, was ihm Ehre macht, auf die Güte der menschlichen Natur; seinen Bruder Kardinal Ascanio, der sich erbietet, im Kastell von Mailand auszuharren, weist er ab, da sie früher bittern Streit gehabt hatten: »Monsignore, nichts für ungut, Euch traue ich nicht, wenn Ihr schon mein Bruder seid« – bereits hatte er sich einen Kommandanten für das Kastell, diese »Bürgschaft seiner Rückkehr« ausgesucht, einen Mann, dem er nie Uebles, stets nur Gutes erwiesen. Derselbe verriet dann gleichwohl die Burg.
 
Bron: gutenberg.spiegel.de
Noch 1496 rühmte er sich: Papst Alexander sei sein Kaplan, Kaiser Max sein Condottiere, Venedig sein Kämmerer, der König von Frankreich sein Kurier, der da kommen und gehen müsse, wie ihm beliebe.

Burckhardt over Il Moro

BurckhardtIn De cultuur van de Renaissance in Italië beschrijft Burckhardt de Italiaanse renaissance als een breuk met de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd. Het werk bestaat uit zes delen:
Deel een: De staat als kunstwerk (Der Staat als Kunstwerk)
Deel twee: De ontwikkeling van het individu (Entwicklung des Individuums)
Deel drie: De wedergeboorte van de oudheid (Die Wiedererweckung des Altertums)
Deel vier: De ontdekking van de wereld en de mens (Die Entdeckung der Welt und des Menschen)
Deel vijf: De samenleving en festivals (Die Geselligkeit und die Feste)
Deel zes: Moraliteit en religie (Sitte und Religion)

Bron: nl.wikipedia.org

15th century Italy [ theborgias.wetpaint.com ]

donderdag 26 juli 2012
Wien 1900
op de boekenlijst: Het mysterie van Wenen (2012)
De creatieve zelfvernietiging van een vermolmd keizerrijk.
WenenRond 1900 leek Wenen nog slechts de residentie te zijn van een vermolmd keizerrijk dat zijn toekomst zocht in het verleden. Maar juist in die tijd groeide de stad uit tot het kosmopolitisch centrum van de Europese cultuur, waarin een nieuwe elite van vooral Midden-Europese joden haar eigen ideaal van de verlichting nastreefde. Tegen de achtergrond van die wonderlijke paradox deed er zich in het eerste decennium van de twintigste eeuw een ware explosie van creativiteit voor, in de kunst, de filosofie en de wetenschap. Sinds het Athene van de Griekse oudheid was dat in de westerse wereld niet meer vertoond. Het geheim daarvan kan alleen worden ontraadseld door die ongekende scheppingsdrang op zoveel terreinen tegelijk in hun onderlinge samenhang te doorgronden. Ook Gustav Klimt speelde een centrale rol in het Weense fin de siècle. Het mysterie van Wenen werpt nieuw licht op deze tijd: op de muziek van Mahler en Schönberg, de filosofie van Wittgenstein, de schilderkunst van Klimt en de psychologie van Freud –één van de opwindendste perioden van de westerse geschiedenis. En voor het beter kunnen begrijpen van de geschiedenis van toen en nu is dit dan ook een belangrijk boek.
 
Bron: couturekrant.nl
zondag 22 juli 2012
Klimt for the millions [ 2 ]
woensdagavond gezien op Arte: Klimt, der Geheimnisvolle
gelezen in: Fin de Siècle Vienna (1981) van Carl E. Schorske

Fin de Siecle ViennaIn de documentaire Klimt, der Geheimnisvolle die we afgelopen woensdagavond op Arte zagen, werd de artistieke ontwikkeling van Gustav Klimt gevolgd. Klimt was zeer getalenteerd, volgde vanaf zijn veertiende al een academische kunstopleiding en was op zijn twintigste volleerd. Samen met zijn twee jaar jongere broer Ernst Klimt (1864-1892) en medestudent Franz Matsch (1861-1942) voerde hij in Wenen in de jaren tachtig van de negentiende eeuw grote opdrachten uit voor muur- en plafondschilderingen. Daarvoor ontving hij diverse onderscheidingen, waaronder een keizerlijke. Tot zijn dertigste werkte hij met veel succes in de stijl van Hans Makart (1840-1884) die als de lieveling van de Weense burgerij als een Malerfürst leefde. Hoewel Klimt met zijn weergaloze techniek de potentie had om diens opvolger te worden, sloeg hij vanaf 1892 toch een andere richting in.

Burgtheater
een van de plafondschilderingen in het Burgtheater in Wenen van Gustav en Ernst Klimt en Franz Matsch.

Toen zijn broer Ernst in 1892 stierf, versoberde Klimt zijn naturalistische stijl. De modellering van de figuren werd platter en de vormentaal neigde steeds meer naar abstractie en decoratie. Inhoudelijk veranderde zijn werk ook. In de jaren tachtig schilderde hij taferelen om het mondaine publiek te behagen. Maar vanaf de jaren negentig lijkt hij te willen verontrusten. De psychologie beïnvloedde het fin de siècle en ook het werk van Klimt. Terwijl er onder de burgerij een bijna onbegrensd optimisme heerste (wir haben es so herrlich weit gebracht) verscheen ook het onbewuste verontrustend binnen het bewustzijn. Ook al leek de mens met de techniek zijn wereld te beheersen, ten diepste was hij toch uitgeleverd aan de duistere krachten die er onbewust in hem leefde. De seksualiteit speelde daarin een centrale rol. De femme fatale symboliseerde de oerkracht van het onbewuste die uiteindelijk de mannelijke rationele controle over de wereld de baas was.

Burgtheater
een van de plafondschilderingen in het Burgtheater in Wenen van Gustav en Ernst Klimt en Franz Matsch.
De fabelachtige modellering van zijn vrouwenportretten in combinatie met de verfijnde decoratieve abstractie daaromheen, verenigt het beste uit twee werelden.

Klimt is op dit moment mateloos populair en zijn 150e geboortedag wordt dit jaar in Wenen op grote schaal commercieel geëxploiteerd. Een van de redenen waarom Klimt deze tijd zo aanspreekt, is waarschijnlijk omdat hij een schakel vormt tussen de klassieke academische kunst en de moderne kunst. De fabelachtige modellering van zijn vrouwenportretten in combinatie met de verfijnde decoratieve abstractie daaromheen, verenigt het beste uit twee werelden. Wanneer Klimt was blijven werken in de stijl waarmee hij zijn onderscheiding had ontvangen, was hij waarschijnlijk op de achtergrond geraakt. De honderdste sterfdag van de Victoriaanse schilder en Lawrence Alma Tadema (1836-1912) ging op 25 juni bijvoorbeeld ongemerkt voorbij. Net als Makart en Klimt schilderde deze in een verbluffende techniek taferelen uit het leven van de Romeinen waaraan zijn decadente tijdgenoten zich konden spiegelen. Maar hij maakte nooit zoals Klimt de sprong naar een nieuwe kunst.

Burgtheater
een van de plafondschilderingen in het Burgtheater in Wenen van Gustav en Ernst Klimt en Franz Matsch.

De plafondschilderingen van de gebroeders Klimt en Matsch in het Burgtheater in Wenen bevestigen net als bij Alma Tadema en Makart de burgerlijke samenleving met historische taferelen. Bovendien werd de bourgeoisie bediend door het grootste schilderkunstige talent dat er toen rondliep. Deze schilders maakten een decadente wereld zichtbaar van mensen die het “so herrlich weit gebracht” hadden.

Maar dit publiek wist ergens ook heel goed dat het Romeinse Rijk aan decadentie ten onder was gegaan. Er was dus een besef aanwezig van wat Simon Schama in een ander verband “overvloed en onbehagen” genoemd heeft. Over welk verval gaat het precies, wanneer we spreken over decadentie en het verval van een beschaving? Ligt er in het hart van elke triomferende beschaving niet de tijdbom te tikken van het zedelijke en morele verval? Klimt’s overgang van de decadente Romeinen uit de jaren voor 1892 naar de femmes fatales en demonische gestalten uit de jaren daarna is in feite een “logische” stap.

Am 14. Juli jährte sich der Geburtstag von Gustav Klimt zum 150. Mal. Das Großartige und gleichzeitig Fatale an der Kunst von Gustav Klimt ist der scheinbar einfache Zugang zu seinen Werken. Über Gustav Klimts Privatleben liegt jedoch bis heute ein dichter Schleier der Diskretion. Klimt galt zu Lebzeiten als introvertierter, jegliche Öffentlichkeit scheuender Mensch. Der österreichische Filmemacher Herbert Eisenschenk nähert sich auf behutsame Weise dem Künstler und jener geheimnisvollen Welt, die Klimt selbst ausschließlich über seine Kunst öffentlich zugänglich machen wollte.
 
Bron: arte.tv

Klimt, der Geheimnisvolle [ arte.tv ] | Klimt an der “Burg” [ wien.info ]

zaterdag 14 juli 2012
Klimt for the millions [ 1 ]
Vandaag is het 150 jaar geleden dat Gustav Klimt geboren werd
In Wenen wordt dit groots commercieel geëxploiteerd gevierd

Gustav Klimt is mateloos populair. Containerladingen vol boeken, kalenders, servetten, boekenleggers, tassen, mokken, schotels, onderzetters, schrijfwaar, T-shirts met Klimt’s Kus of een van zijn fatale vrouwen worden er elke dag uit China naar het Westen verscheept. Vorig jaar kocht Michaela nog twee mokken met onderleggers van Carmani. In Wenen zouden ze dus gek zijn om Klimt’s 150e geboortedag niet commercieel uit te buiten.

Carmani Art Gallery
In Füssen kocht Michaela deze onderzetters van Carmani

Vandaag is het precies 150 jaar geleden dat Gustav Klimt in het plaatsje Baumgarten bij Wenen geboren werd. De geboortedag van de superstar uit Wenen wordt gevierd met verschillende tentoonstellingen. Natuurlijk profiteren ook uitgevers van het Klimt-jaar. Taschen pakt zoals we van deze uitgever gewend zijn groot uit met een XL-formaat boek van 600 bladzijden onder de veelbelovende titel Gustav Klimt, The Complete Works.

Klimt Yourself
De webapplicatie Klimt Yourself zal vooral vrouwen aantrekken.
Klimt & Michaela
Michaela met Klimt in Venetië


14 July 2012, Happy Birthday, Klimt! [ wien.info ]

dinsdag 19 juni 2012
Freiburg im Breisgau
mee op vakentie: Tübingen, Heidelberg, Freiburg
in de reeks Literaire Steden van Uitgeverij Bas Lubberhuizen

Tübingen, Heidelberg, FreiburgAls het weer goed is, blijven we dit jaar op weg naar Italië een dag in Freiburg. In ieder geval gaat het boek Tübingen, Heidelberg, Freiburg in de reeks Literaire Steden van Uitgeverij Bas Lubberhuizen mee. Vorig jaar bezochten we als eerste standplaats Tübingen en sloten we onze rondreis af met Heidelberg. In het boek worden een aantal dichters, schrijvers en filosofen besproken die hun voetsporen in deze steden hebben liggen. In Freiburg zijn dat Hebel, Heidegger en Kaschnitz. Achterin het boek is een literaire wandeling opgenomen door de Altstadt van Freiburg. In de oorlog werd deze grotendeels verwoest, maar het 116 hoge Munster bleef gespaard.

Freiburg im Breisgau [ nl.wikipedia.org ]

woensdag 6 juni 2012
man wanted
zondagmiddag gezien op Een: The Postman always rings twice (1946)

The Postman always rings twiceDe detectiveromans van Raymond Chandler (1888-1959), James M. Cain (1892-1977) en Dashiell Hammett (1894-1961) werden in de jaren veertig vaak verfilmd als film noir. De bekendste van het drietal is Raymond Chandler, de geestelijk vader van de hard boiled privédetective Philip Marlowe. Deze figuur was sterk geïnspireerd door de privédetective Sam Spade die in 1930 de hoofdrol speelde in The Maltese Falcon van Dashiell Hammett. Beide tough guys zouden in de jaren veertig door Humphrey Bogart worden vertolkd, respectievelijk in The Maltese Falcon (1941) en The Big Sleep (1946).

Ook James M. Cain schreef twee detectiveromans die twee beroemde film noirs opleverden: The Postman always rings twice (1934) en Double Indemnity (1943). Laatstgenoemde roman werd in 1944 verfilmd door Billy Wilder die samen met Raymond Chandler het filmscript schreef. Van The Postman always rings twice verscheen in 1946 een verfilming en 35 jaar later volgde een remake. Bovendien had Luchino Visconti zijn eerste film Ossessione (1943) gebaseerd op de roman van James M. Cain uit 1934.

The Postman always rings twice
de drie hoofdpersonen worden gespeeld door Cecil Kellaway, John Garfield en Lana Turner
Lana “platinum blonde” Turner is helemaal in het wit gekleed en lijkt op een verschijning. Maar in een film noir hoef je geen engel te verwachten, des te meer een schikgodin.

De twee romans van James M. Cain horen in een andere categorie dan het werk van Chandler en Hammett. In plaats van een privédetective (Sam Spade, Philip Marlowe) die een zaak moeten oplossen en daardoor verstrikt raken in een web van intriges, zijn de hoofdpersonen bij Cain mannen die verliefd worden op een femme fatale die hen verleid tot het plegen van een moord. Fred McMurray en John Garfield vallen in Double Indemnity en The Postman always rings twice voor een vrouw die hen noodlottig wordt: ze verleiden hun minnaar tot het vermoorden van hun echtgenoot.

The Postman always rings twiceZondagmiddag zond de Belgische zender Een de klassieker met John Garfield en Lana Turner uit 1946 uit met een van de beroemdste introducties van een personage uit de filmgeschiedenis. John Garfield, die de zwerver Frank speelt, komt op een warme zomerdag langs bij een wegrestaurant. Er hangt een bord waarop een man gevraagd wordt voor de bediening. De eigenaar Nick (Cecil Kellaway) komt naar buiten gelopen en nodigt Frank uit naar binnen. Terwijl hij een hamburger klaarmaakt, biedt hij Frank het baantje aan tegen kost en inwoning maar deze is niet enthousiast. Als Nick even naar buiten moet, is Frank alleen in het restaurant. Dan rolt er een lippenstift over de vloer voor zijn voeten. Frank kijkt terug om te zien waar het vandaan komt. De camera beweegt over de vloer naar de deuropening waar twee damesbenen in beeld komen. Daarna zien we een shot van Frank die knock-out geslagen lijkt. Dan pas is er een opname van Cora (gespeeld door Lana “platinum blonde” Turner) die helemaal in het wit gekleed is en op een verschijning lijkt. In een film noir hoef je geen engel te verwachten, des te meer een schikgodin. Cora doet alsof ze geen interesse in hem heeft. Even later zien we Frank buiten terwijl hij het bord “man wanted” in het vuur gooit. Hij is blijkbaar van gedachten veranderd en wil blijven. Maar wanneer hij op dat moment Nick naar haar toe ziet lopen, beseft hij dat zij zijn vrouw is. Snel haalt hij het bord weer uit het vuur. Maar als hij haar nog een keer bekijkt, verbrandt hij het bord toch. Daarmee bezegelt hij zijn lot. Op dat moment is hij de man die gezocht en gevonden is en kan hij zijn noodlot niet meer ontkomen.

The Postman always rings twice [ noiroftheweek.com ]

zaterdag 26 mei 2012
Barbaren
aan het lezen in De Barbaren van Alessandro Baricco
Allessandro BariccoIn De barbaren behandelt Alessandro Baricco een fenomeen dat ons allen aangaat: de geleidelijke teloorgang van ons cultuurbesef. Baricco schreef hierover een serie wijd uiteenlopende en veelgelezen artikelen. Zo schakelt hij moeiteloos over van de tanende interesse voor de wijncultuur naar de vercommercialisering van de ooit heilige voetbalsport. Is er in de moderne tijd nog wel plaats voor bezieling?Wel degelijk, stelt Baricco, we moeten alleen beseffen dat er niet zoiets is als beschaving aan de ene en barbarisme aan de andere kant. De huidige cultuur bevindt zich in een staat van mutatie; er is geen sprake van een botsing,maar van een overgang van een oude naar een nieuwe cultuur. In dit scherpzinnige, gedurfde boek houdt Baricco aan de hand van een rijk arsenaal aan voorbeelden een bevlogen en hoopvol pleidooi voor de toekomst van onze cultuur.
 
Bron: debezigebij.nl

Evolueren tot barbaar [ athenaeum.nl ]

woensdag 16 mei 2012
Richard Wilson
gekregen van Michaela: British Vision
Observatie en verbeelding in de Britse kunst, 1750-1950

British VisionDe grote ontdekking in het boek British Vision Observatie en verbeelding in de Britse kunst is voor mij Richard Wilson, een achttiende eeuwse landschapsschilder uit Wales. Een van zijn landschappen, daterend uit 1765, staat afgebeeld op de boekomslag. Wilson’s landschappen ademen de klassieke rust van Claude Lorrain. Hij heeft een klassieke penseelvoering en met veel gevoel voor verhoudingen, grote vormen en gedempte kleuren blijven zijn composities rustig en afgewogen.

Richard WilsonRichard Wilson (1714-1782) was de zoon van een predikant uit Penegoes, Montgomeryshire. In 1729 ging hij naar Londen waar hij begon als portretschilder. Tussen 1750-1757 was tijdens zijn grand tour in Italië waar hij zich ging toeleggen op het landschap. Terug in Engeland was hij de eerste grote Britse schilder die zich volledig aan het landschap had toegewijd. Zijn stijl stond onder invloed van Claude Lorrain en de 17e eeuwse Nederlandse landschapsschilderkunst.

Richard Wilson
Richard Wilson ca.1765-1767
Mount Snowdon vanaf Llyn Nantlle
Dit schilderij loopt vooruit op de Duitse romantische schilderkunst maar is tegelijkertijd een geïdealiseerd classicistisch landschap. Dat is duidelijk zichtbaar door de gestileerde boom rechts.

Richard Wilson [ en.wikipedia.org ]

dinsdag 15 mei 2012
wijsheid uit Veenendaal
Door de ogen van mijn vader van Stef Bos en A.W.Bos
de jonge jaren van een gewone Veense jongen

Stef BosKan er uit Nazareth iets goeds komen? Wat mag je verwachten van een bekrompen plaatsje in de provincie? Maar de geest waait overal. Dus ook in Veenendaal.

Op mijn eenentwintigste ben ik mijn geboorteplaats ontvlucht. Anders dan mijn vader die er geboren en getogen is en er na 81 jaar nog steeds woont. Mijn moeder die uit Zuid-Holland komt mag zich ook al ruim een halve eeuw ‘n Vèènse noemen. Jaarlijks op 15 mei schuift ze in leeftijd aan bij mijn vader en vandaag viert ze haar 81e verjaardag. Op 27 april j.l. was ik bij de presentatie van het boekje Door de ogen van mijn vader van Stef Bos . Het leek mij wel een aardig boekje voor haar verjaardag.

Uit de omvangrijke collectie kleurendia’s die vader A.W.Bos in de jaren zestig en zeventig maakte, werden ruim zestig foto’s geselecteerd waarbij zijn zoon korte teksten schreef. Net als de liedjes van Stef Bos is het boekje over het leven, waarin mijmering en nuchterheid elkaar afwisselen. Stef Bos en ik schelen twee jaar en zijn herinneringen aan Veenendaal overlappen die van mij.

In een tekstje over de fanfares van Scheepjeswol en Caecilia komt een oud beeld uit mijn jeugd naar voren dat ik helemaal vergeten was. Voor de harmonie liep als mascotte altijd iemand met een schaap vooruit. Mijn eerste ervaring met de fanfare van Scheepjeswol grensde overigens aan horror. Als je drie jaar oud bent, leef je nog in het animistische stadium en zo was voor mijn ontvankelijke blik het donkere vaandel van de harmonie bezield met een duistere kracht. Ik durfde er niet rechtstreeks naar te kijken, maar in de spiegeling op de ruiten van Maison Kramer bleef ik het dreigende vaandel nauwlettend in het vizier houden. Ik wilde voorkomen dat het plotseling achter mij zou kunnen opduiken. Een rechtstreeks confrontatie durfde ik niet aan.

De man die terugkijkt op de peuter, de kleuter, het jongetje en de puber in zichzelf, dat is natuurlijk Stef Bos ten voeten uit. Voor mij is het herkenbaar, niet alleen omdat mijn jeugd ook in Veenendaal op straat is blijven liggen.

dinsdag 8 mei 2012
ouder …
zondag gezien bij VPRO Boeken:
Wim Brands in gesprek met Paul Auster

WinterdagboekIn ons vergrijzende land zullen er steeds meer boeken gaan verschijnen over het ouder worden. Joep Dohmen en Jan Baars bundelden in 2010 filosofische teksten in de De kunst van het ouder worden. Onder dezelfde titel zijn teksten van Hermann Hesse verzameld. Het leek mij vorig jaar een mooi boekje voor de tachtigste verjaardag van mijn moeder. Maar mijn vader leest het nu … Hesse werd vijfentachtig en wist waar hij over sprak. Ook de Amerikaanse schrijver Paul Auster kan meepraten over de ouderdom, al staat hij nog aan het begin. Hij schreef winterdagboek , een heel persoonlijk verslag over 65 jaar wonen in zijn lichaam.

De hedendaage mens heeft in verregaande mate vergeten wat ouderdom in wezen is. Hij heeft dit begrip vervangen door een vaag beeld van verder leven. De levensvorm van de jonge mens blijft daarin als norm bestaan.

Romano Guardini

Auster heeft er geen conventionele biografie van gemaakt. Het is een logboek geworden van hoe het de afgelopen 65 jaar was om in zijn lichaam te wonen. Ongemakken, wonden, ongelukken en lichamelijke sensaties worden uitvoerig beschreven in Winterdagboek. Hij schreef het in de tweede persoon. Dat verschafte hem enkele vrijheden die een schrijver van een conventionele biografie zich niet kan permitteren. Zo kon hij een soort intieme dialoog met zichzelf aangaan, en zodoende op zijn eigen daden en gedachten reflecteren. Verder heeft hij door het kiezen van dit afstandelijke perspectief een soort ‘verhaal van iedereen’ gecreëerd. In plaats van een beschrijving van het leven van Paul Auster werd het op die manier een verhaal van iedereen en van niemand. Volgens de schrijver is het geen diep filosofisch werk geworden, meer een fenomenologie van het leven tot nu.
 
Bron: boeken.vpro.nl
woensdag 2 mei 2012
heerlijk, herkenbaar, Hesse !
Vandaag is het precies vijftig jaar geleden dat Hermann Hesse stierf
Vanavond op ARD: Hermann Hesse Superstar

DemianIn 1985 las ik voor het eerst een boek van Hermann Hesse. Zijn roman Demian uit 1919 maakte enorme indruk op mij. De ontreddering maar ook de loutering van de Eerste Wereldoorlog klonken er in door. Ik vertelde mijn docente psychologie enthousiast over het boek en of ze wel eens iets van Hermann Hesse gelezen had. “Ja, toen ik jong was!” was haar antwoord. Later begreep ik dat Hermann Hesse een schrijver voor adolescenten is en dat er in de literaire wereld een beetje meewarig over hem gedaan wordt. Maar in 1985 hoorde ik als 22-jarige helemaal bij de doelgroep. Demian had een een elektriserende werking op mij. Nog ieder jaar worden er bij uitgeverij Suhrkamp 300.000 exemplaren van zijn romans gedrukt. Zolang er nog adolescenten blijven komen, zal Hermann Hesse een arm om hen heen slaan.

Zolang er nog adolescenten blijven komen, zal Hermann Hesse een arm om hen heen slaan.
Hermann Hesse 1978Hermann Hesse liest man nicht einfach so: Hermann Hesse ist eher eine Erfahrung als eine Lektüre. Udo Lindenberg hat seinem Idol einen Song gewidmet und exklusiv für die ARD-Hesse-Verfilmung “Die Heimkehr” aufgenommen. Er erinnert sich: “Ich dachte: Wie kann der über mein Leben schreiben? – Ja, das war genau meine Story. Ich mein, der kennt mich ja gar nicht. Aber ich sah diese Parallelitäten, hab mich darin total wiedergefunden.” So wie Udo ging es auch anderen Künstlern und Prominenten, die in der Dokumentation zu Wort kommen. Der Hesse-Darsteller August Zirner, der ARD-Literaturkritiker Denis Scheck, Konstantin Wecker, Peter Härtling. Und noch vielen Millionen Menschen überall auf dem Planeten.
 
Hermann Hesse, Nobelpreisträger von 1946, ist mit über 100 Millionen Gesamtauflage nicht nur weltweit der meist gelesene deutschsprachige Autor aller Zeiten, sondern mit Karl Marx vielleicht auch der folgenreichste. Ein New Yorker Beatnik der ersten Stunde verfilmte seinen Roman “Siddharta“, der für eine Generation zum Reisebegleiter für jeden Indien-Trip wurde. Die amerikanischen Hippies in San Francisco entdeckten Hesse für sich und machten aus dem entlegenen deutschen Dichter einen Popstar und Guru. Sie benannten Bands nach ihm (”Steppenwolf“) und beschlossen, ihr Leben und das Schicksal des Planeten Erde zu ändern. Bis heute verbinden viele Millionen Menschen mit Hermann Hesse eine erste oder prägende Leseerfahrung. Die Dokumentation begibt sich auf die Hesse-Spur dieser Menschen und zugleich auf die Spur des Autors, der es wie kein anderer geschafft hat, zum Vorbild zu werden.
 
Bron: daserste.de
Hermann Hesse 2002
Hermann Hesse verscheen tweemaal op een Duitse postzegel: in 1978 (rechtsboven) en in 2002 (boven)

hermann-hesse.com | Hermann Hesse [ nl.wikipedia.org ]

maandag 30 april 2012
Door de ogen van mijn vader
Stef Bos schreef samen met zijn vader een boek
het werd afgelopen vrijdag in Veenendaal gepresenteerd

Stef BosMijn geboorteplaats Veenendaal betekent van oudsher Kerk en Werk. Maar Veenendaal is tegenwoordig ook trots op zijn artistieke telgen met Stef Bos en Kees (met) Stip bovenaan. Vrijdag was ik weer eens in ‘t Vèèn. Achter “de Mussenfabriek” van de gebroeders van Leeuwen waarin ik in de jaren tachtig een atelier had, staat tegenwoordig de Cultuurfabriek, het culturele centrum van Veenendaal. Vrijdagmiddag hield Stef Bos er zijn nieuwste boek ten doop: Door De Ogen Van Mijn Vader.

De foyer van de Cultuurfabriek stond behoorlijk vol. Om mij heen kijkend zag ik een aantal Veense papa’s van 80+, varianten van mijn eigen vader die in 1930 aan de Parallelweg werd geboren met zijn wortels stevig in de Veens turf: mijn overgrootmoeder zag in 1863 aan het Benedeneind het levenslicht en haar grootvader had zelfs nog “roodnekkies in de Grift zien drijven". Aan de Franse aanwezigheid in en rond Veenendaal herinnert nog altijd de wijk de Dragonder. Stef Bos is de zoon van juwelier Bos, die was gevestigd in de Hoofdstraat op nummer 91. Mijn ouders waren er in de jaren zestig en zeventig vaste klant. Door de ogen van mijn vader lijkt me een aardig boek voor ze.

22 jaar geleden schreef Stef Bos een lied over zijn vader en in 2012, het negentigste levensjaar van zijn vader, maakte hij samen met hem het boek Door De Ogen Van Mijn Vader. Stef zocht voor de teksten in al zijn boeken tot nu toe de samenwerking met een kunstenaar voor de bijpassende beelden. Na Gebroken Zinnen (2004) met schilderijen van Marriana Booyens, Ja! (2006) geïllustreerd door Eric de Bruijn en Stillewe (2008) met kunstwerken van Varenka Paschke, is dit zijn vierde boek.
 
De dia’s uit het archief van A.W. Bos, gemaakt met een Rolleiflexcamera uit de jaren vijftig, vormen de basis van een 133 pagina’s document. Het is niet alleen de weergave van een familiegeschiedenis, het laat ook een snel veranderende wereld zien. De beelden zullen voor velen aansprekend en zelfs herkenbaar zijn. Herinneringen oproepend aan een nabij of verder verleden, terwijl de woorden van Stef ze verbindt met het heden. Als extra achterin het boek een 2012 versie van het lied “Papa“.
 
Bron: stefbos.nl
zaterdag 28 april 2012
een onzuivere bron
The History of the Decline and Fall of the Roman Empire (1776-1787)
van Edward Gibbon

AgoraIn de film Agora (2009) van de Spaanse regisseur Alejandro Amenábar komt een scene voor waarin de beroemde bibliotheek van Alexandrië wordt geplunderd door een woeste menigte fundamentalistische christenen. Het is een van de meest geslaagde scenes uit de film. Terwijl de boekrollen met teksten van Plato en Aristoteles als confetti door de lucht worden gesmeten maakt de camera een draai van 180 graden waardoor alles op zijn kop komt te staan. De boodschap is overduidelijk: het christelijk geloof heeft de kennis van de antieke beschaving vernietigd en de hele wereld eeuwen terug gesmeten in de tijd. Maar deze boodschap is zeker niet juist. In het jaar 392 na Christus plunderden fanatieke christenen inderdaad de stad, maar de beroemde bibliotheek was in de tijd van Hypatia nog maar een schaduw van wat het ooit geweest was. In het jaar 48 voor Christus hadden de troepen van Julius Ceasar de grootste schat aan oude Griekse manuscripten al in brand gestoken.

Edward GibbonTussen 1776 en 1887 schreef Edward Gibbon de beroemde studie The History of the Decline and Fall of the Roman Empire over de ondergang van het Romeinse Rijk. Gibbon was een man van de Verlichting en hij keek met een wetenschappelijke bril op naar de geschiedenis. Tegenwoordig is dat de normaalste zaak van de wereld, maar in zijn tijd bestond geschiedenis nog niet als wetenschap. Omdat Gibbon het Christendom niet als heilsgeschiedenis zag en de Kerk ook niet als het Lichaam van Christus, kwam hij op zeer gespannen voet met de Angelicaanse Kerk te staan. Vooral op de hoofdstukken XV en XVI waarin hij de plaats en de opkomst van het Christendom in het Romeinse Rijk beschrijft, heeft hij veel kritiek gekregen. In sommige landen werd The History of the Decline and Fall of the Roman Empire zelfs een verboden boek. Gibbon gebruikte voor zijn levenswerk zesduizend bronnen in vele talen. Maar hij was niet overal nauwkeurig. Na later historisch onderzoek blijkt dat hij ons met de beschrijvingen van de geschiedenis van de bibliotheek van Alexandrië en het leven van de vrouwelijke filosoof Hypatia een ingekleurd beeld heeft gegeven.

Gibbon
uit hoofdstuk XLVII van The History of the Decline and Fall of the Roman Empire

Edward Gibbon heeft er absoluut toe bijgedragen dat Hypatia het symbool is geworden van de wetenschapper die alles in vrijheid wil onderzoeken en zich niet onderwerpt aan bijgeloof en fanatisme. Net als Giordano Bruno is ze een martelaar geworden van filosofie en wetenschap.

Gibbon
uit hoofdstuk XLVII van The History of the Decline and Fall of the Roman Empire

Gibbon’s ingekleurde voorstelling blijkt hardnekkig. De serie Cosmos uit 1980 volgt hem en ook Alejandro Amenábar baseerde zich voor het scenario van Agora op de informatie die Gibbon verspreid heeft. De christenen worden afgeschilderd als grote cultuurbarbaren die vijandig staan tegenover de wetenschap. Maar in werkelijkheid bestudeerden kerkvaders in Alexandrië ook de wetenschap. De strenge scheiding tussen wetenschap en geloof komt uit de koker van de Verlichting en Gibbon’s klassieker in het bijzonder.

uit de tv-serie Cosmos (1980)
The last scientist who worked in the Library was a mathematician, astronomer, physicist and the head of the Neoplatonic school of philosophy – an extraordinary range of accomplishments for any individual in any age. Her name was Hypatia. She was born in Alexandria in 370. At a time when women had few options and were treated as property, Hypatia moved freely and unselfconsciously through traditional male domains. By all accounts she was a great beauty. She had many suitors but rejected all offers of marriage. The Alexandria of Hypatia’s time – by then long under Roman rule – was a city under grave strain. Slavery had sapped classical civilization of its vitality. The growing Christian Church was consolidating its power and attempting to eradicate pagan influence and culture.
 
Carl Sagan in Cosmos (1980)Hypatia stood at the epicenter of these mighty social forces. Cyril, the Archbishop of Alexandria, despised her because of her close friendship with the Roman governor, and because she was a symbol of learning and science, which were largely identified by the early Church with paganism In great personal danger, she continued to teach and publish, until, in the year 415, on her way to work she was set upon by a fanatical mob of Cyril’s parishioners. They dragged her from her chariot, tore off her clothes, and armed with abalone shells, flayed her flesh from her bones. Her remains were burned, her works obliterated, her name forgotten. Cyril was made a saint.
 
Bron: physics.weber.edu

The fuss about Hypatia and Bibliotheca Alexandrina [ orthodoxchristianity.net ]

maandag 23 april 2012
stoere vogels
zondag gezien bij VPRO boeken: Mijn roofvogels van Rob Bijlsma

Mijn RoofvogelsToen ik veertien was, beleefde ik een heftige “terug-naar-de-natuur” periode. Samen met een vriend van school bouwde ik hutten in het bos en bestudeerde ik vogels. Roofvogels trokken mij het meeste aan, waarschijnlijk ook omdat ik op die leeftijd niet soft wilde overkomen. Geen lieve meesjes of sijsjes maar stoere vogels met boze ogen. Tijdens de Nederlandse les ging mijn spreekbeurt over roofvogels. Van de biologieleraar mocht ik een opgezette sperwer meenemen naar de Nederlandse les. Op de lessenaar waarachter ik mijn spreekbeurt hield, had ik deze als trotse mascotte neergezet. Het werd een echte preek. In de jaren zeventig was het met de roofvogelstand in Nederland droevig gesteld. In mijn spreekbeurt kon ik niet genoeg benadrukken hoe schadelijk landbouwgiffen zijn en legde ik uit hoe een voedselpiramide werkt, wat predatoren zijn en waarom roofvogels bij landbouwgiffen uiteindelijk de klos zijn.

kiekendief op postzegel uit 1995Toen ik gisterenmorgen in het programma VPRO Boeken de roofvogelkenner Rob Bijlsma in gesprek zag met Wim Brands, voelde ik weer iets van het vuur dat vroeger in mij brandde. Bijlsma begon ook al vroeg met zijn roofvogelonderzoek. Brands liet een schriftje van hem zien waarin hij als dertienjarige aantekeningen had gemaakt. Maar Bijlsma heeft zijn passie nooit opgegeven. Het boek Mijn roofvogels geeft een dwarsdoorsnee van ruim veertig jaar ervaring van misschien wel de grootste roofvogelspecialist van Nederland.

Autodidact roofvogelonderzoeker Rob Bijlsma doet onderzoek waarvoor ‘echte’ biologen geen tijd hebben. Die doen, vooral wegens geldgebrek, alleen maar kortdurend onderzoek. Bijlsma niet. Al meer dan veertig jaar bestudeert hij, eerst op de Veluwe en nu in Drenthe, de gedragingen en ontwikkeling van roofvogels. De wespendief is zijn favoriet. Een ‘heimelijk beest’ dat zich zelden laat zien. Mijn roofvogels gaat over zijn langlopende, intensieve onderzoek. En meer.
 
Bron: boeken.vpro.nl

Mijn Roofvogels [ uitgeverijatlas.nl ]

woensdag 4 april 2012
Anna’s sprong
gelezen: De JA-sprong van Anna Tilroe
Naar een nieuwe vitaliteit in de kunst

De JA-sprongTijdens de opening van de internationale beeldententoonstelling Sonsbeek 2008 liepen Michaela en ik samen met honderden stadsgenoten mee in een processie met kunstwerken door de Arnhemse binnenstad. De artistiek directeur van Sonsbeek 2008 was de bekende kunstcriticus Anna Tilroe. Onder haar leiding zou de tentoonstelling Grandeur moeten gaan uitstralen. De stad Arnhem, hoofdsponsor van deze internationale beeldententoonstelling, zou dat voor haar imago overigens best kunnen gebruiken.

De processie werd een bijzonder spektakel. Het weer en de koopzondag werkten mee en duizenden mensen waren in de Arnhemse binnenstad getuige van een bijna Middeleeuws schouwspel. Maar de processie was toch geheel eigentijds. In plaats van relieken trok er een stoet moderne kunstwerken door de stad, plechtig gedragen door kunstliefhebbers en kunstenaars die voor de gelegenheid in het wit gekleed waren. Eindpunt was het plein voor de Eusebiustoren, waar Sonsbeek 2008 voor het grote publiek geopend werd.

De boodschap was duidelijk: moderne kunst is niet iets hyperindividueels voor een uiterst select publiek, maar moderne kunst is voor álle mensen, zoals shoppen ook voor alle mensen is. Het was daarom geen toeval dat de processie gepland was tijdens een koopzondag. Maar de processie verwees ook naar ons religieuze verleden, toen godsdienst niet alleen een zaak van de clerus was, maar juist ook van het volk. Deze nostalgie naar een diepere wij-beleving uit het pre-moderne tijdperk, die je bij een tentoonstelling voor moderne kunst niet zo snel verwacht, was in de kunstprocessie duidelijk aanwezig.

Kunst op handen gedragen Processie bij de opening van Grandeur (Sonsbeek 2008)

Twee jaar later publiceerde Anna Tilroe, die behalve kunstcriticus ook bijzonder hoogleraar Kunst en Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen is, het pamflet De Ja-sprong - naar een nieuwe vitaliteit in de kunst. Ik moest bij de klank JA-sprong vanzelf weer denken aan het gewijde karakter van de opening van Sonsbeek 2008. Dat was weliswaar geen springprocessie geweest, maar wél een sprong terugwaarts in de tijd, om vervolgens een sprong in het heden te maken. Die bijzondere opening van Sonsbeek 2008 was in mijn ervaring geen post-moderne pose geweest, maar een oprecht verlangen naar een samen delen van iets gemeenschappelijks, een beweging tegen de versnipperde hyper-individuele tijdsgeest in. Zou dit verlangen ook in De JA-sprong herkenbaar zijn?

In de aanloop van haar JA-sprong, die meer dan negentig procent van het pamflet bestrijkt, stelt Anna Tilroe een glasheldere diagnose. De hedendaagse kunstwereld is volledig in de greep gekomen van de markt, zit daardoor in de knel en verkeert in een crisis. In negen korte hoofdstukjes analyseert ze hoe de kunstwereld sinds de jaren tachtig en negentig gedomineerd wordt door een rigide marktdenken. De scène, de markt, het museum, de megacollectioneur, de curator, de kunstenaar, de marketeers, de subversievelingen en de kritiek zijn intens met elkaar verstrengeld. Maar in plaats van een wederzijdse en evenwichtige verstrengeling is de markt dominant geworden en is er een verstikkende atmosfeer gekomen voor de instituties en individuele participanten binnen de kunstwereld. Zo is de onafhankelijke kunstkritiek behoorlijk in de verdrukking gekomen en zijn veel musea voor hedendaagse kunst hun onafhankelijke status kwijtgeraakt omdat ze voor het organiseren van grote publiekstrekkers afhankelijk zijn geworden van machtige sponsors of megacollectioneurs die allemaal hun eisen stellen.

Ook onder de kunstenaars is veel veranderd. De avant-garde in de hedendaagse kunst, die traditioneel bestond uit eigenzinnige geesten die met een relatief onafhankelijke geest naar de werkelijkheid kijken, lijkt verleden tijd. Het begrip avant-garde heeft zich versmald tot een kapitalistische variant. De huidige avant-garde lijkt nu te worden gevormd door kunstenaars die zich het beste aan de markt hebben aangepast en nu tot de top tien van best verdienende kunstenaars van de planeet behoren. Celebrities als Damien Hirst, Jeff Koons en Paul McCarthey. De mentaliteit van de Fortune 500 lijkt in de hedendaagse kunstwereld maatgevend geworden.

Bataille BibliothekHedendaagse kunst kan met het ‘edele’ motief om te deconstrueren en te ontmaskeren gemakkelijk het slachtoffer worden van zichzelf. Anna Tilroe geeft een treffend voorbeeld. Tijdens de Documenta in 2002 kalkte kunstenaar Thomas Hirschhorn op een muur in een Kasselse volkswijk: “de kunstwereld is vol arrogante klootzakken.” Dit terwijl de ‘brand’ Hirschhorn met zijn Bataille Bibliothek op diezelfde Documenta vertegenwoordigd was. Het werd algemeen als een zelfontmaskering beschouwd. Nu hij zelf een felbegeerd plekje in de internationale kunstwereld had veroverd, hoorde hij er toch ook bij? Zijn alternatieve houding was slechts buitenkant.

Anna Tilroe ziet de oorzaak van de crisis in de hedendaagse kunst in het dominante marktdenken en ik geef haar voor een deel gelijk. Maar wanneer begon deze ontwikkeling eigenlijk en tot welke tijd moeten we “terugkeren” om weer een relatief gezonde kunstwereld aan te treffen? Bij Anna Tilroe proef ik nostalgie naar de “kritiese” jaren zestig en zeventig. Maar was dat niet ook de tijd van pop art? En is de commerciële verzieking van de kunstmarkt vanaf 1980 behalve een neo-liberaal exces niet ook een erfenis van Andy Warhol?

In het voorlaatste hoofdstukje “De terugkeer van het museum” herken ik de nostalgie die ik ook proefde bij haar Grandeur-concept bij de opening van Sonsbeek 2008. Tilroe verlangt terug naar een tijd waarin de kunst nog niet in de wurggreep van het grote geld en dus ook nog niet in de wurggreep van het grote bezuinigen zat. Tijdens de toespraak die zij hield tijdens de “bezetting” van Museum Boijmans- van Beuningen op 26 juni 2011 zei ze:

Op de markt functioneert kunst als bewijs dat het economische systeem waarin wij leven, het enig juiste en zaligmakende is. Op de markt wordt de vrijheid en het progressieve, idealistische denken waar kunst voor staat, het pronkstuk waarmee een meedogenloos globaal kapitalisme zichzelf optooit en rechtvaardigt.”
 
Bron: degroene.nl

Hoe waar deze woorden ook zijn, je hoort hier onmiskenbaar de stem van een 68′er die vanaf de barricaden de kunstenaars en kunstliefhebbers aanspoort om in opstand te komen tegen de gevoelloze cultuurbarbaren van het kapitalisme. Maar hebben kunstenaars uiteindelijk niet juist iets nodig dat hen beschermt tegen de macht van het geld? Noem het geestelijke weerbaarheid. De markt verlangt van de kunstenaar, en niet alleen van de kunstenaar, een knieval. Zoals Romeinse burgers in de Oudheid pas toegang tot de marktplaats hadden, wanneer ze eerst een offer brachten aan de keizer, Jupiter of andere goden, zo lijken kunstenaars en musea pas toegang tot de markt te hebben wanneer ze eerst knielen voor de eisen van sponsors en subsidieverstrekkers.

Gelukkig zijn er ook altijd kunstenaars geweest die zich compromisloos opstellen en bereid zijn om armoede te lijden voor hun vrijheid. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Deze kunstenaars zullen waarschijnlijk zijn weggebleven bij de demonstratie Schreeuw om Cultuur tegen het huidige regeringsbeleid. Eigenlijk wil de markt niets liever dan dat: Een schreeuw om subsidie, kunstenaars die om geld schreeuwen. Want als de kunstenaars gaan eisen dat de overheid haar mecenas moet zijn, dan mag de overheid ook van de kunstenaars gaan eisen dat zij zich moeten aanpassen aan de markt en op eigen benen gaan staan. In ieder geval komt er een schifting onder de kunstenaars. Een deel zal de markt opgaan en een ander deel zal afhaken. Maar er zijn ook kunstenaars voor wie er, ondanks de crisis, weinig verandert: ze gaan gewoon stug door met datgene waar ze altijd al mee bezig waren.

In De JA-sprong blijft een essentieel punt onuitgewerkt. Anna Tilroe schrijft dat de grootste kunst zich aan iedere moraal onttrekt. Maar ze schrijft ook heel terecht dat morele principes en de vrijheid van de kunst elkaar niet per definitie uitsluiten. Dit zou veel krachtiger geformuleerd mogen worden. Dan wordt ook een paradox zichtbaar. In dezelfde toespraak van 26 juni 2011 in Rotterdam verklaarde ze het volgende:

Kunst (…) schrijft niets voor, maar roept op om telkens opnieuw betekenis te geven aan de dingen, de mensen, de wereld. Kunst toont, zegt, laat horen en zien dat er niet één visie is, één maatschappijvorm, één cultuur, één godsdienst die superieur is aan alle andere, maar dat je ook anders kan denken en zien, en dat er zoiets als het andere en de ander bestáát en respect verdient. Dat is, denk ik, de kern van kunst.
 
Bron: degroene.nl

In deze hartstochtelijke visie op de rol van kunst in de samenleving, schuilt een bijna religieuze missie: het relativeren van waarden. Terwijl “de valkuil van het cultuurpessimisme” in haar pamflet vermeden wordt, lijkt ze met open ogen in de valkuil van het relativisme te stappen. Waarschijnlijk omdat het relativisme voor haar de enige remedie is tegen het uniforme en totalitaire. Maar het relativisme kent zelf een verborgen absolutisme en daarin zit de valkuil.

Relativisme en het grote geld zijn allebei Grote Gelijkmakers en in wezen tiranniek. Het relativisme erkent geen waarheid meer, behalve de ‘waarheid’ dat alle ‘waarheden’ in principe even ‘waar’ zijn. Daardoor jaagt het mensen, maar ook onszelf uiteen in relatieve meningen en er blijft tenslotte geen andere bindende kracht meer over dan het relativisme. De existentie van de mens, maar ook de samenleving, wordt zo ‘middelpuntvliedend’ en verliest zijn centrum. Alles kan centrum zijn omdat niets meer hét centrum mág zijn. Zeker niet ‘het oude Europa’ of ‘het Grote Verhaal van het christendom’. Niets is superieur boven al het andere. De hiërarchie, dus de orde verdwijnt en de chaos verschijnt. Toch lijkt in de grote verwarring de markt overeind te blijven. Als de chaos groter wordt, komt er een booming markt voor oppervlakkige verstrooiing, voor amusement, en er is ook een groeimarkt voor alles wat met veiligheid te maken heeft. Wapens bijvoorbeeld.

Wat mij betreft had Anna Tilroe haar JA-sprong wat meer mogen uitwerken. Nu is haar pamflet een hartstochtelijke intentieverklaring van iemand die een sprong wil maken naar een nieuwe vitaliteit in de kunst. Maar haar voornemen lijkt ofwél terug te springen in de tijd, naar de kunstkritiek van de jaren zestig en zeventig, óf verlamd te worden door krampachtig relativisme.

Recensies van Dennis Hambeukers en Carel Peeters

dinsdag 3 april 2012
Mensch·Maschine
de Maand van de Filosofie staat in het teken van de ziel
het aprilnummer van Filosofie Magazine is verschenen

Filosofie Magazine De ZielKomende maand is het weer de Maand van de Filosofie. Dit jaar staat deze in het teken van de ziel. Descartes meets Swaab, zoals Daan Rovers in het voorwoord van de nieuwste filosofiemagazine.nl schrijft. De media, boekhandels en universiteiten doen weer mee. Wetenschapsjournalist Steven de Jong schreef gisteren een artikel in NRC Handelsblad onder de provocerende titel Na God, moet nu ook de ziel eraan geloven. Allemaal hersenspinsels. Hersenonderzoeker Dick Swaab zal dat van harte, maar niet zielsgraag, onderschrijven. De auteur van Wij zijn ons brein meent namelijk dat de ziel een misvatting is. Hij verwijst met dat woord naar Richard Dawkins die meent dat God een misvatting is. Materialisten en atheïsten houden blijkbaar van ferme taal.

Ik zeg gewoon waar het op staat: de ziel is onlosmakelijk verbonden met het geloof in leven na de dood, en dat geloof berust nergens op.

Dick Swaab

Bert Keizer die wekelijks een column heeft in Trouw, schreef afgelopen weekend in de vernieuwde zaterdagbijlage Letter & Geest het essay We zijn meer dan ons brein. In de nieuwste filosofiemagazine gaat hij in debat met Dick Swaab over de ziel. Nog niet zo lang geleden hoorde ik Keizer het hartgrondig oneens zijn met cardioloog Pim van Lommel, die bij het grote publiek bekend is van zijn bestseller Eindeloos Bewustzijn. “Ik geloof in hersenen zonder bewustzijn, maar niet in bewustzijn zonder hersenen, zoals Pim van Lommel.” Maar Bert Keizer blijkt weer wél aan het begrip ziel te hechten.

Die Maschine Mensch
L’homme machine - Die Maschine Mensch (1748) van Julien Offray de la Mettrie en Die Mensch·Machine (1978) van Kraftwerk

Voordat ik een duik neem in het thema van de Maand van de Filosofie, wil ik eerst een kleine historische aanloop nemen. Ik ga eerst eens wat lezen in de Frans-Duitse uitgave van l’Homme Machine (1748) van Julien Offray de la Mettrie, die bij mij nog steeds ongelezen in de kast staat. Het schaamteloze hard boiled materialisme van De la Mettrie, maar ook dat van Jakob Moleschott (Ohne Phosphor keine Gedanken) blijkt nog altijd springlevend als je Dick Swaab, Richard Dawkins en Daniel Dennett hoort. Een beetje ironie van Kraftwerk erbij kan daarom geen kwaad. Voor de broodnodige bezieling.

Keizer: “Ik wil aan het begrip van de ziel juist vasthouden omdat je daarmee gelovigen binnenboord houdt. Als je de ziel verwerpt, ben je die hele groep kwijt en denken ze dat een gesprek als dit niet over hen gaat.”
 
Swaab: “Jij houdt dus vast aan de ziel uit praktische overwegingen?”
 
Keizer: “Inderdaad. Ik wil gelovigen erbij houden. Vervolgens laat ik natuurlijk wel zien dat er geen reden is om aan te nemen dat die ziel na de dood blijft bestaan.”
 
Swaab: “Zo’n slecht karakter heb ik niet. Ik zeg gewoon waar het op staat: de ziel is onlosmakelijk verbonden met het geloof in leven na de dood, en dat geloof berust nergens op.”
 
uit het gesprek tussen Bert Keizer en Dick Schwaab in Filosofie Magazine

filosofiemagazine.nl

maandag 2 april 2012
net een schilderij !
zaterdag gezien bij Boeken: Wim Brands in gesprek met Hans Aarsman
over zijn boek De fotodetective (2012)
De fotodetectiveTot 1994, het jaar waarin hij zijn camera’s demonstratief aan de wilgen hing, was Hans Aarsman een gevierd fotograaf. Tegenwoordig kijkt hij liever naar foto’s van anderen. Net als zijn grote voorbeeld Sherlock Holmes doet hij dat met een scherpe en speurende blik, onder meer in zijn wekelijkse rubriek ‘De Aarsman Collectie’ in de Volkskrant en in zijn maandelijkse optreden in De Wereld Draait Door. In De fotodetective onderzoekt Hans Aarsman aan de hand van foto’s het verschil tussen kijken en zien, met als leidraad zijn eigen ontwikkeling van fotograaf tot beschouwer. Hij werpt prikkelende vragen op: waarom fotograferen we de onderwerpen die we fotograferen? Kunnen foto’s op Flickr.com concurreren met die van beroepsfotografen? Welke foto’s krijgen we niet te zien in de krant? Is de digitale revolutie een zegen of een vloek? Zijn foto’s kunst? Wat zijn de drijfveren van fotografen?
 
Bron: uitgeverijpodium.nl
Van een mooie, gestileerde foto zeggen mensen ‘het is net een schilderij’. Kennelijk betekent die constatering dat wanneer een foto gestileerd is als een schilderij, het een goede foto is. Volgens Aarsman is dat wel knap, maar ziet de wereld er niet zo uit.

boeken.vpro.nl

Van een mooie, gestileerde foto zeggen mensen ‘het is net een schilderij’. Kennelijk betekent die constatering dat wanneer een foto gestileerd is als een schilderij, het een goede foto is. Volgens Aarsman is dat wel knap, maar ziet de wereld er niet zo uit. Hij zegt mensen te leren kijken, vorm los te laten en te bedenken wat een foto met ze doet. Het is volgens hem immers leuker als er losse eindjes aan een foto zitten. Zelf zegt hij meer op zoek te zijn naar cultureel interessante afbeeldingen en verschijnsels. Samen met de redactie van het blad Useful Photography, waar hij zelf ook deel van uitmaakt, speurt hij dan ook naar visueel interessante foto’s in supermarktfolders en bij Ebay-advertenties. Immers: ‘wat moet je nou nog met oude vrouwtjes en hondjes op een bankje?’
 
Bron: boeken.vpro.nl

De fotodetective [ uitgeverijpodium.nl ]

donderdag 22 maart 2012
Vintage Traveling [ 2 ]
gekocht: Travel 100 years of globetrotting
van Jim Heimann en Allison Silver, Taschen 2010

TravelVorige week kocht ik in de witte boekhandel voor nog geen zeven euro een fraai verzorgde hardcover van Taschen met een verzameling reisadvertenties uit de vorige eeuw. Onder redactie van Jim Heimann verscheen bij Taschen al de serie All American Ads waar ik vier delen van heb staan. Ook daarin staan reisadvertenties en affiches en er is een flinke overlap tussen de boeken.

Taschen grossiert vooral in eye candy en de teksten beperken zich tot bijschriften en korte hoofdstukjes. Ik heb me een beetje laten onderdompelen in de eerste decennia van de vorige eeuw, toen er nog geen massatoerisme bestond. Reizen was exclusief voor de rijken. Eerst ging alles per oceaanstomer en trein. Na de Eerste Wereldoorlog had de auto in de Verenigde Staten de trein als vervoermiddel ingehaald. In de jaren dertig ontstonden de eerste luchtvaartdiensten voor passagiers.

Otto Baumberger
de reisaffiches van Otto Baumberger ontbreken helaas in de uitgave van Taschen. Jim Heimann heeft vooral een selectie gemaakt van Amerikaanse reisadvertenties.

Het boek beperkt zich voornamelijk tot de Verenigde Staten, maar er staan ook affiches in van chique Europese locaties. Voor de rijke Amerikanen waren dat Parijs, de Rivièra, Zwitserland en Italië. Je boekte een hotel dan niet voor een weekje maar voor een heel seizoen. De schatrijke Lord Marchmain uit Brideshead Revisited kocht zelfs een complete palacio aan het Canal Grande in Venetië. Deze grandeur wordt in de reisadvertenties en reisaffiches van honderd jaar geleden prachtig weerspiegeld.

Vintage Traveling | blader door het boek [ taschen.com ]

dinsdag 20 maart 2012
onze obsessie met het authentieke ik
zondagmorgen gezien op Nederland 1 : Boeken
Wim Brands in gesprek met Maarten Doorman over Rousseau en ik
Rousseau en ikAuthentiek zijn is synoniem geworden voor betrouwbaar zijn; wie draait, is onecht en wie onecht is, is niet te vertrouwen. Een ander voorbeeld is de ego-etalage Facebook, waarin mensen louter de leuke kanten van hun leven tonen. Deze obsessie met authenticiteit werkt existentiële twijfel in de hand over werk, huwelijk, leven en liefde. Daar worden mensen ongelukkig van, volgens Doorman.
 
Rousseau heeft ons opgezadeld met de erfzonde van echt en onecht, zo betoogt filosoof Maarten Doorman in zijn laatste boek Rousseau en ik. De Zwitsers-Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) is de uitvinder van een idee dat gaandeweg een obsessie voor de westerse cultuur is geworden; het authentieke ik. Door Rousseau zijn we in de greep van een verlangen naar echtheid zoals die volgens hem gevonden kan worden in jeugd, de natuur, liefde en spontaniteit. Doorman gaat in zijn boek in op de problemen van authenticiteit en de paradoxen in het denken en handelen bij Rousseau zelf.
 
Bron: boeken.vpro.nl

Rousseau en ik [ maartendoorman.nl ]

woensdag 7 maart 2012
een jaar in de achttiende eeuw
Fiona J.Houston: Mit Haube und Hacke
Landleben wie in alter Zeit - 1792

Mit Haube und HackeIn Celle kocht ik voor Michaela een Duitse uitgave van het dagboek The Garden Cottage Diaries van de 59-jarige Fiona J.Houston die een jaar lang in een sober huisje op het platteland leefde alsof het nog steeds 1792 was. Haar dagboek van een jaar in de achttiende eeuw is fraai vormgegeven met veel nostalgische eye candy en digitale ‘handgeschreven’ letters op gefotografeerd vergeeld papier. Bij deze ‘onthaastingsdroom’ in de comfortabele 21e eeuw, mag je het eelt op de handen, de jicht en de rammelende maag overslaan. Mit Haube und Hacke past ons goed omdat het onze passies bij elkaar brengt: geschiedenis, buitenleven en natuurlijke voeding.

Was hatten die Menschen vor 220 Jahren, das wir nicht mehr haben? Sie lebten mit den Tages- und Jahreszeiten, sie sorgten vor, sie wussten, wie die Dinge wachsen, entstehen und funktionieren. Was es bringt, das einmal auszuprobieren, davon erzählt dieses bezaubernde Buch.
 
Fiona J. Houston lebte ein Jahr lang wie die Frau eines schottischen Dorfschulmeisters des späten 18. Jahrhunderts. Anhand alter Quellen und mithilfe vieler Freunde rekonstruierte sie die damaligen Lebensbedingungen. Ihr Tagebuch, voll mit charmanten Naturbeobachtungen, nützlichen Gartentipps, originellen Kochrezepten und Selbstbauanleitungen, ist eine vergnügliche, entspannte, im besten Sinne lehrreiche Chronik einer außergewöhnlichen Zeitreise in eine Welt ohne elektrischen Strom und Maschinenlärm. Geschrieben mit dem besonderen Charme einer Frau, die nicht nur redet, sondern handelt.
 
Bron: gerstenberg-verlag.de

I spent a year living as an 18th century teacher’s wife [ dailyrecord.co.uk ]

dinsdag 6 maart 2012
So schnell schießen die Preußen nicht!
gekocht in Duitsland: driemaal Pruisen en Frederik de Grote

Ich FriedrichDe afgelopen dagen waren we voor het eerst dit jaar voor langere tijd in Duitsland en was er tijd om in de boekhandels te neuzen naar de nieuwste uitgaven over Duitse geschiedenis. Frederik de Grote werd op 24 januari 1712 geboren en met de nationale herdenking in Potsdam beleefde het Friedrich Jahr 2012 al vroeg zijn hoogtepunt. Uitgevers en magazines hadden hun boeken en bijlagen in 2011 al klaar liggen en in de Duitse boekhandels is dat niet over het hoofd te zien. Geschiedenis leeft in Duitsland sowieso veel meer dan hier. Zo kocht ik nota bene bij een klein pompstation twee geschiedenis magazines van GeoEpoche over Pruisen en Wilhem II. In een boekhandel in Celle kocht ik Ich Friedrich II van Hans Bentzien waarin deze in de huid kruipt van der Alte Fritz (en ook van de junge Fritz). De 85-jarige Bentzien werd een halve eeuw geleden minister van cultuur in de DDR, maakte televisieprogramma’s en schreef boeken over geschiedenis. Het boekje is geïllustreerd met tekeningen die Adolph Menzel oorspronkelijk maakte voor Geschichte Friedrichs des Großen (1839-1842) van Franz Kugler.

Preussen
twee specials over Pruisen 1701-1871: Stern EXTRA (2012) en GeoEpoche (2006)
Auch mehr als 60 Jahre nach der Staatsauflösung durch die Sieger des Zweiten Weltkriegs lässt Preußen die Deutschen nicht los.

Stern EXTRA 2012

Afgelopen weekend heb ik mij een beetje onder laten dompelen in de Silezische oorlogen die Frederik de Grote halverwege de achttiende eeuw voerde tegen Oostenrijk, Frankrijk, Rusland en Zweden. In 1761 leek het lot voor Pruisen bezegeld en stond het aan de rand van de afgrond. Maar op 5 januari 1862 (25 december 1861 in Sint Petersburg) geschiedde een wonder: tsarina Elisabeth overleed en werd opgevolgd door Peter III die een bewonderaar was van Frederik de Grote. Rusland sloot vrede met Pruisen en trok zich daarmee terug uit de Zevenjarige Oorlog. De coalitie viel uit elkaar en Oostenrijk moest uiteindelijk ook de strijd tegen Pruisen opgeven. In 1763 werd de oorlog afgesloten met de Vrede van Hubertusburg. Pruisen had standgehouden maar was wel pleite. Toch werd in 1763 in Potsdam een begin gemaakt aan het Neues Palais (foto onder) waar honderd jaar later de wieg zou staan van Wilhelm II.

Neues PalaisDe kaart van Europa was vrijwel onveranderd gebleven maar van nu af aan was Pruisen een grote mogendheid en speelde het in de daaropvolgende eeuw zijn deuntje mee in het concert der grote mogendheden. En wat voor een deuntje! Tussen 1861 en 1871 smeedde Bismarck Duitsland onder Pruisische aanvoering tot een eenheid. Aan het einde van de negentiende eeuw ging het Duitse Rijk in het concert der grote mogendheden steeds meer overstemmen. Het werd de grootste macht op het continent én na 1900 ook een bedreiging voor Engeland op zee. Hierdoor en door zijn centrale ligging in Europa was het Duitse Rijk in 1914 veroordeeld tot een meerfrontenoorlog tegen een coalitie van grote mogendheden die uiteindelijk sterker zou blijken. Na twee vernietigende wereldoorlogen waarin de Pruisische militaire agressie onmiskenbaar aanwezig was, werd Pruisen door de geallieerden in 1947 tenslotte opgeheven.

Der Preußenkönig zieht an seinem Lebensabend Bilanz. Es spricht der Despot, der Kriege führte und zum Inbegriff »preußischer Tugenden« wurde. Es spricht der aufgeklärte Herrscher und »der erste Diener seines Staats«, der große Reformen anstrebte und sich politischen Tagesgeschäft aufrieb. Es spricht auch der einsame, störrische alte Mann, der sein Leben lang darin geübt war, die eigenen Gefühle zu beherrschen, aber zu voller Bosheit aufläuft, wenn er auf seine Feinde zu sprechen kommt. In respektvoller Näherung an diese historische Figur von Rang macht Hans Bentzien den Leser zum intimen Zeugen eines königlichen Selbstgesprächs, das zu einer lebendigen Geschichtsstunde wird. Sorgsam ausgewählte Originaldokumente und zahlreiche Illustrationen von Adolph Menzel liefern die Kulisse.
 
Bron: die-ostgebiete.de

Pruisen [ nl.wikipedia.org ] | Preußen 1701-1871 [ shop.stern.de ]

woensdag 29 februari 2012
Russisch drama [ 4 ]
zondag gezien op Een : Dr. Zhivago (1965) van David Lean

Dr ZhivagoIn 1965 verfilmde de Engelse filmregisseur David Lean de beroemde roman van Boris Pasternak. Al eerder had hij met The Bridge over the River Kwai (1957) en met Lawrence of Arabia (1962) twee grote epische filmdrama’s op zijn naam gezet. Met Dr. Zhivago zou hij zijn genie als filmmaker nogmaals bewijzen. Lean’s epische drama’s passen nog helemaal in de traditie van Gone with the wind en de drama’s van Cecil B. DeMille. Dr. Zhivago was een van de laatste films in deze traditie die door de opkomst van het snelle en gewelddadige ‘nieuwe Hollywood’ ouderwets was geworden.

Films van meer dan drie uur zijn voor ons een te lange zit geworden. Bovendien passen kamerbrede muziek en zware symboliek niet meer echt in deze tijd. Toch worden bovengenoemde films van David Lean nog altijd erkend als tijdloze meesterwerken. Vanaf het begin was dat al zo. The Bridge over the River Kwai kreeg in 1957 de oscar voor de beste film, Lawrence of Arabia volgde vijf jaar later en ook Dr. Zhivago had deze oscar in 1965 eigenlijk verdiend, maar The Sound of Music ging er mee vandoor. Bij elkaar wonnen deze drie films van David Lean in 1957, 1962 en 1965 negentien oscars.

Dr. Zhivago Funeral
begrafenisscene uit Dr. Zhivago
Zij liepen en liepen maar door en zongen Vjetsnaja Pamjat en steeds als zij ophielden leek het, alsof hun benen, de paarden, de windvlagen op hun eigen ritme doorgingen met zingen.

beginzin uit de roman

De zware symboliek die David Lean graag gebruikt, leent zich uitstekend voor Russisch drama. In een van de eerste scenes in Dr. Zhivago wordt de moeder van de kleine Joeri Zhivago begraven. Het is een prachtige visualisering van de eerste zin uit Pasternak’s roman: “Zij liepen en liepen maar door en zongen Vjetsnaja Pamjat (Eeuwige Gedachtenis), en steeds als zij ophielden leek het, alsof hun benen, de paarden, de windvlagen op hun eigen ritme doorgingen met zingen.” De scene begint met een lang panoramashot van een verlaten landschap met op de voorgrond een karakteristiek Russisch-orthodox kruis. Vanuit de verte nadert langzaam een begrafenisstoet. Dan zien we de kleine Joeri en volgen detailopnamen van de stoet. Een begrafenis in de ijzige kou met het langzame en gedragen liturgische gezang heeft in zichzelf een diepe symboliek en David Lean neemt echt de tijd om ons daar naar te laten kijken.

Regisseur Michael Cimino filmde overigens met eenzelfde geduldige camera een Russisch-orthodoxe bruiloft in The Deer Hunter. Je hoort vaak dat die scene veel te lang duurt, maar juist deze trage bruiloftsscene is heel betekenisvol in het drieluik (hemel, hel en louteringsberg) dat het verhaal omlijst.

Russische drama [ 1 ] | Russische drama [ 2 ] | Russische drama [ 3 ]

dinsdag 28 februari 2012
gemeenschapszin met katholiek randje
zondag gezien bij VPRO Boeken: Wim Brands in gesprek met
Peter Raedts over De ontdekking van de Middeleeuwen
en Jos Palm over Moederkerk

de ontdekking van de MiddeleeuwenHet VPRO-programma Boeken op zondagmorgen is het beste programma over boeken sinds jaren. Wim Brands is een fijne interviewer die graag met de schrijvers bij hem aan tafel in het diepe duikt. Zondag was er een boeiende aflevering over twee boeken die verwantschap met elkaar tonen: De ontdekking van de Middeleeuwen van Peter Raedts en Moederkerk van Jos Palm. Het was een Boeken met een katholiek randje en het was prettig dat Wim Brands als intellectueel geen allergie toonde voor het onderwerp. Eerst ging hij in gesprek met Peter Raedts, ooit priester. Waarom was hij ooit priester geworden, wilde Brands weten. De liturgie in het Latijn had en heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht op Raedts. Hij noemde het een Gesammtkunstwerk dat alle zintuigen beroert. Na het Tweede Vaticaanse Concilie werd de katholieke kerk veranderd in een speelhoek van een kleuterschool, compleet met gitaren, een drumstel en onbenullige teksten. Het gewijde werd ingeruild voor het gewone en gezellige.

Peter Raedts stapte na een persoonlijke crisis op zijn vijftigste uit het priesterambt. Als hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis schreef hij al een lange reeks publicaties in het Engels, Frans en Nederlands voordat hij begon aan De ontdekking van de Middeleeuwen. In dat boek gaat het vooral over onze beeldvorming over de Middeleeuwen:

Waren de Middeleeuwen een tijd van hechte gemeenschap en ridderlijke trouw of een tijd van barbaars geweld en ruwe onderdrukking? Een tijd om te vergeten of een tijd om naar terug te verlangen? Tolkien’s Lord of the Rings of Verhoeven’s Flesh and Blood? Sinds de Renaissance roept het beeld van de Middeleeuwen sterk wisselende emoties op. Afkeer en idealisering wisselen elkaar af tot op de dag van vandaag. Dit boek brengt die wisselende waardering van de Middeleeuwen in kaart en onderzoekt waarom de Middeleeuwen nooit een vaste plaats gevonden hebben in het collectieve geheugen van Europa.
 
Bron: vanstockum.nl
beeld van de Middeleeuwen
ons beeld van de Middeleeuwen beweegt zich tussen het donkere, rauwe, vieze en stinkende beeld uit Flesh and Blood (1985) en het liefelijke, pastorale beeld van de Hobbitstee uit Lord of the Rings. (2001)
Het beeld groeit dat men in de Middeleeuwen meer verstand had van saamhorigheid en gemeenschap dan in de tegenwoordige tijd.
Het negatieve beeld dat we heden ten dage in Nederland van de middeleeuwen hebben is gecreëerd tijdens de verlichting. De humanisten en calvinisten schiepen een duistere tijd vol afgoderij, ziekte, angst en dood. Liever keken we in Nederland terug naar de glorieuze zestiende en zeventiende eeuw, in plaats van naar die tijd van pest en bederf. Raedts benadrukt dat er tijdens de Romantiek een omslag in het denken over de middeleeuwen plaatsvindt. Mede onder invloed van denkers als Rousseau ontstond het beeld van de ‘nobele wilde’, alsmede de angst voor moderniteit en het verlangen naar een ‘simpeler’ leven. Het beeld groeit dan dat men in de middeleeuwen meer verstand had van saamhorigheid en gemeenschap dan in de tegenwoordige tijd. In Nederland vindt dit idee echter weinig weerklank.
 
Bron: boeken.vpro.nl

Rein Swart over Boeken: Moederkerk van Jos Palm [ reinswart.blogspot.com ]

dinsdag 14 februari 2012
Weltgeist zu Pferde
gelezen in Duitse Filosofie 1760-1860 van Terry Pinkard
de systeemfilosofie van Georg Friedrich Wilhelm Hegel

In de geschiedenis van de filosofie is het historische feit al ontelbare malen genoemd. Karl Vorländer is er in zijn Geschichte der Philosophie (1908) kort over. Hij besteedt er slechts één bijzin aan: -in Napoleon hatte er den “Weltgeist zu Pferde” bewundert-. En Joachim Störig schrijft in zijn Kleine Weltgeschichte der Philosophie (1959) : “Hij had Napoleon gezien. “Het is inderdaad een wonderlijke ervaring zulk een individu te zien, dat, hier in één punt geconcentreerd, op een paard zittend, in de wereld ingrijpt en haar beheerst.” Het gaat hier natuurlijk over Georg Friedrich Wilhelm Hegel, de onbetwiste krachtpatser van het Duitse idealisme.

Napoleon trekt over de Alpen
David schilderde Napoleon in 1801 als Wereldgeest te paard. Rond 1850 schilderde Paul Delaroche een minder heldhaftig beeld van Napoleon.

Wereldgeest te paard. Sinds we niet meer kunnen geloven dat God op een ezeltje zijn intocht in Jeruzalem maakte, is er een breuk tussen hemel en aarde, en deze is zo dramatisch dat de hemel nu aan scherven op straat ligt. Het is bijna een nostalgisch plaatje, zo’n wereldgeest te paard. Het hoogste woord dat vlees geworden is, zoals het in die goeie ouwe tijd gewoon nog kon. Hegel’s Weltgeist is in deze tijd eigenlijk niet meer zonder ironie te verstaan. Voor Hegel had zijn “ontmoeting” met Napoleon een religieuze dimensie. In de kleine korporaal op zijn witte paard zag hij werkelijk de Absolute Geest die in en door de wereldgeschiedenis werkzaam is. Hij bewonderde Napoleon ook als zodanig, niet als persoon of om zijn strategische talent, maar omdat volgens hem in Napoleon de Weltgeist zijn uitdrukking had gevonden.

Hegel zou in de jaren twintig van de negentiende eeuw school maken in Berlijn zoals nog nooit een filosoof school had gemaakt, zelfs Kant niet. Hegel’s systeemfilosofie werd de officiële staatsfilosofie van Pruisen. Talloze studenten hebben college van hem gehad. Wanneer je zijn systeem niet volgde, kon je een leerstoel in de filosofie wel vergeten. Dat verklaart ook waarom de eerste druk van Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer in 1819 op de plank bleef liggen. Er was in Pruisen gewoon geen ruimte voor een andere filosofie dan de filosofie van Hegel. Zeker niet voor de pessimistische filosofie van Schopenhauer. Hegel regeerde vanuit Berlijn als alleenheerser over het Duitse denken. Daarbij speelde de politiek van de Restauratie geen onbelangrijke rol.

Terry PinkardEigenlijk nam de systeemfilosofie van Hegel tijdens de Vormärz dezelfde positie in als het systeem Leibniz-Wolff in de eerste helft van de achttiende eeuw: het rechtvaardigde de staat. Zoals de theodicee van Leibniz ("God heeft de beste wereld van alle mogelijke werelden geschapen.") in Duitsland de verlichte despoten in het zadel hield, zo steunde de centrale gedachte van het systeem van Hegel ("het werkelijke is redelijk en het redelijke is werkelijk.") de Restauratie. De staatsfilosoof zag dat het goed was. Pas na de maartrevolutie van 1848 was het met de hegemonie van Hegel aan de Duitse universiteiten gedaan en begon men open te staan voor de pessimistische filosofie van Schopenhauer. Deze was na dertig jaar wachten op erkenning zo verzuurd geraakt, dat hij niet meer van zijn succes heeft kunnen genieten.

Aanvankelijk had de conservatieve Hegel helemaal opengestaan voor de idealen van de Franse Revolutie. Tijdens zijn studietijd in Tübingen deelde hij met zijn vrienden Hölderlin en Schelling de passie voor de oude Grieken en het enthousiasme voor de revolutie. Schelling was een geniale leerling. In 1798 werd hij op 23-jarige leeftijd al hoogleraar in Jena, terwijl de vijf jaar oudere Hegel als privéleraar moest zien rond te komen. Maar de vriendschap bleef bestaan en een paar jaar later kwam ook Hegel naar Jena. Daar werkte hij verder aan een eigen denksysteem. Hegel was een erg diepgravende denker en net als Kant had hij veel tijd nodig om zijn klus te klaren. Maar toen het er eenmaal was, bleek zijn systeem consistenter dan dat van Schelling. Naar eigen zeggen voltooide Hegel zijn magnum opus Phänomenologie des Geistes op 14 oktober 1806, in de nacht vóór de Slag bij Jena. Het leidde tot een breuk met Schelling. Hegel vond dat deze het absolute zag als “die Nacht, worin, wie man zu sagen pflegt, alle Kühe schwarz sind”. In hun studententijd in Tübingen hadden ze nog een vrijheidsboom geplant en hoopten ze op een nieuw tijdperk. In 1806 was voor Hegel niet alleen het einde van de geschiedenis bereikt maar ook het einde van zijn vriendschap met Schelling.

Dichter und Denker
twee eigen interpretaties van de bekende portretten van Hegel en Schelling

Hegel had in de jaren negentig van de achttiende eeuw een aantal theologische verhandelingen geschreven over het Christendom, in het bijzonder over de liefde van Christus. Aanvankelijk zag hij in de liefde van Christus de kracht die alle tegenstellingen verzoent. Maar in Der Geist des Christentums und sein Schiksal (1799/1800) komt hij tot de conclusie dat deze “idee” te eenvoudig en te beperkt is. De liefde heft volgens Hegel de objectiviteit op, omdat er in de liefde geen scheiding meer bestaat. Objectiviteit kan echter alleen bestaan bij gratie van de subjectiviteit. Voor Hegel is objectiviteit noodzakelijk voor zijn systeem. Het lot van het Christendom is om te worden opgeheven. Tot die conclusie komt hij in 1799. Hegel gebruikt hier het Duitse woord ‘aufheben’ in drie betekenissen: beendigung, aufbewahrung, erhöhung. Deze “aufhebung” moet komen van een Aufheber die Hegel zelf meent te zijn. We wisten al dat filosofen die denksystemen bouwen geen bescheiden types zijn.

De Absolute Geest die Hegel in 1806 in Phänomenologie des Geistes presenteert, is niet de Heilige Geest uit het Christendom. Het is een uiterst abstract begrip en het doet op het eerste gezicht vermoeden dat Hegel een monist is, een erfgenaam van Plotinos. Maar Hegel is juist een erfgenaam van Heraklitos. In zijn Logik (1817) schrijft hij dat er geen woord van Heraklitos is dat hij niet in zijn logica heeft opgenomen. In de negentiende eeuw komt er een heuse Heraklitos-revival op gang. Soms spreekt men zelfs van “neoheraklitisme” en je zou zelfs een lijn kunnen trekken van Hegel, via Nietzsche naar Heidegger. Zoals er voor Heraklitos alleen nog “een worden” bestaat, zo is er voor Hegel een dialectische ontwikkeling waarin de tegenstellingen zich uiteindelijk opheffen.

Het grote gebeuren van de werkelijkheid zélf, het wereldgebeuren waaronder Hegel de wereldgeschiedenis verstaat, wordt volgens hem aangedreven door strijd tussen de tegenstellingen. Daarin zijn de twee uitspraken van Heraklitos terug te vinden: “De tegengestelden hebben elkaar nodig zoals de boog en de pees” en “Oorlog is de vader van alle dingen". De tegenstelling tussen de subjectieve geest (het individu) en de objectieve geest (de wet) lost zich volgens Hegel op in de Absolute Geest. Hegel heeft het Christendom opgeheven en schept nu zelf een nieuwe drie-eenheid: subjectieve geest, objectieve geest en Absolute Geest. In de Absolute Geest plaatst hij vervolgens een hiërarchie die uit drie sferen bestaat: de kunst, de religie en de filosofie. De filosofie overtreft bij Hegel de kunst en de religie. En onder de filosofie verstaat hij natuurlijk zijn eigen filosofie. Denken en zelfgenoegzaamheid gaan soms uitstekend samen en als de staat daar nog bij komt, heb je totalitarisme.

Geen Duits idealisme zonder ethiek [ athenaeum.nl ]

zaterdag 4 februari 2012
de terugkeer van het Duitse Rijk
van Kees gekregen: Van Bismarck tot Hitler (1987)
Het Duitse Rijk 1871-1945 door Sebastian Haffner

Von Bismarck zu HitlerDe Duitse journalist en historicus Sebastian Haffner is samen met zijn Berlijnse stadsgenoot Joachim Fest en de Britse historici Alan Bullock en Ian Kershaw een van de gezaghebbende Hitler-biografen. Net als Joachim Fest (1926-2006) was Sebastian Haffner (1907-1999) een ooggetuige van de ondergang van het Derde Rijk. Een van zijn laatste boeken was Von Bismarck zu Hitler: Ein Rückblick dat in 1987 verscheen. Haffner was niet meer in staat het zelf te schrijven en dicteerde het aan zijn vriend Arnulf Baring en assistent Volker Zastrow in elf lange sessies.

Vijfentwintig jaar later is de Duitse geschiedenis ingrijpend veranderd. Haffner sprak in de inleiding bij zijn terugblik in 1987 over de ondergang van het Duitse Rijk en de twee nieuwe Duitse staten die door de Sovjet Unie en westerse geallieerden in 1949 op de kaart waren gezet. Dat deze nauwelijks vier decennia later zouden worden herenigd in het “Bismarckse” Duitsland van na 1990 had Haffner bij het dicteren van zijn terugblik in 1987 niet voorzien.

Een einde van deze twee nu al bijna vier decennia oude Duitse staten (BRD en DDR) is in ieder geval niet te voorzien.
En juist dit stelt ons in staat om, wat vroeger niet mogelijk was,
het tijdperk van het Duitse Rijk
als door een telescoop te bekijken.

Sebastian Haffner in 1987

Want dat is het lugubere van deze geschiedenis: dat het Duitse Rijk bijna vanaf het begin aan zijn eigen vernietiging lijkt te hebben gewerkt. Met zijn steeds grotere en minder voorspelbare machtsontplooiing schiep het zich de wereld van vijanden aan wie het ten onder is gegaan - en tussen wie het tenslotte gedeeld werd. Met de deling echter hielden deze vijanden als bij toverslag op vijanden te zijn. Van de beide Duitse staten, die sinds 1949 de plaats van het Bismarckse Rijke innemen, had van het begin af aan de Bondsrepubliek in het westen, de DDR in het oosten geen vijand meer. En heden ten dage leven wij in een tijdperk, waarin geleidelijk ook het oosten bij het voortbestaan van de Bondsrepubliek, het westen bij dat van de DDR belang lijkt te hebben. Een einde van deze twee nu al bijna vier decennia oude Duitse staten is in ieder geval niet te voorzien. En juist dit stelt ons in staat om, wat vroeger niet mogelijk was, het tijdperk van het Duitse Rijk als door een telescoop te bekijken.
 
Sebastian Haffner in Von Bismarck zu Hitler. Ein Rückblick (1987)

Haffner stierf in 1999 op 91-jarige leeftijd en had het tijdens zijn leven allemaal meegemaakt: het Duitse Keizerrijk, de Weimar Republiek, het Derde Rijk, de BRD/DDR én het herenigde Duitsland na 1990. Wanneer er in 2012 een terugblik op het Duitse Rijk 1871-1945 geschreven zou worden, zou het herenigde Duitsland dat een nieuw perspectief plaatsen. Een vooruitblik op het Euro Reich van Merkel is nu al geen wilde speculatie meer.

EMU Reich
Euro Reich (2011- ?)
Duitsland is sinds vorig jaar weer terug als dé Europese grootmacht sinds de balans in de as Parijs-Berlijn is doorgeslagen
In der vergangenen Woche hat Deutschland den Zweiten Weltkrieg gewonnen. Ups. Habe ich da was ausgeplaudert?

Georg Diez in Der Spiegel,
11 november 2011

Op 11 november 2011 schreef Georg Diez in Der Spiegel: “In der vergangenen Woche hat Deutschland den Zweiten Weltkrieg gewonnen. Ups. Habe ich da was ausgeplaudert?” Duitsland is sinds vorig jaar weer helemaal terug in het centrum van de Europese macht. Toen Frankrijk zich in 1990 economisch bedreigd voelde door zijn herenigde erfvijand, moest de D-Mark verdwijnen en kwam de Euro ervoor in de plaats. Maar de Euro zou tien jaar na zijn invoering juist de kracht van de Duitse economie op het continent bevestigen en dat hadden de Fransen niet voorzien. De as Parijs-Berlijn heeft de erfvijanden vreedzaam samengebracht, maar nu het zwaartepunt in Berlijn is komen te liggen, is Duitsland weer als grootmacht teruggekeerd in de geschiedenis. De “telescoop” van Haffner uit 1987 kan worden ingeruild voor een “vergrootglas".

Der deutsche Nationalismus, der vor und in den Befreiungskriegen gegen Napoleon entstand, krankte schon zu Beginn an einer “ungeheuren Selbstüberhebung und Selbstanbetung” und zugleich an dem furchtbaren Hass gegen die Franzosen, der zum Beispiel in einem Kleist-Zitat zum Ausdruck kommt: “Schlagt sie tot! Das Weltgericht fragt euch nach den Gründen nicht.” Einerseits wollte man die verhasste Franzosenherrschaft abschütteln, andererseits wirkte Napoleons Stärke auch als Vorbild.
 
Bron: dieterwunderlich.de

Von Bismarck zu Hitler. Ein Rückblick [ dieterwunderlich.de ]

donderdag 26 januari 2012
Menzel & Fritz
Geschichte Friedrichs des Großen (1839-1842) van Adolph Menzel

Adolph von MenzelTussen 1850 en 1852 schilderde Adolph Menzel (1815-1905) het beroemde Flötenkonzert Friedrichs des Großen in Sanssouci van een musicerende Friedrich II temidden van zijn hofhouding. Het schilderij heeft tegenwoordig een ereplaatsje in de Alte Nationalgalerie. De basis voor zijn beroemde schilderij legde hij met zijn illustratiewerk voor Geschichte Friedrichs des Großen (1839-1842). In 1839 kreeg de 24-jarige Menzel van boekhandelaar Weber uit Leipzig de opdracht om vierhonderd (!) illustraties te maken bij een boek over het leven van Frederik de Grote. De jonge Menzel wist zich goed in te leven in de wereld van zijn hoofdpersoon. Met één been bleef hij in de biedermeierzeit staan en met zijn andere been stond hij in de friderizianischen Zeit met zijn uitbundige rococo. De illustraties zijn losjes maar virtuoos getekend en ademen het typisch negentiende eeuwse historisme. In navolging van Leopold von Ranke’s beroemde devies tekende Menzel de wereld van (destijds) honderd jaar geleden wie es eigentlich gewesen war.

Adolph Menzel
Frederik de Grote bij de belegering van Schweidnitz. In het bijschrift staat dat de koning in de strijd zelf de leiding nam.

Menzel’s tekeningen werden door een legertje graveurs voor druk geschikt gemaakt en Geschichte Friedrichs des Großen had veel succes. Pruisen was in de jaren veertig een monarchistische dictatuur en koning Wilhelm Friedrich III (1797-1840) en koning Wilhelm Friedrich IV (1740-1861) waren autocraten die de grondwet steeds hadden afgekeurd. Het Pruisisch nationalisme werd van staatswege gepropageerd. Inwoners van Pruisen mochten er trots op zijn om Pruisisch staatsburger te zijn en dat was genoeg! In dat licht moet ook het boek over Frededrik de Grote gezien worden, als een soort staatspropaganda. Het was immers der Alte Fritz geweest die Pruisen definitief een plaats tussen de Europese grootmachten had bezorgd.

Histoire de l'Empereur NapoleonHistoire de l’Empereur Napoleon
Geschichte Friedrichs des Großen (1839-1842) was het Pruisische antwoord op Histoire de l’Empereur Napoleon van P.-M. Laurentin de l’Ardèche en geïllustreerd door Horace Vernet dat in 1839 verschenen was. Onder de regering van burgerkoning Louis Philippe leefde het Franse zelfbewustzijn weer op en Napoleon werd zelfs gerehabiliteerd. Op 15 december 1840 zou hij met veel machtsvertoon worden bijgezet in de Dome des Invalides. In Pruisen moest er in antwoord op de Napoleoncultus in Frankrijk daarom een heldenverering op gang worden gebracht voor de man die Pruisen groot gemaakt had. Franz Kugler schreef in navolging van l’Ardèche een uitgebreide levensbeschrijving van Frederik de Grote. Adolph Menzel kende de illustraties van Horace Vernet en hij stond voor de opgave deze te overtreffen. Want juist ook de kunstenaars moesten in het nationalistische concert der grootmachten meeblazen.

Adolph Menzel
In het voorjaar van 1774 dreigde er weer oorlog met Oostenrijk en het leger was in staat van hoogste paraatheid gebracht. Maar er kwam geen oorlog meer.

Geschichte Friedrichs des Großen sloeg in als een bom en Menzel was voor zijn dertigste een van de beroemdste illustrators van zijn tijd geworden. Koning Wilhelm Friedrich IV gaf hem zelfs de opdracht een zogenaamde Fürstenausgabe te illustreren van Werken Friedrichs des Großen. Tussen 1843 en 1846 maakte Menzel hier nog eens 200 illustraties voor.

Adolph Menzel hat zu der sogenannten Fürstenausgabe der Werke Friedrichs des Großen, die im Auftrage König Friedrich Wilhelms IV. 1846—1857 in 30 Bänden herausgegeben wurde, 200 Holzschnittzeichnungen geschaffen. Der junge Künstler hatte schon zuvor durch die Holzschnitte zu Kuglers Geschichte Friedrichs des Großen (1. Auflage 1840) seinen Ruhm als Illustrator der friderizianischen Zeit begründet, der er in der Folge den Hauptteil seiner Lebensarbeit gewidmet hat. Er hat der Person des großen Preußenkönigs ihre vermutlich für immer in der Volksanschauung gültige künstlerische Form verliehen. Von der zähen Eindringlichkeit und Gewissenhaftigkeit, mit der er sich das Wesen dieser Epoche zu eigen gemacht hat, legt die wahrhaft ungeheure Zahl seiner Skizzen und Einzelstudien Zeugnis ab. Seine Werke haben durch diese Vorbereitungen die Glaubwürdigkeit zeitgenössischer Illustrationen erhalten.
 
Bron: friedrich.uni-trier.de

Naast Geschichte Friedrichs des Großen en Werken Friedrichs des Großen was Die Armee Friedrichs des Großen in ihrer Uniformierung het derde grote nationalistische Pruisische boek dat Menzel illustreerde. Tussen 1842 en 1857 maakte hij 436 gedetailleerde tekeningen van Pruisische uniformen.

Adolph Menzel
officier van het vierde huzarenregiment
uit: Heerschau der Soldaten Friedrichs des Großen, 1842-1852

adolph-menzel-gesellschaft.de | meer over Adolph Menzel op deze blog

zondag 15 januari 2012
gewoon? zichzelf?
zaterdagnacht gezien: Capote (2005)

CapoteIk zal niet de enige geweest zijn die bij Philip Seymour Hoffman’s briljante vertolking van Truman Capote moest denken aan Marc-Marie Huijbregts. De overeenkomsten zijn opvallend. Net als Andy Warhol werd Truman Capote een stijlicoon door zichzelf te cultiveren (lees: aan te dikken). Een gekke stem, een raar pak, een vreemde motoriek. Allemaal een pose zou je denken. Maar authenticiteit toont haar gezicht juist daar waar de afwijkingen in het oog springen. Speelt Capote (of Warhol) nu steeds een rol voor de media of is hij gewoon zichzelf?

Imitators lijken de authenticiteitsvraag eenduidig te beantwoorden. Zij zijn immers de vleesgeworden pose. Philip Seymour Hoffman kreeg voor zijn rol als Truman Capote de Oscar voor de beste mannelijke hoofdrol. Zijn inleving bleek zo echt dat de filmproducent trots vermeldt: Philip Seymour Hoffman = Truman Capote. Kunnen we dat ook van Marc-Marie Huijbregts zeggen? Nee, Marc-Marie Huijbregts = Marc-Marie Huijbregts maar doet wel sterk aan Truman Capote denken. Voor een deel (zijn zware brilmontuur) is dat misschien opzet, maar voor een ander deel (zijn hoge stem) komt het omdat Marc-Marie Huijbregts en Truman Capote van nature al op elkaar lijken. Authenticiteit is iets raadselachtigs. Omdat authenticiteit ons allen toebehoort, zijn er gelijkenissen mogelijk en is tegelijkertijd ieder mens uniek.

Ever since I was a child, folks have thought they had me pegged, because of the way I am, the way I talk. And they’re always wrong.

Philip Seymour Hoffman
als Truman Capote in: Capote (2005)

Capote’s debuutroman Other Voices, Other Rooms (1948) was direct een groot succes en werd een bestseller. Het boek stond meer dan negen weken bovenaan de literatuurlijst van de New York Times. Na Other Voices, Other Rooms volgden er meer werken. Breakfast at Tiffany’s was een succes, evenals In Cold Blood, een ‘non-fictie roman’ over een brute moord op een gezin in Holcomb, Kansas. Capote dook diep in de zaak en sprak met iedereen die te maken had met de zaak, waaronder de twee, ter dood veroordeelde, moordenaars. Hij raakte bevriend met de moordenaars waardoor het voor hem zeer moeilijk werd om het boek af te maken. Dit conflict was de basis voor een verfilming van deze periode in zijn leven: Capote uit 2005. Capote wordt in deze film gespeeld door Philip Seymour Hoffman, die voor zijn rol een Oscar kreeg als beste acteur.
 
Bron: nl.wikipedia.org
donderdag 22 december 2011
de oorsprong van het kunstwerk
eergisteren gekocht: De oorsprong van het kunstwerk
van Martin Heidegger

HeideggerIn de reeks Kleine Klassieken geeft uitgeverijboom.nl een aantal invloedrijke grondteksten uit van bekende filosofen. De boekjes tellen iets meer dan honderd bladzijden, worden kort ingeleid en zijn fraai vormgegeven. Omdat ik mij afgelopen jaar in het leven van Martin Heidegger verdiept heb, vond ik dat het wel eens tijd werd om eens een grondtekst van hem te lezen en daarom kocht ik dinsdag dit boekje met daarin Der Ursprung des Kunstwerkes ingeleid door zijn leerling Hans Georg Gadamer. Tussen kerst en oudjaar ga ik me samen met Heidegger eens verdiepen in de oorsprong van het kunstwerk.

Kunstenaar en werk zijn ieder voor zich en in hun onderlinge relatie krachtens een derde dat het eerste is, namelijk krachtens datgene waar kunstenaar en kunstwerk hun naam aan ontlenen: de kunst

De Nederlandse vertaling werd gemaakt door Mark Wildschut, die ook de vuistdikke biografie Ein Meister aus Deutschland. Heidegger und seine Zeit (1994) van Rüdiger Safranski heeft vertaald. Oorspronkelijk was deze zeventig pagina’s lange tekst een voordracht die Heidegger hield op 13 november 1935 voor de Kunstwissenschaftliche Gesellschaft in Freiburg. In 1949/1950 werd een bewerking opgenomen in de bundel Holzwege. Daarna verschenen er in 1960 en 1989 nog eens twee bewerkingen. Er zijn dus drie versies van Der Ursprung des Kunstwerkes in omloop. De Nederlandse vertaling baseert zich op de versie in de Gesammtausgabe.

uitgeverijboom.nl

zaterdag 10 december 2011
lekker plat
Platter & dikker van H.J.A. Hofland en Roel Visser

Platter & DikkerDat de massacultuur steeds grover en platter wordt, is dagelijks te registreren. Massacultuur is de cultuur van de grootste gemene deler en misschien per definitie wel grof en plat. De meerderheid legt het meeste gewicht in de schaal en laat de balans overhellen. Je hoeft maar een volks tafereel van Jan Steen te bekijken om te zien dat vierhonderd jaar geleden ook alles al naar het laagste punt stroomde. De wereld is niet minder plat en grof dan vroeger. Toch waren in het verleden hoge cultuur en plat volksvermaak nog enigszins van elkaar gescheiden. De hogere standen, de burgerij en de middenklasse lieten zich doorgaans niet in met poep-en-pies-vermaak. Honderd jaar geleden gingen de rijken naar het theater en niet naar de bioscoop. Film was voor Jan met de pet. Maar in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn de grenzen onder invloed van de televisie diffuus geworden. En sinds de komst van internet en interactieve televisie is tegenwoordig werkelijk álles on demand geworden. Voor porno hoef je niet meer de deur uit. Elk computerscherm is de etalage van de sexshop geworden die je vroeger in obscure steegjes moest binnenglippen.

De dikke tokkie met tatoeages is juist onder hogeropgeleiden populair. Het lijkt wel liefde, maar in werkelijkheid is het meer een slecht huwelijk tussen exhibitionisme en leedvermaak.

billboardDe lagere behoeftes dringen zich steeds meer aan ons op. En niemand hoeft zich er meer voor te schamen. Studenten en hogeropgeleiden kijken naar O o cherso omdat het zo lekker plat is. De dikke tokkie met tatoeages is juist onder hogeropgeleiden populair. Het lijkt wel liefde, maar in werkelijkheid is het meer een slecht huwelijk tussen exhibitionisme en leedvermaak. De oude Hochkultur wordt verzwolgen door een massacultuur die steeds platter en schaamtelozer wordt. Iemand als Alessandro Baricco maakt zich in zijn boek De Barbaren geen zorgen over de toenemende oppervlakkigheid. Maar de nestor van de Nederlandse journalistiek Henk Hofland denkt er in Platter & dikker anders over.

Wat is er mis in Nederland? De nieuwe rijken etaleren als nooit tevoren hun bezittingen, obesitas is de nieuwe volksziekte en agressie en geweld zijn normale aspecten van het dagelijks leven.’De nieuwe mens is overal. Hij is dikker. Hij praat harder en vlugger maar niet duidelijker. Hij steekt zijn middelvinger op, hij is eerder bereid een medemens uit te schelden, op zijn gezicht te slaan. Hij zal iedereen laten weten dat hij hier op aarde is. Respect!’
 
In een lang essay fileert H.J.A. Hofland deze nieuwe nationale cultuur. Fotograaf Roel Visser struinde met zijn camera langs voetbalvelden, snackbars, Miljonairs Fairs en strandtenten en maakte verontrustende foto’s. In een dubbelessay nemen journalist Henk Hofland en fotograaf Roel Visser de excessen van de welvaart onder de loep. Een confronterend boek over heb- en vraatzucht, over hufterigheid, agressie, consumentisme en exhibitionisme.
 
Bron: lubberhuizen.nl
vrijdag 9 december 2011
Gangsters, Jazz & Hollywood
drie boeken met illustraties van Robert Nippoldt

In de nieuwe catalogus van Taschen kwam ik voor het eerst pentekeningen tegen van de Duitse illustrator Robert Nippoldt. Op internet vond ik daarna drie geïllustreerde boeken waarmee hij in Duitsland naam gemaakt heeft. Zijn laatste boek heet Hollywood in den 30er Jahren en verscheen dit jaar.

Robert Nippoldt
Robert Nippoldt
Gangsters, Jazz & Hollywood

Zijn heldere en grafische stijl doet me enigszins denken aan de ‘grafische vertalingen’ van foto’s in staalgravures die in de tweede helft van de 19e eeuw aan de lopende band gemaakt werden. Vaak is het te machinaal en te weinig bezield. Maar de passie voor glamour fotografie uit de jaren dertig deel ik helemaal. De subtiele zwart-witfotografie met uitgebalanceerde belichting en vele grijstonen zijn vaak om je vingers bij af te likken. Nippoldt kon gebruik maken van de collectie vintage Hollywood glamourfoto’s van verzamelaar Daniel Kothenschulte. De illustraties zijn van foto’s overgetrokken maar overtuigend gestyleerd. In de composities zit veel witruimte en in combinatie met de klare lijnen doen deze soms aan Japanse houtsneden denken.

Clark Gable
Toen ik Nippoldt’s boek “Hollywood in den 30er Jahren” ontdekte, was ik zelf bezig met een paar portretten van Clark Gable in oostindische inkt en acrylverf als basis voor een definitieve schildering in olieverf.
Robert Nippoldt wurde 1977 in Kranenburg am Niederrhein geboren. Nach der Schule verirrte sich der Richtersohn kurz in den Rechtswissenschaften, bevor er im Sommer 1999 nach Münster kam, um dort an der Fachhochschule Grafik und Illustration zu studieren. Sein Diplombuch Gangster. Die Bosse von Chicago fand gleich einen Verleger, und Nippoldt konzentrierte sich fortan auf die Buchkunst. Nach zwei jähriger Arbeit erschien im Herbst 2007 sein zweites Buch Jazz im New York der wilden Zwanziger, das von der Stiftung Buchkunst zum schönsten deutschen Buch 2007 gekürt wurde. Nippoldts Arbeiten wurden in zahlreichen Ausstellungen u.a. in Berlin, Darmstadt, Essen, Frankfurt, Leipzig und München gezeigt. Seine Serigrafien sind käuflich erhältlich. Wenn er nicht gerade schnorchelt oder versucht seine Gitarre zu stimmen, zeichnet er vermutlich im Moment in seinem Atelier am alten Güterbahnhof von Münster.
 
Bron: shop.fr-online.de

nippoldt.de

donderdag 8 december 2011
smullen van kannibalenverhalen
zondag gezien op Nederland 2: O’Hanlons Helden

Remond o'HanlonRedmond O’Hanlon doet mij soms denken aan zijn landgenoot Roald Dahl. Beiden delen een voorliefde voor het lugubere en onsmakelijke detail. In de tweede aflevering van O’Hanlons Helden laat hij een talisman zien die hij meegebracht heeft van zijn laatste reis door Congo. Het is een klein dichtgenaaid buideltje en O’Hanlon verklapt ons iets over de inhoud. Er zit een afgehakt kindervingertje in en O’Hanlon draagt het aan een touwtje om zijn nek. Een kindervingertje brengt geluk in Afrika. O’Hanlon verzekert ons dat het geen kwaad kan, want er sterven dagelijks zoveel kinderen in Afrika en de ‘onderdelen’ worden door fetisj-priesters weer gebruikt voor talismannen. Een normale zaak in Afrika.

Later in de uitzending blijkt dat er in Gabon vooral in de verkiezingstijd opvallend vaak kinderen ‘verdwijnen’ en later gruwelijk verminkt worden teruggevonden. Wat blijkt? De rijke Gabonezen geloven nog altijd in de bovennatuurlijke kracht van de talisman. Tijdens de verkiezingstijd is de macht van het woord natuurlijk erg belangrijk. Men gelooft nu dat het eten van een kindertong de welsprekendheid bevordert. Redmond O’Hanlon is vol afkeer over deze verschrikkelijke praktijken. Het is jammer dat hij niet even terugkomt op zijn eigen talisman. Of heeft hij daar nu maar afstand van gedaan?

Terwijl de kannibalen in Afrika van mensen smulden, smulde men in de beschaafde wereld weer van verhalen over menseneters.

De Fransman Paul Belloni du Chaillu was halverwege de negentiende eeuw afgereisd naar de binnenlanden van Gabon. Als eerste blanke had hij oog in oog met gorilla’s en kannibalen gestaan. Over zijn ontdekkingsreis had hij een boek geschreven en in 1861 was er een Engelse vertaling verschenen. Terwijl de kannibalen in Afrika van mensen smulden, smulde men in de beschaafde wereld weer van verhalen over menseneters. Explorations & adventures in equatorial Africa uit 1861 werd een bestseller. O’Hanlon neemt op zijn reis door Gabon een exemplaar mee en toont ons een gravure uit het boek. Het is een afbeelding van een gorilla, de eerste uit de geschiedenis.

Du Chaillu 1861 Du Chaillu 1861
Titelblad en plaat uit: Explorations & adventures in equatorial Africa 1861

In de twintigste eeuw is in de etnografie en de antropologie het cultuurrelativisme in de plaats gekomen van het Europacentrisme. We leren nu dat alle culturen gelijkwaardig zijn en dat onze westerse cultuur niet verheven is boven andere culturen. Ook heeft het woord primitief in de bovengenoemde wetenschappen een andere betekenis gekregen. In de negentiende eeuw beschouwde de volkenkunde primitief als onderontwikkeld, onbeschaafd en achterlijk. Maar door het cultuurrelativisme is de normatieve betekenis van het woord primitief omgebogen naar ‘oorspronkelijker’ en ‘natuurlijker’. De afgrijselijke praktijken van het animisme waarin kinderen vermoord en verminkt worden, zouden volgens het krampachtige cultuurrelativisme niet onbeschaafd, barbaars of achterlijk zijn, maar anders.

programma.vpro.nl/ohanlonshelden

woensdag 30 november 2011
Russisch drama [ 3 ]
gelezen in Anna Karenina en gekeken naar een verfilming uit 1997

Anna Karenina 1997Aanvankelijk werd Anna Karenina door de meeste critici afgekeurd als een romantisch niemendalletje over de Russische high society. Met een oppervlakkige blik lijkt dat ook zo. Het boek is echter zo rijk gelaagd dat het zijn genre overstijgt. Net als The Age of Innocence van Edith Wharton is Anna Karenina een zedenschets van de upper class aan het einde van de negentiende eeuw met een scherpe kritiek op de dubbele huwelijkse moraal. Maar Tolstoj heeft in zijn grote roman ook zijn eigen filosofie en een cultuurkritiek verwerkt en ik zie daarbij een duidelijke overeenkomst met het gedachtengoed van Martin Heidegger. Net als Tolstoj beschouwde Heidegger het boerenbestaan als meer authentiek dan het kosmopolitische leven in de stad. Das Gerede (het gepraat) was voor Heidegger een kenmerk van de “oneigenlijkheid” en van de “zijnsvergetelheid". De zwijgzame boer was voor Heidegger niet alleen meer met de natuur verbonden, maar ook meer met het Zijn. Dat zien we ook heel sterk in het leven van Tolstoj, die zich na zijn vijftigste steeds meer met de Russische boer ging identificeren en in zichzelf een down-to-earth spiritualiteit ontsloot.

Net als Tolstoj beschouwde Heidegger het boerenbestaan
als meer authentiek dan het kosmopolitische leven in de stad

Naast het liefdespaar Anna en Wronski, volgen we ook Ljewin en Kitty. Ljewin is naast Anna de hoofdpersoon van het boek omdat hij de spreekbuis van Tolstoj is. We leren hem kennen als iemand uit een andere wereld, een grootgrondbezitter die dichter bij de boeren staat dan bij de high society in Sint Petersburg. In de karakters van Ljewin en Vronski contrasteert het platteland met de stad. In de ogen van de stedeling is het platteland saai, want er zijn geen ‘verfijnde conversaties’. Maar Ljewin, die een boerenziel koestert, ziet die ‘verfijnde conversaties’ vooral als de producten van opgeblazen ego’s.

Russian Ark
Tolstoj had hekel aan de dubbele huwelijksmoraal van de Russische aristocratie en aan het vele lege gepraat in de hogere kringen. [still uit Russian Ark]

In Anna Karenina komt in het begin van het boek een passage voor waarin de landeigenaar Konstantin Dimitrijewitsj Ljewin (Tolstoj’s alter ego) in de familiekring van Kitty op bezoek is en door de stedelingen ondervraagt wordt. De gastvrouw, gravin Nordston, stelt Ljewin voor met de woorden: “Konstantin Dimitrijewitsj veracht en ontvlucht de stad en ons stedelingen.” Daarna brengt gravin Norston het gesprek op de nieuwste mode in de stad: spiritisme. “Boeiend! Het bovennatuurlijke is nieuw voor mij” is Vronski’s eerste reactie. Wat voor de boer eeuwenoud (bij)geloof is, is voor de stadse mens spannende en eigentijdse wetenschap geworden.

Het gesprek was op klopgeesten en tafeldans gekomen, en gravin Nordston, die aan spiritisme geloofde, begon van wonderlijke gevallen te vertellen, die zij had bijgewoond.
“Ach gravin, dat moet ik beslist zien; ik verzoek u, neemt u mij eens mee! Ik heb nog nooit iets bovennatuurlijks gezien, ofschoon ik er overal naar zoek", zei Wronski glimlachend.
“Nu, goed dan, zondagavond", antwoordde gravin Nordston, “En u, Konstantin Dimitrijewitsj, gelooft u eraan?” wendde zij zich tot Ljewin.
“Waarom vraagt u mij dat? U weet toch wat mijn antwoord is.”
“Toch zou ik graag uw mening horen.”
“Mijn mening is", antwoordde Ljewin, “dat al die tafels bewijzen, dat onze hogere milieu’s niet hoger staan dan de boeren. De boeren geloven aan de kwade hand, aan het beheksen van het vee, aan gedaanteverwisseling, en wij…”
“Dus u gelooft er niet aan…”
“Ik kan er niet aan geloven, gravin.”
“Maar als ik het nu toch met eigen ogen gezien heb.”
“De boerenvrouwen vertellen ook, dat zij met hun eigen ogen huisgeesten gezien hebben.”
“U denkt dus, dat ik onwaarheid spreek?” vroeg ze en lachte geërgerd en geprikkeld.
“Neen, neen, Masja; Konstantin Dimitrijewitsj zegt toch slechts, dat hij er niet aan kan geloven", zei Kitty en kleurde terwille van Ljewin; deze, dit bemerkend, wilde juist, nu nog meer geprikkeld, een antwoord geven, toen Wronski met zijn prettige glimlach te hulp kwam en het gesprek, dat gevaarlijk werd, terug op de goede baan bracht.
“Ontkent u dan elke mogelijkheid?” vroeg hij. “Maar waarom? Wij geven toch het bestaan toe van elektriciteit, al kennen wij ze niet, waarom zou er niet een nieuwe, ons geheel vreemde kracht kunnen bestaan, die…
 
uit: Anna Karenina, eerste deel

Anna Karenina (1997) van Bernard Rose [ en.wikipedia.org ]

zaterdag 5 november 2011
hoogste tijd
vrijdagnacht gezien op Nederland 2: Hoogste Tijd (1995)

Vanwege het overlijden van Rijk de Gooyer zond de AVRO vrijdagnacht onverwacht de speelfilm Hoogste Tijd uit van Franz Weisz naar een boek van Harry Mulisch en een script van Jan Blokker en met Rijk de Gooyer in de hoofdrol. De Gooyer won er dat jaar Het Gouden Kalf voor en deed zijn naam eer aan door het beeldje uit het raam van de taxi te gooien.

Rijk de Gooyer als Willem BouwmeesterMulisch’ roman Hoogste Tijd en Weisz’ film handelen rond de oude revue-artiest Willem Bouwmeester, voor vrienden Uli, een telg uit het grote acteursgeslacht van de Bouwmeesters. Een zwart schaap, die nimmer aan de verwachtingen kon voldoen, consequent de verkeerde keuzes maakte en zijn kansen verspeelde. Hij bleef hangen in het variété-werk, speelde in de oorlog als lid van de Kultuurkamer enkele grotere rollen in operettes waarvoor hij later opgepakt werd, en zag zijn bezigheden na de oorlog gereduceerd tot wat onbeduidende bijrolletjes, hoorspelen en figuratie. Met zijn zuster Berta (een sterke Kitty Courbois) slijt hij zijn oude dag in een slaapstad tot op een dag de regisseur (Josse de Pauw) en zakelijk leider (Mark Rietman) van het toneelgezelschap Het Auteurstheater zich melden. Bouwmeester krijgt de hoofdrol aangeboden in het stuk Noodweer, dat gaat over de gevierde acteur Pierre de Vries die zich in 1904 opmaakt voor een laatste optreden in zijn afscheidsvoorstelling De Storm van Shakespeare.
 
Bron: dbnl.org
woensdag 2 november 2011
Carl Otto Czeschka
de illustrator van Die Nibelungen (1908)

Die NibelungenDoor Die Nibelungen van Fritz Lang kwam ik het werk van de Oostenrijks-Tsjechische kunstenaar Carl Otto Czeschka op het spoor. In 1908 had hij illustraties gemaakt bij Die Nibelungen in de stijl van de Wiener Secession. Deze variant van de Jugendstil loopt door zijn geometrische patronen en strakke uitstraling vooruit op de Art Deco in de jaren twintig. De art directors van Die Nibelungen (1924) kozen Czeschka’s illustraties als uitgangspunt voor de vormgeving van de filmset en de kostuums.

bladeren door Die Nibelungen 1908

het Nibelungenlied [ kunstgeografie.nl ]

zaterdag 22 oktober 2011
Dem Deutschen Volke zu eigen
gezien: Die Nibelungen 2. Teil Kriemhilds Rache (1924)
gelezen: Die Deutschen und ihre Mythen (2010) van Herfried Münkler

Kriemhilds Rache Die Nibelungen werd opgenomen in de UFA studio in Neubabelsberg tijdens de hyperinflatie van 1922-1923. Toen de film in 1924 in de bioscoop verscheen, was de Weimar Republiek wat stabieler geworden. Kriemhilds Rache, het tweede deel van Die Nibelungen begint na de dood van Siegfried de drakendoder. Zijn vrouw Kriemhilde is vastberaden zich te wreken op Siegfrieds moordenaar Hagen Tronje. Deze is een vazal van haar broer, koning Günther van Bourgondië en wordt door hem beschermd. Om haar wraak te kunnen uitvoeren, trouwt ze met Etzel de koning der Hunnen.

Kriemhilds Rache begint met de tekst “Dem Deutschen Volke zu eigen”. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het Duitse volk hier vereenzelvigd wordt met Kriemhilde. Hoewel regisseur Fritz Lang nooit enige sympathie voor het nationaal socialisme heeft gehad en in 1933 zelfs het land verliet, was er in de jaren na de Eerste Wereldoorlog onder de Duitse bevolking een collectieve haat tegenover het Verdrag van Versailles. Velen meenden dat Duitsland in 1918 op het punt zou hebben gestaan de oorlog te winnen, maar door links was verraden. Ze spraken over de dolkstoot in de rug. Hier is een parallel met het Nibelungenlied waarin Siegfried door zijn eedgenoot Hagen met een speer in de rug wordt gedood. Kriemhilde is vastberaden om zich op Hagen te wreken.

Als wir versammelt waren, traf Ludendorff in unsere Mitte, sein Gesicht von tiefsten Kummer erfüllt, bleich, aber mit hocherhobenem Haupt. Eine wahrhaft schöne germanische Heldengestallt. Ich mußte an Siegfried denken mit der tödlichen Wunde im Rücken von Hagens Speer.

Oberst von Thaer, 1918

Margarete Schön als Kriemhilde
linksboven Hans Adalbert Schlettow als Hagen en Margarete Schön als Kriemhilde

Margarete Schön (1895-1985) speelt als Kriemhilde een ijzersterke rol doordat ze nauwelijks haar gezicht vertrekt. Met zwart omrande grote ogen lijkt ze versteend van haat. Het is een mythisch en krachtig beeld dat in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog onmiddellijk herkend werd. Herfried Münkler schrijft in Die Deutschen und ihre Mythen het volgende :

Die Dolchstoßlegende, wie man die Behauptung genannt hat, das vom Feind unbezwungene Heer sei durch die Revolution in der Heimat gemeuchelt worden, ist eine neue Wendung auf den Deutschen Nibelungenfluchs. Bereits am 1. Oktober 1918, also noch vor Beginn der Revolution in Deutschland, notierte Oberst von Thaer: “Als wir versammelt waren, traf L(udendorff) in unsere Mitte, sein Gesicht von tiefsten Kummer erfüllt, bleich, aber mit hocherhobenem Haupt. Eine wahrhaft schöne germanische Heldengestallt. Ich mußte an Siegfried denken mit der tödlichen Wunde im Rücken von Hagens Speer.”
 
Bron: Die Deutschen und ihre Mythen, blz. 97 (Rowolt Verlag, Hamburg 2010).
Kriemhilds Rache (1924)
Fritz LangOnterecht word Fritz Lang er dikwijls van beschuldigd nationalistische en zelfs fascistische ideologieën te verkopen in zijn vroege films. Zelf maakte hij er gedurende zijn hele leven een erezaak van dit ten sterkste te ontkennen, met als sterkste argument de Joodse afkomst van zijn moeder. Met zijn films uit de jaren ‘20 wou hij naar eigen zeggen een drievoudig portret schetsen van de Duitser: ‘Met Der Müde Tod wou ik de romantische Duitser tonen, met Mabuse Der Spieler, de eigentijdse Duitser na de gruwel van de eerste wereldoorlog, en met Die Nibelungen de heroïsche Duitser. Maar nooit heb ik hiermee de Duitser tot een soort supermens willen uitroepen.’
 
Bron: kutsite.com

Die Nibelungen (I en II) integraal

vrijdag 21 oktober 2011
beeld van de Middeleeuwen
de vormgeving van Die Nibelungen (1924)

In The Haunted Screen stelt Lotte H. Eisner dat de Duitse expressionistische film een erfgenaam is van de Duitse Romantiek. Das Kabinett des Doktor Caligari (Wiene 1919) en Nosferatu, eine Symphonie des Grauens (Murnau 1922) zijn erfgenamen omdat het griezelverhaal een voortbrengsel is van de Duitse Romantiek. Der Rattenfänger von Hameln (Wegener 1918) is een erfgenaam omdat er sinds de Romantiek sprookjes bestaan. En Die Nibelungen (Lang 1924) is een erfgenaam omdat de Middeleeuwen sinds de Romantiek het decor zijn voor een romantische vlucht uit het alledaagse.

Siegfried's dood
Julius Schnorr van Carolsfeld
Siegfrieds Tod, 1847
Siegfried's dood
Siegfrieds Tod in Die Nibelungen 1924

Filmpioniers als Paul Wegener en Fritz Lang maakten voor hun mis-en-scene dankbaar gebruik van schilderijen uit de 19e eeuw. Lang’s art director Otto Hunte en zijn assistenten Erich Kettelhut en Karl Vollbrecht interpreteerden de Butzenscheibenromantik op een eigen manier. Na de Eerste Wereldoorlog was er een nieuwe wereldorde ontstaan waarvan het modernisme het gezicht was. Alle overbodige franje werd afgesneden. Zoals de oorlog tot op het bot gegaan was, zo ging het modernisme ook tot op het bot. Vormen werden tot hun essentie teruggebracht. De vormgeving in de film ligt dichter bij de art deco dan bij de Middeleeuwen. Eigenlijk is de vormgeving een mengeling van Middeleeuwen en Sezession. Het modernisme keek met nieuwe ogen naar de Middeleeuwen én naar het beeld van de Middeleeuwen uit de Romantiek.

Kriemhild enHagen
Kriemhild wijst Hagen aan als de moordenaar van Siegfried (schilderij van Emil Lauffer, 1881)
Kriemhild en Hagen
dezelfde scene in Die Nibelungen 1924

Regisseur Fritz Lang bewonderde de Oostenrijkse schilder Gustav Klimt, een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Wiener Sezession een stijl die vlak vóór 1900 als een nuchtere vorm van Jugendstil was ontstaan. De kostuums in de film met dwarrelende blokjes, driehoeken en concentrische cirkels zijn rechtstreeks door de Sezession geïnspireerd. Op zijn beurt heeft de Sezession zich in zijn sobere strengheid en frontaliteit laten inspireren door de Byzantijnse kunst. Door zijn sobere en strenge vormgeving ademen de decors in Die Nibelungen de geest van een niet geromantiseerde, kale Middeleeuwen.

Kriemhilde
De verschijning van Kriemhilde is geïnspireerd door Pallas Athene (1898) van Gustav Klimt
donderdag 20 oktober 2011
wonderlijke schaduw in Plato’s grot
gekocht: The Haunted Screen (1952) van Lotte H. Eisner

In 1985 zag ik voor het eerst een Duitse expressionistische film. Nosferatu, eine Symphonie des Grauens uit 1922 draaide in het Filmmuseum in Amsterdam met live begeleiding op de piano. In de flakkerende beelden uit een stomme schimmenwereld brak voor mij toen een andere werkelijkheid door. Dit is wat de Frans-Duitse filmcritica Lotte H. Eisner moet hebben bedoeld met de titel van haar boek l’ Ecran Démoniaque, in het Engels vertaald als The Haunted Screen. Film als een wonderlijke schaduw in Plato’s grot. En vanuit de orkestbak wordt aan de stille spookbeelden extra stemming toegevoegd.

Siegfried 1924
still uit Die Nibelungen 1. Teil (1924)
Otto Hunte en zijn assistenten Erich Kettelhut en Karl Vollbrecht ontwierpen niet alleen de architectuur maar ook de landschappen voor deze film. De woestijnachtige rotsen in dit artificiële landschap doen aan versteende lichamen denken. In de expressionistische film is de wereld op een of andere manier behekst.
The Haunted Screen demonstrates the connection between German Romanticism and the cinema through Expressionist writings.
The Haunted ScreenThe Golden Age of German cinema began at the end of the First World War and ended shortly after the coming of sound. From The Cabinet of Dr. Caligari onwards the principal films of this period were characterized by two influences: literary Expressionism, and the innovations of the theatre directors of this period, in particular Max Reinhardt. The Haunted Screen demonstrates the connection between German Romanticism and the cinema through Expressionist writings. It discusses the influence of the theatre: the handling of crowds; the use of different levels, and of selective lighting on a predominately dark stage; the reliance on formalized gesture; the innovation of the intimate theatre. Against this background the principal films of the period are examined in detail. The author explains the key critical concepts of the time, and surveys not only the work of the great directors, such as Fritz Lang and F. W. Murnau, but also the contribution of their writers, cameramen, and designers.
 
Bron: amazon.com
Otto Hunte
ontwerp voor een landschap in Die Nibelungen van Otto Hunte

Lotte H. EisnerBekannt ist Lotte H. Eisner vor allem durch ihr berühmtes Buch „Die Dämonische Leinwand“, über den expressionistischen deutschen Stummfilm, insbes. Max Reinhardt. Das Buch erschien 1952 – in einer verstümmelten Fassung – zuerst auf Französisch, 1955 dann auf Deutsch. Ihre 1964 auf Französisch veröffentlichte Monographie über Friedrich Wilhelm Murnau brauchte immerhin 15 Jahre bis zu einer vollständigen deutschen Ausgabe (die Ausgabe von 1967 im Velber Verlag ist stark gekürzt). Ihr profundes Buch über Fritz Lang erschien zuerst 1976 in einer dürftigen und gekürzten englischen Übersetzung, 1984 in einer vorzüglichen französischen Ausgabe und hat es bisher immer noch nicht zu einer deutschen Ausgabe gebracht und das, obwohl die ursprüngliche Fassung - auch aus Rücksicht auf Fritz Lang - auf Deutsch verfasst wurde. (Bron: de.wikipedia.org)

The Haunted Screen [ books.google.com ]

zaterdag 15 oktober 2011
connected / disconnected
gelezen in Diagnose van onze tijd (1947) van Karl Mannheim

Karl MannheimAfgelopen week las ik in de krant de reactie van een vijftienjarige jongen op de tijdelijke uitval van de Blackberries. “Mijn hele sociale leven ligt ineens plat!” Vooral voor jonge mensen geldt steeds meer “to be connected or not to be connected.” Een griezelige werkelijkheid.

Gisteren las ik een essay van de Joods-Hongaars socioloog Karl Mannheim dat hij in 1943 in ballingschap in Engeland schreef en dat als een hoofdstuk in Diagnosis of our time gepubliceerd werd. Al in 1947 verscheen een Nederlandse vertaling. Als je Mannheim’s analyse leest van Hitler’s sociale strategie, lopen de rillingen over je rug. De sociale media die nu vooral de jeugd hebben ingesponnen, zijn voor een toekomstige dictatuur waarschijnlijk hét middel om individuen en groepen te isoleren en te manipuleren.

De mens die aan zichzelf wordt overgelaten, kan geen weerstand meer bieden. Daar zijn groepsbanden hem steun, zekerheid en erkenning geven (…) maakt de doorbreking van deze banden hem hulpeloos.

Karl Mannheim, 1943

Hitler heeft een nieuwe methode uitgevonden, die de Nazi-groep-strategie genoemd zou kunnen worden. Het voornaamste punt van Hitler’s psychologische strategie is, dat hij zich nooit tot het individu richt als afzonderlijke persoon, maar altijd als lid van een sociale groep. Wat Hitler instinctief doet, is in overeenstemming met de ontdekkingen van de moderne sociologie, namelijk dat de mens het gemakkelijkst kan worden beïnvloed via zijn bindingen aan zijn groep. En wat nog belangrijker is, zijn reacties verschillen naar de bijzondere groep, waarin hij verkeert. De mens gedraagt zich verschillend in de familie, in de club, in het leger, in het zakenleven, of als burger in het algemeen.
(…)
Hitler weet instinctief dat, zolang de mensen in hun eigen sociale groepen worden beschermd, zij immuun zijn voor zijn invloed. Het verborgen doel van Hitler’s strategie is daarom de weerstand van de individuele geest te breken door het desorganiseren van groepen, waartoe deze individuen behoren. Hij weet, dat een mens zonder groepsbanden is als een krab zonder schaal. Deze desorganisatie, evenals zijn blitz-tactiek in de oorlog, moet zowel snel als hevig zijn.
 
Diagnose van onze tijdIn dit stadium beginnen de demoralisatie en de desintegratie der sociale groepen invloed uit te oefenen op het individu. En wat belangrijker is, op zeer grote aantallen van individuen tegelijkertijd. De psychologische verklaring van dit feit is eenvoudig deze, dat de mens die aan zichzelf wordt overgelaten geen weerstand meer kan bieden. Daar zijn groepsbanden hem steun, zekerheid en erkenning geven, om niet te spreken van de waardevolle banden van vriendschap en vertrouwen, maakt de doorbreking van deze banden hem hulpeloos. Hij gedraagt zich als een kind, dat verdwaald is of de persoon is kwijtgeraakt, die het liefheeft, en voelt zich als gevolg daarvan onzeker om iedereen aan te klampen, die voorbij komt.
 
Het is een feit, dat de desintegratie van de groep de tendentie heeft gevolgd te worden door een morele bezwijking van het morele geweten van het individu. Hij wordt verleid tot het volgen van gedachtegangen als deze: “Per slot van rekening kan alles, wat ik tot dusver geloofd heb, verkeerd zijn. Het zou wel eens waar kunnen zijn, dat het leven niets anders is dan een strijd om het bestaan en om macht. De keus voor mij is, óf een martelaar te worden, óf mij bij de nieuwe orde aan te sluiten. Misschien kan ik daarvan een belangrijk lid worden. Bovendien, als ik mij vandaag niet aansluit, kan het morgen al te laat zijn.”
 
uit: Hoofdstuk VI Nazi-groep-strategie (1943)

Diagnosis of our time [ books.google.com ]

woensdag 12 oktober 2011
vervreemding
gisteren begonnen aan Vreemdgang
Filosoferen aan de grens, door Jan van Riessen

Van RiessenVorige week overleed de man die ons het iLife heeft ‘geschonken’. Als James Watts, de uitvinder van de stoommachine, de vader van de industriële revolutie is, dan maakt Steve Jobs een goede kans om definitief de geschiedenis in te gaan als de vader van de digitale revolutie. De bijna bovenmenselijke status die Jobs krijgt toegedicht, toont aan dat het vooruitgangsgeloof in de postmoderne tijd nog altijd springlevend is en dat zeer velen nog altijd hun hoop gevestigd hebben op een technologische utopie, die de visionaire en pragmatische Jobs voor Apple geclaimd heeft onder de naam iLife. In Vreemdgang. Filosoferen aan de grens betoogt Jan van Riessen o.a. dat Utopia in onze postmoderne tijd niet door een religie of politieke ideologie wordt gepredikt maar door de technocratie.

In dit boek staat de vraag centraal hoe de dreigende dehumanisering en vervreemding langs filosofische weg opgeheven kunnen worden. Dit begint met de terugkeer naar de grenzen die we in onze vooruitgangsdrift overschreden hebben. Die grenzen worden bepaald door de eindigheid als het wezenskenmerk van de gegeven werkelijkheid. Alleen in de bedding van die werkelijkheid is het scheppen van een eigen, humane leefwereld weer mogelijk.
 
Bron: filosofiemagazine.nl

boekbespreking [ wapenveldonline.nl ]

maandag 10 oktober 2011
bordkartonnen Middeleeuwen
De ontdekking van de Middeleeuwen
geschiedenis van een illusie door Peter Raedts

de ontdekking van de MiddeleeuwenOp de omslag van De ontdekking van de Middeleeuwen staat een bekend schilderij van de Duitse romantische schilder Caspar David Friedrich afgebeeld. Het past uitstekend bij de ondertitel “geschiedenis van een illusie”. De ruïne van de kathedraal lijkt op een theaterdecor, plat en aan één kant betoverend. Zo zijn we sinds de Romantiek ook tegen de Middeleeuwen aan gaan kijken.

Vooral in Duitsland kwamen na 1800 de fantasierijke Middeleeuwen weer tot leven als een reactie op de rationele Verlichting. Men verlangde natuurlijk niet terug naar de barbaarsheid van de duistere eeuwen, maar wél naar verbeelding, kleinschaligheid, handwerk, universeel geloof en supranationale gemeenschap. Toch zouden de Middeleeuwen ook gebruikt worden voor nationalistische ideeën. Zo werd in het verbrokkelde Duitsland in de eerste helft van de negentiende eeuw keizer Barbarossa een inspirerende figuur voor Duitse nationale eenheid.

Tot aan het einde van de achttiende eeuw werden de Middeleeuwen afgedaan als een duister, barbaars tijdperk tussen de klassieke Oudheid en de Verlichting. Petrarca vond het een diepe afgrond. Erasmus verafschuwde de steriele geleerdheid van de Middeleeuwen. Voltaire haatte de middeleeuwse kerk, die het leven van mensen vergiftigde. En Adam Smith betreurde de macht van de gilden, die een vrije markt van vraag en aanbod in de weg stonden. Rond 1800 veranderde dat ineens. De Middeleeuwen waren nu een voorbeeld van authentieke menselijkheid, onderlinge verbondenheid en wederzijdse verantwoordelijkheid in hechte volksgemeenschappen. De Duitse dichter Novalis sprak van ‘schone schitterende tijden, toen Europa één christelijk land was’, Walter Scott verheerlijkte in Ivanhoe de belangeloze trouw van de ridder, Karl Marx en William Morris zagen in de middeleeuwse gilden een voorafspiegeling van de solidariteit van de arbeidende klasse.
 
Bron: vanstockum.nl

De ontdekking van de Middeleeuwen [ nrclux.nl ]

zaterdag 1 oktober 2011
bezeten wereld
In de schaduwen van morgen (1935) van Johan Huizinga

Johan Huizinga“Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.” Zo begint In de schaduwen van morgen een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd van Johan Huizinga. Het boekje is een uitwerking van een voordracht die hij op 8 maart 1935 in Brussel gaf. Ik heb de derde druk uit november 1935 in mijn bezit. Huizinga zag zich genoodzaakt door ‘de gebeurtenissen die sinds de zomer van 1935 de wereld in spanning houden’ deze druk in het najaar ingrijpend te herzien en beschouwde de derde druk als de definitieve.

Die gebeurtenissen in 1935 waren overigens de vaststelling van de Neurenberger Rassenwetten op 15 juli en de versterking van de Italiaanse troepen in Italiaans-Somaliland en de daarop volgende inval in Abessinië. Met deze inval werd de Volkenbond voor schut gezet. Haile Selassie en zijn volk moesten aan hun lot worden overgelaten. De oude koloniale grootmachten Engeland en Frankrijk waren niet in staat tot een militaire interventie. Nadat in 1933 Japan al op pijnlijke wijze de machteloosheid van de Volkenbond had aangetoond, durfden de fascistische dictators Mussolini, Hitler en Franco in Europa de Japanse agressie wel te volgen. De wereld stond erbij en keek ernaar.

In deze dreiging waarin de democratie en de wereldvrede op het spel stonden, hield Huizinga zijn voordracht in Brussel. Zijn sombere visie staat in de traditie van het cultuurpessimisme dat na de Eerste Wereldoorlog de kop heeft opgestoken. Toch zag Huizinga zichzelf niet als een pessimist, maar als een optimist. Cultuurpessimisme en optimisme hoeven elkaar niet uit te sluiten.

In de schaduwen van morgen
uit het voorwoord bij eerste en tweede druk
In de schaduwen van morgen
uit het voorwoord bij de derde druk
De crisis in onze cultuur, zo is Huizinga van mening, ontstaat door een conflict tussen ‘kennen’ en ‘bestaan’ en niet door sociaal-economische problemen. Daar de moderne wetenschap niet zuiver objectief blijkt te zijn, is er wantrouwen ten aanzien van de rede ontstaan. Dit wantrouwen geeft ruimte voor het ‘beneden-redelijke’, de driften en instincten. Ook voor de moraal is dan geen plaats meer.
 
Bron: bol.com/nl
In de schaduwen van morgen
In de schaduwen van morgen titelblad
dinsdag 27 september 2011
stof tot nadenken
gezien bij Tegenlicht: Evgeny Morozov
auteur van: The Net Delusion - The Dark Side of Internet Freedom

Evgeny MorozovEr zijn weinig programma’s op de Nederlandse televisie die mij zoveel stof tot nadenken geven als Tegenlicht van de VPRO. Gisterenavond werd de vierde aflevering van het nieuwe seizoen uitgezonden en daarin stond Evgeny Morozov centraal, de auteur van The Net Delusion In dit boek bestrijdt hij het cyber-utopisme.

Morozov werd vijftig minuten lang door een cameraman in een virtuele arena onder schot gehouden, terwijl op de vier wanden om hen heen beelden werden getoond uit documentaires die de VPRO eerder heeft uitgezonden. Internetscepticus Morozov mocht na elk fragment reageren. We zagen verschillende autoriteiten voorbijkomen waaronder technologiegoeroe Kevin Kelly, futurist Ray Kurzweil, filosoof Peter Sloterdijk, enfant terrible Julian Assange en historicus Tony Judt. Evgeny Morozov bekritiseerde het internetoptimisme met grote overtuigingskracht.

Het begon gelijk al goed. Tegenlicht confronteerde hem met een fragment uit een eerdere aflevering waarin Kevin Kelly, oprichter van het blad Wired en auteur van What Technology wants. Morozov kon bij Kelly’s selectieve kijk op de technologische vooruitgang direct zijn belangrijkste punt van kritiek plaatsen. Technologyfreaks als Kelly zijn zo gefixeerd op technologie dat ze deze als een verlossingsweg voor de mensheid presenteren en daarbij de politieke dimensie helemaal uit het oog verliezen.

Ook de futurist Ray Kurzweil verkondigt het evangelie van de technologie. “Vooruitgang” is bij hem het toverwoord en hij interpreteert deze louter als technische vooruitgang. Het morele perspectief komt bij hem niet aan bod. Vreemd is dat natuurlijk niet. Meestal zijn technologiegoeroes en futuristen de spreekbuizen van machtige netwerken en de promotors van commerciële toepassingen. Hun euforische visie op toekomstige technologische ontwikkelingen is een sirenenzang die meer aantrekkingskracht krijgt, naarmate de verkondiger zich met de mondhoeken omhoog als een optimist presenteert die voor elk mogelijk probleem weer een oplossing ziet. Sceptici zijn in zijn ogen al snel zwartkijkers die lijden aan blikvernauwing. Daardoor zouden ze dus al de fantastische mogelijkheden niet kunnen zien…

Evgeny Morozov is zoals de meeste sceptici geen pessimist, maar een overtuigend criticus. Neem zijn visie op de “Arabische Lente". Een gangbare visie op de revoluties in Tunesië, Egypte en andere Arabische landen, is dat het een Twitter-revolutie is, die vooral door de jeugd gedragen wordt. Vrijheid mogelijk gemaakt door mobiele apparaten en digitale netwerken. Maar deze vrijheid is juist ernstig te betwijfelen. Al die zogenaamde bevrijdende gadgets zijn in feite bedwelmende opium voor het volk.

Peter Sloterdijk zei overigens nog iets heel wezenlijks over de omwenteling door het volk in de postmoderne tijd. Het heeft geen zin meer om in termen van revolutie (van onderaf) te spreken, aangezien we in een voortdurende revolutie leven. De vertrouwde situatie heeft zich helemaal omgekeerd: nu zijn de machthebbers de revolutionairen, terwijl het volk behoudend is. Door de producenten worden er onophoudelijk nieuwe, baanbrekende producten in de markt gezet en het arme volk krijgt via de reclame alsmaar die innovaties over zich heen gestort.

Er is een permanente revolutie gaande. Het volk ondergaat momenteel een revolutie geleid door de economische klasse die ons dagelijks leven permanent wil omgooien.

Peter Sloterdijk

Ook bestrijdt Morozov het cliché dat de digitale revolutie de (virtuele) gemeenschap bevordert. In de jaren negentig was community building nog een van de toverwoorden, maar dat is in de eenentwintigste eeuw veranderd. Schijnbaar verbindt het internet mensen met elkaar. Maar in geestelijk opzicht schept het digitale leven geatomiseerde individuen. Op web 2.0 kun je alles personaliseren. Jij bent zélf het web. Gepersonaliseerde websites, waarvan Facebook de onbetwiste kampioen is, zijn een goudmijntje voor datawarehousing. Via de social media wordt unieke gebruikersinformatie opgeslurpt en slim doorgespeeld naar commerciële instellingen, die deze gegevens gebruiken voor one-to-one-marketing.

The Net DelusionDe digitale revolutie heeft het groene licht gekregen om door te denderen en er wordt onvoldoende nagedacht over de uitgangspunten, meent Morozov. Dé digitale revolutie bestaat natuurlijk niet. De digitalisering van de maatschappij wordt vooral aangedreven door machtige bedrijven als IBM, Apple, Microsoft, Google en Facebook. Ze geven de “vrijheid” om je steeds meer met hun producten te verbinden. Een goed voorbeeld is de Apple Store. Iedereen die een iPad heeft, weet dat je afhankelijk gemaakt wordt van deze Apple Store. Zonder account, kun je geen gratis Apps downloaden. De vrijheid die technologie ons geeft, is maar heel betrekkelijk. De neergestorte witte duif op de omslag van The Net Delusion is daarom een treffend beeld om de euforie van de Twitter-revolutie in de Arabische wereld te relativeren.

evgenymorozov.com | Evgeny Morozov [ tegenlicht.vpro.nl ]

maandag 26 september 2011
de hemel boven Meßkirch
vandaag is het de 122e geboortedag van Martin Heidegger
na drie maanden las ik Heidegger en zijn Tijd eindelijk uit…

geboortehuis van Martin Heidegger in MesskirchRüdiger Safranski begint en eindigt zijn biografie over de Duitse filosoof Martin Heidegger met de hemel boven Meßkirch. Deze zomer bezocht ik met Michaela het kleine provinciestadje in Schwaben waar Heidegger in het Dasein geworpen werd. Zijn geboortehuis ziet er zoals de meeste geboortehuizen van beroemdheden niet spectaculair uit. Zijn vader was koster in de Martinskerk die vlak tegenover het sobere huisje staat waar zijn eerste zoon ter wereld kwam, die vanzelfsprekend de naam Martin kreeg. Heidegger zou vlak voor zijn dertigste afscheid nemen van het geloof van zijn vader maar de laatste twintig jaar van zijn leven zou hij jaarlijks op 11 november, de dag van zijn naamheilige, de mis in Meßkirch bijwonen. Hij zat dan op de oude vertrouwde plaats in de koorbank waar hij rond 1900 als klokkenluidertje altijd had gezeten.

Heidegger nam de uitdaging van de moderne tijd aan. Hij ontwikkelde een filosofie van een bestaan dat zich aantreft onder een lege hemel, beheerst door een alles verslindende tijd, geworpen en toegerust met de gave het eigen leven te ontwerpen.

Rüdiger Safranski

Martinskirche
De Martinskirche in Meßkirch met het geboorthuis van Martin Heidegger

Meßkirch [ de.wikipedia.org ]

woensdag 21 september 2011
de gestalte der toekomst (1950)
gelezen: Das Ende der Neuzeit van Romano Guardini

Das Ende der NeuzeitDe Duitse theoloog en cultuurfilosoof Romano Guardini (1885-1968) was een tijdgenoot van Martin Heidegger (1889-1976). Beiden studeerden aan het begin van de twintigste eeuw theologie (Guardini in Tübingen en Heidegger in Konstanz en Freiburg) en raakten als jonge theologen verwikkeld in de Modernismusstreit waarin de Rooms-katholieke Kerk moderne theologische opvattingen bestreed. Guardini werd in 1910 tot priester gewijd en ook Heidegger leek voorbestemd om priester te worden. Na een blauwe maandag bij de Jezuïeten, zag hij in 1909 van het priesterschap af. Twee jaar later verruilde hij zijn studie theologie voor de filosofie. In 1915 habiliteerde de dan 26-jarige Heidegger met een studie over Duns Scotus. In hetzelfde jaar kreeg de 30-jarige Guardini de doctorstitel in de theologie met een studie over Bonaventura, zijn eerste in een lange reeks theologische studies. Daarnaast publiceerde hij ook cultuurfilosofische studies over o.a. Hölderlin, Dante, Pascal en Kierkegaard. Heidegger viel kort na de Eerste Wereldoorlog van zijn geloof en keerde zijn vroegere broodheer, de Rooms-katholieke Kerk, de rug toe.

Romano Guardini 1885-1985
Romano Guardini kreeg bij zijn honderdste geboortedag een postzegel. Zijn tijdgenoot Martin Heidegger viel rond zijn dertigste van zijn geloof. In 1933 koos hij zelfs voor het nationaal socialisme. Dat laatste maakt hem nog altijd tot een omstreden filosoof en om die reden heeft de Deutsche Post hem nog steeds niet met een postzegel willen eren.

Guardini ontwikkelde zich in de geest van zijn tijd tot een existentialistisch theoloog en schreef in hoog tempo theologische werken. Tot zijn bekendste werken behoren Vom Geist der Liturgie (1918) en Der Herr. Betrachtungen über die Person und das Leben Jesu Christi. (1937). Kort na de Tweede Wereldoorlog kwamen zowel Guardini als Heidegger in een depressie terecht. Heidegger schreef in 1946 zijn Brief über den “Humanismus”, waarin hij onderzocht of en hoe er na de verschrikkingen van de oorlog aan het woord humanisme nog betekenis kon worden gegeven. Guardini gaf in 1947 en 1948 in Tübingen en in 1949 in München een aantal colleges die in 1950 selectief bijeengebracht werden in het essay Das Ende der Neuzeit. Hierin schetste hij de historische ontwikkeling van Europa sinds de Middeleeuwen, met het accent op de verdringing van het christelijk geloof door de moderniteit en de hoop voor de toekomst. Anders dan in Novalis‘ essay Der Christenheit oder Europa (1799) zag hij geen visioen van een verenigd christelijk Europa. Hij stelde zijn hoop niet op een politieke werkelijkheid maar op Christus.

Wat […] levensbeschouwingen als die van het Franse existentialisme betreft: hun negatie van de zin des levens is zo gewelddadig, dat men zich afvraagt of zij niet een bijzonder vertwijfelde vorm van romantiek vormen, die door de aardbevingen der laatste decennia mogelijk is geworden.

Romano Guardini
in: Das Ende der Neuzeit (1950)

De Tweede Wereldoorlog laat in Duitsland diepe wonden na. Velen vragen zich af hoe een beschaafd volk deze verschrikkingen heeft kunnen laten gebeuren. Er ontstaat een indruk dat het ideaal van de moderne, redelijke, humane mens ten einde gelopen is. Guardini is door de oorlog veranderd. Hij meent dat de catastrofe met Hitler uiting en voorbode is van het einde van een tijdperk en tegelijk het angstwekkende begin van een nieuw tijdperk. Hij herhaalt steeds hoe dat alles wel moest gebeuren in het kader van de toenmalige cultuurgeschiedenis. Hij thematiseert dit in zijn essay Das Ende der Neuzeit (1950), maar in het enthousiasme van de wederopbouw vindt zijn geluid geen weerklank.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Boeken van Guardini bij Matthias Grünewald Verlag
Romano Guardini im Internet

zaterdag 17 september 2011
barbaarse metafysica
gelezen: Metafysica en Misdaad (1990) van Rüdiger Safranski
in Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?

Rüdiger Safranski Duitsland zou het land zijn van dichters en denkers. Wanneer je een boek van Rüdiger Safranski leest, hoef je daar in elk geval niet meer aan te twijfelen. Safranski schreef een vuistdikke biografie over Martin Heidegger, monografieën over E.T.A. Hoffmann, Schopenhauer, Nietzsche en Schiller, een studie over het kwaad en een hele stapel opstellen over o.a. Rousseau, Kleist, Kant, Kafka en Freud. Zijn laatste boek, dat in een Nederlandse vertaling verscheen onder de titel Romantiek. Een Duitse Affaire, kreeg lovende kritieken.

Michaël Zeeman schreef ooit in De Volkskrant dat wanneer je Safranski een filosofisch, moreel of politiek idee geeft en hem er even op laat kauwen, je dan altijd een scherpe analyse kunt verwachten. Safranski is een meester in het volgen van filosofische hersenspinsels en legt deze vast in een literaire stijl. Filosofie wordt bij hem een spannend avontuur. Zijn intellectuele bereik is indrukwekkend. Voor de historische achtergronden schildert hij virtuoos weidse panorama’s van de turbulente Duitse geschiedenis.

Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?Hoeveel waarheid heeft de mens nodig? is een bundeling van essays die Safranski in de jaren tachtig schreef. Met zijn onderwerpen richt hij zich op het menselijk tekort. De bundel opent met een citaat van Georg Büchner. “Er is een fout geslopen in hoe we geschapen zijn; we missen iets, ik heb er geen naam voor - maar we zullen het niet vinden door in elkaars ingewanden te wroeten, dus wat zouden we elkaars lichamen ontweien? Ga heen, we zijn miserable alchemisten.” In de jaren negentig zou Safranski in zijn studie over het kwaad, het menselijke tekort, zijn (on)vrijheid nog preciezer onder de loep nemen.

Ik las het opstel Metafysica en Misdaad over Hitler en Goebbels. Het nationaal socialisme keert in Safranski’s boeken telkens terug. In Romantiek. Een Duitse Affaire analyseert hij o.a. in hoeverre je de historische Romantiek verantwoordelijk kunt stellen voor de gruwelen van het Derde Rijk. In het essay Metafysica en Misdaad kijkt hij in de afgrondelijke diepte van het nationaal socialisme naar de verwrongen denkbeelden uit de filosofische traditie.

Uit Nietzsches ‘wil tot macht’, uit Schopenhauer’s ‘wil tot leven’ en uit Darwins tot sociaal-darwinisme getrivialiseerde leer van de ’selectie’ van het levensvatbare, compileert Hitler zijn metafysische levenswet.

Safranski in: Metafysica en Misdaad

Metafysica beijvert zich zoals bekend door de oppervlakkige, in de regel kwellende en beangstigende werkelijkheid heen te dringen om het onderliggende ‘wezen, de oriënterende ‘zin’ ervan bloot te leggen. Zo gaat ook Hitler te werk. Hij wil door de gebeurtenissen op de voorgrond - de troebelen van de burgeroorlog, de inflatie, de verandering van de moraal, de verstedelijking, de massacivilisatie, de verwoesting van de natuur, het isolement, de vertechnisering, enzovoort - heendringen en het ‘eigenlijke’ gebeuren, dat daarachter schuilgaat, blootleggen. En hij komt daarbij in een kosmische dimensie terecht - ook dat is een specialiteit van de metafysica. Uit Nietzsches ‘wil tot macht’, uit Schopenhauer’s ‘wil tot leven’ en uit Darwins tot sociaal-darwinisme getrivialiseerde leer van de ’selectie’ van het levensvatbare, compileert Hitler zijn metafysische levenswet. (…)
 
Bron: Hoeveel waarheid heeft de mens nodig? Uitgeverij Atlas Amsterdam, 2004 (blz. 141) vertaling Mark Wildschut

Hoeveel waarheid heeft een mens nodig? [ uitgeverijatlas.nl ]

vrijdag 16 september 2011
zwart(gallig) beertje
La Nausée (1938) van Jean-Paul Sartre

walgingToen ik 25 jaar geleden met twee vrienden door Peru en Bolivia reisde, had ik wat zwarte beertjes in mijn rugzak. Een paar Maigrets van Georges Simenon en een pocket van Jean-Paul Sartre. Het was een Nederlandse vertaling (door H.P. van Aardweg) van zijn bekendste roman La Nausée. Ik meende dat Jean Paul Sartre (Michel Houellebecq had in 1986 nog niets geschreven) hielp bij het afbranden van valse verwachtingen. Als drieëntwintigjarige hield ik uit voorzorg alle verwachtingen a priori voor vals, als een laffe vlucht uit de barre realiteit. Hier en nu, dat was het. Niets meer en niets minder.

Ik weet nog wel dat ik erin las op het dak van een hotel in Arequipa, op een bootje op het Titicacameer en wachtend op de bus in La Paz. Nog steeds heb ik de pocket, die inmiddels bijna een halve eeuw oud is, bewaard als een herinnering aan die reis. Sommige zinnen zijn onderstreept. Ze hebben destijds indruk op mij gemaakt. Een vriend vertelde mij later dat hij De Avonden van Gerard Reve (een vergelijkbaar boek) veel beter vond dan La Nausée. “Heb jij één keer moeten schateren bij Sartre?” Hij had inderdaad gelijk. Toch is de borende intensiteit van La Nausée indrukwekkend. Je kunt het misschien vergelijken met de legendarische colleges van Martin Heidegger over de verveling. Honderden pagina’s lang hield hij zijn studenten op het puntje van de stoel, terwijl hij met chirurgische precisie het epicentrum van de verveling beschreef. Overigens wilde Sartre zijn (gedeeltelijk autobiografische) roman, in de vorm van een dagboek, publiceren onder de naam Melancholia. Maar onder druk van zijn uitgever Gaston Gallimard is de titel veranderd in La Nausée.

Maandag 29 januari 1932,
Er is mij iets overkomen,
ik kan er niet meer aan twijfelen.
Het is gekomen als een ziekte,
niet als een gewone zekerheid,
niet als een duidelijke gebeurtenis.

beginzin uit La Nausée

zwart beertjeSartre’s verhaal, als men het een verhaal mag noemen, is meeslepend door de eindeloze verveling, de grauwe doodsheid der schildering bijkans zonder enige actie. Woorden, welke in de enkele gesprekken met de anderen worden gewisseld, glijden langs elkaar. Geen spoor van menselijke warmte, geen medelijdend gebaar, geen blik van innige verstandhouding, slechts kilte, nuchterheid, beklemmende en tot een gevoel van walging opstijgende wanhoop.
 
Bron: inleiding door E.A.D.E.Carp ( Zwarte Beertjes 434)

La Nausée [ nl.wikipedia.org ]

zondag 4 september 2011
twee “wijzen van de berg”
Martin Heidegger in Todtnauberg en Friedrich Nietzsche in Sils Maria

Heidegger en Nietzsche voelden zich beiden in de bergen in hun element. Afgelopen zomer bezochten we de Heidegger Hütte in Todtnauberg (Schwarzwald) en het Nietzsche Haus in Sils Maria (Engadin). De interieurs van hut en huis bleven voor ons verborgen, net als de diepste gedachten van beide filosofen, die in de omgeving de inspiratie vonden voor hun hoofdwerk.

Todtnauberg
Michaela bij Heidegger’s hut in Todtnauberg

Todtnauberg en Sils Maria zijn voor de moderne filosofie wat de agora in Athene voor de klassieke Griekse filosofie was. In Sils Maria kreeg Nietzsche’s figuur Zarathustra gestalte en in Todtnauberg schreef Heidegger veertig jaar na Also sprach Zarathustra zijn magnum opus Sein und Zeit.

Mijn hele werk ( … ) is doortrokken van de wereld van die bergen en boeren. Nu is het werk daarboven af en toe voor langere tijd onderbroken door onderhandelingen, reizen voor het houden van lezingen, besprekingen en mijn werkzaamheden als docent hierbeneden. Maar zodra ik weer boven kom, vanaf de eerste uren van het hutbestaan, dringt de hele wereld van vroegere vragen zich weer aan me op, helemaal in de bewoordingen waarin ik ze had laten liggen. Ik word eenvoudigweg opgenomen in de eigen beweging van het werk en ben de verborgen wetmatigheid van die beweging in de grond niet meester.
 
Bron: Heidegger in Denkerfahrungen, Frankfurt a.M. 1989 (vertaling: Mark Wildschut)
voor het Nietzschehuis
voor het Nietzsche Haus in Sils Maria
Im Engadin ist mir bei Weitem am wohlsten auf Erden. Es kann gar nicht still und hoch und einsam genug um mich sein.

Friedrich Nietzsche

Nietzsche Haus | Heidegger Hütte

zondag 28 augustus 2011
eenzelvig & onbereikbaar
gezien met Michaela: La solitudine dei numeri primi (2010)

Op de omslag van het droomdebuut van de jonge Italiaanse schrijver Paolo Giordano (*1982) staat een intrigerend zelfportret van de Nederlandse fotografe Mirjam Rooze. Het meisje met de priemende blik deed mij onmiddellijk denken aan Giorgia, het psychisch gestoorde meisje uit La Meglio Gioventù gespeeld door Jasmine Trinca (*1981). Zo was er in mijn hoofd een connectie ontstaan tussen het Italiaanse familie epos van Marco Tullio Giordana en het boek van Paolo Giordano. Misschien had ik daarom ook hoge verwachtingen van de verfilming van La solitudine dei numeri primiMichaela bracht dit weekend de DVD mee naar huis en we keken er gelijk naar. De eenzaamheid van de Priemgetallen is een erg rommelige film geworden, die door de vele timelaps zeer moeilijk te volgen is. Er wordt rap heen en weer gesprongen tussen 1984, 1991, 2001 en 2008 waardoor the coming of age story hopeloos ten onder gaat. Regisseur Saverio Costanzo lijkt een flitsende partyscene vol hypnotiserende trance en lichteffecten te hebben ingelast om de vele trage scenes te compenseren. De finale is uitgesproken langdradig. Lees het boek!

Het boek maakte een paar jaar terug grote indruk door de prachtige schrijfstijl van Giordano die op treffende wijze de onmogelijke liefde van twee beschadigde adolescenten tot uiting bracht. Regisseur Saverio Costanzo besloot zich daar echter niets van aan te trekken en de structuur van het boek helemaal om te gooien. Dat is de slechtste beslissing die de filmmakers hadden kunnen nemen, juist omdat het verhaal van Giordano zo zorgvuldig is opgebouwd. Waar het boek begint met een proloog die laat zien waarom Alice en Mattia zich gedragen zoals ze doen, husselt de film met de chronologie waardoor de kijker zich voortdurend afvraagt waarom die twee hoofdpersonages toch zo vreemd zijn. De identificatie met Alice en Mattia, die in het boek zo sterk aanwezig was, verdwijnt dan ook volledig in de verfilming en dat is natuurlijk een doodsteek voor elke speelfilm.
 
Bron: filmtotaal.nl

recensie in het Parool | recensie in Trouw | trailer

vrijdag 26 augustus 2011
steden van de geest
vandaag gekocht: Tübingen, Heidelberg, Freiburg
in de reeks Literaire Steden van Uitgeverij Bas Lubberhuizen

Tübingen, Heidelberg, FreiburgTwee maanden geleden bezochten we o.a. Tübingen en Heidelberg en maakten we een reis langs een aantal plaatsen die in het leven van Martin Heidegger een belangrijke rol gespeeld hebben: Meßkirch , Todtnauberg en Konstanz. Freiburg hebben we bewaard voor een volgende reis. Om na te genieten van Tübingen en Heidelberg én om alvast vooruit te kijken naar Freiburg heb ik de literaire reisgids Tübingen, Heidelberg, Freiburg gekocht. In deze gids aandacht voor Dichters en Denkers als Hölderlin, Hegel, Schelling, Uhland, Mörike, Hauff, Baur, Vischer, Hesse, Kurz en Bloch (Tübingen), Brentano, Von Arnim, Von Eichendorff, HaverSchmidt, Weber, Jaspers, Arendt en Gadamer (Heidelberg) en Hebel, Heidegger en Kaschnitz (Freiburg).

lubberhuizen.nl

woensdag 24 augustus 2011
back to the garden
vanavond bij De Avonden op radio 6: Monte Verità bij Ascona
Enno van der Eerden over Ascona - Bezield Paradijs

Bezield ParadijsOp de laatste en snikhete middag van juni loodste de Garmin ons vanuit Ascona over een smalle weg de berg op. “Zonder boordnavigatie hadden we het nooit gevonden", dacht ik toen we tenslotte stilhielden voor de ingang van de Monte Verità. Vijfentwintig jaar geleden had ik voor het eerst over de kunstenaarsberg aan het Lago Maggiore gelezen in de uitgebreide studie die Harald Szeemann eind jaren zeventig had gemaakt. De kunstenaarskolonie die zich hier aan het begin van de twintigste eeuw gevestigd had, was een hippiecommune avant la lettre. Honderd jaar later is de Berg der Waarheid een chique lokatie waar bedrijven peperdure arrangementen met managementguru’s, theerituelen en luxe overnachtingen kunnen boeken. Enno van der Eerden heeft over de geschiedenis van de Monte Verità Ascona - Bezield Paradijs geschreven dat in juni in de reeks literaire steden bij Uitgeverij Bas Lubberhuizen is verschenen. In De Avonden spreekt hij met Anton de Goede over zijn boek.

Monte Verita
Monte Verità 30 juni 2011
We are stardust, we are golden,
We are billion year old carbon.
And we got to get ourselves back to the garden.

uit: “Woodstock” van Joni Mitchell

Het bij toeristen geliefde Ascona aan het Lago Maggiore was begin twintigste eeuw een toevluchtsoord voor utopisten en idealisten. Op de idyllisch gelegen Monte Verità predikten ze een heilzaam bestaan van vegetarisme, geheelonthouding, naturisme en een eenvoudig leven in de natuur. Later trok het dorp schrijvers, schilders, anarchisten, politieke vluchtelingen, avonturiers en levenskunstenaars uit heel Europa. Velen hoopten in deze vreedzame oase hun zelfbedachte paradijs te kunnen verwezenlijken. Het gastenboek van Ascona bevat namen van illustere personen als Hermann Hesse, Rudolf von Laban, Thomas Mann, Carl Jung, Erich Maria Remarque, Hugo Ball en van Nederlanders als Frederik van Eeden, Otto van Rees, César Domela, Adriaan Roland Holst, Arthur van Schendel en Rie Cramer.
 
Bron: athenaeum.nl
Monte Verita
het terrein van de Monte Verità

monteverita.org

zondag 14 augustus 2011
relimarkt anno 1925
Verkappte Religionen. Kritik des kollektiven Wahns
van Carl Christian Bry (1925)

Verkappte Religionen 1925Na de Eerste Wereldoorlog heerste er in Duitsland een groot onbehagen. Het cultuurpessimisme bleek een voedingsbodem voor allerlei alternatieve en spirituele clubjes die hun verlossingsweg aanboden. New Age en shoppen op de relimarkt zijn dus niet alleen de laatste veertig jaar in de mode. Carl Christian Bry schreef hier in de jaren twintig al een kritisch boek over onder de titel Verkappte Religionen. Kritik des kollektiven Wahns Zijn proza heeft een korte, zakelijke en soms bijna dadaïstische toon en werd in 1925 een bestseller. Een jaar later overleed Bry in Davos op 33-jarige leeftijd aan tuberculose.

Was bezeichnet die verkappten Religionen? - Mysterien, Sekten, Aberglauben, Vereinsmeierei, Mangel an Lebensart?
Ja, auch das. Aber ein ästhetisches Abgestoßensein wird ihnen nicht gerecht. Ihr Feld ist viel weiter. Es geht von der Abstinenz bis zur Zahlenmystik. Aber es geht auch von der Astrologie bis zum Zionismus, oder von den Antibünden (mit dem Antisemitismus an der Spitze) bis zur Yoga oder von der Amor Fati bis zur Wünschelrute, oder vom Atlantis bis zum Vegetarianismus. Dieses Hexenalphabet besetzt jeden Buchstaben doppelt und dreifach.
 
Ein paar, längst nicht alle Gebiete: Esperanto, Sexualreform, rhythmische Gymnastik. Übermenschen, Faust-Exegese, Gesundbeten, Kommunismus, Psycho-Analyse, Shakespeare ist Bacon, Weltfriedensbewegung, Brechung der Zinsknechtschaft, Antialkoholismus, Theosophie, Heimatkunst, Bibelforschung, Expressionismus, Jugendbewegung, Genie ist Wahnsinn, Fakirzauber, Haß gegen Freimaurer und Jesuiten, endlich das weite Gebiet des Okkultismus, das wiederum seine eigenen siebenfachen Hexenalphabete hat: das sind nur einige von den Bewegungen, die hier verkappte Religionen heißen.
 
Bron: dalank.de

Carl Christian Bry [ de.wikipedia.org ]

vrijdag 12 augustus 2011
het vis-à-vis van de angst
gisteren gelezen over de angst in de filosofie van Martin Heidegger
en daarna gekeken naar The Deer Hunter (1978)

Gisteren las ik in de biografie Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski over de beroemde §40 van zijn hoofdwerk Sein und Zeit waarin Martin Heidegger de angst analyseert. Laat op de avond werd The Deer Hunter uitgezonden die ik voor de zoveelste keer zag. De scene met het Russische roulette is waarschijnlijk veel bekender dan §40 van Sein und Zeit en maakt in één keer zichtbaar waar het bij Heidegger om gaat: Zijn of niet zijn.

John Savage in The Deer Hunter
to be or not to be
John Savage in The Deer Hunter
wat overblijft als het bestaan
door het koude vuur van de angst is gegaan, is het niets.
Voor de angst zinkt alles in al zijn naaktheid ter aarde, ontdaan van iedere betekenis. De angst is soeverein, hij kan bij het minste of geringste bezit van ons nemen. Hoe zou hij ook niet, want het eigenlijke vis-à-vis van de angst is het niets. Voor wie angst heeft, heeft de wereld niets meer te bieden, net zo min als het medebestaan van anderen. De angst duldt geen andere goden naast zich, hij verenkelt zich in twee opzichten: hij verbreekt de band met de medemensen en hij maakt dat de enkeling uit de vertrouwde betrekkingen tot de wereld valt. De angst confronteert het bestaan met het naakte dat van de wereld en van het eigen zelf. Maar wat overblijft als het bestaan door het koude vuur van de angst is gegaan, is het niets. Door wat de angst heeft verbrand is de gloeikern van het bestaan blootgelegd: het vrijzijn voor de vrijheid zichzelf te kiezen en zichzelf aan te pakken.
 
Uit: Heidegger en zijn tijd, Uitgeverij Contact 1995, vertaling: Mark Wildschut
maandag 8 augustus 2011
globetrotter [ 2 ]
gisteren gezien op Een: Tijdgenoten (herhaling van 14 november 2010)
Piet Piryns in gesprek met Cees Nooteboom

Piet PirynsDe Vlaamse journalist Piet Piryns sprak vorig jaar met schrijver, reiziger en dichter Cees Nooteboom bij zijn huis in Menorca en probeerde bij de wereldwijze schrijver tevergeefs uitspraken over ‘de toestand in de wereld’ te ontlokken. Nooteboom liet zich niet in de hoek van het cultuurpessimisme drijven, terwijl zijn ezeltje, huh-huh-huh, een klagelijk gebalk liet horen. In 1983 had Piryns al een gesprek met de toen vijftigjarige Nooteboom dat gepubliceerd is in de bundel Er is nog zoveel ongezegd. Vraaggesprekken met schrijvers. Ook in dit interview vertelt Nooteboom hoe hij in 1975 in de heilige stad Qom (spreek uit als ‘Chom’) door een mullah werd bespuugd en de islamitische theocratie in Iran aan de horizon zag gloren. En in 1983 wijst Nooteboom op de kloof tussen het salonsocialisme van de linkse elite en het materialisme van de arbeidersklasse, die in 2011 maximaal geworden is: de arbeidersklasse is nu voor het grootste deel verrechtst.

Wat is er nog over van het visioen van Herman Gorter: “De arbeidersklasse danst een grote reidans aan de oceaan der wereld…” Zijn gelijk kun je nu zién, maar dan letterlijk, in Torremolinos, in de discotheek.

Cees Nooteboom (1983)

( … ) wie nu nog met een brok in de keel over mei ‘68 praat is een sentimentele oude tante.
‘O ja. Er zal altijd gelachen worden om hoop en verlangen. Maar er was niets in de beweging van mei ‘68 wat je vandaag niet zou kunnen onderschrijven. Alle ideeën van mei ‘68 waren goed. De oude droom van arbeiders en intellectuelen…’
… heeft tot niets geleid.
‘Nu is het omgeslagen. Nu voelen de intellectuelen zich door de arbeiders in de steek gelaten, want die kijken naar de Tros en lezen De Telegraaf. Ja, vind je ‘t gek als je zelf niets beters te bieden hebt. Zie het spektakel van de Vara aan! Dan kijk je toch in een diepe put. Ik las bij jullie in de krant ooit eens een interview met een hoogleraar, die zei dat bij hem thuis nog twee keer per week arbeiderseten op tafel komt. Dat is het precies. De hele houding van linkse intellectuelen tegenover arbeiders is er een van gêne. Ze hanteren het woord als abstractie en schrikken zich dood als ze een keer een echte ontmoeten - die er dan ook nog een rechtse smaak op nahoudt. Maar die gêne komt voort uit schuldbewustzijn. De socialisten zijn er, zeker sinds de oorlog, de schuld van dat de oriëntatie de materialistische kant is opgegaan. De arbeider als minikapitalist, dat was pas wat. Want van wie is nu eigenlijk die tegelijk Victoriaanse en puur op geld gebaseerde terminologie van de zwaksten en de minima afkomstig? Alsof een minimum binnen zijn eigen muren geen maximum zou kunnen zijn - maar dat vinden ze een heiligschennende gedachte. De oude socialistische idealen - Henriëtte Roland Holst, de verheffing des volks, de dans op de Paasheuvel - daar wordt hartelijk om gelachen. En de afdeling-Schiedam van de PvdA stelt vast dat kunst een zaak van de elite is en daarom niet meer gesubsidieerd hoeft te worden. Het gaat alleen nog om de knikkers - een half procent meer of minder. Wat is er nog over van het visioen van Herman Gorter: “De arbeidersklasse danst een grote reidans aan de oceaan der wereld…” Zijn gelijk kun je nu zién, maar dan letterlijk, in Torremolinos, in de discotheek. Maar dat is altijd nog musischer dan een stel kiftende dorpsidioten bij de Vara.’
 
Bron: dbnl.org

ceesnooteboom.com

zondag 7 augustus 2011
globetrotter [ 1 ]
Ida Laura Birch-Pfeiffer (1797-1858)

HanfstaenglFranz Haenfstaengl fotografeerde tussen 1853 en 1863 tal van beroemdheden in zijn studio in München. Tweeënveertig van deze portretten zijn opgenomen in het Album der Zeitgenossen. Wanneer je het boek openslaat, wordt je door een kier in de tijd aangekeken door strenge blikken. Een enkeling heeft ironie om de lippen maar bij de meesten hangen de mondhoeken omlaag. Op de achtergrond hangt vaak een gedrapeerd gordijn, een erfenis uit de portretschilderkunst. De geportretteerde heeft zichzelf in zijn houding bevroren, meestal vergezeld door een attribuut dat verwijst naar zijn identiteit. Hanfstaengl heeft geen geschilderde decors gebruikt, maar de wand van zijn studio kaal gelaten zodat het licht zich mooi verspreiden kan. Meestal fotografeerde hij vooraanstaande mannen, maar een enkele keer maakte hij ook een portretfoto van een vrouw. De piepjonge Beierse prinses Elisabeth (Sissi) bijvoorbeeld. Of Clara Schumann.

Ida Laura Birch-Pfeiffer
portret van Ida Laura Birch-Pfeiffer
De stijve Victoriaanse outfit camoufleert een vrije geest die haar eigen tijd ver vooruit is.

Maar mijn blik wordt het meest aangetrokken door een foto van Ida Laura Birch-Pfeiffer. Ze was de Oostenrijkse Alexandrine Tinne, een globetrotter uit Wenen, die tussen 1842 en 1858 verschillende wereldreizen ondernam. In 1850 schreef ze de bestseller Eine Frau fährt um die Welt. Hierin beschrijft ze haar reis uit 1846 naar Zuid-Amerika, China, Oost-indië, Perzië en Klein-Azië.

Die hier in einer überarbeiteten Fassung vorliegenden Tagebücher der großen Weltreise Ida Pfeiffers erschienen 1850 unter dem Titel Eine Frauenfahrt um die Welt und wurden ein Besteller. Die Reise führt die 44-jährige Österreicherin nach Brasilien, wo sie nur knapp einem Mordanschlag entkam, über China, wo der Anblick einer weißen Frau derart ungewöhnlich war, daß sie ständig in Bedrängnis geriet, nach Ceylon. In Madras betrat sie indisches Festland, erhielt Zutritt zu Häusern reicher, vornehmer Inder, erlebte Tigerjagden und war bei einer Witwenverbrennung anwesend. Persien und Mesopotamien zählten zu den gefährlichsten Routen ihrer Unternehmungen. Nach zweieinhalb Jahren kehrte Ida Pfeiffer über Armenien, Griechenland und Triest nach Wien zurück. Ihre Reisetagebücher begeistern durch Einfachheit der Erzählweise und Wahrheitstreue und stellen darüber hinaus ein besonderes Zeitdokument dar.
 
Bron: weltbild.de

Ida Laura Pfeiffer [ de.wikipedia.org ]

donderdag 4 augustus 2011
Heidegger’s Heimat [ 11 ]
gelezen in Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski
hoofdstuk acht over zijn geheime relatie met Hannah Arendt

Safranski citeert in zijn biografie over Martin Heidegger een paar keer uit brieven die Heidegger schreef aan de filosofiestudente Hannah Arendt met wie hij halverwege de jaren twintig een affaire had. Een deel van deze brieven is gepubliceerd in Hannah Arendt - Martin Heidegger - Briefe 1925-1975 uitgegeven door Vittorio Klostermann, Frankfurt am Main. Bij deze uitgever verschenen ook twee boeken met daarin Heidegger’s briefwisselingen met zijn leraar Heinrich Rickert (1912-1933) en zijn vriend Karl Jaspers (1920-1963).

Heidegger Hütte in Todtnauberg
Heidegger’s berghut in Todtnauberg waar hij geïnspireerd door zijn muze Hannah Arendt werkte aan zijn hoofdwerk Sein und Zeit
Oft wünschte ich, daß Du Dich schön erholst wie ich hier oben. Die Einsamkeit der Berge, der ruhige Lebensgang der Gebirgler, die elementare Nähe von Sonne, Sturm und Himmel (…) Und hier ist die Heimat reiner Freude.

aan Hannah Arendt op 21 maart 1925

Hannah Arendt [ nl.wikipedia.org ]

zondag 31 juli 2011
Lichtbilder
gelezen: Fotografie in Augsburg 1839-1900 van Franz Häussler

AugsburgMet toenemende verwondering kan ik met mijn aandacht in een negentiende eeuwse foto verdwijnen. Voor mij is zo’n foto eigenlijk een gat in de tijd. Zoals je met een telescoop naar de sterrenhemel in een onhistorisch verleden kunt turen, zo kun je via een oude foto toegang krijgen tot ons historische verleden. Een foto herbergt ontelbare verhalen. Vorig jaar kocht ik in Augsburg de catalogus van de tentoonstelling Fotografie in Augsburg 1839 – 1900 uit 2004. In het boek staan met name foto’s uit het laatste kwart van de negentiende eeuw en we zien een Augsburg dat niet meer bestaat, maar toch zeer herkenbaar Augsburg is.

Het raadhuis, het standbeeld van Augustus op de markt, de Fugerei en de Maximilliaanstraße, om maar een paar landmarks van de stad te noemen, het was er en het is er nog steeds. Tegenwoordig zijn deze gebouwen bezienswaardigheden, eilandjes in een moderne stad. Maar op een foto uit 1886 zie je het raadhuis van Augsburg ingebed in een veel oorspronkelijker omgeving. Toch zijn er ook al ‘moderne’ constructies van gietijzer en daarnaast veel opgeblazen historisme uit de Gründerzeit. In 1886 is het laat-Middeleeuwse Augsburg bijna verdwenen… Tot in de twintigste eeuw werden foto’s in Duitsland Lichtbilder genoemd, beelden van licht. Het licht is onpartijdig en toont alles wat het licht verdragen kan: alle bomen en gebouwen, maar ook besnorde mannen, bouwvakkers, een treurend vaderloos gezin…

Augsburg 1850
momentopname van 160 jaar geleden
Daguerreotype uit 1850 (9,6 x 7 cm) privécollectie uit Augsburg
In Zusammenarbeit mit dem bekannten Augsburger Autor Franz Häußler wird das Stadtarchiv Augsburg vom 05. Mai bis zum 11. Juni 2004 im Foyer der Stadtsparkasse Augsburg eine Ausstellung über die Anfänge der Fotografie in Augsburg präsentieren. Begleitend und ergänzend zur Ausstellung wird das neue Buch von Franz Häußler “Fotografie in Augsburg 1839 bis 1900″ erscheinen, das als erster Band die neue für kleinere Monographien, Ausstellungs- kataloge u.ä. gedachte Schriftenreihe des Stadtarchivs Beiträge zur Geschichte der Stadt Augsburg eröffnet.
 
Mit Ausstellung und Veröffentlichung will das Stadtarchiv Augsburg versuchen, erstmals einen Überblick über die Geschichte der Fotografie in Augsburg zu geben. Bilder aus den städtischen Fotosammlungen und Objekte aus der Frühzeit der Fotografie (v.a. aus Augsburger Privatbesitz) sollen dabei die maßgeblichen technikgeschichtlichen Aspekte der Entwicklung der Augsburger Fotografie im 19. Jahrhundert vermitteln und die Bedeutung der Fotos neben ihrem künstlerischen und technischen Eigenwert als “kultur- und stadtgeschichtliche Zeitdokumente” verdeutlichen.
 
Bron: augsburg.de

Augsburg [ nl.wikipedia.org ]

zaterdag 30 juli 2011
Reineke Fuchs
illustraties bij Reineke Fuchs door Wilhelm von Kaulbach

Op de website van Christian von Kamp vond ik alle 36 illustraties die de Duitse historieschilder Wilhelm von Kaulbach (1804–1874) in 1848 maakte bij Goethes gedicht Reineke Fuchs. De kostelijke Biedermeierprenten waren ook maatschappijkritisch want Von Kaulbach verwerkte in de prenten gezichten van politici en invloedrijke tijdgenoten.

Reineke Fuchs
vijfde prent uit de reeks
Der Verleger Johann Georg Freiherr Cotta von Cottendorf (1796–1863), dessen Haus, die Cotta’sche Verlagsbuchhandlung in Stuttgart, zum bedeutendsten Verlag der Klassiker geworden war und unter anderem auch seit 1806 die Werke Goethes publizierte, hatte begonnen, eine Reihe großformatig aufgemachter Einzeleditionen herauszugeben, an denen der Münchner Künstler Wilhelm von Kaulbach (1804–1874) mitarbeitete. 1840 schloss Cotta mit dem Künstler einen Vertrag, die Illustrationen für eine Neuausgabe von Goethes Reineke Fuchs zu gestalten. Kaulbach, mit eigenen Monumentalgemälden im Atelier langfristig beschäftigt, arbeitete drei Jahre abends an dem verhältnismäßig hoch dotierten Auftrag und lieferte 36 Hauptbilder und zahlreiche Vignetten ab. Die Zeichnungen wurden von Hans Rudolf Rahn in Zürich und dem Münchner Adrian Schleich in Kupfer gestochen; 1846 erschien das Buch, eingebunden in rotem oder blauen Leder mit in Gold eingefärbten Blindprägungen.
 
Kaulbach hatte in den drei Jahren zunehmend seine Zeichnungen zum Reineke auch als Vehikel seiner persönlichen Auseinandersetzung mit den Entwicklungen seiner Zeit entdeckt; in allerlei Anspielungen der zeitgenössischen Staffage der Figuren oder der Details am Rande verspottete er neureiches Gebaren, nahm gelegentlich auch einen Politiker aufs Korn oder machte sich über den ihm töricht erscheinenden Zeitgeist des Biedermeierlichen lustig; so zeigt eine Tafel an Reinekes Burg Malepartus eine nur in der unteren Hälfte sichtbare, mit einem antikisierenden Röckchen ausgestattete, hüpfende Figur, die ein brennendes Häuschen mit einer Wasserkanne begießt; darunter die Inschrift: „Heiliger Florian, schütz dies Haus und zünd es an“. König Nobel trägt schon mal in einer häuslichen Schlafzimmerszene den Schwanz durchs Knopfloch gezogen.
 
Bron: de.wikipedia.org

Reineke Fuchs [ de.wikipedia.org ]

dinsdag 26 juli 2011
sneller !
Philipp Blom: Der taumelnde Kontinent - Europa 1900-1914

Der taumelnde KontinentIn Heidelberg kocht ik twee weken geleden de Duitse vertaling van The Vertigo Years Philipp Blom’s veelgeprezen portret van de eerste vijftien jaar van de vorige eeuw. In vijftien hoofdstukken neemt hij ons mee naar de tijd van onze groot- en overgrootouders. In veel opzichten was het een opwindende tijd. De technische vooruitgang was in een stroomversnelling geraakt en de acceleratie bracht velen in een roes. De beroemde foto van Jacques-Henri Lartigue, genomen tijdens de Grand-Prix van 1912, staat op de omslag. Een groep Italiaanse schilders die zich futuristen noemden, verheerlijkten de snelheid van de moderne techniek. Zo verklaarde de Italiaanse schrijver Marinetti in het eerste futuristisch manifest van 1909 dat hij een ronkende racewagen mooier vond dan de Nike van Samothrake. Nadat de techniek in de Eerste Wereldoorlog zijn verschrikkelijke gezicht had laten zien, lieten de futuristen niet veel meer van zich horen.

Giacomo Balla
Giacomo Balla Velocità in motocicletta, 1913
Na 1910 brak de abstracte schilderkunst door

Een ding wordt mij tijdens het lezen van Der taumelnde Kontinent wel duidelijk: de enorme staatkundige en culturele veranderingen in Europa na de Eerste Wereldoorlog waren in de jaren voor 1914 al grondig voorbereid. De oorlog bleek wel een katalysator van de processen die vóór 1914 al in gang waren gezet en in 1919 kon de wereld opnieuw worden getekend.

Der Beginn des 20. Jahrhunderts war eine atemlose Zeit: Sigmund Freud erforschte die dunklen Seiten der Seele. Die Physik entlockte der Materie das Geheimnis der Atome. Albert Einsteins Relativitätstheorie transformierte Raum und Zeit. Frauen forderten das Wahlrecht. In den Jahren zwischen der Weltausstellung 1900 in Paris und dem Beginn des Ersten Weltkrieges, bisweilen als Zeit der Ruhe vor dem Sturm verklärt, entstand das moderne Europa. Philipp Blom entfaltet anschaulich und unterhaltsam das facettenreiche Bild einer bewegten Epoche.
 
Bron: dtv.de

Lees eerste 26 bladzijden [ book2look.com ]

zaterdag 16 juli 2011
Duitse 19e eeuwse schilderkunst
gekocht in Heidelberg: Deutsche Malerei im 19. Jahrhundert

Deutsche MalereiVorig jaar kocht ik tijdens de vakantie in Augsburg het boek Deutsche Malerei des 19. Jahrhunderts (1990) van Hans Joachim Neidhardt. Afgelopen maandag voegde ik daar in Heidelberg een ander boek over Duitse schilderkunst uit de negentiende eeuw aan toe. Deutsche Malerei im 19. Jahrhundert (2005) van Hubert Locher. Een vergelijking dringt zich op. Neidhardt’s boek uit 1990 is omvattender en bevat 84 minibiografieën van Duitse en Oostenrijkse schilders. Locher beperkt zich tot 45 schilders en schrijft op het eerste gezicht essayistischer dan Neidhardt. In plaats van met minibiografieën besluit hij met twaalf lange bladzijden met voetnoten en een uitgebreide literatuurlijst.

Deutsche Malerei des 19. JahrhundertsZoals in de meeste handboeken wordt in grote lijnen de canon van de negentiende eeuw gevolgd. Dit betekent dat het verhaal van de negentiende eeuwse Duitse schilderkunst met de Nazarener begint. Direct daarop volgt de romantische landschapsschilderkunst van Caspar David Friedrich. Carl Spitzweg en Wilhelm Busch verschijnen traditioneel zij aan zij met hun Biedermeierhumor, terwijl de Düsseldorf Schule, de Deutschrömer (Feuerbach, Böcklin, Von Marées) en de laat-romantische dromerijen van Ludwig Richter en Moritz von Schwind elk een apart hoofdstuk krijgen. Het realisme en het oeuvre van Adolf Menzel zijn groot genoeg om een heel hoofdstuk te vullen. Het is jammer dat Locher enkele schilders weglaat die beslist in dit boek genoemd hadden moeten worden: Carl Blechen, Georg Friedrich Kersting en de Oostenrijkse schilder Friedrich von Amerling.

Die deutsche Malerei des 19. Jahrhunderts ist von der Forschung lange Zeit vernachlässigt worden. Stets galt das Interesse der internationalen Kunstgeschichte der zeitgleichen französischen Malerei, die bis heute als Inbegriff der Moderne gilt. Hubert Locher unternimmt in seiner Darstellung eine Neubewertung der deutschen Malerei des 19. Jahrhunderts. Er stellt die Frage nach ihrer spezifischen Qualität und untersucht, welchen Beitrag sie bei der Herausbildung einer nationalen Identität geleistet hat.Aufbau und Argumentation des Bandes folgen den künstlerischen Themenkreisen. Besonders wichtige Werke werden in Einzelanalysen vorgestellt. Behandelt werden u.a. Caspar David Friedrich, Philipp Otto Runge, Adolf Menzel, Wilhelm Leibl, Carl Spitzweg, Anselm Feuerbach, Arnold Böcklin, Hans von Marées, Max Liebermann und Lovis Corinth. Eine ausführliche Bibliographie und ein Künstlerregister vervollständigen den reich bebilderten Band.
 
Bron: primusverlag.de
donderdag 23 juni 2011
ornamenteninventarisaties
Principles of decorative design (1873) van Christopher Dresser
en L’Ornement Polychrome (1869-1888) van Auguste Racinet

De ontwerpen van motieven en patronen van Christopher Dresser zijn lang niet zo bekend als die van William Morris, maar Dresser is wel bekend doordat hij een paar invloedrijke naslagwerken schreef over decoratieve kunsten. Net als de wereldtentoonstelling was de ornamenteninventarisatie een typisch Victoriaans verschijnsel. De Victorianen beheersten de wereldzeeën, maar wilden ook heer en meester zijn over de geschiedenis. Zo catalogiseerden ze ontelbare kunst- en gebruiksvoorwerpen o.a. uit archeologische opgravingen. In de toegepaste kunsten werd dankbaar gebruik gemaakt van deze inventarisaties.

Dresser
Principles of decorative design (pag. 78-79)

In Frankrijk, waar men ook aan imperialisme deed (Napoleon had voor het Franse Keizerrijk bijvoorbeeld de Egyptische Oudheid al toegeëigend) verscheen L’Ornement Polychrome (1869-1888) van Auguste Racinet dat door de vele gedetailleerde kleurenplaten zo indrukwekkend was dat het Principles of decorative design ver achter zich liet. Toch heeft Christopher Dresser met zijn handboeken veel bijgedragen tot het ontwerp van het plantaardige motief en de ontwikkeling van de Jugendstil.

Racinet
twee platen uit L’Ornement Polychrome (1869-1888) van Auguste Racinet
Christopher DresserChristopher Dresser was born in Glasgow, Scotland. At age 13, he began attending the Government School of Design, Somerset House. He received training in design and took botany as his specialization. He lectured on the new subject of Art Botany to complete his studies before his appointment in 1855 as Professor of Artistic Botany in the Department of Science and Art , South Kensington. He wrote a series of articles that appeared in the Art Journal in 1857, “Botany as Adapted to the Arts and Art Manufactures.” In 1858 he sold his first designs. He was awarded a doctorate in absentia from the University of Jena, Germany in 1859 for his writings. From this early date his design work widened to include carpets, ceramics, furniture, glass, graphics, metalwork, including silver and electroplate, and textiles printed and woven. In 1865 the Building News reported that in the early part of his career he had been active as a designer of wallpapers, textiles and carpets thus the most active revolutioniser in the decorative art of the day. He wrote several books on design and ornament, including The Art of Decorative Design (1862), The Development of Ornamental Art in the International Exhibition (1862), and Principles of Design (1873).
 
Bron: en.wikipedia.org

principles of decorative design [ issuu.com ]

zondag 19 juni 2011
organische vormgeving
Vital Forms American Art and Design in the atomic age 1940-1960
samengesteld door Brooke Kamin Rapaport en Kevin L. Stayton

Vital FormsTien jaar geleden was in het Brooklyn Museum of Art een tentoonstelling te zien over Amerikaanse kunst en vormgeving tussen 1940 en 1960. Afgelopen week kocht ik de tentoonstellingscatalogus. De grafisch vormgever in mij springt altijd op bij vormgeving uit de jaren veertig, vijftig en zestig. Geregeld baan ik mij een weg door het world wide web met zoektermen als ‘retro’, ‘mid century modern’ of ‘atomic age design’.

Bij een eerste ronde langs de vele afbeeldingen van deze catalogus, viel mij weer eens op dat er na de Tweede Wereldoorlog vanuit Amerika een nieuwe geest was gaan waaien die overal in tot uitdrukking wilde komen. In het abstract expressionisme van de Amerikaanse avant-garde, in de vormgeving van auto’s, stoelen en lampen, in de grafische vormgeving en in de architectuur. De vormtaal van de nieuwe stijl, die soms ‘atoomstijl’ wordt genoemd, is organisch en vaak worden er zachte kleuren gebruikt.

Tentoonstelling 2001
beelden van de tentoonstelling Vital Forms
in het Brooklyn Museum of Art (2001-2002)

In veel opzichten is de atoomstijl tegengesteld aan de stijl van het Bauhaus of De Stijl uit het interbellum. De strenge hoeken en de harde kleuren hebben plaats gemaakt voor organische en fantasierijke vormen. Vital Forms is de toepasselijke naam van de tentoonstelling uit 2001-2002. Net als het strenge modernisme van Mondriaan en Mies van der Rohe, is de atoomstijl gericht op het elementaire en abstraherende, maar het gedraagt zich speelser.

Deze stijl is meer geïnspireerd door de weke vormen van het vooroorlogse surrealisme dan door de hoekige abstractie van het constructivisme. Het surrealisme duikt onder de oppervlakte en ontsluit de ‘onderwaterwereld’ van onze psyche. Deze lijkt soms letterlijk op een onderwaterwereld waarin weke vormen langzaam zweven en ronddraaien. Bij de surrealistische kunstenaars Jean Arp en Juan Miró komt deze wereld in de jaren twintig al in beeld.

Joan Miro 1924-25
Joan Miro 1924-1925
Het carnaval van Harlekijn
Curator Brooke Rapaport says surrealist elements in the work of Onslow-Ford and other artists had an effect on the abstract expressionists, who would in turn influence later American art. Surrealism, adds Stayton, prompted a “growing interest in irrational rather than rational form.”
 
Another source of the postwar turn to organic art and design lay in the theory of vitalism, according to which all living things possess a life force or essence. In the philosophy of Henri Bergson, the life force or élan vital can be sensed, but not understood intellectually—one intuits the force that sets apart living from nonliving matter. Sir Herbert Read wrote that the sculptor must reverse the process of the natural world and dis-cover— or represent—the vital force concealed within his material. Abstract expressionist Jackson Pollock described it another way: the painter must release the life in a painting.
 
Bron: neh.gov
Jean Arp
de beeldhouwer Jean Arp in zijn atelier
Surrealism prompted a growing interest in irrational rather than rational form.

Kevin L. Stayton

patroon 1953
behang ontworpen door Nancy Warren 1953
From the automobile and Tupperware to paintings by Willem de Kooning and Mark Rothko, Vital Forms: American Art in the Atomic Age, 1940–1960, an exhibition of some 200 objects, will explore how the use of organic forms crossed the boundaries between fine art and popular culture and was used by leading painters and sculptors of the day as well as by designers of industrial products.
 
This is the first exhibition to include all of the visual arts that made use of organic forms in the 1940s and 1950s and to examine their relationship to the period in which they were created. Among the historical events that influenced the art and design of these two decades were World War II, the Holocaust, the immigration from Europe of an extraordinary number of artists and designers, the dropping of the atomic bomb, followed by the Korean war, McCarthyism, and the prosperity and conformity of the 1950s.
 
Bron: brooklynmuseum.org
Knoll 1947-1948
Knoll Associates 1947-1948 [ knoll.com ]

Op zoek naar de atoomstijl [ W&V ]

zaterdag 11 juni 2011
modern wonen
retro into your mod lifestyle

De Amerikaanse tv-serie MAD MEN is niet alleen erg goed geschreven, maar ziet er ook heel stijlvol uit. De set decorator en art director hebben het tijdsbeeld nauwkeurig gereconstrueerd. Daarbij hebben ze zich grondig verdiept in de Amerikaanse lifestyle van de vroege jaren zestig. Het vierde seizoen van MAD MEN speelt zich af in 1964 en 1965 in het nieuwe kantoor van SCDP. Nieuw is de zogenaamde creative room waar de creatievelingen brainstromen. Het ziet er allemaal veel hipper, kleurrijker en levendiger uit. De culturele omslag halverwege de jaren zestig is duidelijk zichtbaar. Fabrikanten en hun reclamebureau’s waren gretig op de opkomende jongerencultuur gedoken. Toch is het ook jammer om nu in MAD MEN afscheid te nemen van de lifestyle van de jaren vijftig, die in 1965 iets van de vorige generatie was geworden. Struinend op internet kwam ik de website populuxebooks.com tegen met boeken over lifestyle in de jaren 1945-1965. Voordat IKEA een multinational was, maakten veel mensen hun moderne houten meubels thuis zelf en daarvoor waren allerlei handboeken op de markt. Omdat retro populair is, worden de oorspronkelijke boeken uit de jaren vijftig en zestig op deze website opnieuw aangeboden.

modern living 1950's
modern wonen anno 1955
modern living
enkele boeken van populuxebooks.com
modern living 1950's
modern wonen anno 1955

populuxebooks.com

maandag 6 juni 2011
Fidus
neoromantiek vanaf 1890 : Hugo Höppener (1868-1948)

Romantiek. Een Duitse AffaireTerwijl de Romantiek als tijdvak meestal tussen 1795 en 1820 gesitueerd wordt, zijn romantische tendenzen in de negentiende en twintigste eeuw zich blijven ontwikkelen. In het tweede deel van Romantiek. Een Duitse Affaire volgt Rüdiger Safranski het romantische spoor van 1820 tot in de jaren zestig van de vorige eeuw.

Het romantische is in de Biedermeiertijd (1815-1848) nog zo sterk vertegenwoordigd dat men vaak over de ‘late Romantiek’ spreekt. Als na 1848 het geestelijk klimaat verzakelijkt, stroomt het romantische ondergronds door en beleeft het bij Wagner en Nietzsche heftige uitbarstingen. In hoofdstuk 15 is Safranski aangekomen in de jaren negentig van de negentiende eeuw. Nietzsche was in 1890 afgezonken in een geestelijke afgrond waar hij nooit meer uit zou komen. Veel intellectuelen beschouwden hem nu als een ‘martelaar van de geest’ en in er ontstond zelfs een hype rond zijn persoon en zijn ‘profeet’ Zarathustra. Safranski schrijft over het geestelijke klimaat in de jaren negentig:

‘Leven’ werd het begrip waar alles om draaide, zoals vroeger ‘zijn’, ‘natuur’, ‘God’ of ‘ik’, een strijdbegrip bovendien dat op twee fronten werd ingezet. Enerzijds tegen het halfhartige idealisme van de plicht, zoals het op Duitse leerstoelen, in de retoriek van de officiële instanties en door de burgerlijke conventies werd uitgedragen. Anderzijds was het parool ‘leven’ gericht tegen een zielloos materialisme, dus tegen de erfenis van de op zijn eind lopende eeuw. ‘Leven’ betekende de eenheid van lichaam en ziel, dynamiek en creativiteit. Er vond een herhaling plaats van het protest van de Sturm und Drang en van de Romantiek. Toentertijd waren ‘natuur’ respectievelijk ‘geest’ de strijdleuzen tegen rationalisme en materialisme geweest. Het begrip ‘leven’ heeft nu diezelfde functie.
 
uit: Romantiek. Een Duitse Affaire. Hoofdstuk 15, blz. 302-303 (vertaling: Mark Wildschut)

LichtgebetNietzsche en het toverwoord ‘leven’ inspireren na 1890 het symbolisme en allerlei expressionistische tendenzen. Maar ook de Jugendstil ontstaat in het de neoromantische klimaat aan het einde van de negentiende eeuw. In de decoratieve Jugendstil wordt vooral het plantaardige leven afgebeeld, het groeien uit de aarde naar het licht. “Wees de aarde trouw” had Nietzsche verkondigd. De Duitse schilder Hugo Höppener (1868-1948) noemde zich Fidus (’de getrouwe’) en schilderde vanaf 1908 vele versies van een zonaanbiddende figuur die zich als een zonnebloem naar de zon uitstrekt. Lichtgebet werd de icoon van de Reformbeweging, van Freie Körper Kultur en van communes als de Neue Gemeinschaft van Gustav Landauer en de Brüder Hart en de Kosmischer Kreis rond Alfred Schuler en Ludwig Klages. Rond 1910 bloeide er een nieuw heidendom en droomde men van een universele natuurreligie. Maar de vruchten van het neopaganisme waren niet goed. In de jaren twintig trok ‘de Nieuwe Mensch’ de laarzen aan. En een bruin uniform.

Hugo HöppenerHugo Höppener wurde am 8. Oktober 1868 (…) in Lübeck geboren. Ostern 1887 wurde er von seinen Eltern auf die Vorschule der Münchner Akademie geschickt. Nach nur drei Monaten verließ er die Akademie und wurde Schüler des Malers und Naturapostels Karl Wilhelm Diefenbach in Höllriegelskreuth, von dem er seine stilistische Prägung und den Künstlernamen „Fidus“ (Der Getreue) erhielt. Er verschrieb sich den lebensreformerischen Ideen des Vegetarismus, der Lichtgläubigkeit, der Freikörperkultur und einer naturgemäßen Lebensweise.
 
Anarcho-sozialistische Vorstellungen von Bodenreform und vegetarischer Pazifismus beherrschten die Geisteswelt des jungen Fidus. So war Fidus unter anderen Mitglied der lebensreformerischen Verbände Deutsche Gartenstadtgesellschaft, des Bundes Deutscher Bodenreformer sowie Mitglied im Bund für allseitige Lebensreform des gesamten Deutschtums, im Verein für Körperkultur und im Deutschen Verein für vernünftige Leibeszucht.
 
1889 setzte Fidus sein Studium an der Münchner Akademie fort. Die Bekanntschaft mit dem Theosophen Wilhelm Hübbe-Schleiden führte zur Mitarbeit als Illustrator der Zeitschrift Sphinx. Fidus vertrat fortan eine mystische Naturreligion und setzte sich für Ideen einer Sexualreform ein. Der spezifische Jugendstil seiner Bilder wurde fortan mit esoterischen Symbolen - Lotosblüten, Eiformen, Kreuzen und Sonnenzeichen - angereichert. Die zyklische Kreisstruktur des Lebens, die Rückkehr des Mannes in den göttlichen Mutterschoß, die Verschmelzung der Geschlechter und die Erlösung durch das Licht waren immer wiederkehrende Bildmotive. Zudem entwarf er Pläne zu gigantischen Tempelanlagen für eine neue Natur- und Lichtreligion, in denen sich das Volk zur Andacht versammeln sollte. Sein berühmtestes Bild wurde das in mehrfacher Ausfertigung, erstmals 1908, entstandene „Lichtgebet“. Es zeigt einen jungen, schlanken, fast androgynen Mann auf einem Berggipfel, die Arme in Form einer Lebensrune spreizend und die Sonne anbetend. Dieses Bild wurde zur Ikone der Jugendbewegung.
 
Bron: de.wikipedia.org

Altijd de ramen openlaten [ nrcboeken.nl ]

zaterdag 28 mei 2011
vulgair materialisme
de drooglegging van het Duitse idealisme rond 1850 volgens Safranski

Nu ik mij steeds dieper heb ingenesteld in de biografieën van Rüdiger Safranski, valt mij op hoe zijn boeken over Schopenhauer (1987), Heidegger (1994), Nietzsche (2000) en de Romantiek (2007) met elkaar verweven zijn. De filosofen Schopenhauer (1788-1860), Nietzsche (1844-1900) en Heidegger (1889-1976) zijn geworteld in de Romantiek en dat is vooral een Duitse affaire. Safranski’s biografieën zijn daarom ook een onderzoek naar de Duitse identiteit en een studie van het geestelijk klimaat van de negentiende eeuw.

boeken van Safranski In de historische achtergrond bij het denken van Schopenhauer, Nietzsche en Heidegger kom je in de onderstaande boeken telkens een passage tegen die Safranski ‘de drooglegging van het Duitse idealisme’ noemt. In Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie vanaf pagina 463 (Olympus 2002), vervolgens in Heidegger en zijn Tijd vanaf pagina 46 (Olympus 2000), in Nietzsche. Een biografie van zijn denken vanaf pagina 100 (Olympus 2000) en tenslotte in zijn nieuwste boek Romantiek. Een Duitse Affaire vanaf pagina 277 (Atlas 2009). Halverwege de jaren tachtig moet Safranski voor het eerst geschreven hebben over het geestelijk klimaat rond 1850. In zijn biografie over Schopenhauer kun je vanaf pagina 463 lezen hoe het realisme rond 1850 het idealisme verdrongen heeft.

In plaats van de subjectieve tendens van de geest is er nu de ‘objectieve’ tendens in de dingen en omstandigheden zelf. Allerwege, uit de wereld van de politiek, de literatuur, de wetenschap, het dagelijks leven en ook de filosofie klinkt de roep: terug naar de feiten!”(Nederlandse vertaling: Mark Wildschut)

Safranski refereert in vier van zijn boeken aan een aantal bestsellers uit de jaren veertig en vijftig van de negentiende eeuw. Psychologische Briefen (1847) en Köhlerglaube und Wissenschaft (1854) van Karl Vogt, Kreislauf des Lebens (1852) van Jakob Moleschott, Kraft und Stoff van Ludwig Büchner en Neue Darstellung des Sensualismus (1855) van Heinrich Czolbe. In dit overzicht van wetenschappelijke bestsellers (brevieren van ontnuchtering noemt hij ze) beperkt Safranski zich tot het Duitse taalgebied, maar de zegetocht van de objectiverende wetenschap was in de eerste plaats een Angelsaksische affaire.

Ludwig BüchnerVulgärmaterialismus
Der naturwissenschaftliche Materialismus ab 1850, auch bezeichnet als wissenschaftlicher Materialismus oder abwertend als Vulgärmaterialismus, ist eine Variante des Materialismus, die seit Mitte des 19. Jahrhunderts von den Naturwissenschaftlern Carl Vogt, Ludwig Büchner und Jakob Moleschott vertreten wurde. Diese bildeten eine radikale und populäre Gegenbewegung zu den philosophischen Systementwürfen des deutschen Idealismus und zu dem gesellschaftlich dominierenden christlichen Weltbild. Sie argumentierten dabei mit dem Erfolg der rasanten wissenschaftlichen und technischen Entwicklung des 19. Jahrhunderts sowie mit den Erkenntnissen und Folgerungen der Evolutionstheorie von Charles Darwin. Die Überwindung der Kluft zwischen organischer und anorganischer Chemie durch Friedrich Wöhlers Synthese eines organischen Stoffes (Harnstoff) wurde von ihnen als Argument gegen vitalistische und für materialistische Ansätze benutzt. ( Bron: de.wikipedia.org )

The Origin of Species (1859) van Charles Darwin is misschien wel hét boek dat de triomf van de materialistische wetenschap in de negentiende eeuw symboliseert. Vooral op het denken van de jonge Friedrich Nietzsche had deze geestelijke ontwikkeling veel invloed. Hij las als een van de eersten de Duitse vertaling (1860) van Darwin’s beroemde boek. In de zestiger jaren begon Nietzsche een diepe afkeer te krijgen van het eigentijdse geestelijk klimaat dat in zijn beleving door gedreven werd door een bangelijk realisme dat de mensen klein hield. Safranski schrijft in zijn biografie over Nietzsche (pagina 100), een passage die hij overigens letterlijk heeft overgenomen uit zijn biografie over Heidegger (pagina 47).

Het is al verbazingwekkend hoe sinds het midden van de negentiende eeuw, na de idealistische hoge vluchten van de absolute geest, plotseling overal het verlangen opkomt de mensen klein te maken. Toendertijd maakte de volgende stijlfiguur opgang: “De mens is niets ander dan…"Voor de romantiek begon zoals bekend de wereld te zingen als je maar het toverwoord vond. De poëzie en de filosofie van de eerste helft van de eeuw was het meeslepende project om steeds nieuwe toverwoorden te ontdekken en te verzinnen. (Nederlandse vertaling: Mark Wildschut)

In Romantiek. Een Duitse Affaire komt de passage over het ontnuchterende realisme voor in hoofdstuk 14 waarin Nietzsche langs de meetlat van de Romantiek wordt gelegd. Hier legt Safranski uit wat de kracht was (en is!) van het materialisme.

De zegetocht van het materialisme was ondanks scherpzinnige tegenwerpingen niet te stuiten, vooral niet omdat het vermengd was met een bijzonder metafysicum, het geloof in de vooruitgang.
De zegetocht van het materialisme was ondanks scherpzinnige tegenwerpingen niet te stuiten, vooral niet omdat het vermengd was met een bijzonder metafysicum, het geloof in de vooruitgang. Als we de dingen en het leven maar tot op het bot, tot de meeste elementaire bestanddelen analyseren, dan kunnen we, zo leert dat geloof, het fabrieksgeheim van de natuur ontdekken. Als we erachter komen hoe alles is gemaakt, zijn we in staat het na te maken. Hier is een bewustzijn aan het werk dat van alles de kneepjes wil kennen, ook van de natuur, die men -in experiment- op heterdaad moet betrappen en die men, als men weet hoe ze werkt, wel eens zal laten zien hoe de vork in de steel zit. (Nederlandse vertaling: Mark Wildschut)

Naturwissenschaftlicher Materialismus ab 1850 [ de.wikipedia.org ]

dinsdag 24 mei 2011
Heidegger’s Heimat [ 5 ]
Komende zomer hopen we Heidegger’s berghut te bezoeken
aan het lezen in Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski

Martin HeideggerMartin Heidegger is een van de weinige grote filosofen van de twintigste eeuw die zich zijn hele leven heeft opengesteld voor de religieuze dimensie van het bestaan. Hoewel hij rond zijn dertigste, kort na de Eerste Wereldoorlog, afstand had gedaan van het katholieke geloof, was hij er wel door gevormd. Niet alleen als kind maar ook als student en jonge filosoof. Een typisch Heideggeriaans begrip als Seinsvergessenheit is te herleiden tot zijn eerste teksten die hij tussen 1910 en 1912 schreef voor het katholieke maandblad Der Akademiker. Hierin verdedigde hij de traditie tegenover de oprukkende moderniteit. Een van deze stukken gaat over de Deense schrijver en essayist Johannes Jørgensen en is getiteld Per mortem ad vitam (’van de dood naar het leven’). Het geloof is voor de jonge filosoof in deze jaren nog een veilige haven en een plek van (oorspronkelijk) leven. In tegenstelling tot de geestelijke stromingen van de moderniteit (zoals het Darwinisme) die de mens ‘metafysisch dakloos’ maken. Ook als Heidegger zélf ‘metafysisch dakloos’ is geworden, blijft hij zoeken naar ‘oergeborgenheid’ en ziet hij de moderniteit als een voortdurende bedreiging van het oorspronkelijke zijn.

In het maartnummer (Der Akademiker) van 1910 schrijft hij een recensie (Per mortem ad vitam (Gedanken über Jörgensens Lebenslüge und Lebenswahrheit). In: Der Akademiker II. Jhg., Nr. 5, März 1910) van een levensbeschrijving van de Deense schrijver en essayist Johannes Jørgensen. Lebenslüge und Lebenswahrheit luidt de Duitse titel van het boek. Het schildert de geestelijke ontwikkelingsgang van darwinisme naar katholicisme, weergegeven als weg uit de vertwijfeling naar geborgenheid, uit de trots naar de deemoed, uit de teugelloosheid naar de levende vrijheid. Voor de jonge Martin Heidegger is dit een exemplarische en leerzame weg, omdat hij alle dwaasheden en verlokkingen van de moderne tijd doorkruist om tenslotte uit te komen bij de rust en het heil van het kerkelijk geloof, dus bij de bovenaardse waarde van het leven.
 
uit: Rüdiger Safranski, Heidegger en zijn Tijd, blz. 37.
Uitgeverij Olympus/Contact, derde druk 2002 (vertaling: Mark Wildschut)

Martin Heidegger bibliografie

maandag 23 mei 2011
ambachtelijk [ 1 ]
gelezen:The Art of the Pre-Raphaelites van Steven Adams

The Art of the Pre-RaphaelitesEr loopt historisch niet alleen een lijn tussen de Pre-Raphaelite Brotherhood en de Duitse Nazarener maar ook tussen de kunstreligie van de vroege Romantiek en de Jugendstil met William Morris als belangrijke schakel.

Dat ontdekte ik in het boek The Art of the Pre-Raphaelites van Steven Adams. Hij refereert aan de Herzensergießungen eines Kunstliebenden Klosterbruders van Wackenroder en Tieck uit 1797. Dit geschrift had grote invloed op de vergeestelijking van de kunst tijdens de Romantiek. In 1808 zouden enkele schilders aan de Akademie der bildenden Künste in Wenen zich verenigen in een Lukasbond. Deze idealiseerde de kunst en de kunstnijverheid uit de tijd van Albrecht Dürer. De Lukasbund werd het begin van een reactionaire beweging die als Die Nazarener de geschiedenis is ingegaan.

Via de Engelse schilder Ford Madox Brown die in de jaren veertig in Rome de Nazareners Peter Cornelius en Friedrich Overbeck leerde kennen, is er een verbinding met de Pre-Raphaelite Brotherhood die in 1848 in Londen werd opgericht. Tenslotte zou deze via William Morris weer invloed uitoefenen op de kunstnijverheid van de Jugendstil. Zo loopt er dus dwars door de negentiende eeuw een anti-modernistische beweging die de Romantiek met de Jugendstil verbindt. Ook in de eentwintigste eeuw spreekt ze een publiek aan dat het ambachtelijke en collectieve van traditionele kunst a priori meer waarderen kan dan het conceptuele en hyper-individuele van de moderne kunst.

Isabelle
Sir John Everett Millais
Isabella, 1849
In England, in 1848, three artists banded together, deciding that they’d had enough of the current British art scene. They were irked by what they saw as stagnant and uninspiring work. Paintings at that time consisted mainly of boring landscapes with cattle, stags at bay, seascapes, still life studies, or family portraits.
 
The three rebellious artists seeking change were Dante Gabriel Rossetti, William Holman Hunt, and Sir John Everett Millais. The name of the movement they founded - “The Pre-Raphaelites” stems from their determination to take inspiration from a time before the artist Raphael set standards in art which they felt had been followed for too long. Their vision was to paint real, unidealised landscapes, figures drawn from life, to real proportions, and grouped without stylised arrangement. They favoured subjects from poetry, mythology, religion or mediaeval tales. Paintings were to be vibrant, so they used a white paint background base - which certainly adds impact when viewed next to other contemporary Victorian art. Vivid colour and lyrical forms were to be used for dramatic and emotional effect. Several other artists soon joined the original three, and their work became well known in Britain, attracting both criticism and praise from contemporaries.
 
Bron: twilightstarsong.blogspot.com

Pre-Raphaelite Brotherhood [ en.wikipedia.org ]

zondag 22 mei 2011
save the planet
gezien: Boeken - Wim Brands in gesprek met Peter Sloterdijk
over zijn nieuwste boek: je moet je leven veranderen

De Nederlandse vertaling van Du mußt dein Leben ändern is uit en Peter Sloterdijk is daarom even in Nederland. Vanmorgen was hij op televisie.

sloterdijkIn Je moet je leven veranderen signaleert Peter Sloterdijk niet alleen problemen, maar draagt hij ook oplossingen aan. Zo moet de mensheid inzien dat de huidige mateloze manier van leven - de ‘frivoliteitscultuur’ - niet kan blijven voortbestaan. Een globale ecologische catastrofe ligt volgens Sloterdijk op de loer, en de grootste zorg voor de mens is daarom de zorg om te overleven. Mensen moeten, zoals de titel van het boek al aangeeft, hun leven veranderen. Eén van de veranderingen waar Sloterdijk op aandringt, is het vinden van alternatieven voor de eindige natuurlijke hulpbronnen. Hij verwacht dat ieder moment een nieuwe, wereldwijde avant-garde kan opstaan die zich als reactie op de dreigende catastrofe zal inzetten voor het behoud van onze planeet.
 
Bron: boeken.vpro.nl

interview met Peter Sloterdijk over zijn nieuwste boek [ vn.nl ]

zaterdag 14 mei 2011
Heidegger’s Heimat [ 3 ]
Komende zomer hopen we Heidegger’s berghut te bezoeken
aan het lezen in Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski

Martin HeideggerHeidegger is niet alleen via Hölderlin met de Duitse Romantiek verbonden. De leermeester, Franz Brentano (1838-1917), van zijn leermeester, Edmund Husserl (1859-1938), was een neef van de romantische dichter Clemens Brentano (1778-1842). Brentano en Husserl zijn Heidegger op het pad van de fenomenologie voorgegaan. Heidegger had het motto van zijn leermeester “Zu den Sachen selbst!” aangescherpt en keerde in Sein und Zeit (1927) nog verder terug dan Husserl, voorbij de zaken zelf, naar datgene dat de fenomenen (’zijnden’) mogelijk maakt, namelijk ‘het Zijn’. Ook na Sein und Zeit heeft Heidegger zich zijn hele leven de vraag naar ‘het Zijn’ gesteld. Volgens Heidegger kun je over deze vraag alleen filosoferen vanuit een bepaalde grondstemming en hij legt daarbij de nadruk op de angst.

In Sein und Zeit staat Heideggers beroemde paragraaf veertig, waarin hij de angst analyseert. Daarbij heeft hij zich door Kierkegaard laten inspireren, die onder het pseudoniem Johannes de Silentio in 1843 Vrees en Beven had geschreven. Safranski schrijft daarover: “Kierkegaard probeert de angst te overwinnen door de sprong in het geloof, een sprong over de afgrond. Heideggers angst is niet het voorspel voor die sprong. Hij heeft het geloof van zijn afkomst verloren. Bij Heidegger is het de angst na de sprong, als je al bezig bent in de afgrond te storten.”

Für Heidegger ist diese Unheimlichkeit das ursprünglichere Phänomen gegenüber dem beruhigt-vertrautem In-der-Welt-Sein, d. h., das Dasein muss sich ein Zuhause, in dem sich wohnen lässt,
erst schaffen.

de.wikibooks.org

In der Angst als Grundbefindlichkeit wird Heidegger den phänomenalen Boden für das Erfassen des Seins des Daseins als Sorge suchen (§ 40). Innerhalb des Zusammenhangs von Sorge, Weltlichkeit, Zuhandenheit und Vorhandenheit wird anschließend Realität zum Thema und das hiermit verbundene Problem von Idealismus und Realismus (§ 43), an welche Analyse Heidegger seine Auffassung des Wahrheitsbegriffes anknüpft (§ 44).
 
Das sechste Kapitel verbindet außerdem die beiden Teile von „Sein und Zeit“, also den ersten Teil, in welchem die Existenzialien herausgearbeitet werden und den zweiten Teil, welcher diese auf ihre Zeitlichkeit hin interpretiert. Heidegger bereitet die zeitliche Interpretation vor, indem er die Bestimmung der Sorge umformuliert als „Sich-vorweg-schon-sein-in(-der-Welt) als Sein-bei (innerweltlich begegnendem Seienden)“. Die Worte vorweg, schon und bei verweisen hierbei auf die zeitlichen Dimensionen von Zukunft, Vergangenheit und Gegenwart.
 
Bron: de.wikibooks.org

Sein zum Tode [ W&V ]

donderdag 12 mei 2011
Heidegger’s Heimat [ 2 ]
Komende zomer hopen we Heidegger’s berghut te bezoeken
aan het lezen in Heidegger en zijn tijd van Rüdiger Safranski

Martin Heidegger“Heidegger begon als katholiek filosoof. Hij nam de uitdaging van de moderne tijd aan. Hij ontwikkelde de filosofie van een bestaan dat zichzelf aantreft onder een lege hemel, beheerst door een verslindende tijd, geworpen en toegerust met de gave het eigen leven te ontwerpen. Een filosofie die de enkeling op zijn vrijheid en verantwoordelijkheid aanspreekt en de dood serieus neemt. De zijnsvraag in Heideggeriaanse zin betekent, het bestaan lichten zoals je een anker licht, om bevrijd de open zee op te varen.” Zo begint Rüdiger Safranski zijn biografie over Heidegger (1994).

Hij ontwikkelde de filosofie van een bestaan dat zichzelf aantreft onder een lege hemel, beheerst door een verslindende tijd, geworpen en toegerust met de gave het eigen leven te ontwerpen.

Safranski over Heidegger

Zijn boek Romantiek. Een Duitse Affaire laat Safranski ook heel bewust beginnen met de uitgestrektheid van de oceaan. (Johann Gottfried von Herder die op 17 mei 1769 het ruime sop kiest, vol vertrouwen een onbepaalde toekomst tegemoet.) Safranski heeft de gave om spannend over filosofie te schrijven en filosofie terug te brengen tot wat het is: het avontuur van de geest.

Toen Safranski aan Heidegger en zijn tijd begon, had hij al een biografie over ETA Hoffmann (1984) en Schopenhauer (1988) geschreven. Ein Meister aus Deutschland luidt de ondertitel van zijn biografie over Martin Heidegger en Safranski plaatst hem daarmee in de traditie van Meister Eckhart en andere Duitse mystici. Zoals bijna alle mystici had ook Heidegger een plek waar hij zich terug kon trekken en waar hij ‘het Zijn’ kon ondervragen. Die plek was bij Todtnauberg in het Zwarte Woud waar hij een blokhut bezat en waar hij ongestoord aan zijn hoofdwerk Sein und Zeit (1923-1927) en aan vele andere teksten kon werken.

Hij was echt een ‘meester’ uit de school van de mysticus meester Eckhart. Als geen ander heeft hij in een a-religieuze tijd de horizon voor de religieuze ervaring opengehouden.

Safranski over Heidegger

Heidegger
dichterisch wohnet der Mensch auf dieser Erde (Heidegger bij zijn blokhut)
Das Tagungsmotto ‘Voll Verdienst, doch dichterisch wohnet/Der Mensch auf dieser Erde‘ ist eine Wendung Hölderlins, der sich Heidegger auf seinem Weg mit dem Dichter immer wieder auslegend näherte. Eine Verwandlung des Denkens, die der ‘Machenschaft’ und dem ‘Ge-stell’ als den Formen, in denen die Geschichte der Metaphysik im 20. Jahrhundert ihre höchste und zugleich brutalste Ausprägung gewann, einen anderen Anfang, eine echte geschichtliche ‘Besinnung’ entgegenstellt, erwartete Heidegger von einer Neubegründung des Verhältnisses von Dichten und Denken in der Zuwendung zu Hölderlin. Noch in jenem berühmten Spiegel-Gespräch aus dem Jahre 1966 merkt Heidegger an, dass ‘mein Denken […] in einem unumgänglichen Bezug zur Dichtung Hölderlins‘ stehe, dass Hölderlin derjenige Dichter sei, ‘der in die Zukunft weist’. Indem Heidegger so von der Bedeutsamkeit Hölderlins angesprochen wird und ihr entspricht, erreicht er den Ort, an welchem ein wahrhaft freies Gespräch mit der Dichtung überhaupt erst möglich wird, ein Gespräch, in welchem es um die gemeinsame Sache des Dichtens und des Denkens geht.
 
Bron: beck-shop.de

Ein Philosoph und seine Dichter - Heidegger, Hölderlin und Thelema

maandag 9 mei 2011
picture - perfect
gezien op DVD: Mad Men Season 3 (2009)

De tv-serie Mad Men, over een groot reclamebureau in New York in de jaren zestig, past uitstekend bij het thema van de inmiddels verstreken Maand van de Filosofie: Het echte leven. In de openingsanimatie van elke aflevering zien we het silhouet van een vallende reclameman. Dat heeft uiteraard een symbolische betekenis. De wereld van Sterling-Cooper aan de Madison Avenue (vandaar de naam (M)ad Men) is een lucratieve schijnwereld van leugens. In deze corrumperende biotoop probeert iedereen zich staande te houden en succes uit te stralen. Maar diep in je hart voel je aan dat deze wereld vroeg of laat als een kaartenhuis in elkaar moet storten. De schijn van het maatschappelijk succes tegenover het echte leven van de val. Wie zou dat niet kunnen herkennen?

Dan River 1962
Say Cheese !
(Dan River Ad, 1962) Het plaatje van het gelukkige gezinnetje wordt ons door de reclame nog altijd voorgehouden… Het is een beeld waarin blijkbaar de meesten van ons willen blijven geloven…

Bedenker en scenarist Matthew Weiner is een tovenaar in het neerzetten van personages die overtuigende en messcherpe dialogen met elkaar voeren. Zijn ‘palet’ lijkt hij te hebben opgebouwd tussen de duidelijke personages Roger Sterling en Peggy Olson. Het groene blaadje Peggy is in het verdorven Manhattan een katholiek meisje gebleven met een zuiver hart, terwijl Roger Sterling het prototype is van de kapitalistische zakenhufter: arrogant, gewetenloos en altijd op zoek naar persoonlijk gewin. In de morele twilight zone waarin Peggy en Roger de uitersten zijn, bewegen zich de anderen.

Hoofdpersoon Don Draper is een complexe en raadselachtige figuur. Hij is een notoire leugenaar en vreemdganger, maar doordat we hem via zijn verleden steeds beter leren kennen, gaan we toch sympathie voor hem voelen. Maar Weiner brengt ons ook telkens terug bij diepe afkeer voor zijn gedrag.

De bewondering die zijn collega’s voor hem hebben, is begrijpelijk. Don is een brilliant reclameman met een diep intuïtief gevoel voor wat de consument wil. Terwijl Roger de leeuwentemmer is, die klanten met zijn kille charme intimideren kan, is Don de creatieve tovenaar die met zijn idee en overtuigingskracht de klant laat zien hoe de consument zich laat verleiden.

La Société du SpectacleMad Men speelt zich af in de jaren zestig, wanneer de commercie en massamedia de maatschappij in hun greep hebben gekregen. Guy Debord schreef in 1967 La Société du spectacle waarin hij aantoont hoe ons leven beheerst wordt door wat de massamedia ons laten denken. Sterling-Cooper is een van de werkplaatsen van ‘de Spektakelmaatschappij’, waarin de American Dream van beelden wordt voorzien. De beelden roepen vervolgens gedachten op waarmee we onszelf kunnen identificeren en waardoor de reclame werkt. Tenslotte is een reclamecampagne een ‘veldtocht’ in de strijd om de consument. Het verkopen van een product is in de eerste plaats het verkopen van een idee.
Mad Men brengt ook ideëele reclame naar voren, waarbij de reclamejongens aan de Madison Avenue bepaalde gewetensbezwaren die er maatschappelijk zijn, onschadelijk moeten maken. Campagne voeren is vaak politiek bedrijven en het witwassen van een slecht geweten.

De verbijzondering van de beelden van de wereld wordt in voltooide vorm teruggevonden in de wereld van het autonoom geworden beeld, waar het leugenachtige zichzelf belogen heeft.

Guy Debord

Het gehele leven van de samenlevingen waarin de moderne productieverhoudingen heersen, dient zich aan als een ontzaglijke opeenhoping van spektakels. Al wat direct werd geleefd, heeft zich in een voorstelling verwijderd. De beelden die zich van ieder aspect van het leven hebben losgemaakt, versmelten in een gemeenschappelijke stroom, waarin de eenheid van dit leven niet meer kan worden hersteld. De gedeeltelijk beschouwde werkelijkheid ontvouwt zich in haar eigen algemene eenheid als afzonderlijke schijnwereld, slechts object van aanschouwing. De verbijzondering van de beelden van de wereld wordt in voltooide vorm teruggevonden in de wereld van het autonoom geworden beeld, waar het leugenachtige zichzelf belogen heeft. Het spektakel is in het algemeen, als concrete omkering van het leven, de autonome beweging van het niet-levende. (Bron: Guy Debord, De Spektakelmaatschappij)

Het spektakel is in het algemeen, als concrete omkering van het leven, de autonome beweging van het niet-levende.

Guy Debord

mad men intro
de intro van Mad Men
(…) the most striking aspect of Mad Men’s title sequence is the depiction of the male protagonist falling from the top of a skyscraper. The action begins as he enters his office in black silhouette, puts down his briefcase, and watches as his furniture begins to implode, almost melting. A small rotating fan spins in an open window, but we never see how the silhouetted man ends up outside the building; we just see him in a graceful freefall for over half of the sequence tumbling past seductive images of women, a glass of whiskey, advertising slogans (“Enjoy the Best America Has to Offer”; “It’s the Gift That Never Fails”), two hands wearing wedding rings, a couple kissing, a smiling nuclear family, and four old vintage photographs. There’s a lot going on in just thirty-six seconds. The slow, languid pace of the fall almost suggests a dream where the protagonist is watching his life pass before his eyes. We can all relate to dreams of falling which typically express our latent anxieties, even our feelings of being out of control and overwhelmed.
 
Bron: mediacommons.futureofthebook.org

Guy Debord, De Spektakelmaatschappij [ marxists.org ]

donderdag 28 april 2011
jongen, jongen, jongen…
filosoof Hans Achterhuis over het geweld in de wereld
gisteren gezien op HUMAN: De achterkant van het kwaad (2008)

Met alle geweldVorige maand werd Hans Achterhuis (1942) aangesteld als eerste Denker des Vaderlands en de Humanistische Omroep (HUMAN) herhaalde gisterenavond een documentaire uit 2008 naar aanleiding van zijn magnum opus Met alle geweld dat drie jaar geleden verscheen. Achterhuis lijkt versmolten met het thema geweld dat hem al zijn hele volwassen leven bezighoudt. Hij maakt een ernstige, bedachtzame en bijna timide indruk. De documentaire begint met een gesprek in een zogenaamd panopticum, een koepelgevangenis, volgens de Franse filosoof Michel Foucault én Hans Achterhuis een materialisering van (staats)geweld, geconstrueerd vanuit de gedachte dat je vanuit één centraal punt anderen met geweld jouw wil mag opleggen. Hierin is Achterhuis duidelijk een erfgenaam van het anti-autoritaire denken uit de jaren zestig, de jaren waarin hij zijn politieke bewustzijn ontwikkelde.

koepelgevangenis ArnhemHet panopticum is misschien wel dé architectonische uitdrukking van centraal gezag en autoriteit. In de jaren zestig was alles dat naar autoriteit neigde, bij voorbaat al verdacht en in potentie gewelddadig. Door het anti-autoritaire klimaat in de jaren zeventig veranderde ook de gevangenisarchitectuur. Dat is heel goed te zien in de Penitentiaire Inrichting Over-Amstel (Bijlmerbajes) uit 1978. Deze gevangenis ziet er eerder uit als een reusachtig Ibishotel. In plaats van tralies hebben de cellen ramen van dik kogelvrij glas om de gevangenen geen opgesloten gevoel te geven. Het is een gematerialiseerd eufemisme, zoals de beleefdheidswoorden ‘penitentiaire inrichting’ en ‘gedetineerde’. Maar de gevangenen maakt dit juist agressief omdat het kogelvrije glas het gevoel geeft op een hotelkamer te zitten. Intussen zit je achter het vriendelijke glas even gevangen als achter de grimmige tralies. Wat dat betreft is een panopticum duidelijker en ‘eerlijker’.

Hans AchterhuisIn de documentaire komen historische beelden voorbij die Hans Achterhuis in zijn denken over geweld gevormd hebben: de atoombommen op Japan, de oorlog in Indonesië, de rassenrellen in Zuid-Afrika, de dood van Che Guevarra en Ulrike Meinhof en de moord op Pim Fortuyn. De laatste gebeurtenis vormde een aanleiding om zijn reflecties op geweld te gaan bundelen en in 2008 verscheen het vuistdikke Met alle geweld. Achterhuis is een maatschappelijk betrokken filosoof die telkens probeert om de algemene vraag “Bestaat er rechtvaardig geweld?” zo concreet en actueel mogelijk te maken. De filosofische en abstracte vraag “Wanneer is geweld geoorloofd?” neemt bij hem altijd een heel concrete gedaante aan, bijvoorbeeld “Moet de Nederlandse regering een politiemissie naar Kunduz zenden?”

De ergste vijanden van de fascisten waren de fascisten
die het fascisme in zichzelf herkenden.

Hans Achterhuis

Als Denker des Vaderlands probeert hij ons te stimuleren onszelf te ondervragen over politieke, actuele en ethische kwesties die ons willen verleiden tot een vlugge en gemakkelijke stellingname. Van Hannah Arendt heeft hij de ernst en de bereidheid overgenomen om de mogelijkheid tot kwaad in onszelf te herkennen. Hij illustreert het met een historisch voorbeeld: “De ergste vijanden van de fascisten waren de fascisten die het fascisme in zichzelf herkenden.” Daarom stelt de Denker des Vaderlands dat we voor onszelf een vijand moeten worden en tegen onszelf moeten vechten. Dit is eigenlijk een heel christelijke gedachte. Achterhuis had voor zijn magnum opus graag een tekening van Rembrandt op de omslag gehad waarin Kaïn zijn broeder Abel doodt. De filosoof ziet het Bijbelverhaal als een van de vele oerverhalen over de oorsprong van het geweld in de wereld. Tijdens zijn lezingen wordt soms een fragment getoond uit 2001: A space odyssey van Stanley Kubrick, waarin het eerste gereedschap dat de mensaap hanteert een moordwapen wordt.

scene uit 2001: A space odyssey
iconisch beeld van de mensaap die het gewelddadige beest in ons vertegenwoordigt

Het is jammer dat Achterhuis zo gemakkelijk de constatering doet dat er altijd geweld in de wereld is geweest. Ga je een klein stukje terug in de Bijbel dan lees je het verhaal over de zondeval, die een verklaring geeft over het kwaad in onze ‘gevallen wereld’. Want bij gewelddadigheid hoort het kwaad, daar hoef je geen gelovige voor te zijn. Zo ook niet om aan te nemen dat vreedzaamheid bij het goede hoort. Achterhuis stelt dat je de mogelijkheid tot kwaad in jezelf moet herkennen om het tegen te kunnen houden. Maar dat is slechts voor een deel waar. Zelfkennis leidt inderdaad tot zelfbeheersing. En toch kunnen we het kwaad niet altijd tegenhouden en als we daar beter naar gaan kijken, dan blijkt achteraf dat we het kwaad tot onze schaamte opzettelijk gewild hebben. We hebben het onderbouwd met een constructie van edele, goede gedachten.

Hannah ArendtAchterhuis noemt dit het ‘doel-middel denken’. Daarbij is het doel altijd een hoger en abstract ideaal. Alle totalitaire systemen zijn hier exemplarisch voor. Om het goede te bereiken, moet het kwade worden uitgeroeid. Bij humanitaire interventie ligt het allemaal veel genuanceerder. Volgens Achterhuis moeten we bij humanitaire interventie in navolging van Hannah Arendt onze doelen zo concreet mogelijk benoemen om ons te beschermen tegen het kwaad. Want we worden voortdurend bedreigd door het gevaar van imagologie, het scheppen van een mooi beeld over onszelf. “Het beschermen van de burgerbevolking” is een veel te abstracte omschrijving. Er moeten juist heel concrete, militaire doelstellingen naar voren gebracht worden. Dan wordt ook duidelijk waar de humanitaire interventie over gaat en kan een verborgen agenda aan het licht komen. We moeten genadeloos eerlijk zijn tegenover onszelf zodat we niet genadeloos hoeven te zijn tegenover de ander.

De achterkant van het kwaad ( bekijk deze documentaire )

woensdag 27 april 2011
Italiëgangers [ 12 ]
Franz Sternbalds Wanderungen (1798) van Ludwig Tieck
inspiratiebron voor de Nazarener in Italië

Franz Sternbalds WanderungenFranz Sternbald Wanderungen is een kunstenaarsroman die Ludwig Tieck op 25-jarige leeftijd publiceerde in een poging om met Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre te wedijveren. De oorsprong van deze roman ligt vijf jaar eerder. In de zomer van 1793 maakte Tieck als jonge student samen met zijn vriend en studiegenoot Wilhelm Heinrich Wackenroder een wandeltocht door Franken waar ze o.a. Bamberg en Nürnberg bezochten. “Je kunt zonder overdrijving zeggen dat het Tieck en Wackenroder waren die in die zomer dit Frankische land met zijn middeleeuwse stadjes, bossen, burchtruïnes, residenties en mijnen als eersten het aureool van het beloofde land van de Duitse Romantiek gaven“, schrijft Rüdiger Safranski in zijn boek over de Romantiek. Wackenroder zou aan de tyfus overlijden in het jaar dat Tieck’s kunstenaarsroman verscheen. Een jaar eerder hadden ze samen nog Herzensergießungen eines kunstliebenden Klosterbruders gepubliceerd, een verzameling kunstenaarsbiografieën en novellen. Na Wackenroder’s dood stelde Tieck een heruitgave samen. Zowel de ‘Herzensergießungen‘ als ‘Franz Sternbald‘ vinden hun oorsprong in de reis die ze in 1793 gemaakt hadden.

Albrecht DürerHoofdpersoon Franz Sternbald is een leerling van Albrecht Dürer uit Nürnberg, de eerste Duitse kunstenaar die in 1494 naar Italië reisde en die vervolgens de Renaissance naar het Noorden bracht. Na hem zouden ontelbare Duitse schilders volgen en velen van hen zouden zich in Rome vestigen. Ze staan bekend als de Deutschrömer. Tieck stuurt zijn romanfiguur eerst naar Holland waar hij in Leiden het ‘wonderkind’ Lucas van Leyden ontmoet. Samen met Dürer behoort deze tot de genieën van de “Noordelijke Renaissance". Daarna reist Franz Sternbald naar Italië om kennis te maken met de kunst van de grote meesters (Raffaël, Michelangelo en Leonardo). Van de kunstminnende Wackenroder heeft Tieck de devotie voor religieuze schilderkunst (Albrecht Dürer, Raffaël) en muziek (Joseph Berglinger) overgenomen.

In de vroege Romantiek zou voor het eerst ‘de kunst van de religie’ en ‘de religie van de kunst’ worden beleden. De idealisering van de laat-Middeleeuwse wereld van Albrecht Dürer begint bij Wackenroder en Tieck. Geïnspireerd door hun kunstbeschouwingen verenigen zich in 1804 een aantal schilders onder de naam Nazarener. Deze groep schilders richt zich op religieuze kunst in de stijl van Raffaël. Vanaf 1810 vestigen de Nazarener zich in Rome en vormen er een kunstenaarskolonie. Franz Sternbald komt hier tot leven in schilders als Ludwig Schnorr von Carolsfeld, Philipp Veit, Peter von Cornelius, Franz Ludwig Catel, Joseph Anton Koch, Wilhelm von Schadow en Carl Philipp Fohr.

Joseph Anton Koch
Joseph Anton Koch 1814
San Francesco di Civitella (detail)
Oh, mein Freund, wenn ihr doch diese wunderliche Musik, die der Himmel heute dichtet, in eure Malerei hineinlocken könntet!

Franz Sternbalds Wanderungen

Es wurde Abend, ein schöner Himmel erglänzte mit seinen wunderbaren, buntgefärbten Wolkenbildern über ihnen. »Sieh«, fuhr Rudolph fort, »wenn ihr Maler mir dergleichen darstellen könntet, so wollte ich euch oft eure beweglichen Historien, eure leidenschaftlichen und verwirrten Darstellungen mit allen unzähligen Figuren erlassen. Meine Seele sollte sich an diesen grellen Farben ohne Zusammenhang, an diesen mit Gold ausgelegten Luftbildern ergötzen und genügen, ich würde da Handlung, Leidenschaft, Komposition und alles gern vermissen, wenn ihr mir, wie die gütige Natur heute tut, so mit rosenrotem Schlüssel die Heimat aufschließen könntet, wo die Ahndungen der Kindheit wohnen, das glänzende Land, wo in dem grünen, azurnen Meere die goldensten Träume schwimmen, wo Lichtgestalten zwischen feurigen Blumen gehn und uns die Hände reichen, die wir an unser Herz drücken möchten. Oh, mein Freund, wenn ihr doch diese wunderliche Musik, die der Himmel heute dichtet, in eure Malerei hineinlocken könntet! Aber euch fehlen Farben, und Bedeutung im gewöhnlichen Sinne ist leider eine Bedingung eurer Kunst.«
 
»Ich verstehe, wie du es meinst«, sagte Sternbald, »und die freundlichen Himmelslichter entwanken und entfliehen, indem wir sprechen. Wenn du auf der Harfe musizierst, und mit den Fingern die Töne suchst, die mit deinen Phantasien verbrüdert sind, so daß beide sich gegenseitig erkennen, und nun Töne und Phantasie in der Umarmung gleichsam entzückt immer höher, immer mehr himmelwärts jauchzen, so hast du mir schon oft gesagt, daß die Musik die erste, die unmittelbarste, die kühnste von allen Künsten sei, daß sie einzig das Herz habe, das auszusprechen, was man ihr anvertraut, da die übrigen ihren Auftrag immer nur halb ausrichten, und das Beste verschweigen: ich habe dir so oft recht geben müssen, aber, mein Freund, ich glaube darum doch, daß sich Musik, Poesie und Malerei oft die Hand bieten, ja daß sie oft ein und dasselbe auf ihren Wegen ausrichten können.
 
Bron: zeno.org

Franz Sternbalds Wanderungen [ zeno.org ]

vrijdag 1 april 2011
ten oosten van Eden
gezien op Een: East of Eden (1955) van Elia Kazan

East of EdenJohn Steinbeck beschouwde East of Eden (1952) zelf als zijn belangrijkste roman. Het is ongetwijfeld zijn meest ambitieuze, met een aaneenschakeling van grote thema’s : identiteit, vrijheid, rechtvaardigheid, liefde, jaloezie en haat. De titel is gebaseerd op Genesis 4:16 “En Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.” Kort na het verschijnen van de roman volgde de verfilming van Elia Kazan. De film werd legendarisch door de eerste grote rol van James Dean als Caleb Trask. De roman is complexer dan de film, die maar een deel van het verhaal toont: de rivaliteit tussen Caleb en Aaron, de tweelingzonen van Adam Trask. Caleb is het zwarte schaap van de familie en probeert de liefde van zijn vader te kopen.

En Kaïn ging uit van
het aangezicht des Heeren;
en hij woonde in het land Nod,
ten oosten van Eden.

Genesis 4:16

East of EdenEast of Eden speelt zich af in de vruchtbare vallei van Salinas (Californië) waar Steinbeck zelf is opgegroeid. Het is ook de plaats waar James Dean in september 1955 in zijn Porsche Spyder verongelukte. In 1955 werd hij posthuum genomineerd voor een oscar voor de beste mannelijke acteur. Ruim een halve eeuw later komt deze film nogal bombastisch over, maar ik heb daar toch niet zoveel problemen mee. Een paar maanden geleden keek ik nog naar Gone with the wind een ander melodrama in Technicolor met kamerbrede muziek. Eigenlijk vind ik het heel mooi als film film is. Kunstwerkelijkheid. Uitvergroting. Het mag best gekunsteld, gedramatiseerd en overdreven zijn. East of Eden hoort thuis in die categorie melodrama’s waarbij de emoties en filmscore zwaar zijn aangezet. Elia Kazan was hier een meester in en John Steinbeck was zeer tevreden over het resultaat.

Man has a choice
and it’s a choice
that makes him a man

John Steinbeck

In the scene where Adam refuses to accept Cal’s money, the script called for Cal to turn away in anger from his father. It was James Dean’s instinct to embrace him instead. This came as a surprise to Raymond Massey, who could think of nothing to do but say, “Cal! Cal!” in response.
 
Bron: imdb.com

East of Eden [ en.wikipedia.org ]

zaterdag 26 maart 2011
art power
Boris Groys : Art Power (2008)
Art PowerArt has its own power in the world, and is as much a force in the power play of global politics today as it once was in the arena of cold war politics. Art, argues distinguished theoretician Boris Groys, is hardly a powerless commodity subject to the art market’s fiats of inclusion and exclusion. In Art Power, Groys examines modern and contemporary art according to its ideological function. Art, Groys writes, is produced and brought before the public in two ways—as a commodity and as a tool of political propaganda. In the contemporary art scene, very little attention is paid to the latter function; the official and unofficial art of the former Soviet Union and other former Socialist states, for example, is largely excluded from the field of institutionally recognized art, usually on moral grounds (although, Groys points out, criticism of the morality of the market never leads to calls for a similar exclusion of art produced under market conditions).
 
Bron: mitpress.mit.edu
Waardeoordelen en selectiecriteria binnen de kunstwereld zeggen meer over de heersende sociale opvattingen en machtsstructuren dan over de kunst an sich.

Bert Herps (Filosofie Scheurkalender)

The notion of art,” Boris Groys writes near the start of Art Power, “is today almost synonymous with the notion of the art market.” In less dexterous hands, this argument could swiftly slip into hollow polemic. But Groys continues with something surprising: “to perceive the critique of commodification as the main or even unique goal of contemporary art is just to reaffirm the total power of the art market – even if this reaffirmation takes a form of critique.
 
Bron: artmargins.com

borisgroys.com

zaterdag 19 maart 2011
de plooien van Botticelli
Twee essays van Aldous Huxley :
The Doors of Perception (1954) en Heaven and Hell (1956)

Aldous HuxleyIk ben te laat geboren om bewust getuige te kunnen zijn geweest van de psychedelische revolutie. Maar als peuter moet er rond 1966-67 iets in mijn onderbewustzijn geplant zijn, dat twintig jaar later een sterk verlangen bij mij opwekte terug te keren naar het verloren paradijs van mijn jeugd. Op 1 juni 1987 keek ik met rode oortjes naar de documentaire It was twenty years ago today over het fameuze Beatlesalbum Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Dat was voor mij een aanleiding om psychedelische boeken en muziek te gaan verzamelen. Internet bestond in 1987 nog niet, dus haalde ik mijn informatie uit bibliotheken en antiquariaten. Boeken van Richard Alpert, Ralph Metzner, Timothy Leary en Alan Watts verschenen in mijn boekenkast. Maar ook die van Aldous Huxley (1894-1963), de ‘vader van de psychedelische revolutie’. Hij overleed op 22 november 1963 (op de dag dat John F.Kennedy vermoord werd). Op zijn verzoek injecteerde zijn vrouw hem op zijn sterfbed 100 µg LSD en enkele uren later overleed Huxley in zijn laatste (eeuwigdurende?) LSD-trip. In mijn eerste drie levensjaar (1963-1966) sluimerde de psychedelische revolutie nog ondergronds maar in 1966 was LSD in de counterculture zo populair geworden dat iedereen erover sprak.

Aldous Huxley
The Doors of Perception (1954)
en Heaven and Hell (1956)

Twee essays van Aldous Huxley zijn voor mij grensverleggend geweest: The Doors of Perception (1954) en Heaven and Hell (1956). Simon Vinkenoog vertaalde beide boeken die in 1971 en 1973 door Uitgeverij Contact werden uitgegeven. De passage waarin Huxley onder invloed van mescaline een stukje kunstbeschouwing doet en dan overvallen wordt door de werkelijkheid, maakte veel indruk op mij. In 1986 studeerde ik aan de kunstacademie en we hadden zojuist het boekje Beeld en Werkelijkheid (Van Ringelstein, 1964) moeten lezen. Daarin wordt gesteld dat we de werkelijkheid altijd waarnemen aan de hand van (voor)beelden. Schilderkunst en kunstgeschiedenis (kunst in de vierde dimensie) waren voor mij toen ook al vergrootglazen om naar de werkelijkheid te kijken. De psychedelische ervaring waar Huxley over schreef, deed de grens tussen kunst en werkelijkheid vervagen. De plooien in zijn broek bleken vóór het zien van Botticelli al adembenemend!

Botticelli
plooien uit de Geboorte van Venus van Sandro Botticelli in The Google Art Project van dichtbij bekeken.
Die plooien in mijn broek,
wat een labyrint van oneindige betekenisvolle ingewikkeldheid!
Ik zette de Van Gogh terug in zijn rek en pakte het boek dat ernaast stond. Het was een boek over Botticelli. Ik sloeg de bladzijden om. “De Geboorte van Venus” - nooit een van mijn favorieten. “Mars en Venus,” die door die arme Ruskin op het toppunt van zijn langdurige seksuele tragedie zo hartstochtelijk verketterde verrukkelijkheid. De magnifiek rijke en ingewikkelde “Lastering van Apelles.” En toen een wat minder bekend en niet erg goed schilderij, “Judith“. Mijn aandacht werd geboeid en ik staarde gefascineerd, niet naar de bleke neurotische heldin of haar dienaar, niet naar het harige hoofd van het slachtoffer of het lentelandschap op de achtergrond, maar naar het paarsachtige zijde van Judith’s geplooide lijfje en lange door de wind bewogen rokken.
 
Dit was iets dat ik eerder had gezien - diezelfde morgen had gezien, tussen de bloemen en de meubels, toen ik per ongeluk naar beneden keek, en zomaar hartstochtelijk bleef staren naar mijn eigen gekruiste benen. Die plooien in mijn broek - wat een labyrint van oneindige betekenisvolle ingewikkeldheid! En het weefsel van het grijze flanel - hoe rijk, hoe diep geheimzinnig weelderig! En hier waren ze opnieuw in Botticelli’s schilderij.
 
uit: De deuren der waarneming (vertaling: Simon Vinkenoog)

The Doors of Perception | Heaven and Hell | The Psychedelic Library

zaterdag 12 maart 2011
Krinke Kesmes
Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes (1708)
de oude droom van vreedzame coëxistentie door religieus syncretisme

Krinke KesmesDe Zwolse chirurgijn Hendrik Smeeks (1645-1721) zal het niet eens geweest zijn met zijn tijdgenoot Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) die beweerde dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven. Of in ieder geval, meende Smeeks dat we niet in het beste deel van die wereld leven. Ruim driehonderd jaar geleden schreef hij een imaginair reisverhaal: Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes (1708).

Hoofdpersoon is de koopman Juan de Posos, zoon van een Spaanse vader en Nederlandse moeder, die tijdens een van zijn handelsreizen schipbreuk lijdt en strandt op een vierkant eiland van twintig bij twintig kilometer dat deel uitmaakt van het mysterieuze Zuidland. In het begin van de achttiende eeuw fantaseerde men nog over dit onbekende deel van de wereld dat sinds Ptolemaeus (100 - 161 na Chr.) Terra australis incognita heette. De ontdekkingsreiziger James Cook zou met het in kaart brengen van de Stille Zuidzee in 1772 voorgoed een einde maken aan de fantasieën over het Zuidland. In navolging van Thomas Moore’s Utopia (1516) projecteert Smeeks op dit eiland een ideale maatschappij: het onbekende koninkrijk Krinke Kesmes

Hendrik Smeeks was een man van de Verlichting. Hij was opgegroeid in het Europa van na de godsdienstvrede van Münster (1648). Maar toch was het in de tweede helft van Europa allesbehalve rustig gebleven op religieus gebied. Smeeks moet de gevolgen van de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 door Lodewijk de XIV bewust hebben meegemaakt. Vijftigduizenden hugenoten waren naar het buitenland gevlucht en velen daarvan kwamen naar de relatief tolerante Republiek. Maar voor verlichte geesten was de situatie in ons land ook nog verre van ideaal. En zo projecteerde Smeeks een ideale maatschappij ergens op het Onbekende Zuidland: Krinke Kesmes.

De Hollanders waaren de vreedigste, om dat haar geloof
het zagste scheen te weesen.

uit: Krinke Kesmes (blz. 131)

vreedzame coëxistentieIn het fictieve Koninkrijk Krinke Kesmes kan iedereen door dezelfde godsdienstige deur omdat er maar één religie is die alle religies in zich verenigt. Smeekssyncretisme is een voorloper van de luie maar populaire opvatting dat ‘alle wegen naar Rome leiden’ en dat alle religieuze uitdrukkingen in feite op hetzelfde neer komen. Vanuit de achtergrond van de godsdienstoorlogen uit de zestiende en zeventiende eeuw is het syncretisme een diplomatieke oplossing: de verschillen tussen de godsdiensten worden uitgewist en de overeenkomsten worden benadrukt. Maar vanuit de beleving van de afzonderlijke godsdiensten is interreligie een soort ‘MacDonald-isering’ waarbij eeuwenoude tradities door de gehaktmolen van de Verlichting tot eenheidsworst worden gedraaid. Het gaat natuurlijk vooral om het bewaren van de lieve vrede. Maar echte tolerantie en vreedzame coëxistentie zijn alleen mogelijk wanneer er verschillen zijn die om wederzijdse acceptatie vragen. Het opruimen van die verschillen getuigt juist van weinig respect voor de eigenheid van de traditie(s). Smeeks‘ ideaal van één wereldreligie is even rationeel als naïef. Maar tot op de dag van vandaag zijn er nog goedbedoelende gelovigen van de interreligieuze ‘kerk’.

Onse Godsdienst en onse Wijsheid bestaan alle in Spreuken, die wy uit Europische en Asiatische boeken hebben uitgetrokken;

uit: Krinke Kesmes (blz. 126)

Wy gelooven niet als de Europers, dat de Weereld voor vijf+ a ses duisend jaaren zoude geschaapen zijn, waar over zy twisten+. Deese Natie aanbad in voortijden de Sonne, Balone+, en haaren Koning, zonder meer andere Goden te kennen. Tot dat naa uwe reekeninge van de geboorte Christi duisend en dertig, als wanneer hier een Persiaansch Schip kwam te stranden, welke Schip van Bender Abassi+ of Cambron+ bevragt was na Mecca, met veel kostelijkheid, onder andere waaren daar op veele Boeken van verscheide Taalen en Faculteiten, gelijk als Persiaanze, Maleize, Turkze, Latijnze, Italiaanze, en veele andere.
 
Bron: dbnl.org
citaat
Krinke Kesmes blz. 109

Krinke Kesmes [ nrc.nl ] | literatuurgeschiedenis.nl

vrijdag 11 maart 2011
et cetera
zondag gezien bij Boeken: Wim Brands in gesprek met Umberto Eco

Umberto EcoIn zijn gesprek met Wim Brands noemde Umberto Eco internet een gevaarlijk medium voor mensen met een laag kennisniveau. Terwijl het medium televisie de armen van geest volgens Eco heeft verrijkt, zou internet precies omgekeerd werken: internet is een verrijking voor intellectuelen terwijl het voor onervaren mensen met een laag kennisniveau een riskant medium is. Waarom? De meeste websites op het internet presenteren informatie ongefilterd. Zelfs bij een website in het .edu-domein weet je niet of deze van een universiteit is, maar alleen dat hij van iemand is die voor het .edu-domein betaald heeft. Eco spreekt hier in de eerste plaats als wetenschapper die geleerd heeft om eerst minstens drie bronnen met elkaar te vergelijken voordat hij informatie betrouwbaar acht. Dat is gelijk ook een van de redenen waarom hij zulke boeiende romans schrijft. Een boek kost hem gemiddeld zes jaar en die tijd wordt vooral besteed aan onderzoek. Voor zijn nieuwste roman De begraafplaats van Praag had hij vele meters documentatie op zijn werkkamer. Wim Brands vroeg hem ondermeer waarom lijsten hem zo boeien. Eco antwoordde dat lijsten hem fascineren omdat ze een reactie zijn op ons onvermogen om het oneindige te benoemen. Bovendien structureren lijsten onze kennis. Ik moest onmiddellijk denken aan de opsomming van dieren uit een Chinese encyclopedie die Michel Foucault citeert aan het begin van Les Mots et les Choses.

de betovering van lijstendieren
a. die de Keizer toebehoren,
b. gebalsemde,
c. tamme,
d. speenvarkens,
e. sirenen,
f. fabeldieren,
g. loslopende honden,
h. die in deze indeling voorkomen,
i. die in het rond slaan als gekken,
j. ontelbare,
k. die met een fijn kameelharen penseeltje getekend zijn,
l. et cetera,
m. die zojuist een kruik gebroken hebben,
n. die vanuit de verte op vliegen lijken

Dit lijstje bezorgt mij een aangename culture shock. Geconditioneerd door de westerse, rationele indeling van het dierenrijk, breekt er in deze opsomming een totaal andere manier van denken door. Eco heeft gelijk: lijsten zijn een reactie op ons onvermogen om het oneindige te benoemen…

de vertalers Yond Boeke en Patty Krone over de nieuwste Eco

dinsdag 8 maart 2011
Friedrich & co [ 12 ]
Carl Gustav Carus (1789-1869)
Neun Briefe über Landschaftsmalerei

Carl Gustav CarusDe Dresdener arts Carl Gustav Carus was niet alleen bevriend met zijn stadsgenoot Caspar David Friedrich maar ook met Alexander von Humboldt en correspondeerde bovendien nog met Goethe. Hij was dan ook een veelzijdige man. Naast medicus was hij net als Friedrich landschapsschilder en schreef hij filosofische verhandelingen over natuur en wetenschap. Hij wordt zelfs wel eens gezien als de grondlegger van de dieptepsychologie. Een echte homo universalis dus die net als Von Humboldt en Goethe kunst en wetenschap (nog) als één ongebroken geheel zag. Maar als romanticus beschouwde hij de kunst als “Gipfel der Wissenschaft". In zijn beroemde Neun Briefe über Landschaftsmalerei die hij als jongeman tussen 1815 en 1824 schreef, komt dat sterk naar voren. Deze brieven werden in 1831 in Leipzig uitgegeven en zijn nu integraal op internet te lezen. Goethe heeft deze uitgave nog net mogen meemaken en schreef zelfs een brief als inleiding.

Carus 1831
Neun Briefe über Landschaftsmalerei 1831

Naast de negen brieven zijn in deze bundel drie bijlagen opgenomen. De eerste bijlage gaat over Fysiognomie der Gebirge. Fysiognomie (gelaatskunde) was sinds de publicatie van Physiognomische Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (1775-78) van Johann Kaspar Lavater een populaire wetenschap geworden (en nog niet besmet door de geschiedenis). De fysiognomie probeert uit de uiterlijke kenmerken van het gezicht het innerlijk (de persoonlijkheid) naar boven te halen. Analoog aan het menselijk gelaat probeert Carus uit de vormen van bergen en rotsen de aard van een landschap bloot te leggen. Zijn waarnemingen zijn deels wetenschappelijk en behoren daarmee tot het terrein van de geologie. Maar Carus gaat verder en komt tot een soort psychologische geologie waarmee hij ‘de aard van de aarde’ wil beschrijven. Het is niet zo verwonderlijk dat hij met Goethe over dit onderwerp gecorrespondeerd heeft. Als je Goethes dagboek van zijn reis naar Italië leest, kom je ook telkens geologische waarnemingen tegen.

Grot van Fingal
De basaltgrot van Fingal (1834)
laat Carus’ interesse voor geologie zien.
inkt en aquarel, 27,6 x 32 cm (Kupferstichkabinett Staatliche Kunstsammlungen Dresden)

Carl Gustav Carus was evenals Goethe in wolken geïnteresseerd. Ook de meteorologie was aan het begin van de negentiende eeuw een nieuwe en populaire wetenschap. Dat was vooral te danken aan de Engelsman Luke Howard die in 1803 Essay on the Modification of Clouds had geschreven. Goethe had Howard zelfs eer bewezen met een gedicht. In de tweede bijlage van Carus’ Brieven staan fragmenten uit zijn Malerischen Tagbuch. Hierin staan nauwkeurige waarnemingen en beschrijvingen van de hemel . Hij leidt zijn dagboek in met een citaat van, ja alweer…

Ich sah die Welt mit liebevollen Blicken/Und Welt und ich, wir schwelgten in Entzücken/So duftig war, belebend, immer frisch/Wie Fels, wie Strom, so Bergwald und Gebüsch

Goethe

December 1823. Erstes Mondsviertel
Einmal Abends im großen Garten. Bitter kalt, aber reiner duftiger Himmel. Frischer Schnee ziert die Fichten und Kiefern, erscheint klar, aber im Dunkel violett sich von der abendlich gerötheten Luft absetzend; selbst gegen östliche Gegendämmerung steht der Schnee dunkel. — Am Waldrande bei der Krahenhütte schiner Schneehügel mit einsamer Kiefer durch helle Flachen von der schmalt-grauen Luft sich abhebend.
 
Im vollen ersten Viertel Abends nach vier Uhr über Brühl’s Terrasse und Brücke nach dem Palaisgarten, — An dem Elbthore ein schönes Bild. Drei Bogen der Brücke im duftigen Braungrau mit den dreieckigen beschneiten Dächern der Pfeiler; davor breite Schneeflache als Hauptlicht, mit dunkelsten Steinen im Vorgrunde unterbrochen. — Unter den Bogen duftiges Gebüsch und Ferne, darüber schmaltegrauer Himmel in ockerröthlich übergehend, alles mit Wolkendunst erfüllt; aber endlich der Mond durchdringend, noch nicht leuchtend, doch von gelblichem Schimmer umgeben. — Seitwärts die Frauenkirche dunkler violettgrau. — Auch von dem Hügel am Palais die Rücksicht nach der Stadt schön abgestuft, vorn hellster Schnee und dunkelste Bäume nun; stufenweise Lichter und Tiefen nach der Ferne hin abklingend, doch noch die letzten Schneedacher von dem duftigen Himmel hell abgesetzt.
 
Bron: Neun Briefe über Landschaftsmalerei, blz. 189

Ausstellung Carl Gustav Carus. Natur und Idee [ carusinberlin.org ]

zaterdag 26 februari 2011
ben ick van Duytschen bloet
vorig weekend in Emmerich gekocht:
Die Deutschen und ihre Mythen van Herfried Münkler

Die Deutschen und ihre MythenTerwijl de meeste naties hun nationale mythen konden blijven koesteren, heeft het mythegevoelige Duitse volk na 1945 afstand moeten doen van zijn mythen, die sinds het Duitse Keizerrijk als brandstof werden gebruikt voor kwaadaardige politieke doeleinden. Duitse mythen waren na de oorlog taboe geworden. Toen de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer in de jaren zeventig zich met het pijnlijke Duitse verleden ging bezighouden en de mythen als het levenssap uit dat verleden in zijn werk perste, was dat nog zeer omstreden.

Maar sinds de Duitse Eenwording van 1990 is er een verandering gekomen in het historische bewustzijn van onze oosterburen. De documentaireserie Die Deutschen van de ZDF laat zien dat de Duitsers de zwartste bladzijde uit hun nationale geschiedenis verwerkt lijken te hebben. Er is weer ruimte voor het Duitse verleden van vóór het nationaal-socialisme en dat verleden mag weer bepalend zijn voor de Duitse identiteit. Een Duitser die zich niet schaamt voor zijn eigen nationaliteit wordt niet meer voor neo-nazi aangezien. Die Deutschen und ihre Mythen van Herfried Münkler past in het jongste historische onderzoek naar de Duitse identiteit. Veertig jaar geleden was de tijd voor een dergelijke studie nog niet rijp geweest. Maar twintig jaar na de Duitse hereniging mag een Duitser weer schrijven over de Duitsers en hun mythen.

Die Nibelungen 1924
Die Nibelungen Siegfried, 1924
een film van Fritz Lang
Nationalmythen beschwören Gestalten der Vergangenheit,
um Zukunft zu garantieren.
Sie erheben den Anspruch, die Geschichte der Nation nicht nur zu deuten, sondern ihren Fortgang zu strukturieren.

Herfried Münkler

In het laatste kwart van de negentiende eeuw was het jonge Duitse Keizerrijk (1871-1918) een El Dorado van politiekgeladen mythen. Nadat Pruisen het Franse Keizerrijk had verslagen, werd Duitsland onder Pruisische leiding het nieuwe keizerrijk in Europa en Frankrijk werd gedegradeerd tot republiek. Met talloze monumenten werd de superioriteit van Duitsland ten opzichte van Frankrijk gevierd. De Duitsers identificeerden zich met de Germanen die de machtige Romeinen buiten de deur hadden weten te houden. Dat was de Franken nooit gelukt! Deze identificatie met de Germaanse voorouders zou in het nationaal-socialisme het heidendom doen herleven. In de negentiende eeuwse mythevorming rond Hermann der Cherusker en natuurlijk Siegfried der Drachentöter, werd het levenssap uit de heidense wortels van Germania door de stam van het Keizerrijk opgezogen en zou een halve eeuw later gegist zijn tot het giftige brouwsel van arianisme en anti-semitisme.

Friedrich Tüshaus
Friedrich Tüshaus 1876, Schlacht zwischen Germanen und Römern am Rhein

In het bovenstaande schilderij van de vergeten schilder Friedrich Tüshaus verslaan de Germanen de Romeinen aan de Rijn. Het schilderij heeft een sterke politieke lading. Het gaat niet alleen over de Germaanse superioriteit over de Romeinen, maar ook over het pauselijke Rome. Het Duitse Keizerrijk was een uitvinding van het protestantse Pruisen dat zichzelf zag als de erfgenaam van Luther en de erfvijand van Rome.

Herfried Münkler schreibt über die Deutschen und ihre Geschichte im Spiegel ihrer Mythen. Dabei erweckt er alte Sagen - etwa um die Nibelungen - zu neuem Leben, besichtigt schicksalhafte Orte wie Weimar, Nürnberg oder den Rhein und lässt historische Persönlichkeiten wie Hermann den Cherusker, Friedrich den Großen oder den Papst auftreten - selbst die D-Mark fehlt nicht in diesem Reigen. In einer großen historischen Analyse zeigt Münkler, wie Mythen unsere nationale Identität geformt haben und welch motivierende und mobilisierende Kraft ihnen eignet - im Positiven wie im Negativen. Denn in der deutschen Geschichte gingen Mythos und Politik stets Hand in Hand. So dienten die Schlacht im Teutoburger Wald oder der Drachentöter Siegfried der inneren Militarisierung der Deutschen, und das “Unternehmen Barbarossa” führte sie direkt in den Untergang. Nach 1945 erblühte die Bundesrepublik im Mythos vom “Wirtschaftswunder", die DDR richtete sich am “antifaschistischen Widerstand” auf. Heute dagegen ist Deutschland ein mythenarmes Land - ist das ein Fluch oder ein Segen?
 
Bron: Klappentext - Die Deutschen und ihre Mythen, Rowohlt Taschenbuch Verlag

Die Deutschen und ihre Mythen [ arte.tv ] | boekbespreking [ literaturkritik.de ]

maandag 21 februari 2011
van afkeer naar ommekeer
herlezen: voorwoord van J.-K.Huysmans bij A rebours uit 1903

J.-K.HuysmansHet is een feest van herkenning om het voorwoord te lezen dat J.-K.Huysmans bijna twintig jaar na het verschijnen van A rebours in 1903 schreef. Als jonge kunststudent vond ik in de jaren 1984-85 in de decadent Des Esseintes uit A rebours een geestverwant. Deze fijnbesnaarde zonderling uit het fin de siècle had zich uit walging voor de maatschappij afgezonderd in een landhuisje in Fontenay waar hij zich omringd had met boeken en beeldende kunst. A rebours is een plotloze roman over slechts één persoon. De veertien hoofdstukken die het boek telt, zijn een soort inventarisatie van zintuigelijke waarnemingen die Des Esseintes in zijn passies gecultiveerd heeft: Latijnse, kerkelijke en wereldlijke literatuur, beeldende kunst, parfums en gastronomie. Huysmans schreef A rebours toen hij een jaar of vijfendertig was in een poging om zich te bevrijden uit het naturalisme dat in zijn ogen alleen nog maar rondjes draaide om de dierlijke driften en instincten in de mens. Huysmans was eigenlijk zélf de protagonist uit zijn roman. Uit afkeer voor de platvloersheid van de wereld zocht hij de schoonheid op als het medicijn, maar intussen bleef hij doodziek van de wereld. Het motto van A rebours is overigens een uitspraak van de Vlaamse mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381):

Ik moet mijn vreugde buiten de tijd zoeken …, hoewel de wereld mijn blijdschap verafschuwt
en te grof is om te begrijpen
wat ik wil zeggen.

Jan van Ruusbroec

Gerard ReveA rebours is een hoogtepunt in het estheticisme en luidde het begin in van de decadente literatuur, die op de literatuur van de twintigste eeuw zijn uitwerking zou hebben. Op Gerard Reve zou de decadente Huysmans een blijvende indruk maken. Je zou zijn bekering tot het katholicisme, waarin hij Huysmans navolgde, een literaire stijlfiguur of pose kunnen noemen. Maar daarmee zou je oprechtheid ondergeschikt maken aan kunst(matigheid). Bij de rijpe Huysmans is dat zeker niet het geval. In 1891 schreef hij met Là-bas eerst nog een satanistische roman, voordat hij in 1895 met En route definitief voor de Weg van Christus zou kiezen. In Huysmans leven is een geestelijke logica te ontdekken, het verhaal van de Verloren Zoon, die je vanuit je eigen leven ten diepste herkennen kunt, als je wilt. Na het verschijnen van A rebours schreef de literatuurcriticus Barbey d’Aurevilly: “Na zo’n boek blijft de auteur slechts de keus tussen de mond van een pistool en de voeten van het Kruis.”

Arthur SchopenhauerIk sta nog steeds achter de bladzijden die ik in Tegen de keer aan de Kerk heb gewijd, want ze lijken werkelijk door een katholiek geschreven. En toch, hoe ver waande ik mij niet van de godsdienst! Het kwam niet in mij op dat er maar één stap lag tussen Schopenhauer, die ik mateloos bewonderde en de Prediker van Salomo en het boek Job, De premissen van het pessimisme zijn dezelfde, alleen weigert de filosoof er consequenties aan te verbinden. Ik hield van zijn ideeën over de afschuw van het leven, over de domheid van de mensen en de onbarmhartigheid van het lot; ik houd van dezelfde gedachten in de Heilige Schrift; maar de opmerkingen van Schopenhauer leiden tot niets; hij laat je zogezegd in het onzekere; zijn aforismen zijn eigenlijk een herbarium met gedroogde planten; de Kerk verklaart oorsprong en oorzaak van dit pessimisme, geeft doel en genezing aan. Zij stelt er zich niet tevreden mee je geestelijk te onderzoeken, zij behandelt en geneest je, terwijl de Duitse kwakzwalver eerst nauwkeurig de diagnose stelt dat de ziekte, waaraan je lijdt, ongeneeslijk is en je dan hoonlachend de rug toekeert.
 
J.-K.Huysmans in 1903 over A rebours (1884) in de vertaling van Jan Siebelink

Joris-Karl Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

zondag 20 februari 2011
de oude hoop
gezien bij VPRO Boeken: Wim Brands in gesprek met Jan Siebelink

Jan SiebelinkHet televisieprogramma Boeken dat elke zondagmorgen door de VPRO wordt uitgezonden, is een van de hartstochtelijkste programma’s op de Nederlandse televisie. Wim Brands is een gevoelige en betrokken lezer die van een vraaggesprek met een schrijver een echte ontmoeting weet te maken. Vanmorgen sprak hij met Jan Siebelink over zijn nieuwste bundel Conversaties met essays die Siebelink ooit schreef voor HP/De Tijd. In het gesprek kwam ook Joris-Karl Huysmans ter sprake, de negentiende eeuwse Franse schrijver van Nederlandse komaf, die in 1884 met de roman A rebours ‘de Bijbel van de decadentie’ schreef. Siebelink vertaalde het boek in 1975 onder de titel Tegen de Keer en sinds 1985 staat deze vertaling in mijn boekenkast. Voor mij was het mooie gesprek tussen Wim Brands en Jan Siebelink een aanleiding om zijn vertaling weer eens uit de kast te pakken. Als eerste las ik weer eens de magistrale slotzin, die Jan Siebelink in zijn eigen vertaling citeerde: “Heer heb medelijden met de christen die twijfelt, met de ongelovige die zou willen geloven, met de galeislaaf van het leven die alleen scheep gaat, in de nacht, onder een firmament, dat niet meer wordt verlicht door de vertroostende bakens van de oude hoop!”

Seigneur, prenez pitié du chrétien qui doute, de l’incrédule qui voudrait croire, du forçat de la vie qui s’embarque seul, dans la nuit, sous un firmament que n’éclairent plus les consolants fanaux du vieil espoir!

laatste zin uit ‘A rebours’

HuysmansVoor Siebelink was J.K HuysmansA rebours een soort heilsboek. Een boek dat als een meteoriet bij hem insloeg. Siebelink: “Het bevat in de kiem alle boeken die Huysmans daarna zou schrijven, het lanceert een nieuwe beweging die de geschiedenis in zal gaan onder de naam ‘decadentie’ en het maakt het publiek bekend met de symbolistische dichters Verlaine, Mallarmé en Corbière.” Op de dag dat hij de vertaling van A rebours inleverde, schreef Siebelink ’s avonds zijn eerste verhaal: Witte chrysanten. Samen met vier andere verhalen vormde dit zijn debuut Nachtschade.
 
Bron: boeken.vpro.nl

de Bijbel van de decadentie [ woest & vredig ] | huysmans.org

zaterdag 22 januari 2011
er was eens … [ 5 ]
Harry Clarke (1889-1931) uit Ierland
 

De periode 1870-1930 wordt wel eens The Golden Age of Illustration genoemd. Door het populaire Edwardian Gift Book was het geïllustreerde sprookjesboek in Engeland tot een uitzonderlijk hoog niveau gekomen. De meeste tekenaars die zo’n honderd jaar geleden actief waren, stonden onder invloed van het symbolisme en Jugendstil met zijn geaccentueerde lijnenspel. In deze serie vijf van deze illustratoren uit vijf verschillende landen die in hun unieke beeldtaal bekende sprookjes en sagen visualiseerden: Kay Nielsen, Edmund Dulac, Arthur Rackham, Ivan Bilibin en Harry Clarke.

By his late teens Harry Clarke was studying stained glass at the Dublin Art School. While there his The Consecration of St. Mel, Bishop of Longford, by St. Patrick won the gold medal for stained glass work in the 1910 Board of Education National Competition. Completing his education in his main field, Clarke travelled to London, where he sought employment as a book illustrator. Picked up by London publisher Harrap, he started with two commissions which were never completed: Samuel Taylor Coleridge’s The Rime of the Ancient Mariner (his work on which was destroyed during the 1916 Easter Rising) and an illustrated edition of Alexander Pope’s The Rape of the Lock. Difficulties with these projects made Hans Christian Andersen’s Fairy Tales by Hans Christian Andersen his first printed work, however, in 1916—a title that included 16 colour plates and more than 24 monotone illustrations. This was closely followed by an illustrations for an edition of Edgar Allan Poe’s Tales of Mystery and Imagination: the first version of that title was restricted to monotone illustrations, while a second iteration with 8 colour plates and more than 24 monotone images was published in 1923. The latter of these made his reputation as a book illustrator (this was during the golden age of gift-book illustration in the first quarter of the twentieth century: Clarke’s work can be compared to that of Aubrey Beardsley, Kay Nielsen, and Edmund Dulac). His work was influenced by both the passing Art Nouveau and coming Art Deco movements. His stained glass was particularly informed by the French Symbolist movement.
 
Bron: en.wikipedia.org
Harry Clarke
illustratie van Harry Clarke

Harry Clarke’s geillustreerde boeken (1916-1928)

The Rime of the Ancient Mariner van Samuel Taylor Coleridge (onvoltooid)
The Rape of the Lock van Alexander Pope (onvoltooid)
Sprookjes van Hans Christian Andersen (16 afbeeldingen in kleur en 24 in monotoon) (1916)
Tales of Mystery and Imagination van Edgar Allan Poe (1923)
The Years at the Spring (1920) (12 afbeeldingen in kleur)
Sprookjes van Charles Perrault
Faust van Goethe (1925) (8 afbeeldingen en kleur en 70 in mono- en duotoon)
A History of a Great House van Jameson Irish Whiskey (1924)
Elixir of Life van Geofrey Warren (1925)
Selected Poems van Algernon Charles Swinburne (1928)

Harry Clarke [ surlalunefairytales.com] | Harry Clarke Gallery | artpassions.net

zaterdag 15 januari 2011
de boom van kennis
Wikipedia bestaat vandaag tien jaar

Jimmy walesToen oprichter Jimmy Wales op 15 januari 2001 met Wikipedia begon, was het 250 jaar geleden dat het eerste deel was verschenen van de Encyclopédie ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers. Meestal wordt deze encyclopedie kortweg de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert genoemd, naar zijn twee voornaamste redacteuren. Ze zijn als encylclopédisten de geschiedenis ingegaan. Het ideaal van de Encyclopédie was ook het ideaal van de Verlichting.

Encyclopedie 1751
titelpagina van deel 1 van de Encyclopedie van Diderot en d’Alembert uit 1751

Denis DiderotDenis Diderot omschreef het doel van de Encyclopédie als volgt: “het verzamelen van alle kennis die over de wereld verspreid is, het “algemene systeem” blootleggen voor tijdgenoten en doorgeven aan het nageslacht, zodat het werk uit het verleden niet nutteloos geweest zal zijn voor de toekomst. Het nageslacht zal daardoor beter onderlegd zijn, en tegelijkertijd deugdzamer en gelukkiger worden. Wij, encyclopédisten, zullen niet sterven zonder ons verdienstelijk gemaakt te hebben jegens de mensheid.”
Diderot had een zeer positieve opvatting over kennis en was dus echt een man van de Verlichting, die geloofde dat in de donkere eeuwen van de geschiedenis het licht van de Rede was aangegaan en dat de mensheid nu een stralende toekomst tegemoet ging.

Het vergaren van kennis heeft voor mij iets verslavends, het voelt als een omhelzing waarbij mijn armen steeds langer worden en de wereld steeds groter.

Een encyclopedie confronteert mij met de paradox van “hoe meer ik weet, hoe minder ik weet". Maar het vergaren van kennis heeft iets verslavends voor mij, het voelt als een omhelzing waarbij mijn armen steeds langer worden en de wereld steeds groter. Wanneer ik wikipedia raadpleeg, zie ik altijd maar één pagina tegelijk en is niet meer zichtbaar hoe deze pagina zich verhoudt tot het geheel. Toen ik vroeger in mijn ouderlijk huis de twintig dikke delen van de Winkler Prins Encyclopedie als naslagwerk gebruikte, had ik nog een idee hoe groot mijn kennis was ten opzichte van het geheel. Maar bij een online encyclopedie is er geen concretisering meer. Wikipedia is in tien jaar tijd beschikbaar geworden in 278 talen met een totaal van ruim 17 miljoen artikelen, ruim 66 miljoen pagina’s en meer dan een miljard bewerkingen. Hoeveel is dat eigenlijk als je dat concreet maakt. Op Wikipedia lees ik dat de twee grootste bibliotheken ter wereld, de Library of Congres in Washington en de British Library respectievelijk 1199 en 625 kilometer aan volle boekenplanken hebben. The Library of Congress bezit 130 miljoen items waaronder 29 miljoen boeken, terwijl de British Library 150 miljoen items waaronder 25 miljoen boeken in haar bezit heeft. Deze informatie heeft weinig nut. Als het om kennis gaat, lijk ik in mijn nietigheid te verdampen in een ontzagwekkend en duizelingwekkend universum. Zo heeft de mens van de Verlichting door het produceren van een alsmaar uitdijende monsterlijke hoeveelheid kennis de onbevattelijkheid van God in het vizier gehouden.

Als het om kennis gaat, lijk ik in mijn nietigheid te verdampen in een ontzagwekkend en duizelingwekkend universum.
De Encyclopédie ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers (’Encyclopedie of beargumenteerd woordenboek van de wetenschappen, kunsten en beroepen’) was een intellectuele en artistieke onderneming die het boegbeeld geworden is van De Verlichting in Frankrijk in de 18e eeuw. De eerste 28 delen van deze encyclopedie zijn in Frankrijk gepubliceerd tussen 1751 en 1772. Denis Diderot en Jean Le Rond d’Alembert waren de redacteuren. ( Daarom wordt dit werk meestal aangeduid als de ‘Encyclopedie van Diderot en d’Alembert‘). Zelf schreven zij ook. Diderot zelfs 6000 van de in totaal 72.000 artikelen. Andere auteurs waren onder meer de ridder De Jaucourt (14.000 artikelen), Montesquieu, Rousseau en Voltaire. Van deze 28 delen waren er 11 bestemd voor illustraties (gravures). Dit voor die tijd gigantische project kon alleen maar slagen dankzij de vóórintekening van particulieren. Die intekenaars bleken later meer te moeten gaan betalen voor het zich steeds uitdijende project. De redacteuren en drukkers kregen het van de kant van de inschrijvers zwaar te verduren. Ook moesten de redacteuren steeds maar weer met de censor onderhandelen, die in opdracht van de staat en de kerk de publicatie kon verbieden, hetgeen enkele keren gebeurde. Dankzij bevriende personen uit adellijke kring, en dichtbij de koning (Lodewijk XV), waaronder Madame de Pompadour, mocht het project telkens weer voortgezet worden. Tenslotte werd het een voor die tijd en omvang ongekend succes. Er werden van de oorspronkelijk eerste editie 4.250 exemplaren gedrukt. Maar spoedig werden herziene uitgaven en clandestiene versies (roofdrukken) gedrukt zodat men schat dat tegen de tijd van de Franse Revolutie 24.000 exemplaren in omloop waren.
 
Bron: nl.wikipedia.org
De mens van de Verlichting heeft door het produceren van een alsmaar uitdijende monsterlijke hoeveelheid kennis de onbevattelijkheid van God in het vizier gehouden.
Encyclopedie 1751
een gravure die het lemma over kalligrafie (schoonschrijven) illustreert

Voor de verjaardag van Wikipedia gaf ik gehoor aan de oproep van Jimmy Wales en maakte online een klein geldbedrag over. Als ieder van de 400 miljoen Wikipedia-gebruikers elk één euro zou doneren, zou er 20 maal het bedrag zijn dat Wikipedia nodig heeft om voort te kunnen bestaan.

platen uit de Encyclopedie [ alembert.fr ] | Encyclopedie [ nl.wikipedia.org ]

vrijdag 14 januari 2011
er was eens … [ 3 ]
Arthur Rackham (1867-1939) uit Engeland
 

De periode 1870-1930 wordt wel eens The Golden Age of Illustration genoemd. Door het populaire Edwardian Gift Book was het geïllustreerde sprookjesboek in Engeland tot een uitzonderlijk hoog niveau gekomen. De meeste tekenaars die zo’n honderd jaar geleden actief waren, stonden onder invloed van het symbolisme en Jugendstil met zijn geaccentueerde lijnenspel. In deze serie vijf van deze illustratoren uit vijf verschillende landen die in hun unieke beeldtaal bekende sprookjes en sagen visualiseerden: Kay Nielsen, Edmund Dulac, Arthur Rackham, Ivan Bilibin en Harry Clarke.

RackhamArthur Rackham was een Engelse tekenaar, schilder en illustrator van boeken. Hij kwam op de wereld als één van 12 kinderen. Toen hij achttien was werkte hij als kantoorbediende bij de Westminster Fire Office en begon een kunststudie aan de Lambeth School of Art. In 1892 gaf hij zijn baan op en ging werken voor The Westminster Budget als reporter en illustrator. Zijn eerste boekillustaties werden gepubliceerd in 1893 in The Dolly Dialogues. Illustrator van boeken zou hij de rest van zijn leven blijven. (…) Rackham won een gouden onderscheiding op de Milan International Exhibition in 1906 en nog een op de Barcelona International Exposition in 1911. Arthur Rackham overleed in 1939 aan kanker in zijn huis in Limpsfield, Surrey.
 
Bron: Arthur Rackham [ en.wikipedia.org ]
Arthur Rackham
illustratie van Arthur Rackham

een kleine selectie van Arthur Rackham’s geïllustreerde boeken

Sprookjes van de gebroeders Grimm (1900)
Rip van Winkle (1905)
Peter Pan in Kensington Gardens (1906) (50 afbeeldingen in kleur)
Alice’s Adventures in Wonderland (1907) (13 afbeeldingen in kleur)
A Midsummer Night’s Dream (1908) (40 afbeeldingen in kleur)
Undine (1909) (15 afbeeldingen in kleur)
Das Rheingold en Die Walküre van Wagner (1910) (32 afbeeldingen in kleur)
Siegfried en Götterdämmerung van Wagner (1911) (34 afbeeldingen in kleur)

Tribute to Arthur Rackham

Arthur Rackham [ surlalunefairytales.com ] | artpassions.net

donderdag 13 januari 2011
er was eens … [ 2 ]
Edmund Dulac (1880-1953) uit Frankrijk
 

De periode 1870-1930 wordt wel eens The Golden Age of Illustration genoemd. Door het populaire Edwardian Gift Book was het geïllustreerde sprookjesboek in Engeland tot een uitzonderlijk hoog niveau gekomen. De meeste tekenaars die zo’n honderd jaar geleden actief waren, stonden onder invloed van het symbolisme en Jugendstil met zijn geaccentueerde lijnenspel. In deze serie vijf van deze illustratoren uit vijf verschillende landen die in hun unieke beeldtaal bekende sprookjes en sagen visualiseerden: Kay Nielsen, Edmund Dulac, Arthur Rackham, Ivan Bilibin en Harry Clarke.

DulacBorn in Toulouse, France, Edmund Dulac began his career by studying law at the University of Toulouse, but also followed classes in the Ecole des Beaux Arts, switching full time to art after he became bored with law, and also having won prizes at the Ecole des Beaux Arts. He spent a very brief period at the Académie Julian in Paris in 1904 before moving to London. In London, the 22-year old Frenchman was picked up by J.M. Dent and given a commission to illustrate the collected works of the Brontë sisters. He then began an association with the Leicester Gallery and Hodder & Stoughton; the gallery would commission paintings from Dulac and then sell the rights to Hodder & Stoughton, who would publish the books (one book a year over many years) while the gallery would sell the paintings.
 
Bron: en.wikipedia.org
Dulac
illustratie van Edmund Dulac

Edmund Dulac’s geïllustreerde boeken (1907-1920)

Stories from The Arabian Nights (1907) (50 afbeeldingen in kleur)
The Tempest van Shakespeare (1908) (40 afbeeldingen in kleur)
The Rubaiyat of Omar Khayyam (1909) (20 afbeeldingen in kleur)
The Sleeping Beauty and Other Fairy Tales (1910)
Stories from Hans Christian Andersen (1911)
The Bells and Other Poems van Edgar Allan Poe (1912)
Princess Badoura (1913)
Picture Book for the French Red Cross (1915) (20 afbeeldingen in kleur)
The Dreamer of Dreams (1915) (6 afbeeldingen in kleur)
Edmund Dulac’s Fairy Book (1916)
The Tanglewood Tales (1918) (14 afbeeldingen in kleur)
The Kingdom of the Pearl (1920)

Edmund Dulac [ surlalunefairytales.com ] | artpassions.net

donderdag 6 januari 2011
achtergronden [ 7 ]
achtergronden bij animatiefilms op de weblog van Hans P. Bacher

dreamworldsVoor achtergronden van animatiefilms was ik altijd aangewezen op de blog animationbackgrounds.blogspot.com. Maar Rob Richards hield eind september op met posten. Gelukkig ontdekte ik toen de blog van Hans P. Bacher, een animation production designer met 40 jaar ervaring. Tegenwoordig is hij als universitair docent verbonden aan de Universiteit van Manila. Onlangs verscheen van zijn boek Dreamworlds een Japanse uitgave. Op zijn blog staat een berg beeldmateriaal van hoge kwaliteit en grote verscheidenheid: achtergronden, sequences, studiofoto’s en ander inspirerend materiaal voor animatiefilmers.

animation treasures [ one1more2time3.wordpress.com ]

dinsdag 14 december 2010
duurste boek ter wereld
The Birds of America van John James Audubon
in het Teylers Museum Haarlem, tot 2 januari 2011

Vorige week werd The Birds of America bij Sotheby’s Londen voor £7.321.250 (€ 8.715.408 /$11.542.683) geveild. Teylers Museum in Haarlem kocht in 1835 al rechtstreeks een exemplaar van de maker voor 2200 gulden. Deze maand worden een aantal originele platen in het museum tentoongesteld.

Audubon
drie bekende platen uit The Birds of America van elk 96 bij 67 cm.
De plaat in de vitrine van
Teylers Museum toont
de beroemde flamingo
The Birds of America van de Amerikaanse vogelschilder John James Audubon (1785-1851) is het grootste en duurste boek ter wereld. Alle in die tijd bekende vogels van Noord-Amerika zijn hierin op ware grootte en in hun natuurlijke omgeving afgebeeld. Het boek bestaat uit vijf delen en bevat 435 platen die met de hand zijn ingekleurd. Het in Teylers Museum tentoongestelde exemplaar bevindt zich al sinds 1835 in de museumcollectie en is vanwege zijn kwetsbaarheid en kostbaarheid zelden te zien. De plaat in de vitrine van Teylers Museum toont de beroemde flamingo. De vogel was te groot om op het zogenaamde olifant-formaat te worden afgedrukt. Audubon beeldde de vogel daarom heel slim met gebogen nek af, zodat hij toch op het papier van 96 bij 67 centimeter paste.
Audubon
The Birds of America
In zijn tijd was The Birds of America al spraakmakend. De dynamiek die Audubon bij vogels suggereerde was spectaculair. Zijn romantische en uitdagende levensstijl sprak tot de verbeelding. Om alle vogels op papier vast te leggen bleef hij soms maanden van huis. Hoewel Audubon honderden vogels afschoot om ze in detail te kunnen tekenen, ontwikkelde hij zich gaandeweg tot een gepassioneerde natuurbeschermer. De Amerikaanse vogelbescherming draagt zelfs zijn naam: The National Audubon Society.
 
Bron: teylersmuseum.eu

teylersmuseum.eu

donderdag 9 december 2010
aan mijn zoon Johannes
An meinen Sohn Johannes (1799) van Matthias Claudius
Matthias en Arthur
Matthias Claudius en Arthur Schopenhauer
Arthur Schopenhauer las in zijn pubertijd na de dood van zijn vader An meinen Sohn Johannes als een vaderlijk testament en bleef deze tekst zijn leven lang koesteren.
Lieber Johannes!
Die Zeit kommt allgemach heran, daß ich den Weg gehen muß, den man nicht wiederkommt. Ich kann Dich nicht mitnehmen und lasse Dich in einer Welt zurück, wo guter Rat nicht überflüssig ist.

An meinen Sohn Johannes, 1799

Allengs breekt de tijd aan dat ik de weg van al het aardse ga. Ik kan je niet meenemen en ik laat je achter in een wereld waar goede raad niet overbodig is… (…) De mens is hier niet thuis. Wanneer men zich een vreemde in de wereld voelt, is dat niet omdat er een innerlijke rijkdom bestaat waarop men zich zou kunnen laten voorstaan. Het innerlijk dat zich tegen het uiterlijk verzet, is arrogant. We zijn allemaal zondaars en een dergelijk dualisme is een zonde van ijdelheid. Vreemd zijn wij in deze wereld en tot iets hogers geroepen. Dat is echter niet onze verdienste maar een genade gave die het gevoel ontvangt.
 
Matthias Claudius in “An meinen Sohn Johannes” (1799)

An meinen Sohn Johannes [ christoph-moder.de ]

dinsdag 7 december 2010
galerij der onsterfelijken
het betrekkelijke van een canon van westerse schilderkunst

De moderne wereldMichelangelo, Rafael en Titiaan, die al eeuwenlang meedraaien in een universele canon van de schilderkunst, lijken te bevestigen dat er iets bestaat dat boven betrekkelijkheid uitstijgt. Toch laat een canon vooral het betrekkelijke van onze collectieve visie op eeuwigheidswaarde en tijdloosheid zien. De laatste jaren word ik mij er steeds vaker van bewust hoe mijn visie op de westerse schilderkunst (vooral die van de negentiende eeuw) bepaald is door de canon uit de handboeken die ik halverwege de jaren tachtig op de kunstacademie als naslagwerk gebruikte: Wereldgeschiedenis van de kunst van H.W. Janson (1962) en De moderne wereld van Norbert Lynton (1966). In beide boeken wordt door de bril van het modernisme naar de westerse (schilder)kunst gekeken. De schilderkunst van de negentiende eeuw werd door het modernisme vooral als een opmaat gezien van de moderne en abstracte schilderkunst. Van Gogh en Cézanne waren door het modernisme als geestelijke vaders geadopteerd. Vervolgens werd van 1899 tot 1800 een rode loper uitgerold, die alleen betreden mocht worden door schilders die voor Van Gogh en Cézanne de weg hadden voorbereid: de impressionisten natuurlijk, Manet, Corot, Turner en Goya. Allemaal schilders die rebelleerden tegen de gevestigde orde van het academisme.

Namen van salonschilders als William Bouguereau, Sir Lawrence Alma-Tadema, Jean-Léon Gérôme, Lord Frederick Leighton, John William Waterhouse en John William Godward kon je tevergeefs zoeken in de canon die in de loop van de twintigste eeuw gestalte had gekregen. De salonschilders beschikten over een fabelachtige techniek en in de negentiende eeuw behoorden zij tot de best betaalde schilders ter wereld. Maar ze stonden haaks op alles waar de moderne schilderkunst voor stond: het a la prima schilderen, het benadrukken van platheid, het taboe op bruin en natuurlijk de spontaniteit en vrije expressie. Omdat ze in de meeste gevallen afwijzend stonden tegenover de moderne ontwikkelingen in de schilderkunst, werden ze in de twintigste eeuw gestraft en uit de Hall of Fame gelazerd.

Omdat de salonschilders in de meeste gevallen afwijzend stonden tegenover de moderne ontwikkelingen in de schilderkunst, werden ze in de twintigste eeuw gestraft
en uit de Hall of Fame gelazerd.

Onze postmoderne tijd heeft weinig met canons en met lijstjes van ‘grootsten aller tijden’. We zijn geneigd om juist de nadruk op het betrekkelijke en het kleine te leggen. Als ‘eeuwige schoonheid’ al bestaat, dan alleen in het vluchtige moment dat altijd aan een bepaalde plaats gebonden is. Dat de door het modernisme verdrongen academische kant van de negentiende eeuw nu weer in beeld mag komen, heeft volgens mij te maken met de postmoderne houding dat ‘alles’ geoorloofd is, nu we bevrijd zijn van dwangmatige vernieuwingsdrang. Als je weer wilt tekenen en schilderen als Rafael, ga je gang. Maar in de twintigste eeuw werd in het kunstonderwijs de ambachtelijke basis onder de schilderkunst weggeslagen. Op de academies voor hedendaagse kunst waren geen leraren meer die hun studenten de technieken van de oude meesters konden leren. Daarom ontstonden er halverwege de jaren tachtig uit particuliere initiatieven alternatieve kunstacademies die het kunstonderwijs van de negentiende eeuwse academie reanimeerden. En zo kwam er vanzelf weer belangstelling voor de vruchten van het academische kunstonderwijs, de salonschilders.

artrenewal.org
het reactionaire Art Renewal Center
een postmodern fenomeen?

Sinds 1990 is er een kentering gaande en staan negentiende eeuwse salonschilders opnieuw in de belangstelling. Er worden weer tentoonstellingen gemaakt waarin hun werk gepresenteerd wordt (bijvoorbeeld in het Van Gogh Museum) en op veilingen zijn de prijzen voor negentiende eeuwse academische schilderkunst weer gestegen, nadat in de jaren zestig een absoluut dieptepunt was bereikt. Het postmodernisme heeft de canon van het modernisme prettig op losse schroeven gezet.

zondag 5 december 2010
gribus
gezien: Boeken - Wim Brands in gesprek met Auke van der Woud
Koninkrijk vol sloppen Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw

Koninkrijk vol sloppenOm de achterkant van onze welvaart in zijn negentiende eeuwse gedaante te zien, moet je tegenwoordig het land uit en bijvoorbeeld een bezoek brengen aan de slums van Mumbay en Manilla, de bidonvilles van Rio de Janeiro of de suburbs van Philadelphia. Maar in de negentiende eeuw hoefde je, als je de stank verdragen kon, in Amsterdam maar een steegje in te slaan, of een bezoekje aan de Jordaan te brengen, om met de sociale ellende van het leven in de sloppenwijken geconfronteerd te worden.

Auke van der Woud, hoogleraar architectuur- en stedebouwgeschiedenis, heeft een boek geschreven over de sociale omstandigheden in de achterbuurten in de negentiende eeuw in Nederland. Het is een episode uit onze nationale geschiedenis die we liever wat op de achtergrond houden. Ook in de negentiende eeuw werd de armoede weggedrukt naar de rand en de achterkant van het geruststellende burgerlijke decorum.

Ons beeld van de vaderlandse geschiedenis is te rooskleurig, vindt historicus Auke van der Woud. Met zijn boek Koninkrijk vol sloppen ontkracht hij het historische zelfbeeld van Nederland als een land met een burgerlijke cultuur. Bij de geschiedschrijving van de periode tussen 1800 en 1900 bestaat de neiging om op de gegoede burger te focussen, terwijl miljoenen Nederlanders rond 1900 in zeer gebrekkige omstandigheden leefden. In achterbuurten vergelijkbaar zijn met de sloppenwijken van de grote steden in de huidige Derde Wereld.
 
Bron: boeken.vpro.nl
Iquitos, Peru
impressies van Belén een sloppenwijk van Iquitos, Peru november 1986

Amsterdamse krottenwijken op negentiende eeuwse foto’s ogen als ongeboende straatjes van Vermeer, die door het zachte strijklicht langs de vervallen en scheve gevels iets onmiskenbaar pittoresk hebben gekregen. Maar het leven in de negentiende eeuwse gribus moet waarschijnlijk weinig verschil hebben gemaakt met het leven in de sloppenwijken van de Derde Wereld in de eenentwintigste eeuw. De verweerde betonnen karkassen van mislukte bouwprojecten die met plastic en roestige golfplaten ‘bewoonbaar’ zijn gemaakt, zijn een hedendaagse vertaling van de ’schilderachtige’ maar vooral stinkende achterbuurten uit de negentiende eeuw. De smerigheid, de honger en de sociale ellende zijn gelijk gebleven.

Koninkrijk vol sloppen
Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw
Europa was in de late negentiende eeuw getuige van een volksverhuizing. Miljoenen mensen verruilden toen hun agrarische omgeving voor een woning in de stad. Momenteel zien we die massamigratie op mondiale schaal, vooral in China, Afrika en Latijns-Amerika. Verstedelijking en modern leven horen blijkbaar bij elkaar. Een koninkrijk vol sloppen gaat over het begin van de stedengroei in Nederland. Het stille land met 3 miljoen zielen in 1850 was vijftig jaar later in en rond de grote steden een drukke moderne wereld geworden. Maar rond 1900 wemelde het daar ook van overbevolkte krotten en mensenpakhuizen. Schoon water, deugdelijk voedsel, frisse lucht en modern sanitair waren in de achterbuurten zeer zeldzaam. In alle grote steden hoopte het weeë vuil zich spectaculair op. Meer dan een miljoen Nederlanders leefden in een situatie die overeenkomsten vertoont met de slums van de huidige Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse metropolen. Auke van der Woud beschrijft die halfvergane oude wereld in de duistere delen van de stad.
( Bron: vpro.nl )

Holbewoners van de negentiende eeuw [ trouw.nl ]

woensdag 1 december 2010
Rex de blije labrador
gelezen: Rothko uit De Kracht van Kunst van Simon Schama

De kracht van KunstSimon Schama schrijft heerlijke boeken over cultuurgeschiedenis. Overvloed en onbehagen (The Embarrassment of Riches, 1987) en Landschap en herinnering (Landscape and Memory, 1995) hebben we al in huis en afgelopen zaterdag voegde Michaela daar De kracht van kunst (The Power of Art, 2006) aan toe. Vier jaar geleden maakte Schama voor de BBC de televisieserie Simon Schama’s Power of Art waaruit dit boek is voortgekomen. Hij behandelt in deze serie acht kunstenaars: Caravaggio, Bernini, Rembrandt, David, Turner, Van Gogh, Picasso en Rothko waarbij hij telkens probeert het moment te vinden waarop het leven van de kunstenaar in zijn werk terecht komt. Volgens Schama openbaart zich dáár de kracht van kunst. Ik ben via de achterdeur in het boek naar binnengestapt, bij Marc Rothko. Hieronder een proeve van Schama’s rake en vaak humoristische beschrijvingen:

De schilders die de criticus Harold Rosenberg action painters had gedoopt, richtten hun pijlen op de laffe fletsheid van het naoorlogse Amerika, waar het leven volgens hen niet langer echt was, maar virtueel. Wat voor wereld zagen ze om zich heen? De Koude Oorlog en de oorlog in Korea, twee supermachten die elkaar in een dodelijke greep hielden; en in het eigen land paranoia en angst, communisten onder het bed, paddenstoelwolken met één druk op de knop. Dat was alleen te verdragen door struisvogelgedrag te verheffen tot een manier: de ideaalwereld van de suburb, geruite spencers en enkelsokjes; een Buick op de oprit en een vrouwen in de keuken die koekjes bakt en pleisters plakt; kleine Billy op de slagplaat en Susie met sproeten die hem op haar gele puntschoenen staat toe te juichen; vader gaat ’s ochtends naar het werk met een messcherp gestreken vouw in zijn broek en schuift ’s avonds zijn pantoffels aan voor een martini; het hele gezin zo monter als Rex de blije labrador, tong uit de bek en overal voor in, en altijd, altijd op de achtergrond het blauwe flikkerlicht en de ingeblikte lach van de tv. Wat moest je anders, als grootmacht? Het was kiezen tussen zelfmedicatie of zelfmoord.
 
uit: The Power of Art (Rothko) van Simon Schama
1950's ads
de geïdealiseerde suburbia uit de Koude Oorlog (image credits: plan59.com )
het hele gezin zo monter als Rex de blije labrador, tong uit de bek en overal voor in (…) Wat moest je anders, als grootmacht? Het was kiezen tussen zelfmedicatie of zelfmoord

Simon Schama in The Power of Art

the golden age of advertising [ weburbanist.com ] | plan59.com

woensdag 24 november 2010
wie mag niet vergeten worden?
onlangs verschenen: Vergeetboek van Douwe Draaisma

VergeetboekVannacht lag ik minstens een uur wakker omdat ergens in de krochten van mijn brein de vraag was opgekomen: “Hoe heette ook alweer die gepensioneerde wiskundeleraar die in 1977 een half jaar bij ons was ingevallen?” Het was er eentje van het oude stempel, geboren in 1910 en als de goede man nog leeft, mag hij zich tot de honderdjarigen rekenen. Waarom zo’n vraag in mij opkomt en mij vervolgens uit de slaap houdt, is mij een raadsel. Hoe ik ook het archieflaatje in mijn hoofd probeerde te openen waarin het antwoord opgeborgen lag, het lukte maar niet. “Iets met een ‘a’? iets met een ‘o’?” Terwijl ik ’s nachts mijn nagels stukbrak om het laatje open te krijgen, zag ik vanmorgen toen ik het theewater opzette, dat het laatje inmiddels ‘vanzelf’ was opengegaan: Da Costa! Hoe heb ik het onthouden! Minstens dertig jaar heb ik niet meer aan deze man gedacht, maar ergens zit hij nog altijd in mijn hoofd, deze strenge leraar van vóór de oorlog die in de jaren zeventig als pensionado nog wat bijverdiende voor de klas. Over de wonderlijke wereld van het geheugen heeft Douwe Draaisma een aantal boeken geschreven en inmiddels is hij uitgegroeid tot onze nationale geheugenguru. Zijn nieuwste boek Vergeetboek verscheen op Allerzielen en gaat over de mooie en pijnlijke kanten van het vergeten. Ondersteund door een aardige website.

Vergeetboek

dinsdag 23 november 2010
Russisch drama [ 2 ]
gezien op ARD: Anna Karenina (1935)

Anna KareninaTolstoi’s roman uit 1877 is al vele malen verfilmd maar de versie uit 1935 blijft toch de klassieke Anna Karenina van het witte doek. Dat komt waarschijnlijk vooral omdat Greta Garbo de hoofdrol speelt. Met haar droevige blik is de Zweeds-Amerikaanse diva geknipt om de rol van de mondaine Russische society lady te spelen die zich met een affaire in het ongeluk stort. Evenals The Age of Innocence van Edith Wharton gaat Anna Karenina over het knellende korset van de high society en over het persoonlijke geweten dat onder het ‘fatsoen’ van de buitenwereld verpletterd wordt.

Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, ieder ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier.

beginzin uit Anna Karenina

Anna Karenina is de moeder van Sergei en is getrouwd. Ze heeft een groot sociaal leven en haar naam is bij velen bekend. Toch is ze erg ongelukkig. Ze is bang voor haar man en wordt verliefd op Vronsky. Haar man begint haar passie en toewijding voor de man op te merken en verbiedt haar hiermee door te gaan. Ze is bang om haar zoon, met wie ze een goede relatie heeft, te verliezen, maar wil ook Vronsky niet opgeven. Als ook haar vriendenkring uit de hoge klasse begint door te krijgen dat haar huwelijk niet zo goed gaat als ze dachten, weet Anna zich geen raad meer. Ondertussen probeert haar man ook nog eens Sergei te vervreemden van zijn moeder. Tegelijkertijd heeft Vronsky ook zo zijn problemen. Zo is de jonge en begeerde Kitty verliefd op de man en wordt dan ook jaloers als Vronsky een affaire krijgt met Anna.
 
Bron: nl.wikipedia.org
filmset 1935
op de filmset van Anna Karenina 1935

Anna Karenina [ imdb.com ]

vrijdag 12 november 2010
the past is a foreign country
aan het zappen in de biografie over Busken Huet van Olf Praamstra

Een vriendin van mij die literatuuronderzoeker is, verzekerde mij eens dat het lezen van een biografie de beste manier is om een bepaalde tijd te leren kennen, beter nog dan het lezen van een geschiedenisboek. Waarom? Omdat we de geschiedenis altijd van binnenuit beleven en omdat grote geschiedenis altijd ingebed is in de kleine geschiedenis van ons eigen leven. Zodra de grote geschiedenis van buitenaf wordt bekeken en beschreven, plaatsen we ons met één been buiten de tijd die ons gegeven is, in een waan van onsterfelijkheid. In een biografie kruip je in een andere huid en in een andere tijd, terwijl je in de sterfelijkheid blijft. Maar dan op een ander moment en in een andere mens.

Busken Huet BiografieDe laatste tijd zap ik door de jeugdjaren (1826-1851) van Conrad Busken Huet. Ik hoop dat de biograaf mij deze oneerbiedige houding ten aanzien van zijn titanenarbeid wil vergeven. Het leven van Busken Huet interresseert mij vooral als het leven van een negentiende eeuwer. Ik had misschien evengoed de biografie van Thorbecke kunnen lezen. Waarom het leven in het negentiende eeuwse Nederland mij interesseert, kan ik niet precies zeggen. De Engelse schrijver L.P. Hartley (1895-1972) komt misschien in de buurt als hij schrijft: “the past is a foreign country. They do things differently there.” Olf Praamstra verwijst naar deze uitspraak in het voorwoord van de biografie over Conrad Busken Huet. Het Nederland waarin Huet in 1826 geboren werd, was een heel ander land dan het land dat we nu kennen. Bij het lezen van Drie Oranje Koningen van Jan Kikkert dit voorjaar was mij dat al duidelijk geworden. In een ander boek dat ik laatst las over de Nederlandse Romantiek wordt ook een tijdsbeeld gegeven van ons land in de eerste helft van de negentiende eeuw. Nederland werd in die periode autocratisch bestuurd en in de meeste steden heerste grote armoede. Pas na de grondwetswijziging van 1848 zouden de economische omstandigheden gunstiger worden.

The past is a foreign country.
They do things differently there.

L.P. Hartley

Het aardige van een biografie is dat niet alleen de setting van een bepaald mensenleven geschetst wordt (een periode, een stad of een land), maar ook dat er allerlei minibiografieën in zijn opgenomen, bijvoorbeeld van ouders, familie, vrienden, leermeesters en tijdgenoten. Maar het leukste vind ik toch om te lezen over de meest concrete zaken. Wat werd er gegeten? Hoe reisde men en hoelang duurde een reis? Hoe zagen de huizen er van binnen uit? enz… In 1851 is de 25-jarige Busken Huet als predikant beroepen in Haarlem. Hoofdstuk 5 begint met vertrek naar deze stad vanuit Amersfoort rond het midden van de negentiende eeuw.

Met de diligence naar Utrecht en daarvandaan met de trein naar Haarlem: dat was de snelste weg om van Amersfoort op zijn nieuwe bestemming te komen. Onderweg passeerde hij Amsterdam, een stad die met schepen in het IJ, de talloos draaiende molens en het drukke straatleven in vergelijking met Haarlem een toonbeeld van activiteit was. Van het veel kleinere Haarlem, waar iets meer dan vijfentwintigduizend mensen woonden, ging een paradijselijke rust uit. Bij zonsondergang gingen de poorten dicht en werd de avondklok geluid, ten teken dat ook het Spaarne - de rivier die dwars door Haarlem stroomde - voor alle verkeer werd afgesloten. Ook overdag was het rustig.
 
Bron: Olf Praamstra, Busken Huet, Een biografie, Uitgeverij SUN 2007
Singel bij Lutherse kerk 1857
Benjamin Brecknell Turner
Singel bij Lutherse kerk, Amsterdam 1857
door de lange sluitertijd lijkt de stad uitgestorven
Collectie Stadsarchief Amsterdam

Busken Huet. Een biografie [ uitgeverijboom.nl ]

zondag 7 november 2010
boven het maaiveld uit
gisterenmorgen gekeken naar Boeken en de uitvaart van Harry Mulisch
Adriaan van Dis: maar creëert u dan niet een soort mythe van uw schrijverschap?
Harry Mulisch: Ja… (korte pauze) mag dat niet?
Adriaan van Dis: Jawel, maar dat…
Harry Mulisch: Ik vind eerder dat we de wereld een beetje moeten remythologiseren na die grote ontmythologisering die geleid heeft tot de gruwelijkste toestanden.
Adriaan van Dis: maar u verheft zich daar wel een beetje boven.
Harry Mulisch: ja, maar de anderen kunnen toch meekomen?
 
uit: Van Dis in de Balie, 1987

Adriaan van Dis en Harry Mulisch
in de Balie, 1987
maar de anderen
kunnen toch meekomen?

Harry Mulisch

Op de vraag om de zin ‘Denkend aan Mulisch…’ af te maken, schiet Adriaan van Dis als eerste zijn zelfvertrouwen te binnen. “Zelfvertrouwen met een lichte spot. Voor mij was hij een voorbeeldig mens. De discipline. Leven voor zijn werk, dat stond voorop. En terecht.” Marita Mathijsen reageert op de vraag met een variant op het citaat van de dichter H. Marsman: “Denkend aan Mulisch, zie ik brede rivieren. En in zijn geval zie ik de Styx voor me. Maar als mens denk ik aan het ongelooflijk uitstralende optimisme van hem. Je werd altijd blij als je hem zag. Hij had zo’n prettige manier van kijken naar het leven. En altijd die twinkeling in zijn ogen, als hij over het leven zelf sprak. Dat was aanstekelijk.”
 
Bron: boeken.vpro.nl

Adriaan van Dis en Marita Mathijsen over Harry Mulisch [ boeken.vpro.nl ]

zondag 31 oktober 2010
Rule Britannia
gezien: Captain Horatio Hornblower R.N. (1951)

Captain Horatio HornblowerToen Patrick O’Brian in 1969 begon met zijn reeks historische romans over kapitein Jack Aubrey en zijn scheepsarts Stephen Maturin, nam hij het estafettestokje over van zijn landgenoot C.S. Forrester. Tussen 1937 en 1967 had deze elf romans geschreven over kapitein Horatio Hornblower. Jack Aubrey zou als opvolger van Horatio Hornblower de traditie van het Britse zeevaardersepos voortzetten. Patrick O’Brian schreef na C.S.Forrester nog eens dertig jaar romans die zich afspelen in de Royal Navy tijdens de Napoleontische oorlogen. Ditmaal aan boord van de HMS Surprise, het fregat van kapitein Jack Aubrey.

I find Hornblower admirable

Winston Churchill

Na Forrester en O’Brian gaat de traditie gewoon door. Zo heeft de Amerikaan Dewey Lambdin na de dood van Patrick O’Brian alweer acht romans geschreven over Alan Lewrie. Er kunnen hier nog twee andere schrijvers vermeld worden: Douglas Reeman. Onder het pseudoniem Alexander Kent schreef hij tussen 1975 en 2007 28 romans over over Richard Bolitho. Daarnaast Dudley Pope die tussen 1965 en 1989 18 romans publiceerde met Lord Ramage in de hoofdrol.

HMS LydiaHoratio Hornblower is a fictional Royal Navy officer who is the protagonist of a series of novels by C. S. Forester. He was later the subject of films and television programs. The original Hornblower tales began with the appearance of a junior Royal Navy Captain on independent duty on a secret mission to Central America, though later stories would fill out his earlier years, starting with an unpromising beginning as a seasick midshipman. As the Napoleonic Wars progress, he gains promotion steadily as a result of his skill and daring, despite his initial poverty and lack of influential friends. Eventually, after surviving many adventures in a wide variety of locales, he rises to the pinnacle of his profession, promoted to Admiral of the Fleet, knighted as a Knight Grand Cross of the Order of the Bath, and named the 1st Baron Hornblower.
 
Bron: en.wikipedia.org
Hornblower
stills uit Captain Horatio Hornblower 1951

Hornblower romans van C.S.Forrester

The Happy Return (1937)
A Ship of the Line (1938)
Flying Colours (1938)
The Commodore (1945)
Lord Hornblower (1946)
Mr. Midshipman Hornblower (1950)
Lieutenant Hornblower (1952)
Hornblower and the Atropos (1953)
Hornblower in the West Indies (1958)
Hornblower and the Hotspur (1962)
Hornblower and the Crisis (1967, onvoltooid)

De film Capain Horatio Hornblower R.N. uit 1951 is gebaseerd op de eerste drie romans The Happy Return (1937), A Ship of the Line (1938) en Flying Colours (1938).

Na de film uit 1951 werden er naar de boeken van C.S.Forrester tussen 1998 en 2003 nog acht televisiefilms gemaakt onder de titel Hornblower.

Hornblower vs. Jack Aubrey [ historicnavalfiction.net ]

vrijdag 29 oktober 2010
romantische blik uit Nederland
A romantic view Dutch and Belgian painting of the 19th century
Hermitage Sint Petersburg, 29 oktober t/m 12 februari 2011
Meesters van de Romantiek Nederlandse schilderkunst 1800-1850

De Nederlandse schilderkunst uit de eerste helft van een negentiende eeuw is aan een herwaardering toe, vindt oud-televisiemaker en kunstverzamelaar Jef Rademakers die in de Hermitage in Sint Petersburg een deel van zijn collectie romantische schilderkunst toont. De Nederlandse romantiek wordt meestal weggezet in een onbeduidende nis tussen de meesters uit de Gouden Eeuw en de schilders van de Haagse School. Schelfhout en Koekkoek zijn meer iets voor koektrommels en een bepaald segment van de kunsthandel dan voor musea.

Romantiek in het Hermitage
de opening van Glazami romantika
in de Hermitage in Sint Petersburg

In de Kunsthal in Rotterdam, die graag tentoonstellingen maakt voor een breed publiek, was vijf jaar gelden een grote overzichtstentoonstelling over de Nederlandse romantische schilderkunst te zien. Gisteren kocht ik de tentoonstellingscatalogus, opvallend vormgegeven in fris magenta, om de Hollandse spruitjeslucht en de dufheid van de Restauratie te verdrijven.

Romantiek in NederlandDe Romantiek is wellicht de meest tot de verbeelding sprekende stroming binnen de negentiende-eeuwse kunst in Nederland. Toch is het voor het eerst dat de kunst uit de periode 1800-1850 uitgebreid belicht wordt. In dit boek vindt u bekende schilderijen van B.C. Koekkoek, Wijnand Nuijen en Andreas Schelfhout en veel verrassend werk van kunstenaars als Wouter van Troostwijk, Anthony Oberman en P.G. van Os. In de uitgebreide artikelen wordt aandacht besteed aan de romantische geest. De onschuld van het kind, de schrikwekkende natuur en het exotische buitenland maken allen deel uit van een nieuwe kijk op het leven. De Romantiek is daarmee een periode die aan de wieg stond van onze moderne samenleving.
 
Bron: waanders.nl
De ‘romantische mens’
stond aan het begin van
ons moderne denken.

Meesters van de Romantiek
De periode 1800-1850 was een van de meest enerverende uit onze vaderlandse geschiedenis. Ook in de schilderkunst gingen emoties een steeds belangrijker rol spelen. De idylle van het gezin, de angst voor de oorlog, de dramatische schipbreuken en de indrukwekkende natuur zijn belangrijke onderwerpen. De ‘romantische mens’ stond aan het begin van ons moderne denken. De liefde voor het dier, de zorg om het milieu en de angst voor het onbekende zijn in de Romantiek ontstaan. Doordat de Nederlandse schilderkunst uit de eerste helft van de negentiende eeuw lange tijd in het licht van de Gouden Eeuw is bezien, ontstond er een beperkt beeld van de Romantiek. Romantiek zou niet hebben bestaan in ons land. De Kunsthal toont het tegendeel. Bron: kunsthal.nl

Meesters van de Romantiek [ kunsthal.nl ]
Jef Rademakers in de Hermitage [ nos.nl ]

dinsdag 26 oktober 2010
de lijmstok van de media
De vrijwillige slavernij van Etienne de La Boétie (1570)

winkelmandjeHet is bijna onmogelijk om in onze gemedialiseerde wereld de media te ontwijken. Overal zijn klemmen, fuiken en lijmstokken opgesteld om ons te vangen in de mediablob, die ons ervan wil overtuigen dat we helemaal vrij zijn. In werkelijkheid worden we permanent verleid om onze boodschappenmand te vullen. De laatste twintig jaar heeft de mediablob de vorm van een web aangenomen, dat ons inmiddels van onder tot boven ingesponnen heeft. Het internet presenteert zich als een MeWorld, waar ík achter de knoppen zit en waar ík de baas ben. Zolang ik mij horizontaal beweeg, lijkt dat misschien zo. Maar zodra ik mij verticaal ga bewegen en mij losmaak van de oppervlakte, de diepte van het verleden induik of voor de hoogte van de reflectie kies, dan blijkt deze horizontale vrijheid voornamelijk een horizontale gevangenschap. En toch ook weer niet helemaal. Er wordt wel eens beweerd dat het world wide web de weidsheid van een oceaan heeft maar de diepgang van een soepbord. Misschien geldt dat voor 99 procent van alle websites. Toch vind je ook de verdieping en de reflectie op het internet, al is het maar in historische teksten die de waan van de dag relativeren. En bevestigen. Zoals de tekst Discours de la Servitude volontaire uit 1570 van Etienne de La Boétie.

(… ) geamuseerd door ijdel plezier dat hun ogen streelde, namen zij de gewoonte aan te dienen, even onnozel - maar ongelukkiger - als kleine kinderen (…)

Etienne de La Boétie, 1570

Etienne de La BoétieDenk niet dat er vogel bestaat die zich makkelijker op de lijmstok laat vangen, en ook niet één vis die zich voor iets lekkerder aan de haak laat slaan, dan alle meuten mensen die zich gretig tot slavernij laten paaien met het kleinste beetje honing dat men hun om de mond smeert. (…) Theaters, spelen, kluchten, opvoeringen, vreemde beesten, medailles, schilderijen en andere verdovende middelen van dat soort waren bij de volken in de oudheid het lokaas voor de slavernij, de prijs voor hun vrijheid, en het gereedschap van de tirannie. Dit middel, deze praktijk, deze verlokkingen gebruikten de oude tirannen om hun onderdanen onder het juk te laten inslapen. Dus de verdwaasde mensen vonden deze vormen van tijdverdrijf schitterend: geamuseerd door ijdel plezier dat hun ogen streelde namen zij de gewoonte aan te dienen, even onnozel - maar ongelukkiger - als kleine kinderen die leren lezen door naar de glanzende plaatjes van geïllustreerde boeken te kijken.
 
Bron: Étienne de La Boétie, Discours de la Servitude volontaire

Étienne de La Boétie [ nl.wikipedia.org ]

maandag 25 oktober 2010
Amerikaanse Burgeroorlog [ 10 ]
zaterdag gezien: Ride with the devil (1999) van Ang Lee
over de guerilla tussen de Jayhawkers en Bushwhackers

Ride with the Devil DVDDe Verenigde Staten stonden 150 jaar geleden aan de vooravond van de bloedigste oorlog die het land ooit heeft gekend. Het was bovendien een burgeroorlog, een broedermoord. Het grootste trauma uit de Amerikaanse geschiedenis is desondanks nog springlevend in de cinema. Gone with the wind uit 1939 is wellicht nog altijd de bekendste film die zich afspeelt tegen de achtergrond van de bloedigste episode uit de Amerikaanse geschiedenis. Daarna verschenen er nog eens honderden films en televisieseries over de Amerikaanse Burgeroorlog. Wat mij intrigeert is de manier waarop filmscenaristen laveren tussen de publieke opinies in de noordelijke en zuidelijke staten. Want ook al ligt de Civil War alweer ver in het verleden, de sentimenten die 150 jaar geleden oplaaiden in een blinde haat en bloedige strijd zijn nog altijd sluimerend aanwezig en dat maakt de Amerikaanse Burgeroorlog een gewaagd onderwerp voor filmproducenten.

The Killer AngelsEen van de beste films die ik over de Amerikaanse Burgeroorlog heb gezien, is Gettysburg. Gebaseerd op de roman The Killer Angels van Michael Shaara wordt het verhaal vanuit noordelijk én zuidelijk perspectief belicht en wordt het menselijk drama aan beide kanten centraal gesteld. De film Gettysburg is een verbroederende film. Ondanks deze goede intentie maakte producent Ted “The Mouth of the South” Turner vijftien miljoen dollar verlies op deze productie. Zes jaar later zou Ride with the devil nog een veel grotere financiële strop worden. Van de 38 miljoen dollar die deze film kostte, werd nog geen miljoen terugverdiend. De filmcritici waren overwegend positief over deze film die doorweven is met meditatieve natuuropnamen die duidelijk het signatuur hebben van de regisseur van Brokeback Mountain. Maar de publieke opinie keerde zich tegen de film vanwege de rol van Jeffrey Wright die de vrij slaaf Daniel Holt speelt, gebaseerd op de historische figuur Free Black John Noland. Een vrije slaaf aan de kant van de zuidelijken laten meevechten tegen zijn noordelijke bevrijders, is in de Verenigde Staten politiek niet bepaald correct.

Woe to live onWoe to live on
by Daniel Woodrell
Narrator Jake Roedel is in his mid-teens when he joins the First Kansas Irregulars in 1861. During the next few years he sees, and commits, more than his share of Civil War atrocities. Most of the action takes place in Kansas and Missouri between the rebel Irregulars (bushwhackers) and the Union Jayhawkers, with some civilians caught in the crossfire. The studiedly cool Jake experiences loss (the deaths of his best friend, father and comrades) and love (the best friend’s “widow"); he also learns about tolerance from his contact with a nobly reserved black Irregular. There’s plenty of hard riding, drinking and shooting, most of it leading to bloodshed. Jake’s loyalty to the “secesh” cause is unquestioning and doesn’t quite gibe with his growing unease amid the gore, or with his departure in the midst of the war for Texas with wife and child.
Bron: amazon.com

Tobey Maguire als Jake RoedelRide with the devil is gebaseerd op de roman Woe to live on van Daniel Woodrell uit 1987. Anders dan Gettysburg dat zich afspeelt in Pennsylvania vormt in dit verhaal de strijd in het westen het toneel. In de staten Missouri en Kansas werd in tegenstelling tot de georganiseerde oorlog in het oosten een monsterachtige guerilla-oorlog uitgevochten tussen rondzwervende bendes met vrijschutters. De Jayhawkers sympathiseerden met de Unie terwijl de Bushwhackers aan de zijde van de geconfedereerden vochten. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Bushwhacker Jake Roedel (gespeeld door Tobey Maguire), een jonge Duitse kolonist, wiens familie zich in Missouri heeft gevestigd en min of meer veroordeeld is om voor de kant van de Unie te kiezen. Maar wanneer hij getuige is hoe de vader van zijn beste vriend Jack door Union Jayhawkers wordt afgeslacht, kiest hij voor zijn vriend en sluit zich aan bij de Bushwhackers al verafschuwt hij hun wreedheid die niet verschilt van de geweldadigheid van de Jayhawkers. Dieptepunt in de film is het bloedbad van Lawrence, een historische gebeurtenis, onder aanvoering van de legendarische guerillaleider bushwhacker William Quantrill.

I am sad, boys,
and I am tired.
The best of us are dead,
and now we’rejust dogs
chased into the woods.
I am sad, boys,
but I am vengeful

William Quantrill

Lawrence
het bloedbad van Lawrence, Kansas
21 augustus 1863

Lawrence masacre
Early on the morning of August 21, 1863 Quantrill descended from Mount Oread and attacked Lawrence at the head of a combined force of as many as 450 guerrillas. Senator Lane, a prime target of the raid, managed to escape through a cornfield in his nightshirt, but the bushwhackers, on Quantrill’s orders, killed 183 men and boys “old enough to carry a rifle", dragging many from their homes to execute them before their families. The ages of those killed ranged from as young as 14 all the way up to 90. When Quantrill’s men rode out at 9 a.m., most of Lawrence’s buildings were burning, including all but two businesses. His raiders looted indiscriminately and robbed the town’s bank. On August 25, in retaliation for the raid, General Ewing authorized General Order No. 11 (not to be confused with General Ulysses S. Grant’s General Order of the same name). The edict ordered the depopulation of three-and-a-half Missouri counties along the Kansas border (with the exception of a few designated towns), forcing tens of thousands of civilians to abandon their homes. Union troops marched through behind them, burning buildings, torching planted fields and shooting down livestock to deprive the guerrillas of food, fodder, and support. The area was so thoroughly devastated that it became known thereafter as the “Burnt District". Quantrill and his men rode south to Texas, where they passed the winter with the Confederate forces.
Bron: en.wikipedia.org

meer Amerikaanse Burgeroorlog | guerilla oorlog in American Civil War

zaterdag 23 oktober 2010
moderne hercules
Super heroes from the Atom to Zatara: 75 years of DC Comics

Afgelopen voorjaar bleek weer eens dat de Amerikaanse superhelden nog altijd springlevend zijn, toen tijdens een veiling één miljoen dollar werd neergeteld voor een exemplaar van Action Comics uit 1938 waarin Superman zijn debuut maakt. Een paar dagen later leverde de eerste Batman zelfs nog meer op. Uitgeverij Taschen heeft het daarom aangedurfd ter gelegenheid van 75-jarige bestaan van DC-comics een XL-boek uit te geven, waarvoor je tweehonderd dollar moet betalen. Daar zullen zeker liefhebbers voor te vinden zijn. Wie dat geld er niet voor over heeft en toch interesse heeft, kan de eerste honderd pagina’s van het boek virtueel doorbladeren.

Superman en Batman
covers van Superman en Batman
In 1935, DC Comics founder Major Malcolm Wheeler-Nicholson published New Fun No. 1, the first comic book with all-new, original material—at a time when comic books were mere repositories for the castoffs of the newspaper strips. What was initially considered to be disposable media for children was well on its way to becoming the mythology of our time—the 20th century’s answer to Atlas or Zorro. More than 40,000 comic books later, in honor of the publisher’s 75th anniversary, Taschen has produced the single most comprehensive book on DC Comics, in an XL edition even Superman might have trouble lifting.
 
Bron: taschen.com
Superman is our version
of Greek Myth…
an inspiration to ordinary people

Gloria Steinem

Hercules
de obsessie voor mannelijke kracht, dus spierballen, is zo oud als de weg naar Rome. Links de Hercules van Farnese uit de oudheid. Rechts de maniëristische “knollenman” van Hendrik Goltzius uit 1589

taschen.com

vrijdag 22 oktober 2010
duizelingwekkend verdwijnpunt
gezien op DVD: Vertigo (1958)

Vertigo is een fascinerende film. Aan de oppervlakte is het een romantisch verhaal, want Vertigo is in de eerste plaats een love story. Maar onder de oppervlakte is de thematiek existentialistisch omdat in Vertigo het diepste verlangen en de diepste angst bij elkaar komen. Een van de hoogtepunten uit de film vind ik de monoloog van Madeleine Elster (gespeeld door Kim Novak) die ‘bezeten wordt’ door de geest van de overleden Carlotta Valdes:

“Ik weet zo weinig… Het lijkt alsof ik door een lange gang loop waar ooit een spiegel was… en delen van die spiegel hangen er nog… en als ik aan het einde van die gang kom, is er niets dan duisternis… en ik weet dat als ik die duisternis inloop, ik zal sterven…”

Carlotta Valdes
Madeleine Elster / Carlotta Valdes
gespeeld door Kim Novak
© Universal Studios
There’s so little that I know.
It’s as though I were walking down a long corridor… that once was mirrored, and fragments of that mirror still hang there… and when I come to the end of the corridor… there’s nothing but darkness. And I know that when I walk into the darkness…
…that I’ll die

Madeleine Elster / Carlotta Valdes

Het is een beschrijving van de existentiële leegte en wanhoop die zo bij de twintigste eeuw zijn gaan horen. Onder de romantiek ligt een zwart gat, een duizelingwekkend verdwijnpunt. Tijdens de historische Romantiek aan het begin van de negentiende eeuw was dat zwarte gat al blootgelegd. De zwarte Romantiek was een prelude op het existentialisme van de twintigste eeuw. Historisch in het midden staat Richard Wagner. Het is daarom niet toevallig dat we in Vertigo de echo van Liebestod uit Tristan und Isolde horen.


Scotties’s nachtmerrie in Vertigo met muziek van Bernard Hermann

1000 frames of Vertigo [ hitchcockwiki.com ]

woensdag 20 oktober 2010
overprikkeld
De spektakelmaatschappij (1967) van Guy Debord
Maar voorzeker verkiest deze tijd het beeld boven de zaak, de kopie boven het origineel, de voorstelling boven de werkelijkheid, de schijn boven het wezen, …; want heilig is hem slechts de illusie, profaan daarentegen de waarheid. Ja, in zijn ogen wordt de heiligheid in dezelfde mate vergroot waarin de waarheid af- en de illusie toeneemt, zodat de hoogste graad van illusie voor hem tevens de hoogste graad van heiligheid is.
 
Bron: Ludwig Feuerbach, voorwoord bij de tweede druk van Das Wesen des Christentums
U2 oncert
U2 at the Rose Bowl
Maar voorzeker verkiest deze tijd het beeld boven de zaak,
de kopie boven het origineel,
de voorstelling boven de werkelijkheid,
de schijn boven het wezen

Ludwig Feuerbach, 1843

La Société du SpectacleLa Société du Spectacle (1967)
Dit boek moet gelezen worden in de wetenschap dat het welbewust geschreven is met de bedoeling de spectaculaire maatschappij schade te berokkenen. Het heeft nooit iets verkondigd wat buitensporig is”. Zo besluit Guy Debord (1931-1994) zijn voorwoord uit 1992 bij de derde Franse editie van De spektakelmaatschappij. Dit boek verscheen voor het eerst in 1967 als theoretisch geschrift van de Situationistische Internationale, aan de vooravond van de troebelen van mei 1968, waarin deze organisatie na tien jaar van niet aflatende agitatie en compromisloze kritiek een verregaande invloed had. Sindsdien is het boek, dat met recht en reden ‘Het Kapitaal van de twintigste eeuw’ is genoemd, vele malen herdrukt en in meer dan twaalf talen vertaald; in 1973 werd het door de auteur zelf verfilmd.

marxists.org | de actualiteit van Guy Debord

zondag 17 oktober 2010
de juiste snaar
de filmscores van Bernard Herrmann (1911-1975)

Bernard Herrmann en Alfred HitchcockDe scores van Vertigo (1958) en Psycho (1960) laten het genie van de filmcomponist Bernard Herrmann horen. Een halve eeuw later klinkt zijn filmmuziek ons vertrouwd in de oren omdat ze sindsdien vaak geïmiteerd is, vooral in thrillers. Maar Herrmann was toch echt de eerste. Dat zijn scores precies het hart van de emotie raken, komt zeker ook door zijn vruchtbare samenwerking met Alfred Hitchcock. De master of suspense wist hoe hij moest doordringen tot de kern en Herrmann voelde muzikaal precies aan waar Hitchcock naartoe wilde. Aan hun samenwerking kwam in 1966 abrupt een einde nadat Hitchcock zijn score voor Torn Curtain geweigerd had.

Bernard Herrmann
Bernard Herrmann (1911-1975) werd bekend met de score voor Citizen Kane (1941). In 1955 werd hij de vaste componist van Alfred Hitchcock en schreef hij o.a. de scores voor Vertigo (1958) en Psycho (1960). Vlak voor zijn dood voltooide hij de score voor Taxi Driver (1976) Martin Scorcese droeg deze film op aan Herrmann.
d' Entre les MortsIn 1958 Alfred Hitchcock created his masterpiece, Vertigo. Based upon the novel d’ Entre les Morts (The Living and the Dead) by Pierre Boileau and Thomas Narcejac Vertigo was, itself, a modern variation of the Tristan myth upon which Richard Wagner based his opera, Tristan and Isolde. A story of love, obsession and enduring passion for a woman obscuring the fragile boundaries separating life and death, Vertigo became the perfect culmination not only of Alfred Hitchcock’s filmic fears and vulnerability, but of Bernard Herrmann’s, as well.
 
Bron: bernardherrmann.org
Bernard Herrmann
Vertigo is een van de beste films ooit gemaakt, ook de filmtitels van Saul Bass zijn kunst
© Universal Studios
Herrmann really understood what Hitchcock was going for — he wanted to penetrate to the heart of obsession.

Martin Scorsese over de Vertigo score

Misunderstood and under appreciated by American audiences at the time of its initial release, Vertigo is considered by most critics today not only Hitchcock’s greatest work, but one of the greatest motion pictures ever filmed. The picture and its musical scoring by Bernard Herrmann are exquisite jewels. As in his earlier examination of love transcending the vaporous curtain of mortal passage, The Ghost and Mrs. Muir, Herrmann’s music for Vertigo is nearly exultant in its expression of mortal anguish and the redemption of love. Herrmann’s own deeply felt longing for love and acceptance is excruciatingly evident in the hauntingly lovely, poignant and exquisitely painful music rapturously caressing the film. Wagnerian it its intensity, Vertigo is at once stunning and torturous. Its searing sensitivity is startling, stripping naked the composer and his own anguished vulnerability. Vertigo is a deeply felt canvas, a sad and beautiful portrait, painted by two of the cinema’s most gifted artists.
 
Bron: bernardherrmann.org

intro van Vertigo

bernardherrmann.org | Vertigo in 1000 stills [ hitchcockwiki.com ]

dinsdag 12 oktober 2010
tatiësk :: niets is wat het lijkt
Tati, een kwestie van kijken van Ann Meskens

filmstillIemand zijn, spelen dat je iemand bent of doen alsof je speelt dat je iemand bent. De Vlaamse filosofe Ann Meskens schreef een boek over Jacques Tati en tegelijkertijd een pleidooi om meer oog te hebben voor het spel van de werkelijkheid. Zondagmorgen zag ik haar in gesprek met Wim Brands in het VPRO-programma Boeken waarbij, zoals je in een programma over boeken mag verwachten, weer verwezen werd naar andere boeken, o.a. Homo Ludens van Johan Huizinga, De Spektakelmaatschappij van Guy Debord en naar het omvangrijke oeuvre van de socioloog Henri Lefebvre. Ann Meskens vertelt in haar boek hoe de jonge Jacques Tati op een keer in de trein aan het perron stilstaat en opmerkt hoe in de tegenoverliggende wagon de treinpassagiers doen alsof ze treinpassagiers spelen. Door deze opmerkingsgave kan de werkelijkheid ineens opgetild worden, boven het alledaagse uitstijgen en poëzie worden. Mesken’s boek over Tati is vooral een pleidooi voor deze opmerkingsgave die het leven rijker en gelukkiger kan maken.

Iemand zijn, spelen dat je iemand bent of doen alsof je speelt dat je iemand bent.
Tati, een kwestie van kijkenMet haar boek over de Franse acteur, komiek en regisseur Jacques Tati (1908-1982) leert de Vlaamse filosofe Ann Meskens ons anders naar het leven te kijken. Wat gebeurt er als je ontdekt dat wij allemaal figuranten zijn? Dat alles om ons heen in scene is gezet?
 
De jonge Jacques Tatischeff, zoals zijn officiële naam luidde, groeide op in een chique Parijse voorstad. Zijn vader was van Russische afkomst, zijn moeder van Nederlands-Italiaanse komaf. Hij genoot een strenge opvoeding, maar op school blonk hij niet uit. Na een kortstondige rugbycarrière belandde hij via het variététheater in de filmwereld.
  
Zijn eerste film Jour de Fête draaide Tati in 1947. Tijdens zijn filmcarrière maakte hij zes lange speelfilms, en vier korte films, waarin hij altijd zelf de hoofdrol speelde. Films die tot het genre slapstickcomedy worden gerekend en in de cinematografie als klassiekers worden beschouwd. Kenmerkend voor zijn stijl is zijn camerawerk. Hij filmde de scènes in totaalshot, zodat hij het gedrag van de mensheid kon vastleggen. Met zijn observaties kon hij de werkelijkheid optillen. In de scènes zitten voortdurend subtiele elementen verstopt, van verborgen grapjes tot moderne maatschappijkritiek, details die pas na grondig bestuderen zichtbaar worden.
 
Bron: boeken.vpro.nl

Ann Meskens kijkt met de ogen van Tati [ trouw.nl ]

zaterdag 9 oktober 2010
water & vuur
gezien: Master and Commander (2003) van Peter Weir

Patrick O'Brian, Master and CommanderAls je in maritieme geschiedenis geïnteresseerd bent, is de kans groot dat je al eens een boek van Patrick O’Brian (1914-2000) hebt gelezen. Zijn roman Master and Commander uit 1969 stond aan het begin van een reeks romans over kapitein Jack Aubrey en scheepsarts Stephen Maturin aan boord van het achttiende eeuwse fregat HMS Surprise. Patrick O’ Brian was 55 toen hij aan zijn levenswerk begon en vlak voor zijn dood in 2000, was hij aan zijn laatste roman bezig The Final Unfinished Voyage of Jack Aubrey die onvoltooid gebleven is, maar in 2004 werd gepubliceerd. De verfilming van Master and Commander kon de schrijver niet meer meemaken, maar hij zou er mee ingestemd hebben dat deze in handen was gegeven van Peter Weir. Deze ouwe rot in het vak maakte in 1975 al het meesterwerk Picnic at Hanging Rock. Daar had hij toen een budget voor nodig van nog geen half miljoen dollar. De verfilming van Master and Commander kostte driehonderd maal zoveel!

Peter Weir behoort samen met David Lynch tot die zeldzame regisseurs die het onheilspellende aantrekkelijk en sexy kunnen maken. En die eigenschap komt uitstekend van pas om van Master and Commander een indringende film te maken over de oorlog op zee, de hel op het water. Maanden lang met honderdvijftig man eindeloos lange dagen wachtend op zee, wachtend op de hel die gaat losbarsten. Peter Weir die met een co-auteur het filmscenario schreef, maakte drastische keuzes, liet veel uit de roman weg en spon nieuwe verhaallijnen uit. De keuze om de film in 1805 te situeren en in niet in 1812, was een marketingtechnische. In 1812 was de Engelse zeemacht in oorlog met de Verenigde Staten en de productiemaatschappij wilde niet het risico lopen dat dit bij het Amerikaanse publiek weerstand zou oproepen. Daarom werd het toneel verschoven naar de Derde Coalitieoorlog in 1805 toen Engeland in oorlog met Frankrijk was. Zoals in de film het Franse schip door de Engelsen gekraakt wordt, zo zal de Franse filmpers deze film gekraakt hebben.

still
still uit Master and Commander

De romans van Patrick O’Brian roepen een wereld op die tot in de details beschreven wordt en waarin je helemaal meegenomen wordt. Peter Weir heeft deze vervoerende manier van vertellen schitterend in film gebracht. De oscar voor de beste cinematografie werd terecht verzilverd. Met effectieve cinematografie worden we in de eerste scene het verhaal binnengezogen. Weir maakt veel gebruik van een aftastende camera en filmt soms dicht op de huid.

Het eerste beeld is de donkere en eindeloze verlatenheid van de oceaan waarboven het oog van de camera zweeft. Dan snijdt een schip diagonaal door het beeld en is snel weer verdwenen als een nachtelijk roofdier. De muziek is donker en onheilspellend. We lezen in een opschrift wat de missie van dit schip is: Het fregat HMS Surprise moet een Frans schip opsporen, vernietigen en de buit veroveren. Het schip blijkt een oorlogsschip dat ten strijde trekt. Daarna duikt de camera in de ingewanden van het schip en volgt een lange shot van voren naar achteren. Deze shot roept herinneringen op aan Das Boot van Wolfgang Petersen uit 1981. Een dergelijke shot werkt als een soort autopsie waardoor het schip op een levend wezen gaat lijken. Dat wordt nog versterkt omdat we geen bemanning te zien krijgen. In eerste instantie lijkt het schip op een spookschip. In de daarop volgende scene breekt de dag aan en wordt ‘het schip’ wakker. Nu krijgen we de bemanning te zien, ruwe zeebonken, officieren, maar ook jongens uit rijke families in uniform. We zien geen enkele vrouw en Weir zal dat gedurende de hele film volhouden. It’s a men’s world. Het is een magistrale beginscene. Door een paar ’simpele’ shots zijn we nu zelf aan boord gekomen en we weten waar we zijn: op een Engels schip ergens voor de kust van Brazilië in 1805 met de missie een Frans schip te vernietigen.

still
still uit Master and Commander

Master and Commander (2003) behoort samen met Gettysburg (1993) tot een van de beste oorlogsfilms die ik de laatste jaren gezien heb. Dat komt vooral omdat de romans van Patrick O’Brian en Michael Shaara ijzersterk zijn. De nadruk ligt op de mensen, op de duivelse dilemma’s waar zij voor gezet worden en op het proces van ontmenselijking waarin zij gevangen zijn. De druk wordt door de situatie verpletterend. Wanneer op een ongelukkig moment het roer kapot geschoten was en het fregat doelloos op het water dobbert, als speelbal van de golven en als schietschijf voor de vijand, spreekt de kapitein het doodvonnis uit: “We zitten als haringen in een ton gevangen!”

Tall Ship RoseTall Ship Rose is a replica of an 18th century Royal Navy frigate that cruised the American coast during the Revolutionary War. Built in Lunenburg, Nova Scotia, the Rose operated as a sail training vessel from 1985 to 2001. Thousands of people from all over the world experienced adventure at sea aboard the Rose as she ranged from her homeport in New England as far north as Labrador and as far south as Grenada, into the Great Lakes as far west as Duluth and east to the Atlantic coast of Europe. In 2003 the ship appeared as the HMS Surprise in the 20th Century fox film Master and Commander: Far Side of the World starring Russell Crowe and directed by Peter Weir.

foto’s van de Tall Ship Rose als de HMS Surprise

Na de korte zeeslag aan het begin van de film, krijgen we langzaam maar zeker te zien hoe de verschillende mensen aan boord van de Surprise tegenover elkaar staan – hun mentaliteit, hun angsten, hun ambities. De spanningen die naar boven komen wanneer het drinkwater op dreigt te raken, het bijgeloof dat er heerst… Dit soort van zee-oorlogen werden op lange termijn uitgevochten; eens de kapitein een tactiek vastgelegd heeft, houdt de uitvoering van zijn plannen gewoonlijk eerst nog eens drie, vier weken zeilen in. En tussendoor hebben de mannen aan boord maar weinig te doen behalve op elkaars lip te zitten. Maar weinig motivatie buiten de eer die ze het vinden om te mogen dienen op een schip van de koning, en hun blinde vertrouwen in de kapitein die ze dienen. We krijgen de indruk dat een oorlog op zee in die tijd bestond uit wachten, en nog meer wachten, op dat éne moment waarop het geweld zal losbarsten.
 
Bron: digg.be

Master and Commander: The Far Side of the World [ en.wikipedia.org ]

donderdag 7 oktober 2010
“hoe uniek wordt jouw uitvaart?”
Mediated how the media shapes your world and the way you live in it
van Thomas de Zengotita

MediatedDe laatste dagen ben ik mij er weer extra van bewust hoe visuele communicatie mijn gedachten beheerst. Ik schrik er van als het tot mij doordringt, want het mechanisme is weliswaar ontmaskerd, maar tóch te laat. Mijn gedachte ís al bepaald door wat de media mij hebben toegediend: beelden vooral, suggestieve beelden. Om de manipulaties te ontmaskeren, neem ik vaak eerst afstand door naar het verleden te kijken. Is de manipulatie van de media iets nieuws? Hoe zag de beeldcultuur van de negentiende eeuw er eigenlijk uit? Welke waarden werden toen verkocht? Even uit de blob stappen.

De blob is een begrip dat de Amerikaanse antropoloog Thomas de Zengotita gebruikt in zijn boek Mediated, how the media shapes your world and the way you live in it. Het is de maatschappelijke sfeer waarin ons dagelijks leven zich afspeelt en die doordrongen is van representaties die door de media op ons af worden gevuurd. Een slogan als ‘hoe uniek wordt jouw uitvaart?’ zou voor De Zengotita een voorbeeld zijn van wat hij ‘representational flattery‘ noemt. Om aandacht te trekken, want dat is een voorwaarde voor communicatie, wordt de ander gevleid. Als je een lastig maar noodzakelijk product wilt verkopen, moet je de boodschap zo verpakken, dat het een leuk product gaat lijken. Dus wordt het woord ‘begrafenis’ vervangen door ‘uitvaart’ en nog veel belangrijker, want hierin zit de vleierij, hoe ‘uniek’ wordt ‘jouw uitvaart’? Jij bent de baas en omdat jij uniek bent, mag jouw uitvaart dus ook uniek worden. In de blob worden we voortdurend aangesproken op ons unieke ik. De Zengotita noemt de blob dan ook wel de MeWorld. Alles draait om mij, ik ben de baas, volgens de media.

Wanneer je vanuit onze blob een sprong van vijfhonderd jaar terug maak in de tijd, dan zie je dat ook toen de mensen werden gemanipuleerd. Alleen gebeurde dat niet door de massamedia maar door de katholieke kerk. Het in het midden plaatsen van het individu was toen ondenkbaar. God had immers de hoogste plaats. Maar de clerus wist uiteraard wél haar eigen belangen centraal te stellen. Het gewone volk werd doodsbang gemaakt. Met ‘u wilt toch niet branden in de hel?’ (plus de realiteit van brandstapels in de laat-middeleeuwse ‘blob’) kon Rome rond 1500 zeer effectief haar financiële producten (aflaten) verkopen.

Rogier van der Weijden
hoe uniek wordt jouw uitvaart?
door angst te zaaien en brandstapels te tonen, kon de katholieke kerk haar financiële producten goed verkopen

Van de blob van onze voorouders kunnen we misschien iets leren over de representaties van de MeWorld die ons, zeker sinds de komst van het world wide web, steeds meer inspinnen. MeWorld is eigenlijke een prettige en aangename bezetting, omdat ons het gevoel gegeven wordt dat wij alles mogen bepalen. Tegelijkertijd wordt de blob voortdurend vol gepompt met geld zodat we kunnen kopen en kunnen genieten. Toch zal onze angst voor het lijden en voor de dood nooit verdwijnen, hoe we door de media ook gesust en getroost worden met materiële en spirituele producten. Zolang we maar blijven consumeren, komt alles wel goed, dat lijkt de boodschap van de media. De middeleeuwse angst om te branden in de hel is omgebogen naar consumeren, zodat we zélf het andere verbranden, in steeds grotere hoeveelheden. De geest van massaconsumptie die door de media in onze vrije geest wordt gespoten, zal tenslotte alles verbranden, wanneer we niet over zullen gaan tot consuminderen. Dat is de reëele bedreiging van MeWorld, die wél onze wereld is. De bedreiging is mondiaal en we weten het allemaal.

an inconvenient truthIn een MeWorld voelen we ons natuurlijk veel vrijer em veiliger dan in een blob waarin we bang gemaakt worden met het hellevuur en de grote bek van het monster. Dat er een oprechte waarschuwing aan deze representatie verbonden was, is nu bijna ondenkbaar geworden. We geloven allang niet meer in de hel van ‘de middeleeuwse blob’. De dreiging van de hel is echter niet verdwenen, maar heeft nu een ander beeld aangenomen, een representatie die je in commercials nooit te zien zult krijgen, maar wél in films als an inconvenient truth en the age of stupid.

We leven nu in een blob waarin we, vergeleken bij de middeleeuwse mens, zélf de baas zijn geworden. Maar we blijken wél een baas die de zaak niet goed in de hand heeft. En dat is zacht uitgedrukt, want de realiteit is dat we afkoersen op de ondergang van de wereld. ‘Hoe uniek wordt jouw uitvaart?’ is in dit licht een uiterst onverschillige en cynische slogan. Het appél tot consuminderen, zou eerder middeleeuws klinken: ‘Je wilt toch niet dat jij of je kinderen in de hel van een mondiale milieuramp sterven?’ Maar ook de groene en duurzame economie maakt vaak weer gebruik van representational flattery, prijst de consument om zijn verantwoordelijkheidsgevoel, maar blijft intussen stimuleren tot consumptie, al zijn het nu groene, dus goede producten. Hoe hypocriet de marketing van duurzame producten ook kan zijn, de Sloveense filosoof Slavoj Žižek heeft zijn hoop gevestigd op de hypocriete producent en consument, omdat deze samen misschien nog iets kunnen doen aan de ramp die aan onze horizon verschenen is.

Slavoj Žižek: we naderen het nulpunt [ filosofiemagazine.nl ]

Thomas de Zengotita en Raoul Heertje in gesprek
Weet je het nog? Weet je ook waarom je het nog weet? Want je ouders of grootouders zullen je niet kunnen vertellen waar ze waren bij de aanval op Pearl Harbour of toen er een atoombom werd gegooid op Hiroshima. Wat is er veranderd dat gebeurtenissen die eigenlijk ver weg staan nu niet alleen in het collectieve geheugen gegrift staan, maar zelfs integraal onderdeel van individuele beleving en ontwikkeling? Over deze vragen schreef de Amerikaanse antropoloog Thomas De Zengotita Mediated, how the media shapes your world and the way you live in it. Dit is niet het zoveelste boek dat gaat over de invloed van de media: Mediated laat zien hoe mediamechanismen werken. De Zengotita onderzoekt in zijn boek niet de oppervlakkigheid van de media maar de alomtegenwoordigheid van de media en de gevolgen daarvan in ons dagelijks leven.
 
Bron: debalie.nl

met z’n allen in de blob [ designhistory.nl ]

maandag 27 september 2010
Geschichte der Philosopie
Geschichte der Philosopie (1908) van Karl Vorländer

de boekenwurmVorige week kocht ik een eerste druk van Geschichte der Philosophie van Karl Vorländer. Het eerste overzicht van de filosofiegeschiedenis, Kleine Weltgeschichte der Philosophie van Hans Joachim Störig uit 1950 (Nederlandse vertaling 1962), kocht ik tijdens mijn studie 25 jaar geleden. Störig moet het overzicht van Vorländer als uitgangspunt hebben genomen. Mijn eerste kennismaking met het overzicht van Vorländer is de inhoudsopgave en een vergelijking met de mij vertrouwde indeling van Störig dringt zich vanzelf op. Het eerste dat opvalt, is dat de geschiedenis van de filosofie aan geschiedenis onderhevig is.

De indeling die Vorländer van Descartes (± 1600) tot en met Hegel (± 1840) hanteert is blijkbaar klassiek, want deze wordt ook door Störig in grote lijnen gevolgd. Na Hegel hanteren Vorländer en Störig een andere indeling en dat is begrijpelijk. De eerste schreef zijn overzicht ruim honderd jaar geleden (1908). Vorländer noemde de filosofie na 1840 Die Philosophie der Gegenwart, een term die we nu gebruiken voor de filosofie van na 1945. Toen Störig in 1950 zijn overzicht schreef, was de filosofie van 1840-1900 inmiddels bezonken en hij maakte dus een andere balans op dan zijn voorganger. Zo komt Kierkegaard bij Vorländer nog helemaal niet aan bod. Ook Nietzsche komt er in 1908 nog bekaaid af. In 1950 groepeert Störig ze samen met Schopenhauer onder een categorie die we levensfilosofie noemen en maakt daar veel plaats voor vrij.

De geschiedenis van de filosofie
is aan geschiedenis onderhevig

Johann Friedrich HerbartHet verschil tussen beide indelingen zit vooral in de secundaire stromingen tussen 1840 en 1900. Johann Friedrich Herbart (1776-1841) wordt door Störig heel even genoemd, terwijl Vorländer nog twee paragrafen (13 bladzijden) aan zijn filosofie wijdt. (Ter vergelijking: Nietzsche krijgt slechts vijf bladzijden toebedeeld.) Friedrich Eduard Beneke (1798-1854) krijgt bij Störig drie regels, Vorländer gaf hem nog drie bladzijden. Eén ding is duidelijk: Herbart en Beneke waren in 1950 passé. En zo is het gebleven. Het neo-kantianisme waar Vorländer zelf een vertegenwoordiger van was, komt in zijn eigen overzicht uiteraard ruim aan bod (47 bladzijden). Störig wijdt krap acht bladzijden aan de neo-kantianen en schakelt daarna over op de filosofie van de twintigste eeuw en noemt bekende namen die bij Vorländer in 1908 uiteraard ontbreken: Edmund Husserl (1859-1938), Max Scheler (1874-1928), Arnold Gehlen (1904-1976), Karl Jaspers (1883-1969), Jean-Paul Sartre (1905-1980), Martin Heidegger (1889-1976), Bertrand Russell (1872-1970), Ludwig Wittgenstein (1889-1951) en Karl Popper (1902-1994).

KantKarl Vorländer over Immanuel Kant

Een van de overeenkomsten tussen de overzichten van Vorländer en Störig is dat beiden zeer veel aandacht aan de filosofie van Kant besteden. Nu wordt Kant door de meeste filosofen beschouwd als de grootste filosoof na Plato, dus verdient hij deze royale behandeling ook. De neo-kantiaan Vorländer zou in 1924 een biografie over Immanuel Kant schrijven: Der Mann und das Werk.

Der Mann und das Werk [ textlog.de ]

Geschichte der Philosophie - Die Philosophie der Neuzeit [ textlog.de ]

zaterdag 18 september 2010
maatschappelijke verruwing
Wat een hufter! van Bas van Stokkum

Wat een hufterOm diagnoses te stellen over het lichaam en de ziel van de samenleving hebben sociologen statistieken nodig. Bij de interpretatie van deze statistieken wordt doorgaans grote terughoudendheid betracht, want een moraliserende socioloog is uit den boze. Socioloog én filosoof Bas van Stokkum levert met zijn nieuwste boek Wat een hufter! deze terughoudendheid in. Hufterigheid is volgens hem in Nederland de norm geworden. Vermoedelijk bestaat er een verband tussen een gure samenleving en het taboe op moraliseren. Onderbouwing blijft echter lastig, want dan zou in de openbare ruimte overal ons gedrag gemeten en in statistieken vastgelegd moeten worden. Daarvoor heb je een politiestaat nodig. We kunnen daarom beter op onze eigen waarneming afgaan en er maar in berusten dat deze geen wetenschappelijke waarde heeft. Het beste bewijs van hufterigheid leveren we tenslotte zelf. Of niet.

Het ideaalbeeld van de deugdzame patriarch is vervangen door het nieuwe mannelijke ideaalbeeld: de krijger. De krijger moet vooral streetwise en assertief zijn.
Masculiene rolmodellen zijn aan een opgang bezig. Het ideaalbeeld van de deugdzame patriarch is vervangen door het nieuwe mannelijke ideaalbeeld: de krijger. De krijger moet vooral streetwise en assertief zijn. Hij moet er vervaarlijk uitzien, bijvoorbeeld met behulp van producten uit de ’gangsta-cultuur’
 
Bron: trouw.nl

Wat een hufter! [ uitgeverijboom.nl ]

dinsdag 14 september 2010
who the * is … ? [ 4 ]
David Friedrich Strauss (1808-1874)

In het Rijk van de Geest is alles tegenwoordige tijd en alleen daar ben je onsterfelijk. Dat geldt in het bijzonder voor schrijvers. Immers, wie schrijft die blijft. Zolang we hen blijven lezen en gedenken, leven zij voort. En wanneer ze zijn weggezonken in het collectieve geheugen, kunnen ze met een lemma op wikipedia weer even tot leven worden gewekt.
Vandaag: David Friedrich Strauss (1808-1874)

Het materialisme dat in Duitsland en heel Europa na 1848 sterk opkomt, wordt in de dertiger jaren al aangekondigd door de Junghegelianer, een groep studenten en docenten in Berlijn die de dialectische filosofie van Hegel volgen, maar daaruit andere conclusies trekken, vooral op religieus en politiek terrein. De beroemdste Junghegelian is Karl Marx. Hij baseert zich aanvankelijk op Ludwig Feuerbach, een andere Junghegelian die zich vooral met de christelijke religie bezighoudt. Later rekent Marx met hem af in zijn bekende Thesen über Feuerbach. De Junghegelianer zijn in de jaren dertig politiek incorrect en mogen niet aan de universiteit doceren. Vaak moeten ze in bittere armoede leven. Vanwege de strenge censuur kiest Marx daarom voor vrijwillige ballingschap in Parijs .

David Friedrich StraussDe polarisatie van Hegel’s volgelingen in twee kampen, een behoudende rechtervleugel, de Althegelianer , en een progressieve linkervleugel, de Junghegelianer, ontstaat met een controverse in het midden van de jaren dertig. Aanleiding van deze controverse is Das Leben Jesu uit 1835 van de 27-jarige David Friedrich Strauss. In dit boek zet Strauss de tradionele christologie op losse schroeven en dat veroorzaakt in Duitsland grote commotie .

Das Leben JesuDavid Friedrich Strauß studierte ab 1825 Theologie am Evangelischen Stift zu Tübingen. 1830 wurde er Vikar und 1831 Professoratsverweser am Seminar zu Maulbronn; er ging aber noch ein halbes Jahr an die Universität zu Berlin, um Georg Wilhelm Friedrich Hegel und Friedrich Daniel Ernst Schleiermacher zu hören. 1832 wurde er Repetent am Tübinger Stift und hielt zugleich philosophische Vorlesungen an der Universität.
 
Damals erregte er durch seine 1835–1836 erschienene Schrift Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet ein unerhörtes Aufsehen. Strauß wandte dort das auf dem Gebiet der Altertumswissenschaften begründete und bereits zur Erklärung alttestamentlicher und einzelner neutestamentlicher Erzählungen benutzte Prinzip des Mythos auch auf den gesamten Inhalt der evangelischen Geschichte an, welche er als Produkt des unbewusst nach Maßgabe des alttestamentlich jüdischen Messiasbildes dichtenden urchristlichen Gemeingeistes deutete.
 
Bron: de.wikipedia.org

In 1873 schrijft Friedrich Nietzsche zijn eerste Unzeitgemäße Betrachtung met als titel David Strauß. Der Bekenner und der Schriftsteller. In dit schotschrift veegt hij de vloer aan met de inmiddels beroemde theoloog die na zijn breuk met het christendom een soort verlichte religie op basis van het pantheïsme wil stichten. De tirade trekt de aandacht van de pers en maakt de tot dan toe nog onbekende hoogleraar op slag beroemd.

David Friedrich Strauss [ de.wikipedia.org ]

zondag 5 september 2010
vergeetboek
vandaag lanceert Douwe Draaisma zijn Vergeetboek
vergeetboekDouwe Draaisma lanceert zondagmiddag 5 september de website www.vergeetboek.nl. Dat doet hij op de boekenbeurs Manuscripta, waar hij ’s ochtends ook live is te horen in het televisieprogramma van Wim Brands. De website biedt wekelijks nieuwe films die vooruitbeschouwen op de thema’s van zijn komende boek, dat op 2 november verschijnt, het Vergeetboek. In interviews vertellen Anna Enquist, Bernlef, Frank Meester, Nelleke Noordervliet, Nicolaas Matsier, Sana Valiulina, Bert Keizer, Wim Brands en Douwe Draaisma hierin over vergeten, hun eerste herinnering, hun jongste herinnering, en wie niet vergeten mag worden.
 
Het Vergeetboekje met de Lastige vragen van Douwe Draaisma, een voorpublicatie met het volledige uitzendprogramma, is vanaf deze week gratis via de boekhandel verkrijgbaar. Het dagblad Trouw volgt www.vergeetboek.nl vanaf vandaag wekelijks en organiseert samen met de Historische Uitgeverij een essaywedstrijd onder de titel: Wat ik het liefste vergeet.
 
Bron: groningergezinsbode.nl
vergeetboek
vergeetboek.nl
Heeft u wel eens een herinnering aan uzelf uit het geheugen van iemand anders willen verwijderen?

lastige vragen uit het vergeetboekje


Flipbook de Étienne Jules Marey ca. 1895

vergeetboek.nl | Manuscripta

donderdag 2 september 2010
vintage traveling [ 1 ]
20th Century Travel: 100 Years of Globe-Trotting Ads
20th Century TravelA lush visual history of international wanderlust, this volume features 400-plus print advertisements from the Jim Heimann Collection, that illustrate the evolution of leisure travel — from domestic to global, exclusive to popular, exotic to standardized — and its crucial role in American culture.
 
With an introduction, decade-by-decade analysis, and an illustrated timeline, this book highlights the cultural and technological developments that transformed travel from a cushioned journey of the elite into a convenient leisure pastime for the general public. 20th Century Travel takes us on a grand tour of travel’s golden age.
 
Bron: taschen.com
poster
illustratie voor een toeristische advertentie

blader door dit boek

woensdag 1 september 2010
pulp for the millions [ 2 ]
Amerikaanse pulpmagazines

De Amerikaanse pulpmagazines uit de jaren ‘20, ‘30 en ‘40 hadden in de negentiende eeuw hun voorlopers in de penny dreadfuls en dime novels, gedrukt op goedkoop krantenpapier. In tegenstelling tot de glossy die bestemd was voor de salontafel, was het pulpblaadje voorbestemd om op broeierige en duistere plekken te belanden. In burgerlijke huishoudens werd de ranzige inhoud sterk afgekeurd en de blaadjes moesten meestal verstopt worden. Lectuur voor de onderbuik met een weinig subtiele mix van seks, science fiction, misdaad en horror.

amazing stories
out of this world adventures 1950
amazing stories 1926
thrillingwonderstories
super science stories
thrilling wonder stories

Pulp for the Millions [ 1 ] | Pulp Covers | The Pulp Gallery

dinsdag 24 augustus 2010
Biedermeier-Middeleeuwen [ 2 ]
Moritz von Schwind (1804-1871)
en de fresco’s in Schloss Hohenschwangau

Von SchwindNa ons bezoek aan Schloss Hohenschwangau begin juli waren we vorige week weer even terug in Duitsland. Daar vond ik in een antiquariaat in Bückeburg een boek over Moritz von Schwind die van Maximilliaan II van Beieren de opdracht had gekregen voor zijn kasteel ontwerpen te maken voor fresco’s met middeleeuwse sagen. Op het internet kon ik weinig vinden over deze laat-romantische Oostenrijkse schilder. Maar in het voorwoord van het boek van Friedrich Haack uit 1897 (waarvan ik een derde druk uit 1924 kocht) vond ik een verwijzing naar een oeuvrecatalogus uit 1906. En deze kon ik voor een spotprijsje bestellen bij een ander antiquariaat in Duitsland. Nu heb ik eindelijk een goed overzicht van Von Schwind’s omvangrijke oeuvre. Schwind, Des Meisters Werke (herausgegeben von Otto Weigmann, Stuttgart/Leipzig, 1906) telt 1265 afbeeldingen van tekeningen, aquarellen, schilderijen en fresco’s. In het Duitse Keizerrijk stond Moritz von Schwind nog zeer hoog aangeschreven. Zijn oeuvrecatalogus verscheen als negende deel in de reeks Klassiker der Kunst nadat Raffael, Rembrandt, Titiaan, Dürer, Rubens, Velasquez en Michelangelo hem waren voorgegaan. Honderd jaar later moeten we vaststellen dat Von Schwind het modernisme niet heeft overleefd. Toch leeft hij voor mij voort in sprookjestuinen en brave fantasy art.

ontwerpen van Von Schwind
ontwerp voor fresco in Schloss Hohenschwangau (1834-1836) voor de kamer met de legende over Karel de Grote

Moritz von Schwind was dertig toen de koning van Beieren hem de opdracht gaf voor de fresco’s in zijn kasteel Hohenschwangau. Hij ontwierp in totaal vijf reeksen voor verschillende kamers: De Wilkinasage in de heldenzaal, de legende van de geboorte van Karel de Grote in de Berchtakamer, scenes uit het ridderleven in de schrijfkamer, Rinaldo en Armida in de slaapkamer en de Autharisage in de Autharikamer.

Hohenschwangau interieur
de Berchtakamer in Schloss Hohenschwangau met muurschilderingen naar een ontwerp van Von Schwind
Der zweite Zyklus behandelt die Legende von der Geburt Karls des Großen, die eine alte Sage in die Reißmühle im Würmtale verlegt. Auf diese lokalgeschichtliche Tradition weist das erste Bild: Bavaria reicht Germania den kleinen Karl, der von ihr mit Szepter und Krone geschmückt wird. Als Erzähler erscheint Aventinus in bischöflichem Gewand, ein kleiner historischer Irrtum, den man dem Romantiker nicht zu sehr verübeln darf. Die Sage vermeldet: Auf einem Jagdzug im Würmtal findet Pippin bei einem Müller die britannische Königstochter Berchta, an deren Stelle ihm der betrügerische Hofmeister die eigne Tochter als Gemahlin zugeführt hatte. Er erkennt sie und erhebt sie zu seiner Gattin. Nachdem an den Schuldigen das Strafgericht vollzogen, führt er Berchta, die inzwischen eines Knäbleins — Karl — genesen ist, im Triumph auf seine Burg Weihenstephan. Der Darstellung liegt eine Publikation des Freiherrn von Aretin, „Aelteste Sage über die Geburt und Jugend Karls des Großen", München 1803, zugrunde.
 
Bron: Schwind des Meisters Werke in 1265 Abbildungen, herausgegeben von Otto Weigmann, Stuttgart/Leipzig 1906
Von Schwind
Deze potloodtekening laat goed zien dat Von Schwind de apollinische vormgestrengheid van de meesters uit de Hoogrenaissance nastreefde

Hohenschangau [ castles.org ] | Moritz von Schwind [ de.wikipedia.org ]

donderdag 5 augustus 2010
de geest van de Middeleeuwen
de Boze Boodschap van Nosferatu, Phantom der Nacht (1979)

Schrijver Maarten ‘t Hart koos afgelopen zondagnacht na Zomergasten voor de film Nosferatu van Werner Herzog uit 1979. Deze film leunt zwaar op de klassieker Nosferatu, eine Symphonie des Grauens van Friedrich Wilhelm Murnau uit 1922. Een paar sterke scenes uit het origineel heeft Herzog zelfs letterlijk geciteerd. Het tijdsbeeld van de Biedermeier wordt in deze film mooi samengeweven met het gestyleerde beeld van de expressionistische film. Isabelle Adjani die de rol van Lucy speelt, lijkt wel een filmdiva uit 1915. Dat wordt nog eens versterkt door de sjabloonachtige weergave van emoties.

Nosferatu
Nosferatu met Isabelle Adjani als Lucy

Nosferatu van Werner Herzog en de gothic novel van Bram Stoker uit 1897 zijn verschillend, maar toch is de essentie van het vampierverhaal hetzelfde. Net als bij de versie van Francis Ford Coppola uit 1992 heeft het verhaal mij weer aan het denken gezet. Dracula is de afgelopen honderd jaar meer dan 200 keer verfilmd, waardoor het een cliché geworden is dat het publiek heeft afgestompt. Maar Herzog probeert weer tot de kern van het verhaal door te dringen en vertelt het op een trage, bijna meditatieve manier. De score van o.a. Popol Vuh versterkt de sfeerbeelden. Gemakkelijke schrikeffecten laat Herzog achterwege. Voor veel horrorliefhebbers mag deze film misschien saai zijn, maar hij kruipt wél onder de huid. Hoewel Dracula een modern verhaal (1897) is, is het gebaseerd op oude volksverhalen die voortkomen uit volks bijgeloof.

Sinds we met de Verlichting afscheid hebben genomen van ‘de Middeleeuwen’, hebben we de duistere en onzichtbare wereld van demonische wezens verbannen naar de periferie van onze belevingswereld: de schijnwereld van de gothic novel en de horrorfilm. In ‘de moderne tijd’ kunnen we nog moeilijk in het bestaan van demonen geloven, maar onze angst voor demonen is nog niet helemaal verdwenen. Dat maakt het mogelijk om in onszelf de grens van onze bestaanszekerheid op te zoeken en te huiveren. Het is eigenlijk vreemd dat je kunt genieten van rillingen over de rug. De griezelfilm roept op een veilige manier de sensatie van doodsangst op. Dat kan ook een gevoel van macht geven. Want we laten ons even helemaal onderdompelen in onze angst, terwijl we vooraf en achteraf weten dat het ‘maar een film’ is en dat we weer uit onze angst zullen komen. Behalve als we er IN zitten, wordt de film écht. Op dat moment ervaren we dat ‘de Middeleeuwen’ er nog steeds zijn. De waarschuwing “ga er niet heen, want het spookt er!” is in ‘de Middeleeuwen’ van levensbelang net als het radiobericht “er is een spookrijder op de A12 gesignaleerd” in ‘de moderne tijd’. Demonen op de buis zijn amusement wanneer we niet geloven in hun bestaan, terwijl er intussen angst en twijfel blijft, als een restant van ‘de Middeleeuwen’ in ons bewustzijn.

In ‘de Middeleeuwen’ wordt het bestaan van demonen die in allerlei gedaanten kunnen veranderen serieus genomen. De Middeleeuwse wereld is eigenlijk zo bedreigend dat je elk moment wel van angst zou kunnen sterven. Maar in ‘de Middeleeuwen’ ervaart de mens ook bescherming door het geloof. Het christelijk geloof leert de overwinning op de dood door het Kruis en door de Opstanding van Christus. Dit geloof is in Dracula nog terug te vinden: vampiers verdragen geen daglicht, kruis(teken) en hostie. Het overwinning dragende kruis, en daarmee ook het christelijk geloof, speelt in de vampierroman dus nog wel een rol. Maar het Dracula is er niet om ons bij het christelijk geloof te brengen, maar om ons te ‘amuseren’ met een Boze Boodschap. Het griezelverhaal wil onder de huid kruipen en ons de stuipen op het lijf jagen. Herzog gebruikt geen goedkope schrikeffecten, maar laat het kwaad langzaam neerdalen en steeds dieper op ons inwerken. Tenslotte laat hij het verhaal slecht aflopen. Eigenlijk is Nosferatu een negatief evangelie: het gaat niet om onze redding maar om onze verdoemenis in een hel waar we geen daglicht kunnen verdragen en waar we ’s nachts altijd moeten blijven leven. “Niet de dood is het ergste dat we vrezen moeten", zegt graaf Dracula tegen Jonathan Harker, “maar áltijd moeten blijven leven, dát is ondragelijk.” Graaf Dracula spreekt hier als de demon uit Die fröhliche Wissenschaft van Nietzsche :

„Das grösste Schwergewicht. – Wie, wenn dir eines Tages oder Nachts, ein Dämon in deine einsamste Einsamkeit nachschliche und dir sagte: „Dieses Leben, wie du es jetzt lebst und gelebt hast, wirst du noch einmal und noch unzählige Male leben müssen; und es wird nichts Neues daran sein, sondern jeder Schmerz und jede Lust und jeder Gedanke und Seufzer und alles unsäglich Kleine und Grosse deines Lebens muss dir wiederkommen, und Alles in der selben Reihe und Folge – und ebenso diese Spinne und dieses Mondlicht zwischen den Bäumen, und ebenso dieser Augenblick und ich selber. Die ewige Sanduhr des Daseins wird immer wieder umgedreht – und du mit ihr, Stäubchen vom Staube!“ – Würdest du dich nicht niederwerfen und mit den Zähnen knirschen und den Dämon verfluchen, der so redete?
 
Bron: Die fröhliche Wissenschaft, Viertes Buch, Aphorismus 341 (KSA 3, S. 571)
Time is an abyss… profound as a thousand nights… Centuries come and go… To be unable to grow old is terrible… Death is not the worst… Can you imagine enduring centuries, experiencing each day the same futilities…

Count Dracula

De Ewige Wiederkunft is overigens een oeroude gedachte en Nietzsche lijkt deze via Schopenhauer aan de Indische filosofie ontleend te hebben. Graaf Dracula spreekt over de kwelling van het eeuwige leven zonder verlossing.

Rad van Reïncarnatie
het boeddhistische Rad van Reïncarnatie wordt vastgehouden door een demon met vampiertanden

Dracula is een even populair als angstaanjagend verhaal, al dringt het angstaanjagende maar moeilijk tot je door zolang je de realiteit van de hel niet echt serieus neemt. Het geloof in een hiernamaals, opgesplitst in een hemel en een hel is in de loop van de 20e eeuw sterk afgenomen. Dood is dood. Punt uit. Het leven is gewoon genieten op aarde zolang je (nog) kunt. Net als die dansende mensen op de markt in Delft in Nosferatu. De stad is letterlijk voor driekwart uitgestorven en de laatste overlevenden die al ten dode opgeschreven zijn, volgen de wijsheid van de dwaas: “Probeer er, naar eigen goeddunken, maar het beste van te maken!” Er wordt nog ‘genoten’ van een galgenmaal tussen de ratten en daarna is de game over.

Dit beeld van de dansende pestlijders uit Nosferatu, is een griezelige metafoor van onze wereld. In plaats van een gebed om bescherming van de ziel, gaat het lichaam nog één keer helemaal los in genotzoekerij. De wanhoop en de doodsangst worden bedekt met wegkijken, jagen op genot en ‘amusement’.

Nosferatu Phantom der Nacht

woensdag 4 augustus 2010
de duivelskunstenaar
zondagmorgen gezien bij VPRO Boeken: Pieter Steinz over Faust
de duivelskunstenaarEen levenslange fascinatie voor Johannes Faust inspireerde NRC Boekenchef Pieter Steinz tot een tocht langs vijfhonderd jaar Faust in de kunsten. (…) De fascinatie van Steinz zelf vindt zijn oorsprong in zijn kindertijd. Tijdens een bezoek aan Slot Waardenburg, bij Zaltbommel, wordt bij bij jonge Steinz de kiem gelegd voor een levenslange liefde voor de Faust-legende. “Op Slot Waardenburg werd ik door een rondleider naar de ‘Faust-kamer’ gebracht, die toen nog niet open was voor publiek. Faust zou daar gezeten hebben, in een heel schilderachtig kamertje met maar één raam. Op een gegeven moment wees die man naar een vlek op de muur en vertelde dat dat het bloed van Faust was nadat de duivel hem was komen halen. Dat maakte zo’n ongelofelijke impact dat het me mijn hele leven bleef fascineren.”
 
Bron: boeken.vpro.nl
zaterdag 31 juli 2010
Kant aan de kant
gelezen in Romantiek. een Duitse affaire
Het romantische transcenderen, van Schlegel tot Nietzsche, gaat niet in de richting van de grote rust, maar is op avontuur uit. Hierbij past eerder het beeld van iemand die zee kiest voor een stormachtige reis. Waar de romantische nieuwsgierigheid toe leidde, laat zich goed illustreren in het contrast met Kant.
 
Kant
had in de Kritik der reinen Vernunft een poëtisch beeld gevonden voor de zelfbeperking van de rede, die door de romantici juist niet wordt geaccepteerd.
 
“Wij hebben thans", schrijft Kant, “het land van het zuivere verstand niet alleen doorkruist (…) maar ook opgemeten en elk ding dat daar voorkomt zijn plaats gewezen. Maar dit land is een eiland (…) omringd door een weidse stormachtige oceaan (…) waar menige mistbank en snel wegsmeltend ijs ons nieuwe landen voorliegt, en doordat dit de zeevarende op zijn ontdekkingsreis onophoudelijk met ijdele hoop misleidt, stort deze zich in het avontuur, wat hij nooit ofte nimmer kan laten en wat hij toch ook nooit ofte nimmer tot een goed einde kan brengen.”
 
Bron: Rüdiger Safranski, Romantiek. een Duitse affaire. Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2007 (blz 290-291) vertaling: Mark Wildschut
Kant en Nietzsche
Immanuel Kant (1724-1804) en
Friedrich Nietzsche (1844-1900)

RomantiekRomantik. Eine Deutsche Affäre
Die Romantik, neben dem Idealismus der Inbegriff des deutschen Geistes, ist in aufgeklärten Zeiten an den Rand gedrängt worden. Rüdiger Safranski holt sie für uns ins Zentrum zurück. Er beschreibt die Romantik als Epoche, ihre Zeitgenossen Tieck, Novalis, Fichte, Schelling, Schleiermacher oder Dorothea Veit, die für die Entfesselung des Genies stehen, für den Aufbruch ins Grenzenlose, für die Lust am Experiment. Und er erzählt die Geschichte des Romantischen, die bis heute fortlebt. Sie handelt von der Karriere des Imaginären und führt über Heine, Richard Wagner, Nietzsche und Thomas Mann bis zu den Erregungen des 20. Jahrhunderts - die Biographie einer Geisteshaltung. ( Bron: powells.com )

woensdag 28 juli 2010
Friedrich & co [ 11 ]
gelezen: Deutsche Malerei des 19. Jahrhunderts van Hans J. Neidhardt
herlezen: Classicisme en Romantiek in Duitsland van Alexander Rauch

Deutsche Malerei des 19. JahrhundertsEen maand geleden kocht ik in Augsburg een boek over de Duitse schilderkunst van de 19e eeuw, bij wijze van wiedergutmachung. Want in de canon van 19e eeuwse Duitse schilderkunst werd 25 jaar geleden tijdens mijn studie aan de kunstacademie alleen Caspar David Friedrich vermeld. Ik had de indruk dat Duitsland in de negentiende eeuw nauwelijks grote schilders heeft voortgebracht, in tegenstelling tot Frankrijk. Maar niets is minder waar. Op dit moment ben ik meer geboeid door de Duitse schilderkunst tussen 1770-1830 dan de Franse schilderkunst uit die periode. Tussen de Duitse en Franse kunst uit de zgn. Goethezeit bestaan fundamentele verschillen. Daarbij speelt de staatkundige situatie een belangrijke rol: Frankrijk was een eenheidsstaat en werd centraal vanuit Parijs geregeerd, terwijl Duitsland een conglomeraat van staatjes vormde waardoor provincialisme heel gewoon was. Maar dat betekende ook een grotere diversiteit. Het katholieke zuiden en het protestantse noorden in Duitsland bedienden zich bijvoorbeeld van heel andere uitdrukkingsvormen, terwijl de Franse kunst veel uniformer was. In Deutsche Malerei des 19. Jahrhunderts wordt de Duitse schilderkunst van de laat 18e en 19e eeuw behandeld. Schilders van Anton Graff (1736-1813) tot Max Lieberman (1847-1935) en stromingen van Classicisme en Romantiek tot Biedermeier en van realisme tot impressionisme. Achterin het boek zijn ruim tachtig korte biografieën van schilders opgenomen.

Romantiek en ClassicismeIn het boek Romantiek en Classicisme dat tien jaar geleden bij Uitgeverij Könemann verscheen, staat een uitgebreid en rijk geïllustreerd essay van Dr. Alexander Rauchschilderkunst van Europa tussen twee revoluties‘. Het gedeelte over de Duitse schilderkunst (blz. 420-480) is een prima aanvulling op het boek van Prof. Hans Joachim Neidhardt. Ik ontdekte een aardig verschil in de selectie van beide kunsthistorici. Beiden selecteren het bekende schilderij De waterval van Schmadribach van Joseph Anton Koch, de vader van het classicistische landschap in Duitsland. Maar Neidhardt kiest voor de versie uit 1811 terwijl Rauch voor een latere versie uit 1821-22 heeft gekozen. Bovendien vergelijkt Rauch deze met een ander bekend werk Der Watzmann uit 1824 van Ludwig Richter, een schilder van de jongere generatie. Terwijl Koch het ‘heroïsche landschap’ voor ogen had met dramatische rotspartijen, watervallen en wolkenpartijen, streefde Richter naar het romantische harmoniemodel dat kenmerkend is voor de Biedermeier.

Koch en Richter
Joseph Anton Koch De waterval van Schmadribach, 1821-22
en Ludwig Richter Der Watzman, 1824

De landschapsschilderijen van Joseph Anton Koch en Ludwig Richter zijn tegengesteld aan die van Casper David Friedrich. Laatstgenoemde had weinig op met Koch’s heroïsche visie op het landschap. Hij vond de schilderijen van Koch veel te druk. “Datgene wat ze in een cirkel van 100 graden in de natuur hebben gezien, persen ze op het doek samen in een gezichtshoek van 45 graden” bekritiseerde hij Koch en zijn volgelingen. Maar van Friedrich kun je eerder het omgekeerde zeggen. Hij hield juist van het kale en lege en der Monch am Meer toont dit in extremo. Dit is beslist geen gemoedelijke Biedermeier maar donkere Romantiek in zijn meest beklemmende vorm.

Caspar David Friedrich
Caspar David Friedrich
Der Mönch am Meer, 1809-10

meer Friedrich & co | Deutsche Malerei des 19. Jahrhunderts

maandag 26 juli 2010
sprezzatura
Het roze van Tiepolo van Roberto Calasso en
Giambattista Tiepolo tra scherzo e capriccio in Udine tot 31 oktober

Tiepolo PinkIn het beoordelen van schilderijen wordt mijn blik vaak vertroebeld door mijn mateloze bewondering voor het virtuoze gebaar of voor de noeste arbeid. De blik blijft prettig steken aan de oppervlakte, in het handschrift en vooral ook bij het plezier van de meester die losjes zijn métier beheerst. Tijdens onze reis door Beieren en Italië viel mij dit weer eens op. Eerst in Würzburg waar ik mij vergaapte aan de fresco’s van Tiepolo en later in Venetië waar ik overdonderd werd door de Venetianen in de Gallerie dell’ Accademia: Bellini, Giorgione, Titiaan, Veronese, Tintoretto… Krachtpatsers in olieverf. Handige jongens natuurlijk ook. Hun soepele penseelvoering doet aan acrobatiek denken. Ik kijk er met ademloze bewondering naar.

De kracht van bravoure is tegelijkertijd ook een zwakte: verwacht van een krachtpatser geen poëtische verbeelding. Die tref je eerder aan in een onbeholpen portret van een derderangs schilder. Maar de Italianen verbazen, want bravoure en poëzie gaan bij hen gewoon samen. In het Italiaans is er een term voor het vermogen dat fabelachtige materiaalbeheersing paart aan ongedwongen natuurlijkheid en verbeeldingskracht: sprezzatura. Baldassare Castiglione, de Italiaanse humanist uit de 16e eeuw, introduceerde de term. Hij meende dat degene die de ware kunst beheerst, de indruk wekt dat het geen kunst is. Met sprezzatura wordt de inspanning verborgen achter het moeiteloze gebaar. Vergelijk het met de lachende acrobaat met vier mannen op zijn schouders. Critici willen sprezzatura daarom nog wel eens vergelijken met een circusact, een truc. Maar dat is juist niet wat Castiglione bedoelt. De gekunsteldheid, die hij in het maniërisme zag, beschouwde hij juist als een gevaar voor de kunstenaar en als een bedreiging van het leven in het kunstwerk. Met sprezzatura kan krampachtigheid vermeden worden of getransformeerd tot een soort nonchelante zelfbeheersing.

Tiepolo in Würzburg
Giambattista Tiepolo 1752
Fresco in de keizerzaal van de Würzburger Residenz

In Il Rosa Tiepolo van Roberto Calasso wordt de sprezzatura als een typisch Italiaanse eigenschap gezien. Bij Giambattista Tiepolo (1696-1770) knalt de sprezzatura van de muren en van de plafonds. Halverwege de achttiende eeuw was hij een halfgod maar na 1789 raakte ‘de laatste grote Venetiaan’ volledig uit de gratie. Zijn theatrale voorstellingen werden in de volgende stijlperioden, het classicisme en de romantiek met weerzin bekeken. “Wel vuurwerk, maar geen vuur", zo oordeelde men. Het negatieve oordeel over de rococo moeten we tegenwoordig vooral begrijpen vanuit de diepe afkeer van het Ancien Régime waarvan Tiepolo een lakei was geweest. De bekoorlijke hemel van Tiepolo was de hemel van het ancien régime. Opstijgen naar de hemel en neerdalen in zintuigelijk genot was voor de schatrijken in de achttiende eeuw blijkbaar één en dezelfde beweging. Niet voor niets lijken de wolken op matrassen waarin de luie lijven een laatste bestemming hebben gevonden. Daar is dus weinig visionairs aan. In de romantiek moest men niets meer hebben van de oppervlakkige schijnwerelden waarmee Tiepolo de plafonds van de paleizen had opengebroken. Zijn sprezzatura en gevoel voor de ‘bella figura’ werd met achterdocht bekeken. Als Tiepolo niet in 1770 was gestorven, dan had hij wellicht hetzelfde lot moeten dragen als Jean-Honoré Fragonard (1732-1806), die andere meester van het rococo. Deze stierf als een fossiel van het gewraakte ancien régime in grote armoede en totaal vergeten.

Tiepolo in Würzburg
detail van een fresco met Apollo op het plafond boven het trappenhuis van de Würzburger Residenz

Toch bestaat er naast de decoratieve en pastelkleurige Tiepolo nog een andere, duistere en visionaire Tiepolo. In Udine is tot 31 oktober de tentoonstelling Giambattista Tiepolo tra scherzo e capriccio te zien met zijn scherzi, een serie van 23 gravures die pas na zijn dood in 1770 in de openbaarheid kwamen. Deze prenten worden wel eens vergeleken met de Los desastres de la guerra van Goya, maar dat is toch niet helemaal terecht. Tiepolo’s gravures zijn lastiger te duiden dan Goya’s donkere symfonie. Bovendien was Tiepolo een lichtvoetige Venetiaan die de ellende van de Franse Revolutie nooit heeft meegemaakt. In Il Rosa Tiepolo doet Roberto Calasso een poging om tot die andere Tiepolo door te dringen. Het is een aardige voorbereiding op een bezoek aan de tentoonstelling in Udine.

Tiepolo Scherzi
een van de Scherzi die de duistere kant van Tiepolo laten zien en die op de tentoonstelling in Udine te zien is
Voor iemand die op zoek is naar een voorbeeld van die luchthartigheid, zal niemand overtuigender zijn dan Tiepolo, die zijn leven lang alles in het werk stelde om de subtiele eigenzinnigheid van wat hij schilderde zó doeltreffend door zijn koortsachtige werktempo te verdoezelen, dat hij kans zag zijn meest gewaagde en raadselachtige werk, de Scherzi, voor eenvoudig tijdverdrijf te laten doorgaan. Je zou bijna zeggen dat Tiepolo ernaar streefde nooit helemaal serieus te worden genomen. Hij legde nooit enige nadruk op zijn symbolen en betekenissen, met als resultaat dat die meestal over het hoofd werden gezien. Ook op zijn Scherzi, al zinderen minstens elf van de drieëntwintig tekeningen van een welhaast ondraaglijke spanning die voortkomt uit de daad van het kijken naar iets onbekends, terwijl over sommige andere een milde loomheid ligt, zoals de twee afbeeldingen van familiegroepjes die rust nemen, nu eens saters, dan weer mensen. Voor de Scherzi geldt geen dwingende volgorde (wat voor Goya’s Desastres de la guerra ooit wel het geval zal zijn), maar wel een fysiologische indeling, een wisseling van psychische gesteldheden waarbij geen enkel element de overhand krijgt. Zelfs als de betekenissen op zijn afbeeldingen zich steeds opdringeriger verdichtten, liet Tiepolo dat air van iemand die ‘moeiteloos en als het ware gedachteloos’ te werk gaat nooit varen. Dat ging hem zo goed af dat hij iedereen in de waan bracht dat hij niet door gedachten werd gekweld. Om die gedachten zelf zodoende tegen indringers te beschermen.
 
Bron: Roberto Calasso, Het roze van Tiepolo
Nederlandse vertaling: Els van der Pluijm en Uitgeverij Wereldbibliotheek bv

Tiepolo PinkTiepolo Pink
“Tiepolo: the last breath of happiness in Europe,” Calasso declares. The 18th century was a ­paradise of frivolity, which ­solemnly recognised the pursuit of happiness as the legitimate aim of human life. ­Tiepolo (1696-1770) illustrated that idyll in paintings that are frothily ­theatrical and warmly carnal. Even his angels have nubile bodies and secondary ­sexual characteristics. On a painted ceiling in Venice that is meant to be “strictly devotional", Calasso notices that one of these seraphic beings raises his arm to disclose a “soft down” of armpit hair, “not customary with angels". The clouds on which Tiepolo’s goddesses float, as Calasso nicely puts it, have the springy consistency of “congealed foam", like vast beds. Heaven is nothing more than a sublimation of earthly pleasures. All are welcome to the revels: in a weird multicultural reverie, Calasso suggests that Tiepolo’s ceilings represent “the sky of Europe – the only sky capable of embracing, with equal benevolence, all images, of gods and men, saints and nymphs, Olympus and Bethlehem". I’m not so sure: you were more likely to be invited to join in this aerial carnival if your skin was pink.
Bron: guardian.co.uk

Het roze van Tiepolo

maandag 19 juli 2010
De Grote Middag
vandaag in de zon gelezen: kleine filosofie van het bruinworden
het laatste essay in Filosofie van het landschap (1970) van Ton Lemaire
Kaunertal 4 juli 2010Zo is onze jaarlijkse tocht naar de zuidelijke zomer een rite in de nieuwe religie van de immanente wereld. Wij zijn inderdaad de aarde trouw, door in onze naaktheid het licht dat haar openbaart te trotseren, en daardoor bruin te worden. Bruin is de kleur van het lichaam dat de wereld vereert op haar grote middag. Het is op deze manier dat wij de worsteling van Nietzsche en Van Gogh om de absoluutheid van het bestaan en de transparantie van de wereld tijdens ons vakanties in praktijk brengen. Wij worden bruin van de wereld op haar hoogtepunt. En het is de kleur, die verraadt dat er - hoe zwak en pover ook - een soort mystieke vereniging heeft plaatsgevonden tussen de mens en zijn wereld.
 
Bron: Filosofie van het landschap, negende druk, blz 247.
En het is de kleur, die verraadt
dat er - hoe zwak en pover ook -
een soort mystieke vereniging heeft plaatsgevonden tussen de mens en zijn wereld

Filosofie van het landschap [ bol.com ]

woensdag 23 juni 2010
onverklaarbaar bewoond
zondag om 11.20 gekeken naar boeken op Nederland 1
Wim Brands in gesprek met Bert Keizer

Bert Keizer gelooft niet in bewustzijn zonder hersenen zoals Pim van Lommel. “Hersenen zonder bewustzijn kan wel, maar bewustzijn zonder hersenen is onzin", vindt hij. Zijn boek onverklaarbaar bewoond biedt niet de troost van een eindeloos bewustzijn maar zoekt juist naar een dieper inzicht in de relatie tussen onze hersenen en onszelf.

Onverklaarbaar bewoondEen mens zit op een andere manier vast aan zijn hersenen dan aan bijvoorbeeld zijn benen of zijn galblaas. Wie zijn galblaas kwijtraakt, blijft als mens geheel aan dek. Maar wie een deel van zijn hersenen moet prijsgeven vanwege een ongeluk, een tumor of een bloeding, kan eindigen met een ernstig verdraaide versie van zichzelf. Een beschadigd brein betekent een beschadigde ziel. Op zoek naar een dieper inzicht in de relatie tussen onze hersenen en onszelf, volgde arts en filosoof Bert Keizer gedurende enkele maanden een aantal hersenchirurgen en hun patiënten van zeer dichtbij. Patiënten beziet hij niet alleen als medische gevallen, maar in de eerste plaats als mensen, die te maken krijgen met onthutsende veranderingen. Hij schetst een levendig en uitermate realistisch beeld van hun lotgevallen, vol dialogen en filosofische terzijdes. Zijn collega’s bewondert hij om hun durf en vaardigheid, maar hij stelt ze ook kritische vragen over de gevolgen van hun ingrepen.
 
Onverklaarbaar bewoond is een even belangwekkend als onthutsend relaas in de kenmerkende Keizerstijl: nuchter en scherp, maar ook soepel, en met onnadrukkelijk mededogen.
 
Bron: boeken.vpro.nl

Bert Keizer fascineerde zich al langer voor de samenhang tussen hersenen en ziel, die even onlosmakelijk als onverklaarbaar met elkaar verbonden zijn: “Iemand zei eens dat het bewustzijn in ons lichaam zit zoals de stemming in een feest. Later hoorde ik iets vergelijkbaars over de benen van Sven Kramer, waar over gezegd werd dat daar een gouden medaille inzit. Dat geldt ook voor onze ziel: anatomisch is die in ons lichaam niet aanwezig. Maar hij zit er, onmiskenbaar.”

Wim Brands in gesprek met Bert Keizer [ boeken.vpro.nl ]

zaterdag 19 juni 2010
nunc stans
de nuchtere mystiek van Arthur Schopenhauer
gelezen: De woelige jaren van de filosofie van Rüdiger Safranski

Toen Immanuel Kant (1724 - 1804) zijn kritieken had geschreven, leunde hij tevreden achterover. De kentheorie was af. Het was volbracht. Honderd jaar later zou deze zelfvoldaanheid ook in de moderne fysica opduiken. Toen Max Planck (1858 - 1947) zijn vader liet weten dat hij graag natuurkunde wilde gaan studeren, reageerde deze met de opmerking dat zijn zoon beter iets anders kon gaan doen, want dat vak was immers voltooid! We weten inmiddels dat het in de filosofie en in de fysica anders is gelopen. Zoals Planck met zijn kwantummechanica de Newtoniaanse natuurkunde op zijn kop zette, zo zorgde de Duitse filosofie na Kant voor een omwenteling in de Descartiaanse filosofie. Vooral Arthur Schopenhauer (1788-1860) heeft aan deze Copernicaanse wending bijgedragen. Hij breekt definitief met de klassieke subject-object (mens-wereld) verhouding die sinds René Descartes (1596 - 1650) de westerse filosofie heeft gedomineerd.

Arthur Schopenhauer in 1815In 1813 was Schopenhauer 25 en had hij zijn grote ontdekking nog niet gedaan. Toch sprak hij al van ‘het betere bewustzijn’. Dat was een soort werktitel van wat in 1819 zijn hoofdwerk zou worden Die Welt als Wille und Vorstellung. In dit boek vestigt hij de aandacht op iets heel nieuws. Immanuel Kant had in zijn hoofdwerk Kritik der Reinen Vernunft (1781) een ‘blinde vlek’ geïsoleerd die hij het Ding an Sich noemde. Kant stelde vast dat het menselijk verstand de toegang was ontzegd tot het Ding an Sich, maar hij had dit ‘Redevormige gat’ nu wél in de wereld geholpen. Kant vond dat het geloof hier maar uitspraken over moest doen en meende dat hij voor de filosofie de klus geklaard had…

sphaerenblickNa het verschijnen van Kant’s kritieken in de jaren tachtig van de achttiende eeuw dook men vooral in Duitsland in het gat waarvan Kant met chirurgische precisie de contouren had vastgesteld. Fichte was de eerste en introduceerde het primaat van het ik, dat vóór alle kennis en al het gekende aanwezig is. Schelling noemde dit natuur en bij Hegel heette het Absolute Geest. Maar Schopenhauer ging nog verder. Als je steeds dieper in de materie doordringt en de wereld van het subatomaire binnentreedt, dan blijkt de klassieke mechanica van Newton niet meer te gelden. Zo dringt Schopenhauer ook door in de diepste diepte en bereikt zo een bewustzijn aan gene zijde van ruimte en tijd, waar de klassieke subject-object dualiteit zijn geldigheid heeft verloren. Voor hem is dát de wereld zoals deze ís, de wereld als wil. De kenbare wereld is voor hem de wereld als voorstelling. Dus bundelt hij zijn denkwerk onder de titel: de wereld als wil en voorstelling.

De mystici noemden deze ervaring nunc stans, het staande nu.
De intensiteit van dit heden is zonder begin en zonder einde
en het kan zelfs verdwijnen,
omdat wij eruit verdwijnen.
Schopenhauer noemt het een bewustzijn ‘aan gene zijde van ruimte en tijd’ - ook weer een paradoxale uitdrukking die ons door onze taal wordt opgedrongen. Wanneer ik op een bepaald ogenblik verzonken ben in opmerkzaamheid, dan is de scheiding van ik en wereld feitelijk plotseling opgeheven. Het maakt niet uit of ik zeg: ik ben buiten bij de voorwerpen of de voorwerpen zijn in mij, doorslaggevend is veeleer: ik ervaar mijn opmerkzaamheid niet meer als een functie van mijn belichaamd ik. Deze opmerkzaamheid is uit de coördinaten van ruimte en tijd, waarvan het snijpunt ons belichaamde ik is, gelicht: de ruimte, de tijd en zichzelf vergetend. De mystici noemden deze ervaring nunc stans, het staande nu. De intensiteit van dit heden is zonder begin en zonder einde en het kan zelfs verdwijnen, omdat wij eruit verdwijnen. De opmerkzaamheid houdt plotseling op wanneer ik naar mijn subject-zijn wordt teruggedreven; dan zijn alle scheidingen weer aanwezig; ik en de anderen, deze ruimte, deze tijd. Heeft mijn empirisch ik weer bezit van mij genomen, dan zal ik dit ‘ogenblik van opmerkzaamheid’ stevig verankeren in mijn individualiteit, mijn levenstijd, mijn plaats en daarom zal ik hebben verloren wat dit ogenblik het karakteristieke heeft gegeven: het nergens en nooit. Dit soort opmerkzaamheid moet zijn opgehouden wanneer ik haar bij een plaats en tijd kan indelen. Ik ben weer in de individuatie teruggezonken of, zo men wil, naar haar opgedoken. Ongetwijfeld is het ‘betere bewustzijn’ ook een soort extase, een kristallijnen extase van klaarheid en onbewogenheid, een euforie van het oog waarvoor dankzij alle aanschouwelijkheidsmogelijkheden de voorwerpen verdwijnen. Deze extase bevindt zich precies op de pool die tegenover die andere ligt, waarvoor vanouds de naam Dionysos staat: zich in de stroom der begeerten storten, door het lichaam meegesleept, een oplossen van het zelf in orgiastische zinnelijkheid. Hier wordt het lichaam niet verlaten, maar tot hemellichaam verhoogd. Hier verdwijnt ook een ik doordat het zich aan de niet ik-achtige machten van de drift prijsgeeft.
 
uit: Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie door Rudiger Safranski, blz. 192-193
En ik wil mij niet bewaren!
Ver van jullie drijft mij de wind,
Op de stroom daar wil ik varen,
Door de schittering zalig blind!

Vaar toch door! Ik wil niet vragen,
Waar de vaart eindigt!

Joseph von Eichendorff (1788 - 1856)

Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie

dinsdag 15 juni 2010
is dát kunst ?
a.s. zaterdag 19 juni om 14.00 rondetafel discussie Niet alles is kunst
Restaurant Vermeer Prins Hendrikkade 59-72, Amsterdam
niet alles is kunstGalerie Gijsbrecht Bol nodigt u met groot genoegen uit voor een rondetafel-discussie op 19 juni as. vanaf 14.00u. naar aanleiding van de publicatie van het boek Niet alles is kunst van D. Kraaijpoel, L. Meijer en L. Allan bij uitgeverij Aspekt. Het boek, dat voor het eerst in maart 2010 in de schappen lag en nu al in herdruk is genomen, pleit in drie essays voor de herwaardering van de mimesis-theorie, ook wel de representatietheorie genoemd. Deze theorie is vandaag de dag ondergesneeuwd door andere kunsttheorieën en wordt binnen de kunstwereld als criterium om kunst te waarderen vaak niet meer als waardevol gezien. De focus ligt met name op het kunsttheoretisch discours en kunst die daar in past. Kunst die het discours als het ware illustreert. Ze wordt door een elite van onder meer kunsthistorici, -critici, conservatoren en galeriehouders uitgekozen, terwijl het voor buitenstaanders met een beperkte of gebrekkige kennis van kunsttheorieën niet of nauwelijks begrijpelijk is.
Affen als Kunstrichter
Gabriel von Max
Affen als Kunstrichter, 1889
olieverf, 85 x 107 cm Neue Pinakothek, München
Door de eenzijdige nadruk op conceptuele, schokkerende, subversieve en/of non-figuratieve kunst in de ‘serieuze’ kunstwereld is bij het publiek een impressie ontstaan dat goede kunst onbegrijpelijk behoort te zijn. Men hanteert de verkeerde criteria om dergelijke kunstwerken te beoordelen (“Het zwarte vierkant van Malevich is zó mooi.”), is bang geworden te vertrouwen op hun eigen zintuigelijke ervaring (om te voorkomen dom over te komen) en vreest iets te waarderen op zijn esthetische kwaliteiten (“Figuratief of naar de natuur, dat is toch ouderwets?!”).
 
Lennaart Allan, mede-auteur van Niet alles is kunst gaat de discussie met u aan. Hij beargumenteert waarom de mimesis-theorie en kunstwerken, die daaraan schatplichtig zijn, vandaag de dag nog steeds waardevol en bruikbaar zijn. Deze theorie heeft volgens hem een bestaansrecht naast alle andere kunsttheorieën en hoort dan ook met respect behandeld te worden.
 
Het belooft een interessante – misschien wel verhitte – discussie te worden. Komt allen! Uw actieve deelname wordt zeer op prijs gesteld, ook als u het niet eens bent met Allans stelling.


galeriegijsbrechtbol.com
| meer over dit boek op deze blog

vrijdag 11 juni 2010
het uitverkoren groeps-IK
gelezen in Romantiek. Een Duitse Affaire van Rüdiger Safranski

Romantiek. Een Duitse AffaireHet spook van het nationalisme waart niet meer rond, maar zit nu met 24 zetels (1,5 miljoen kiezers) stevig in de volksvertegenwoordiging. De onderbuik van het volk heeft een duidelijke stem gekregen. Hoe gevaarlijk is dat? Wanneer we naar de geschiedenis van onze oosterburen kijken, gaan alle haren recht overeind staan.

Het begon ruim 200 jaar geleden allemaal zo mooi met het gedachtengoed van de filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762-1814). Hij vestigt alle aandacht op ons ‘ik’ en voor Fichte betekent dat in diepste zin een ongedeeld ‘ik’. Voordat de Franse Revolutie losbarstte, had vooral de adel ‘een ik’ (lees: individuele vrijheid), maar het gewone volk kwam daar niet of nauwelijks aan toe. Tijdens de Verlichting ontwaakte ‘het ik’ ook onder het gewone volk. Rüdiger Safranski beschrijft in zijn boek Romantiek. Een Duitse Affaire hoe er in het denken van Fichte geleidelijk een omslag plaats vond van het universalisme in het nationalisme. ‘Het ik’ van het Duitse volk werd in de eerste plaats ‘een Duits ik’. En dat ‘Duitse ik’ voelde zich uitverkoren de wereld geestelijk vóór te gaan…

De idee van culturele natie is bij Novalis en Schiller nog in de geest van een universalistische missie geformuleerd, de appreciatie van het eigene gaat nog niet gepaard met verachting voor het vreemde.

Rüdiger Safranski

Johann Gottlieb FichteNovalis gelooft net als Schiller dat het de ‘wereldgeest; is die de Duitsers heeft ‘uitverkoren’ voor de grote missie vrijheid en humaniteit in Europa te bevorderen, en geen van beiden had ooit kunnen bevroeden dat de traagheid waarmee de Duitse Natie tot stand kwam niet tot democratische culturele rijpheid zou leiden, maar dat er in plaats daarvan bijzondere vormen van hysterie en ressentiment uitgebroed zouden worden, dat de langzaam gegroeide cultuur en vorming niet sterk genoeg zouden zijn om de latere barbarij een halt toe te roepen, en dat deze cultuur zich zelfs als instrument voor barbaarse doeleinden zou laten gebruiken.
 
De idee van culturele natie is bij Novalis en Schiller nog in de geest van een universalistische missie geformuleerd, de appreciatie van het eigene gaat nog niet gepaard met verachting voor het vreemde.
 
Bij Fichte kun je echter gadeslaan hoe het universalisme geleidelijk omslaat in nationalisme. De Grundzüge des gegenwärtigen Zeitalters van 1805 zijn nog universalistisch; (…) Maar een jaar later, in de in Berlijn gehouden Reden an die Deutsche Nation van 1807/08, is het vaderland niet alleen het uiterlijke kader, maar het eigenlijke subject van de vrijheid. (…) Fichte spreekt over het volk als over één groot individu. De heuglijke eigenschappen van de enkeling - vrijheid, daadkracht, geest, cultuur - worden nu aan het volk toegeschreven (…)
 
uit: Romantiek. Een Duitse Affaire. Hoofdstuk I, blz. 21
Nederland heeft gewonnen!

Geert Wilders op 9 juni 2010

zaterdag 29 mei 2010
een onderpand van onze onsterfelijkheid
gelezen uit Franz Sternbalds Wanderungen (1798) van Ludwig Tieck

In navolging van Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795/96) schreef Ludwig Tieck de kunstenaarsroman Franz Sternbalds Wanderungen. Het verhaal gaat over de 22-jarige schilder Franz Sternbald die zijn leermeester Albrecht Dürer uit Nürnberg verlaat om op reis te gaan. Tijdens zijn omzwervingen ontmoet hij allerlei personen waaronder ook historische figuren als de Noord-Nederlandse schilder Lucas van Leyden. Aan het begin van zijn reis probeert een zakenman hem op andere gedachten te brengen. Kunstenaars zijn volgens hem arme stumperds en zouden beter een vak kunnen gaan leren. Franz Sternbald dient hem van repliek. In Tieck’s roman komt de romantische opvatting over kunst duidelijk naar voren: kunst is een onderpand van onze onsterfelijkheid en moet juist niet nuttig zijn!

Zo beschouw ik de kunst
als een onderpand
van onze onsterfelijkheid.

uit: Franz Sternbalds Wanderungen

Friedrich Overbeck
Portret van Franz Pforr door Friedrich Overbeck
Overbeck liet zich inspireren door de romantiek van Wackenroder en Tieck en keerde terug naar de tijd van Dürer, Raffael en Lucas van Leyden
“En wat drukt u uit met dat woord “nut"? Moet soms alles op eten, drinken, en je kleden neerkomen? Of dat ik een schip beter leer besturen en machines uitvind die het ons gemakkelijker maken, opnieuw alleen om beter te eten? Ik zeg het nog een keer, het waarlijk hoogstaande kan en mag geen nut hebben; dit nuttig-zijn staat haaks op de goddelijke natuur, en dat te eisen betekent de verhevenheid van haar adel beroven en het haar op de laag-bij-de-grondse niveau van de vulgaire behoeftes van de mensheid plaatsen. Want weliswaar heeft de mens veel nodig, maar hij moet de geest niet tot de knecht van zijn knecht, van het lichaam verlagen: hij moet als een goede heer des huizes zorg dragen dat alles goed verloopt, maar die zorg voor het onderhoud moet niet heel zijn leven uitmaken. Zo beschouw ik de kunst als een onderpand van onze onsterfelijkheid.”
 
uit: Franz Sternbalds Wanderungen, vertaling van Mark Wildschut
Aesthetic vision and German romanticism van Brad Prager


Franz Sternbalds Wanderungen [ de.wikipedia.org ]

woensdag 26 mei 2010
De Nazareners
gelezen: Herzensergiessungen Eines Kunstliebenden Klosterbruders
van Wilhelm Heinrich Wackenroder en Ludwig Tieck

Dit geschrift van Wilhelm Heinrich Wackenroder dat in 1796 door zijn vriend Ludwig Tieck bewerkt is en uitgegeven, inspireerde een groep Duitse schilders die men spottend de Nazarener noemde. Zij namen de helden van Wackenroder tot voorbeeld: Albrecht Dürer, Rafael, Perugino en Michelangelo. Johann Friedrich Overbeck en Franz Pforr vormden de kern van de Nazarener. Peter von Cornelius, Ferdinand Olivier, Wilhelm von Schadow en Julius Schnorr von Carolsfeld sloten zich bij hen aan.

Julius Schnorr von Carolsfeld
Klara Bianka von Quandt met luit, 1820
Herzensergießungen eines kunstliebenden Klosterbruders - ReclamIn der Einsamkeit eines klösterlichen Lebens, in der ich nur noch zuweilen dunkel an die entfernte Welt zurückdenke, sind nach und nach folgende Aufsätze entstanden. Ich liebte in meiner Jugend die Kunst ungemein, und diese Liebe hat mich, wie ein treuer Freund, bis in mein jetziges Alter begleitet: ohne daß ich es bemerkte, schrieb ich aus einem innern Drange meine Erinnerungen nieder, die du, geliebter Leser, mit einem nachsichtsvollen Auge betrachten mußt. Sie sind nicht im Ton der heutigen Welt abgefaßt, weil dieser Ton nicht in meiner Gewalt steht, und weil ich ihn auch, wenn ich ganz aufrichtig sprechen soll, nicht lieben kann.
 
Bron: inleiding uit Herzensergiessungen … [ zeno.org ]

Pre-Raphaelite Brotherhood
Niet alleen in Duitsland gingen schilders in de negentiende eeuw terug naar de schilderkunst van de Renaissance. Enkele decennia na de Nazarener ontstond in Engeland in 1848 de Pre-Raphaelite Brotherhood. Deze schilders keerden terug naar de schilderkunst van vóór Raffael. De groep werd opgericht door William Holman Hunt, John Everett Millais, Dante Gabriel Rossetti en zijn broer William Michael Rossetti.

Herzensergiessungen Eines Kunstliebenden Klosterbruders [ W&V ]

zaterdag 22 mei 2010
Duitse filosofie 1760-1860
Terry Pinkard Duitse filosofie 1760 -1860
Terry PinkardIn de tweede helft van de achttiende eeuw ging de Duitse filosofie de Europese overheersen. Hierdoor veranderde de manier waarop niet alleen Europeanen, maar mensen overal in de westerse wereld dachten over zichzelf, de natuur, de geschiedenis van de mensheid, religie, politiek en de structuur van de menselijke geest. In dit rijke en breed opgezette boek verweeft Terry Pinkard het verhaal van ‘Duitsland’ – dat in die tijd veranderde van een losse verzameling vorstendommen in een opkomende natie met een karakteristieke cultuur – met een analyse van de tendensen en complexiteit van het filosofische denken dat zich daar ontwikkelde. Hij onderzoekt de dominante invloed van Kant, met zijn revolutionaire nadruk op ‘zelfbeschikking’, en volgt die invloed via de ontwikkeling van de Romantiek en het idealisme naar de kritiek van postkantiaanse denkers zoals Schopenhauer en Kierkegaard. Dit boek zal bij veel lezers interesse wekken voor de geschiedenis van de filosofie, de culturele geschiedenis en de geschiedenis van ideeën.
 
Bron: uitgeverijatlas.nl
donderdag 20 mei 2010
Lessings Laocoon
Laocoön. Over de grenzen van schilderkunst en poëzie
vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Wessel Krul
LaocoönDe Duitse toneelschrijver en criticus Gotthold Ephraïm Lessing (1729-1781) is een van de aantrekkelijkste denkers uit de Verlichting en een sleutelfiguur in geschiedenis van de moderne kunst.Met zijn essay Laocoön (1766) is hij de eerste die het onderscheid tussen literatuur en beeldende kunst even eenvoudig als geniaal onder woorden brengt: beeldende kunst speelt zich af in ruimte, literatuur in tijd. Als uitgangspunt koos Lessing de beroemde beeldengroep in het Vaticaans Museum die de dood van de Trojaanse priester Laocoön verbeeldt. In de Aeneis van Vergilius schreeuwt Laocoön het uit, zodra hij het gif van de slangen in zijn lichaam voelt doordringen. In de beeldengroep lijkt de priester niet meer dan een zucht te slaken.
 
De dichter kan wat de beeldhouwer niet kan: een personage kan schreeuwen, doordat de lezer zich een aantal opeenvolgende gebaren voorstelt. Een beeld kan maar één moment uit de handeling weergeven. Als dit juist het ogenblik is waarop geschreeuwd wordt, staat het personage als het ware voor altijd bevroren met wijd open mond – een onvermijdelijk lelijk gezicht.
 
Bron: historischeuitgeverij.nl
dinsdag 18 mei 2010
niet alles is kunst
vanavond in De Avonden: Diederik Kraaijpoel en Lennaart Allan
over hun boek Niet alles is kunst
niet alles is kunstGijsbert van der Wal praat met Diederik Kraaijpoel en Lennaart Allan, die samen met Willem L. Meijer het boek ‘Niet alles is kunst‘ schreven: een helder boek over de hedendaagse verwarring omtrent het begrip kunst. De verwarring die ertoe leidt dat de schoonmakers van een museum per ongeluk een kunstwerk voor afval aanzien en weggooien. De verwarring die bij het publiek ontstaat als een kunstenaar maandenlang in een afgesloten tent in een Zwolse nieuwbouwwijk werkt aan een kunstwerk dat, als de tent is afgebroken, blijkt te bestaan uit ‘de essentie van het niets’. De verwarring, kortom, die maakt dat alles – zelfs niets – kunst kan zijn, zolang het maar met conceptueel gepraat of geschrijf wordt omgeven.
 
Bron: vpro.nl

de humptydumptisering van de kunst

maandag 17 mei 2010
odyssee van de geest
gisteren van Michaela gekregen: Romantiek. Een Duitse Affaire
van Rüdiger Safranski, vertaald door Mark Wildschut

Romantiek. Een Duitse AffaireAl twee jaar keek ik uit naar de Nederlandse vertaling van Safranski’s boek Romantik. Eine deutsche Affäre. Gisteren gaf Michaela mij deze cadeau en vandaag ben ik erin begonnen. Safranski begint zijn verhaal op 17 mei 1769, vandaag precies 241 jaar geleden. Dat is het moment waarop Johann Gottfried Herder (Safranski noemt hem de Duitse Rousseau) halsoverkop vanuit Riga de boot neemt naar Toulon. Door het ruimte sop te kiezen, ruilt Herder het vaste in voor het vloeibare, het zekere voor het onzekere. Deze sprong in het onbekende is typerend voor de geest van de Romantiek. Rüdiger Safranski heeft een indrukwekkende intellectuele reikwijdte en weet vanuit de Goethezeit genuanceerd lijnen naar onze tijd te trekken. Daarbij is hij een meesterlijk verteller. Filosofie en geschiedenis blijven bij hem wat ze eigenlijk zijn: het meeslepende avontuur van de geest.

De Romantiek was de poging ‘aan het banale een verheven betekenis, aan het gewone een geheimzinnig aanzien, aan het bekende de waardigheid van het onbekende, aan het eindige een schijn van oneindigheid te geven’.

Novalis

Herder in BückeburgOverigens verbleef Herder tussen 1771 en 1776 in Bückeburg, de residentie van het graafschap Schaumburg-Lippe. Michaela en ik bezochten vorige week dit fraaie stadje. Aan het beeld van Johann Gottfried Herder, dat herinnert aan de jaren 1771 tot 1776 toen hij hier predikant was, zijn we blijkbaar voorbijgelopen. De jaren in Bückeburg waren voor Herder zijn Sturm und Drang periode waarin Über den Ursprung der Sprache (1772) en Von Deutscher Art und Kunst (1773) ontstonden.

Herders levensfilosofie heeft de cultus rond het genie van de Sturm und Drang (en later van de Romantiek) geïnspireerd. Het genie gaat daar door voor iemand bij wie het leven vrij kan stromen en zijn scheppende kracht ten volle kan ontplooien. Er ontstond in die tijd een luidruchtige cultus rond het zogenaamde “krachtdadige genie": vaak opgeklopt en pretentieus, maar ook vol elan en zelfverzekerd. De geest van de Sturm und Drang wil voor het geniale, dat als betere aanleg eigenlijk in iedereen sluimert en er alleen op wacht eindelijk ter wereld te komen, de verloskundige zijn.
 
uit: Romantiek. Een Duitse Affaire. Hoofdstuk I, blz. 21

Romantiek. Een Duitse Affaire [ uitgeverijatlas.nl ]

zondag 16 mei 2010
geschiedenis van gisteren
Nederlandse en Duitse lesboeken geschiedenis van dertig jaar geleden

Mijn oude schoolboeken geschiedenis heb ik nooit weggegooid. In 1978/79 stond de periode 1850-1975 op het programma en als lesboek Geschiedenis in onderwerpen onder redactie van W.F.Kalkwiek. Dit lesboek is typisch voor de didactiek van de jaren zeventig toen de geschiedenis een thematische behandeling had gekregen. Mijn oudere broer had als voorbereiding op het eindexamen een ander lesboek in gebruik: Geschiedenis van gisteren met daarin geschiedenis van de twintigste eeuw. In dit boek is de chronologische benadering van de geschiedenis nog enigszins overeind gebleven.

geschiedenisboeken
geschiedenis in onderwerpen
en geschiedenis van gisteren beiden uit 1976

Het is aardig om door deze boeken te bladeren. Grote geschiedenis is eerder ingebed in kleine geschiedenis dan omgekeerd. Zo hebben de Entente Coridiale uit 1904 en de Triple Entente uit 1907 zich in mijn leven voor altijd verbonden met de schoolbanken van 1978. De meeste geschiedschrijving probeert het verleden objectief en van buitenaf te beschrijven, maar onze blik op de geschiedenis zal altijd subjectief en van binnenuit blijven. Lesboeken geschiedenis uit een andere tijd of uit een ander land laten dat duidelijk zien.

geschiedenisboeken
Ook Michaela heeft haar oude lesboeken geschiedenis nog bewaard. Die Reise in die Vergangenheit Band 3 en 4 dateren uit 1982.
Ze zijn in alle opzichten beter dan de Nederlandse lesboeken
Je hebt nu voor een groot deel deze school doorlopen. Vanaf dit moment komt geleidelijk aan de voorbereiding op het eindexamen. Je zult ook meer en meer moeten gaan bezinnen op wat je daarna gaat doen. Waar je ook terechtkomt, het staat vast dat je actiever gaat deelnemen aan het maatschappelijk gebeuren. Op die maatschappij ben je niet voldoende voorbereid als je je “papiertje” in de zak hebt. Men zal namelijk steeds verlangen dat je kritisch aan het maatschappelijk verkeer deelneemt. Dat betekent dat je zelf interpretaties kunt geven aan alles wat er om je heen gebeurt. (…) Hiervoor is het nodig te weten hoe onze maatschappij in elkaar zit en hoe het komt dat zij zo gegroeid is.
 
uit het voorwoord van geschiedenis van gisteren 1976
zondag 9 mei 2010
grote kleine man
gekocht in Bückeburg: monografie van Adolph von Menzel uit 1903

Adolph von Menzel postzegelGisteren waren Michaela en ik in Bückeburg aan de rand van het Wesergebirge en tegenwoordig op de grens van Niedersachsen en NordRhein-Westfalen. Van 1640 tot 1807 was Bückeburg de residentie van het graafschap Schaumburg-Lippe. Grootste bezienswaardigheid van dit stadje is Slot Bückeburg waar de nakomelingen van de vorstelijke familie tot op de dag van vandaag zijn blijven wonen. Bij het Slot bevindt zich ook een fantasierijke stadspoort met twee draken. Gisteren werd rond de stadspoort een middeleeuwse markt gehouden en we hadden het gevoel op een filmset rond te lopen. Michaela ontdekte naast de stadspoort een antiquariaat waar ik een fraaie monografie kocht van de schilder Adolph von Menzel.

Bückeburg
Michaela bij Slot Bückeburg

Adolph von Menzel monografie 1903Twee jaar geleden schreef ik al over een ander boek over Menzel, maar het bijzondere van deze uitgave is dat deze nog tijdens zijn leven verschenen is. Menzel moet deze monografie van H. Knackfuss haast wel gezien hebben, want deze is niet alleen voorzien van pentekeningen maar ook van fotoreproducties van schilderijen en dat was in 1903 nog bijzonder. De tekst is gezet in gotisch schrift waardoor deze wel wat lastiger te lezen is, maar alle bladzijden zijn geïllustreerd. Ik ben vooral blij met de vele pentekeningen in dit boek die Menzel tussen 1839 en 1842 tekende bij het leven van Frederik de Grote. In het andere boek zijn deze nauwelijks opgenomen, zodat dit boek een mooie aanvulling is.

Friedrich in Sanscouci
een van de vele pentekeningen van Menzel over Frederik de Grote (1839 - 1842)

Adolph von MenzelEen volledige oeuvrecatalogus van Adolph von Menzel is er naar mijn weten nog niet en zal er wellicht ook nooit komen. Menzel, de kabouter Plop onder de schilders bleef zijn hele leven ongetrouwd en van hem kun je bij wijze zeggen dat hij niet geleefd heeft, maar dat hij getekend heeft. Naast zijn schilderijen liet hij zesduizend tekeningen na en daarbij komen nog eens 77 schetsboeken. Na zijn dood in 1905 kreeg hij een staatsbegrafenis en liep keizer Wilhelm II achter zijn kist aan. Toch had Menzel niet de opdracht gekregen om de proclamatie van het Duitse Keizerrijk op 18 januari 1871 in Versailles te schilderen. Die ging naar Anton van Werner. Maar Menzel had wel de inhuldiging van diezelfde keizer Wilhelm I als koning Wilhelm I van Pruisen tien jaar eerder mogen vastleggen. In de monografie staat dit schilderij afgebeeld, samen met de schetsen van alle ministers die tijdens deze plechtigheid aanwezig waren.

de ministers van Staat
voorstudie bij de inhuldiging van koning Wilhelm I van Pruisen op 18 oktober 1861 in Königsberg
schetsen van Menzel
de bladen uit Menzel’s schetsboeken zijn een feest van de waarneming. Hij was een realist in hart en nieren en had oog voor de meest uiteenlopende onderwerpen.


Adolph von Menzel [ de.wikipedia.org ]
| adolph-von-menzel.de

maandag 3 mei 2010
het kapitaal
nieuwe herziene uitgave van Das Kapital van Karl Marx
Bernhard Hulsman en Hans Driessen over Het Kapitaal

Het KapitaalZowel NRC Handelsblad en Trouw besteedden dit weekend in hun boekenbijlagen aandacht aan de nieuwe Nederlandse uitgave van Het Kapitaal van Karl Marx. Kijken in de ziel van het monster heet de bijdrage van Bernhard Hulsman in NRC Handelsblad. Deze uitdrukking komt uit Het Kapitaal, het ambitieuze onderzoek waarin Marx de ziel van het kapitalisme (het monster) probeert bloot te leggen. Hulsman stelt vast dat er sinds de kredietcrisis weer veel belangstelling is voor Marx‘ hoofdwerk. Zelf heeft hij het boek gelezen in de jaren zeventig en bij herlezing valt hem weer op hoe lastig Het Kapitaal eigenlijk te lezen is. Dat heeft vooral ook te maken met lange en gedetailleerde beschrijvingen van productieprocessen en arbeidsverhoudingen in het Victoriaanse Engeland. Marx leefde van 1848 tot aan zijn dood in 1883 in Londen en zat dus met zijn neus bovenop het negentiende eeuwse kapitalisme. Engeland was het machtigste land ter wereld, maar tegelijkertijd was de “Verelendung” van het proletariaat hier het grootst. Hulsman geeft een korte samenvatting van Marx‘ diagnose van het kapitalisme en de, volgens hem, onvermijdelijke overgang naar het socialisme. In de laatste alinea’s stelt hij de vraag waarom Marx‘ voorspelling tenslotte niet is uitgekomen. Dat komt met name doordat Marx niet genoeg oog heeft gehad (maar waarschijnlijk ook nog geen oog kon hebben) voor de levensvatbaarheid van ‘het monster’ van het kapitalisme. Het bleef zichzelf telkens vernieuwen en ‘de truc van meerwaardevorming’ herhalen. Het kapitalisme zorgde niet voor zijn eigen einde, zoals Marx voorzag, maar voor zijn eigen voortbestaan. Volgens Hulsman ligt de actualiteit van Het Kapitaal vooral in het feit dat Marx heeft aangetoond dat economie niet de harde wetenschap is die hij voorstond. In wezen is economie een sociale wetenschap die vergeleken met de natuurwetenschappen niet of nauwelijks tot voorspellingen in staat is.

Karl Marx
Marx had een reusachtige impact op de geschiedenis van de twintigste eeuw

Trouw laat in de weekendbijlage Letter & Geest de vertaler en filosoof Hans Driessen aan het woord. Driessen redigeerde en actualiseerde de vertaling van Isaac Lipschits uit 1967. Waarom zouden we Het Kapitaal bijna 150 jaar na verschijnen nog lezen? vraagt hij zich af. Marx heeft als profeet van de socialistische heilstaat aan het begin van de eenentwintigste eeuw voorgoed afgedaan. Hij noemt twee redenen waarom Het Kapitaal nog steeds de moeite waard is. De eerste is inhoudelijk: Ook al is het kapitalisme tegenwoordig oneindig complexer dan 150 jaar geleden, bepaalde grondbeginselen die Marx stelde, staan nog steeds als een paal boven water. Koloniale uitbuiting bestaat nog altijd alleen heten koloniën nu “Derde Wereld". En sinds de neo-liberale golf na 1989, de kredietcrisis en de bonussen voor topmanagers is wat Marx de “geeuwhonger naar meerwaarde” noemde, actueler dan ooit. Een tweede reden om Het Kapitaal te lezen, is een eshetische. Driessen noemt Marx een fenomenaal schrijver, een groot stilist en een geduldig didacticus. Ook is hij volgens hem een meester in het citeren en een groot polemist.

Er is nauwelijks een boek te noemen dat een groter stempel heeft gedrukt op de wereldgeschiedenis van de afgelopen bijna anderhalve eeuw, dan Het Kapitaal van Karl Marx. Bij Uitgeverij Boom is op 1 mei 2010 een geheel herziene editie verschenen van dit belangrijke werk. Hans Driessen (vertaler van onder meer Peter Sloterdijk) redigeerde en actualiseerde de vertaling van Isaac Lipschits uit 1967. Het resultaat is een boek dat nog altijd van een verbluffende actualiteit is. De belangstelling voor het leven en werk van Karl Marx is wereldwijd opnieuw enorm, niet in de laatste plaats door de diepe economische krisis. Deze nieuwe uitgave van Het kapitaal is voorzien van een uitgebreid register van namen en trefwoorden.
 
Bron: uitgeverijboom.nl
Het communisme schaft echter de eeuwige waarheden af, het schaft de religie af, de moraal, in plaats van ze een nieuwe vorm te geven; het weerspreekt dus alle tot dusver gekende historische ontwikkelingen.

uit: Het Communistisch Manifest

Ludwig FeuerbachZelf zal ik Het Kapitaal niet gaan lezen. Ik heb Marx altijd terzijde geschoven vanwege zijn materialisme. Zijn uitspraak dat godsdienst opium voor het volk is, was hem door Ludwig Feuerbach ingegeven, die in zijn geschrift “Über das ‘Wesen des Christentums’ in Beziehung auf den ‘Einzigen und sein Eigentum’ ” (1841) de religie psychologisch verklaard had als een wensdroom om de ontoereikendheid van het menselijk bestaan te compenseren. Ook bij Marx verschraalde het mens- en wereldbeeld in puur materialisme. Het geestelijke inzicht dat de mens niet van brood alleen leeft, werd verworpen. Zo schreef Feuerbach dat het er niet meer om gaat dat we in het brood het Lichaam van de Heer genieten, maar dat we brood voor ons eigen lichaam hebben. Marx schreef in zijn stellingen over Feuerbach in 1848 dat filosofen altijd op verschillende manieren de wereld hebben geïnterpreteerd, maar dat het er nu op aan komt de wereld te veranderen. Met deze elfde en laatste stelling gaf Marx in feite al het startschot voor de wereldrevolutie die 69 jaar later in Rusland zou losbarsten. De gevolgen van het marxisme in de twintigste eeuw zijn verschrikkelijk genoeg geweest om mij van Marx‘ materialistische heilsleer af te keren.

de terugkeer van het kapitaal

woensdag 28 april 2010
gids voor de verdoolden
gids voor de verdoolden (1977) van E.F. Schuhmacher

gids voor de verdooldenToen E.F. Schuhmacher in 1968 in Sint Petersburg was, dat toen nog Leningrad heette, zag hij verschillende kerkgebouwen om zich heen, terwijl er op de kaart geen kerkgebouwen stonden aangegeven, behalve kerken die als museum waren ingericht, zoals de Izaakijevskije Sobor die in 1930 was omgedoopt in het Soviet Museum of Scientific Atheism. “Levende kerken laten we op onze kaarten niet zien", verklaarde de gids.

Veertig jaar later is de situatie in Rusland volkomen veranderd. Toen ik in 2005 een bezoek aan Sint Petersburg bracht waren er alleen al in het begin van de Nevski Prospect een handvol kerken dagelijks geopend die eveneens keurig op de kaart vermeld stonden. Niet alleen in Rusland is religie in het openbare leven teruggekeerd. Ook in Nederland is religie weer terug van weggeweest en wordt er in het publieke debat zelfs weer over God gesproken. Maar toen E.F. Schuhmacher aan het eind van zijn leven gids voor de verdoolden schreef, leek religie iets voor het museum geworden. Religie mag als thema misschien weer terug zijn in de samenleving, God lijkt nog even ver weg als 33 jaar geleden toen gids voor de verdoolden verscheen.

isaac kathedraal
De Izaakijevskije Sobor is op de kaart van Sint Petersburg niet meer over het hoofd te zien
Wie alles zonder meer gelooft, loopt het risico zich te vergissen. Toch, als ik alleen maar dingen wil weten die ik boven alle twijfel verheven acht, loop ik wel zo min mogelijk gevaar me te vergissen, maar het het gevaar dat misschien het fijnst, belangrijkste en kostbaarste van het leven mij ontgaat, wordt daarmee des te groter. Thomas van Aquino heeft, in navolging van Aristoteles, gezegd dat ‘de vaagste kennis die van het hoogste te verwerven is, te verkiezen is boven de meest stellige kennis die over het lagere is vergaard.”
 
uit: gids der verdoolden, Ambo, Baarn, 1977
isaac kathedraal en pantheon
De Izaakijevskije Sobor in Sint Petersburg en het Pantheon in Parijs. De Isaac kathedraal is nu weer de zetel van het patriarchaat van Sint-Petersburg waar de Liturgie weer gevierd kan worden. Het Pantheon in Parijs is nog altijd een museum, waar naast de Slinger van Foucault ook de kille geest van de Verlichting hangt.

Ernst Friedrich SchumacherErnst Friedrich “Fritz” Schumacher (1911-1977) was een invloedrijk economisch denker met een statistische achtergrond. Schumacher verliet vóór de Tweede Wereldoorlog al zijn geboorteland Duitsland, onder meer voor studies in Oxford (waarvoor hij een Rhodesbeurs kreeg) en aan Columbia University in New York. Na de oorlog werkte hij van 1950 tot 1970 als adviseur voor de Britse National Coal Board. Hij voorzag dat de energievoorziening van het land niet enkel op steenkool kon blijven draaien, maar tegelijk beschouwde hij aardolie evenzeer als niet onuitputtelijk. Bovendien waarschuwde hij dat de olievoorraden zich bevonden in ’s werelds meest onstabiele landen. Als economisch raadgever bezocht bij meerdere derde-wereldlanden en steunde die in hun streven naar meer zelfvoorziening (self-reliance). Hij is gekend voor zijn kritiek op de Westerse economieën en zijn voorstellen voor op mensenmaat aangepaste en gedecentraliseerde technologieën. Volgens de Times Literary Supplement hoort zijn boek Small Is Beautiful (1973), (de schoonheid van het kleine), in het Nederlands uitgebracht onder de titel Hou het klein, bij de honderd meest invloedrijke boeken van na de Tweede Wereldoorlog. Schumacher’s ontwikkelingstheorieën kunnen samengevat worden met de termen intermediate size en intermediate technology. In tegenstelling tot veel klassieke economen was hij op zoek naar een alternatieve economie. In die geest schreef hij zelfs een essay over boeddhistische economie. Hij schreef over economie in The Times, The Economist en Resurgence. (Bron: nl.wikipedia.org)

schumacher.org.uk

vrijdag 23 april 2010
flatus vocis
de historische fundering van de Institutionele Theorie
gelezen in Niet alles is kunst een essay van Lennaart Allan

niet alles is kunst(wat vooraf ging) In zijn essay een pleidooi voor een herwaardering van de representatietheorie in de bundel Niet alles is kunst laat Lennaart Allan zien dat de Institutionele Theorie aandelen van het nominalisme in zich draagt. In de geschiedenis van de filosofie kennen we het nominalisme uit de scholastiek, de middeleeuwse wijsbegeerte. Deze werd voortgestuwd door de zogenaamde universaliastrijd. In deze strijd ging het om de vraag of de essenties of Ideeën een werkelijk bestaan hebben of dat ze slechts als abstracties bestaan, als namen dus. De eerste nominalist, Roscellinus (ca. 1050 - ca. 1120) leerde bijvoorbeeld (volgens Anselmus van Canterbury) dat de universalia niets anders waren dan flatus vocis, een “ademtocht van de stem". Voor het nominalisme hadden de essenties dus geen eigen werkelijkheid, terwijl het realisme (we zouden het tegenwoordig beter idealisme kunnen noemen) meende dat de essenties werkelijk bestonden in een transcendent Ideeënrijk.

Het nominalisme botste in de Middeleeuwen met de christelijke leer. Nominalisten liepen steeds het risico van ketterij beschuldigd te worden, vooral als zij zich uitspraken over de dogma’s van de Kerk. In de eerste helft van de veertiende bouwde William van Occam (ca. 1300 - ca. 1349) het nominalisme verder uit. Ook hij werd van ketterij beschuldigd en in 1328 werd hij geëxcommuniceerd en vogelvrij verklaard. We kennen deze nominalist vooral van ‘het scheermes van Occam‘. Dit ’scheermes’ is de uitspraak: Entia non sunt praeter necessitatem multiplicanda, d.w.z. dat men de zijnden (gepostuleerde objecten binnen een hypothese) niet zonder noodzaak moet verveelvoudigen. Deze methode doet denken aan de zogenaamde ‘fenomenologische reductie‘, die ruim vijf eeuwen later door Edmund Husserl werd geformuleerd. In de fenomenologie streeft men naar een terugkeer naar de dingen (verschijnselen) zélf, zonder deze te vermeerderen met abstracties.

nominalisme of anti-essentialisme
Een halve eeuw geleden werd een serie boeken geïllustreerde wereldgeschiedenis nog onder de titel de pelgrimstocht der mensheid uitgegeven. Tegenwoordig zou een dergelijke titel ondenkbaar zijn. Er bestaat voor de postmoderne mens geen pelgrimstocht, hoogstens een zwerftocht, aangezien het post-modernisme het hogere doel heeft afgeschaft. Ook heeft ‘het scheermes van Occam‘ het woord ‘mensheid’ bijna uit ons vocabulaire weggeschoren. Dat we een woord als ‘mensheid’ niet zo gauw meer gebruiken, heeft te maken met de dominantie van het nominalisme of anti-essentialisme. Deze leer houdt in dat de dingen geen essentie hebben, maar samenvallen met wat ze zijn. Het gevolg van deze opvatting is dat de ideeënleer van Plato en alle metafysica die zich hieruit ontwikkeld heeft (en bovendien alle religie!) simpelweg wordt opgedoekt. Andy WarholWat overblijft, zijn de dingen zelf. Warhol’s Brillo Boxes markeren volgens Arthur Danto een eindpunt in de kunstgeschiedenis. Vanuit filosofisch oogpunt zijn ze het einde van de metafysica. Kunst die eigenlijk hoort bij Nietzsche’s laatste mens. De pop-art van Andy Warhol is anti-humanistisch. Zijn uitspraak “I want to be a machine” is misschien ironisch maar legt tegelijkertijd een griezelig verlangen naar ontmenselijking bloot, om een ding onder de dingen te zijn.

Nu terug naar het essay van Lennaart Allan. In verband met de Institutionele Theorie gaat hij vooral in op het hedendaagse nominalisme. Hij stelt hierbij vast dat het huidige nominalisme een anti-humanisme is, omdat deze veronderstelt dat de menselijke natuur niet bestaat. Vervolgens gaat hij op zoek naar de oorsprong en oorzaak van het nominalisme in onze tijd. De geest van het nominalisme heeft zich in het postmodernisme radicaal uitgewerkt. Het postmodernisme schaft namelijk de hoogste Idee af en stelt dat de waarheid niet bestaat. De invloed van Derrida’s uitspraak ‘Il n’y a pas de hors-texte’ (uit: L’écriture et la différance, 1967) is groot geweest. Eigenlijk is dit een radicalisering van de flatus vocis: elke uitspraak, dus ook de filosofische uitspraak, is een ‘ademtocht van de stem’ en verwijst weer naar een andere ‘ademtocht van de stem’, maar nooit naar een werkelijkheid buiten de taal. Het postmodernisme heeft zich dus opgesloten binnen de taal, in de flatus vocis en schaft de werkelijkheid daarbuiten af. Occam’s scheermes is bij Derrida een kettingzaag geworden. Niet alleen ‘de filosoof met de hamer’ wist van opruimen.

Gunther van Hagens
Gunther van Hagens X-lady, 2008
het menselijk lichaam als ready made
postmodernisme (of hedendaags nominalisme) houdt van deconstructie en is anti-humanistisch

Het is duidelijk dat het postmodernisme en de Institutionele Theorie wat met elkaar gemeen hebben. Beiden sluiten zich op in een cirkelredenering en oefenen vanuit deze positie macht uit. Voor het postmodernisme bestaat dé werkelijkheid niet en is alles interpretatie. Voor de Institutionele Theorie bestaan er geen criteria meer voor kunst, maar bepaalt de (Institutionele) Theorie tenslotte wat kunst is. Allan beschouwt het nominalisme terecht als een voorloper van het postmodernisme. Dichterbij in de geschiedenis ligt volgens hem het marxisme als tweede belangrijke bron van het postmoderne denken. Hij beschrijft zelfs het postmodernisme als marxisme-substituut. Daarover een volgende keer meer.

Damien Hirst
Damien Hirst For the love of God, 2008
postmodernisme (of hedendaags nominalisme) is ding-achtig en vaak cynisch

Niet alles is kunst
Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan
Uitgeverij Aspekt maart 2010, 310 pagina’s, ISBN 9789059118669

recensie over Niet alles is kunst door Stefan Beyst

donderdag 22 april 2010
toverstafje
De Institutionele Theorie
gelezen in Niet alles is kunst een essay van Lennaart Allan

niet alles is kunst( wat vooraf ging ) In zijn essay een pleidooi voor een herwaardering van de representatietheorie in de bundel Niet alles is kunst zoekt Lennaart Allan naar de oorsprong van de Institutionele Theorie. Deze kunsttheorie is ontstaan na de revolutie van de ready made, waardoor in de moderne kunst alles (en zelfs niets) tot kunst bevorderd kan worden. De Amerikaanse filosoof en kunstcriticus Arthur Danto (*1924) was de eerste die in zijn essay The Artworld (1964) tot een formulering van de Institutionele Theorie is gekomen. Tien jaar zou George Dickie (*1926) deze theorie in zijn boek Art and the Aesthetic: An Institutional Analysis nog verder verfijnen.

Wat houdt de Institutionele Theorie van Arthur Danto en George Dickie precies in? De kortste samenvatting van deze theorie is: Kunst berust op iets buiten het kunstwerk, namelijk theorie. De theorie is dus een cirkelredenering en daarom kan ook letterlijk alles of niets tot kunst worden bevorderd. Met de Institutionele Theorie kan de kunstwereld zijn mantra’s laten rondzingen. Zo zegt Anna Tilroe kunstcriticus van de Volkskrant: “Kunst is context". Haar collega Cornel Bierens van NRC Handelsblad is sarcastisch: “het is beeldende kunst omdat de beeldende kunstclub het zegt, zoals televisie televisie is omdat het televisietoestel het doorgeeft.”

Het essay The Artworld (1964) van Arthur Danto had veel invloed. Een bekende passage uit dat essay is Danto’s reflectie op de Brillo Boxes (1963) van Andy Warhol. Volgens Danto was dit de culminatie en het eindpunt van de geschiedenis, omdat de essentie van kunst hierin zou worden onthuld:

Brillo Boxes 1963Wat uiteindelijk het verschil maakt tussen een Brillo-doos en een kunstwerk dat bestaat uit een Brillo-doos, is een bepaalde kunsttheorie. Het is de theorie die de doos opneemt in de wereld van de kunst en hem beschermt tegen een terugval naar het object dat hij in werkelijkheid is (…) Zonder die theorie zal niemand hem als kunst zien, en om dat te kunnen inzien, moet men heel wat kunsttheorie beheersen plus een flink portie geschiedenis vande recente New Yorkse schilderkunst.
 
Bron: Arthur Danto in “The Artworld” (1964)

De Institutionele Theorie is dus eigenlijk het toverstafje waarmee alles tot kunst kan worden omgetoverd. De theorie is tegelijkertijd een zelfrechtvaardiging van veel hedendaagse kunst, waarvan je je kunt afvragen of het nog kunst is. De schrijvers van de essays in Niet alles is kunst stellen vast dat er door Institutionele Theorie grote verwarring is ontstaan over wat nu wél en wat nu géén kunst is, ook onder de ingewijden.

Kamagurka
© Kamagurka. uit: Harde Tijden, 1983

Juist omdat de Institutionele Theorie alles tot kunst kan maken, komt de kunst zélf in een crisis. Want welk onderscheid is er dan nog tussen kunst en niet-kunst? Om uit de verwarring te komen, moeten we terug naar de tijd dat de Institutionele Theorie nog niet bestond. Allan begint dan het spoor terug te volgen en komt eerst uit bij een voorloper van de Institutionele Theorie die door de Amerikaanse estheticus Morris Weitz werd geformuleerd. In zijn Philosophy of the Arts (1950) introduceerde hij het anti-essentialisme van Wittgenstein in de kunsttheorie. Het anti-essentialisme van Wittgenstein is historisch terug te voeren naar het nominalisme een stroming binnen de scholastiek, de middeleeuwse wijsbegeerte. Een volgende keer wil ik stil staan bij de filosofische fundering van de Institutionele Theorie, het nominalisme.

Niet alles is kunst
Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan
Uitgeverij Aspekt maart 2010, 310 pagina’s, ISBN 9789059118669

recensie over Niet alles is kunst door Stefan Beyst

woensdag 21 april 2010
de pelgrimstocht der mensheid
toegevoegd aan mijn verzameling geschiedenisboeken:
de pelgrimstocht der mensheid (1960)

Omdat ons beeld van de geschiedenis beperkt is, verzamel ik oude geschiedenis(school)boeken. Deze helpen mij de geschiedenis te bekijken vanuit de geschiedenis. Vandaag kocht ik de pelgrimstocht der mensheid die in 1937 voor het eerst verscheen en die in 1960 als vijf geïllustreerde deeltjes in de Phoenix pocketreeks nog een vijfde en laatste druk beleefde.

de pelgrimstocht der mensheid
de pelgrimstocht der mensheid
uitgeverij De Haan, 1937-1960

Een halve eeuw geleden was de titel eigenlijk al over de houdbaarheidsdatum heen, maar uitgeverij De Haan durfde het nog aan. De vijf deeltjes uit 1960 zien er even puntgaaf als ongelezen uit. Dat gaat nu allebei veranderen. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en heb alvast gekeken hoe het afloopt met de pelgrimstocht der mensheid. De allerlaatste bladzijde uit de laatste en herziene druk van het vijfde deel, waarin ook de Tweede Wereldoorlog is opgenomen, eindigt als volgt:

Blijft echter de grote vraag, die ieder mens zich geregeld stelt (althans stellen moet): maar… zijn wij wel op weg naar vrede, gaan wij wel, zij het met vallen en opstaan, omhoog of glijden wij integendeel steeds verder af naar een nieuwe catastrofe? Op deze vraag behoeft (gelukkig!) en kan (helaas!) de geschiedschrijver van het jongste verleden, van de eigen tijd dus, geen antwoord op geven. Welbewust laat hij daarom dit overzicht van ’s mensen tocht door twintig eeuwen in oktober 1960 eindigen met een vraagteken, maar ook… met een afbeelding van het gebouw der Verenigde Naties.
 
Prof. Dr. C.D.J.Brandt in De pelgrimstocht der mensheid
united nations headquarters
De pelgrimstocht der mensheid eindigt in 1960
bij het hoofdkwartier van de Verenigde Naties
dinsdag 20 april 2010
de humptydumptisering van de kunst
gelezen uit Niet alles is kunst een essay van Lennaart Allan:
een pleidooi voor de herwaardering van de representatietheorie

The Shock of the NewIn 1982 was op de Nederlandse televisie de documentaireserie The shock of the new te zien die ging over de aardverschuiving in de beeldende kunst aan het begin van de twintigste eeuw. Deze serie vormde voor mij een aanleiding om voor mijn eindexamen voor het vak geschiedenis een scriptie te schrijven over het ontstaan van de abstracte kunst. Bovendien zou ik na mijn eindexamen naar de kunstacademie gaan dus het leek mij een uitstekende voorbereiding. Als leidraad voor mijn werkstuk koos ik voor een uitspraak van Paul Klee: “Moderne kunst geeft niet het zichtbare weer, maar maakt zichtbaar.” Ik was ervan overtuigd dat moderne beeldende kunst visionair is en een groter bereik heeft dan traditionele kunst die niet verder komt dan reproduceren van het bekende, terwijl we in de moderne kunst geconfronteerd worden met het nieuwe. En honderd jaar geleden veroorzaakte dat een schok.

The Shock of the New van en met de Australische kunstcriticus Robert Hughes was eigenlijk een terugblik op het modernisme. In 1982 hoorde je het woord ‘postmodern’ nog nauwelijks. De Franse filosoof Jean-François Lyotard gaf het woord in La condition postmoderne (1979) een filosofische lading en in de loop van de jaren tachtig ging men steeds vaker de term postmodernisme gebruiken in het besef dat het modernisme ten einde was. De manifesten die in de eerste decennia van de vorige eeuw geschreven werden, zijn nu ouderwets. Als postmoderne eenentwintigste eeuwers kunnen we de utopische visie van het jonge modernisme niet meer delen, een enkele stokoude modernist onder ons daargelaten. Nu zijn het tijdsdocumenten geworden en vanuit postmodernistisch oogpunt zelfs gevaarlijk. Want ‘de Nieuwe Mensch’ en zijn ‘Nieuwe Kunst’ passen niet per toeval precies bij de totalitaire ideologieën die in de twintigste eeuw een apocalyps hebben voortgebracht. Wij, de erfgenamen van het modernisme zoeken nu in zekere zin onze veiligheid in het huis van het postmodernisme. Laten we het klein en bij onszelf houden en laten we vooral geen grote woorden meer gebruiken. Het modernisme is definitief door het postmodernisme ten grave gedragen.

Ruim een kwarteeuw later ben ik anders tegen het modernisme aan gaan kijken. Ik herkende mij in de visie van Robert Hughes die vijfentwintig jaar later in 2004 de documentaire The New Shock of the New maakte, waarin hij probeerde te volgen hoe de hedendaagse kunst zich na 1982 ontwikkeld had. Hij was daar niet optimistisch over. Grootstedelijke celebrity en het grote geld hadden volgens hem de hedendaagse kunst verziekt en de kunstwereld was gaan lijken op de schijnwereld van de showbizz. Dat was voor een deel de erfenis van Andy Warhol, maar had ook te maken met de gekte op de financiële markten die overgeslagen was op de kunstwereld. Kunstmakelaars, kunstbobo’s en hypes hadden de hedendaagse kunst steeds meer in hun greep gekregen, waarbij kunstenaars soms niet meer te onderscheiden waren van yuppies of beurshandelaren. Robert Hughes in gesprek met Jeff KoonsJeff Koons is daar het prototype van. Hughes kon weinig waardering voor zijn werk opbrengen, maar zocht Koons toch op omdat zijn werk exemplarisch is voor de kunst van de neoliberale jaren negentig. Hughes luisterde onbewogen naar Koons mantra’s die New Yorkse kunstmakelaars en galeriehouders zo graag reproduceren.

Bij het verschijnen van the new shock of the new in 2004 schreef Hughes:

Styles come and go, movements briefly coalesce (or fail to, more likely), but there has been one huge and dominant reality overshadowing Anglo-Euro-American art in the past 25 years, and The Shock of the New came out too early to take account of its full effects. This is the growing and tyrannous power of the market itself, which has its ups and downs but has so hugely distorted nearly everyone’s relationship with aesthetics. That’s why we decided to put Jeff Koons in the new programme: not because his work is beautiful or means anything much, but because it is such an extreme and self-satisfied manifestation of the sanctimony that attaches to big bucks. Koons really does think he’s Michelangelo and is not shy to say so. The significant thing is that there are collectors, especially in America, who believe it.
 
Bron: guardian.co.uk

Wanneer je dit nu leest, valt de parallel met de kredietcrisis onmiddellijk op. Het bedrog dat in de financiële wereld mogelijk is, is ook in de kunstwereld mogelijk. Hughes: “in art, it can. And since it can, as Bill Clinton remarkes in another context, it does.”


Robert Hughes: The Business of Art.
Damien Hirst is all hype

Tijdens zijn bezoek aan David Hockney zag je de kunstcriticus weer delen in de verwondering en de nieuwsgierigheid van de kunstenaar. Hughes had het duidelijk gehad met de mindgames die er in de hedendaagse en conceptuele kunst gespeeld worden en besloot zijn documentaire met de vraag waarover kunst hoort te gaan. Zijn antwoord was kort en duidelijk: beauty. Daarmee keerde hij terug naar de klassieke opvatting over kunst.

niet alles is kunstDe vooruitgangsidee dat alles, dus ook kunst, steeds beter, bewuster en universeler wordt en die door het modernisme werd uitgedragen, is uitgewerkt en lijkt in het postmodernisme zelfs geïmplodeerd. Postmodernisme is anti-utopisch en kent geen vooruitgang meer. Alles kan. Maar is dat wel zo? De klassieke drieslag het schone, het ware en het goede wordt door postmoderne ogen met wantrouwen bekeken. Omdat deze drieslag mij zo lief is, ben ik blij als de schijnbaar tolerante houding van het postmodernisme kritisch bekeken wordt. Vorige maand verscheen bij uitgeverij Aspekt de essaybundel Niet alles is kunst met daarin drie essays van Diederik Kraaijpoel, Willem L.Meijer en Lennaart Allan. Het essay van Lennaart Allan is voortgekomen uit het artikel we laten ons niet langer voor de gek houden , een essay van Lennaart Allan dat op 10 september 2005 in de weekendbijlage Letter & Geest van Trouw verscheen. Zijn betoog geeft een helder inzicht in een ontwikkeling in de twintigste eeuwse kunst die heeft geleid tot een vervreemding tussen kunst en samenleving en is tegelijkertijd te lezen als een pleidooi voor de herwaardering van de representatietheorie zoals hij zijn essay zelf noemt.

Allan probeert met zijn essay de wortels van de hedendaagse kunst(theorieën) te belichten vanuit een filosofisch, kunsthistorisch en kunsttheoretisch standpunt. Om de oorsprong van de hedendaagse kunst(theorieën) bloot te leggen, gaat Allan eerst bijna honderd jaar terug naar Duchamp en dan weer honderd jaar naar de Romantiek. Daarna volgt hij het spoor verder terug en belandt via de scholastiek bij de klassieke filosofen Aristoteles en Plato. Tenslotte eindigt hij bij de pre-socraten Parmenides en Heraclitos. Binnen het bestek van nog geen negentig pagina’s komt dus de westerse filosofie in volgelvlucht voorbij. In de filosofie komt het rijtje Kant, Fichte, Schelling, Hegel, Schopenhauer, Marx en Nietzsche aan bod en wat de kunstbeschouwing betreft, gaat hij in op de kunsttheorieën van Claude Henri de Saint-Simon, Gabriel-Désiré Laverdant, Charles Batteux, Arthur Danto, Morris Weitz en George Dickie. Ook verwijst hij naar hedendaagse denkers als Stephen Halliwell, Merlin Donald, Mark Lilla en Stefan Beyst.

Het essay begint met enkele voorbeelden van wat je naar analogie van sportverdwazing ook wel kunstverdwazing zou kunnen noemen. Een schoonmaakster die enkele volle asbakken en vuile bierglazen opruimt en daarna hoort dat het een kunstwerk (van Damien Hirst) is. Haar eerlijke reactie: “ik wist niet dat het kunst was.” Om aan te tonen dat er niet alleen onder schoonmakers maar ook onder museumdirecteuren en conservatoren zélf verwarring is over wat wél en wat géén kunst is, geeft hij nog een ander voorbeeld, waaruit blijkt dat men het in de kunstwereld soms ook niet meer precies weet. De verwarring is dus alom. We weten het gewoon niet meer goed. Allan stelt vast dat er iets niet klopt en opent zijn betoog met de vraag “hoe is dat zo gekomen?”

fountain van Marcel DuchampWaar komt de verwarring over wat kunst nu precies is eigenlijk vandaan? Daarvoor gaat Allan eerst terug naar Marcel Duchamp. Misschien is Duchamp wel de meest invloedrijke kunstenaar van de twintigste eeuw geweest. Wat de kwantummechanica voor de moderne natuurkunde is, dat is de ready made voor de moderne kunst. De ready made, de naam zegt het al, is een voorwerp dat reeds gemaakt is en wat tot kunst wordt bevorderd. Dat is mogelijk doordat we met elkaar afspreken dat het kunst is. Bij de navolgers van Duchamp, bijvoorbeeld bij Yves Klein, fluxus, neo-dada en pop-art kan een ready made zelfs (van) alles zijn. Of letterlijk niets. Zo staat op de achterflap van ‘niet alles is kunst’ het volgende te lezen over een project van kunstenares Saskia Korsten:

Op 27 november 2004 berichtte de NRC dat de Italiaanse kunstenaar Luis Listoni van de gemeente Zwolle de opdracht had gekregen om in een buitenwijk een kunstwerk te plaatsen. Er werd een tent neergezet. Na een paar maanden mochten de wijkbewoners naar binnen. Iedereen gefopt: er was niets te zien. Een stem op een bandje legde uit dat het kunstwerk bestond uit deze lege tent. Het ging om de kunst van het weglaten, ‘tot de essentie van het niets overblijft’. De grap kostte 138.000 euro.

Marcel Duchamp kon ik als achttienjarige wel waarderen om de kwajongensstreek waarmee hij de kunst op zijn kop had gezet. Samen met een schoolvriend die ook naar de kunstacademie zou gaan, hadden we ons niet aangesloten bij de punk (veel te mainstream vonden we) maar bij Dada. Begin jaren tachtig hing er een donkere wolk boven Nederland, in de vorm van jeugdwerkloosheid en kernbewapening. We herkenden ons in de ‘vrolijke’ reactie van de dadaïsten op de zelfvernietiging van de burgerlijke maatschappij tussen 1914 en 1918. Als de wereldleiders de boel belazerden, dan kon de jeugd hen een spiegel voorhouden. Dada was bewust anti-kunst omdat ze tegen het oude Europa was die de jeugd als kanonnenvoer naar het front liet marcheren. Dada was dus niet bedoeld als kunst maar werd als dadaïsme wel gecanoniseerd in de twintigste eeuwse kunstgeschiedenis.

Marcel Duchamp
de tandartsnota van Marcel Duchamp uit 1919 als kunstwerk

Marcel Duchamp speelde een grote rol als het gaat om de omkering anti-kunst in kunst. Hij was een uitstekend schaker en zijn (anti)kunst was dan ook een uitkomst van zijn strategisch denken. Met de introductie van de ready made hoefde een kunstenaar zelf niets meer te maken. Het enige wat nodig was, was de bevordering tot kunstwerk. Duchamp is de vader van de conceptuele kunst, van de nieuwe kleren van de keizer. Wat gebeurt er eigenlijk als je een voorwerp tot kunst bevordert en de ander accepteert dat? Allan noemt een bekende annekdote uit het leven van Duchamp. Deze werd gevraagd een werk in te zenden voor een tentoonstelling van zelfportretten. Hij stuurde een telegram naar de galeriehouder met de mededeling: “This is a portrait if I say this is a portrait”. De galeriehouder hing het telegram op de tentoonstelling tussen de ingezonden zelfportretten. Toen het op een betaling van het ingezondene aankwam, stuurde de organisator een telegram terug naar Duchamp met de boodschap “This is a cheque, if I say this is a cheque.” Duchamp werd dus met een voorspelbare tegenzet geconfronteerd, maar was evenwel niet meer van het bord te vegen. Hij had namelijk zelf de regels van het spel bepaald en de ander had met hem meegespeeld. Bij dit spel verwijst Allan naar Humpty Dumpty, het eivormige mannetje uit het boek Through the Looking Glass, het vervolg van Alice in Wonderland.

Humpty Dumpty
Humpty Dumpty uit Alice in Wonderland geïllustreerd door John Tenniel, 1871
“Als ik een woord gebruik", zegt Humpty Dunpty op een nogal boze toon, “dan betekent het precies wat ik kies dat het betekent - niets meer en niets minder.” “De vraag is", zei Alice, “of je woorden wel zulke verschillende dingen kunt laten betekenen.” “De vraag is", zei Humpty Dumpty “wie er de baas is - dat is alles.”
 
uit: Through the Looking Glass van Lewis Carroll

De ready made, waar Duchamp de geestelijk vader van is, bestaat bij gratie van de acceptatie door de kunstwereld. Anders gezegd: de kunstwereld geeft zich over aan de macht van de individuele kunstenaar die een voorwerp, alles of zelfs niets tot kunst heeft bevorderd. Achter de ready made gaat dus een machtsspel verborgen.

Merda d’artista uit 1961Zo kreeg de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni het in 1961 voor elkaar zijn eigen ingeblikte uitwerpselen te verkopen. Nu hebben bijna alle grote musea voor moderne kunst in de wereld een geel blikje poep van Manzoni in hun collectie. Poep als kunst. Het is duidelijk dat Duchamp’s ready made een revolutie in de kunst van de 20e eeuw heeft veroorzaakt. Daarom was er ook een nieuwe kunsttheoretische fundering nodig. Maar je zou ook kunnen zeggen, dat de moderne kunst die door de ready made op zijn kop gezet werd, gerechtvaardigd moest worden. Deze rechtvaardiging werd de Institutionele Theorie. Een volgende keer meer hierover…

Niet alles is kunst
Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan
Uitgeverij Aspekt maart 2010, 310 pagina’s, ISBN 9789059118669

recensie over Niet alles is kunst door Stefan Beyst

woensdag 14 april 2010
Amerikaanse Burgeroorlog [ 4 ]
gisteren gezien op DVD: Gettysburg (1993)
een eerbetoon aan de 58.000 dodelijke slachtoffers van Gettysburg

The Killer AngelsGettysburg is het Waterloo van de Verenigde Staten en keerde het tij voor Robert E. Lee. De eerste oorlogsjaren had deze briljante generaal van de geconfedereerden met zijn leger vooral overwinningen behaald op het leger van de Unie. Na Gettysburg zouden de kaarten anders op tafel komen te liggen. Michael Shaara schreef over deze bloedigste veldslag die ooit op Amerikaans grondgebied is uitgevochten, de roman The Killer Angels (Pulitzerprize 1974) waarop de film Gettysburg (1993) gebaseerd is. Zondag keek ik al naar God and Generals (2002) de verfilming (en prequel) van het gelijknamige eerste deel van Micheal Shaara’s zoon Jeffrey.

GettysburgGettysburg is een magistrale oorlogsfilm die zowel te bekijken is als een nauwkeurige reconstructie van de Slag bij Gettysburg als om de diepzinnige dialogen over leven of dood en over winnen of verliezen. De film doet een zeer gedetailleerd verslag van de strijd waarbij vele sleutelpersonages optreden en er geschakeld worden tussen evenzovele sleutelposities aan beide zijden van het front. Het is een knappe prestatie van regisseur Ronald F. Maxwell dat hij het verhaal heel precies vertelt en toch de vaart en de spanning erin weet te houden. De langdradigheid van de de prequel God and Generals heeft Gettysburg gelukkig helemaal niet. Het verslag begint op de avond van 30 juni en volgt de strijd die de volgende dag uitbreekt en de daaropvolgende dagen tot de avond van 3 juli wanneer Lee besluit om zich terug te trekken. Bij het schakelen tussen de posities aan het front worden telkens onderschriften gebruikt. Er worden zoveel personages opgevoerd dat je wel met al je aandacht bij de film moet blijven.

In het verhaal komen talloze namen voorbij en er zijn zeker tien belangrijke figuren: luitenant general James Longstreet (Tim Berenger), kolonel Joshua Chamberlain (Jeff Daniels), generaal Robert E. Lee (Martin Sheen), sergeant “Buster” Kilrain (Kevin Conway), luitenant Thomas Chamberlain (Thomas Howell), brigadier generaal John Buford (Sam Elliott), brigadier generaal Lewis A. “Lo” Armistead (Richard Jordan), majoor generaal Winfield Scott Hancock (Brian Mallon) en majoor generaal George Pickett (Stephen Lang), luitenant generaal Richard S. Ewell (Tim Scott) en majoor generaal Henry Heth (Warren Burton). Oorlog was 150 jaar geleden een mannenwereld en in Gettysburg zit dan ook geen enkele vrouwelijke rol. De enige vrouwen die je in de filmziet, zijn een paar Pennsylvanische vrouwen aan de kant van de weg die de colonne voorbijzien trekken en de enkele tekst die door een vrouw wordt uitgesproken luidt “Ik dacht dat de oorlog in Virginia was!”

Gettysburg focust vooral op de generaals aan beide zijden, uiterst gewetensvolle mannen die eigenlijk geen oorlog willen. Daardoor komt de verschrikking van de oorlog angstaanjagend dichtbij. Want beide partijen hebben toch besloten het conflict met geweld te beëindigen en hebben zich daardoor in een oorlog gestort waarvan ze aan het begin niet konden vermoeden wat dat betekende. Oorlog is een duivelse onderneming, een cultus van het kwaad waarbij de eer van goedwillende mannen gebruikt wordt om dood en verderf te zaaien. Als Gettysburg een boodschap heeft, is het deze: het zijn de goedwillenden die oorlog voeren, degenen die eigenlijk geen oorlog willen, maar die zich tot oorlog hebben laten verleiden.

sterfscene van generaal Reynolds
sterfscene van generaal Reynolds
deze wordt door de art director van Gettysburg in de vorm gegoten van een tableau vivant dat geïnspireerd is door het iconische tafereel van de dood van generaal Wolfe door Benjamin West
generaal Reynolds dood
de plaats waar generaal Reynolds dodelijk getroffen raakte vlak na de slag gefotografeerd door oorlogsfotograaf Matthew Brady en als gravure gepubliceerd in Harper’s Weekly

In werkelijkheid waren het natuurlijk niet alleen maar gewetensvolle mannen die meevochten. Dat de generaals aan beide zijden als killer angels worden voorgesteld, komt waarschijnlijk omdat de Amerikaanse Burgeroorlog een broedermoord is geweest. Ook daarom focust het verhaal in op de twee broers Joshua en Thomas Chamberlain en op de generaals Armistead en Hancock, twee oude vrienden die aan het front plotseling tegenover elkaar komen te staan. Elke oorlog is broedermoord, en bij een burgeroorlog is de hartverscheurendheid van deze broedermoord een blijvend trauma. “Zegt u generaal Hancock dat het mij spijt.” huilt de generaal Armistead tegen een van de noordelijken wanneer hij in de vijandelijke stellingen dodelijk gewond is geraakt. De broers Joshua en Thomas Chamberlain zijn op de avond na de slachting in shock. Ze kunnen niets meer zeggen, kijken elkaar met een lege blik aan en omhelzen elkaar. De slachting van Gettysburg was een broedermoord, een humanitaire ramp, zoals elke moord (laat staan een oorlog) een broedermoord en een humanitaire ramp is. Tijdens de slachtpartij bij Gettysburg (1-3 juli 1863) vielen 58.000 doden, bijna net zoveel als tijdens de hele oorlog in Vietnam (58.177 doden).

Joshua ChamberlainThe Killer Angels
Joshua Chamberlain tegen sergeant Buster Kilrain: Zeg ’s Buster, wat vind jij van negers?
Buster: Als u het ras bedoelt, ik weet het echt niet. Daar hoef je je niet voor te schamen. ‘t Gaat erom dat je een ras niet kunt veroordelen. Het is achterlijk om een groep als geheel te veroordelen. Je moet mensen op zich beoordelen.
Chamberlain
: Voor mij was het nooit een verschil.
Buster: Helemaal niet?
Chamberlain
: Ik ken niet veel bevrijde slaven, maar de paar die ik ken… als je hen in de ogen keek, zag je ‘n mens. Een goddelijke vonk zei mijn moeder dan. En daar gaat ‘t om, alle rassen zijn mensen. (stilte) Wat zit de mens mooi in elkaar. Volmaakt toegerust voor zijn taak. Zijn daden gelijken die van een engel.
Buster: Hij mag misschien wel een engel zijn, maar dan is hij wel een moordende engel. Kolonel, u bent een goed mens. Er is een groot verschil tussen ons, maar toch bewonder ik u. U bent een idealist, God zij geloofd. De waarheid is dat er geen goddelijke vonk bestaat. Er zijn veel mensen met evenveel waarde als een dode hond. Als je ze elkaar op ziet hangen, zoals in mijn oude land (Buster komt uit Ierland). Gelijkheid? Ik vecht ervoor om te bewijzen dat ik beter ben dan zij. Wanneer hebt u ooit die goddelijke vonk gezien, kolonel? Waar hebt u die prachtige gelijkheid waargenomen? Geen twee dingen op aarde zijn gelijk of hebben gelijke kansen. Veel mensen zijn slechter dan mij. Sommigen zijn beter. Maar ik geloof niet dat ras of land maar iets uitmaakt. Wat er toe doet is rechtvaardigheid. (stilte) En daarom ben ik hier. Ik wil beoordeeld worden op mijn eigen verdiensten, niet op die van mijn vader. Ik ben Kilrain en ik vervloek alle hoge heren. Er is maar één aristocratie. En die zit hier (wijst naar zijn hersens). En daarom moeten we deze oorlog winnen.
(uit: The Killer Angels)

Generals can do anything.
There’s nothing so much
like a god on earth
as a General on a battlefield.

Kolonel Joshua Chamberlain

gevechten om little round top
de strijd om little round top op 2 juli 1863 behoorde tot de bloedigste gevechten tijdens de Slag bij Gettysburg

John BufordJohn Buford: Wij vallen dapper aan. En we worden dapper afgeslacht. En na afloop slaan de hoge heren zich van trots op de borst omdat het zo’n dappere aanval was. Devin, ik ben al heel lang soldaat. En ik heb nog nooit zo duidelijk iets voor ogen gezien. Alsof ik die blauwe troepen echt zie tijdens die bloedige gebeurtenis. Hoe ze die helling opgaan naar de top. Alsof het al gebeurd is. Alsof het al een herinnering is. Het heeft een vreemde, oneigenlijke helderheid. Alsof morgen al gebeurd is en je er niets meer aan kunt doen. Het gevoel dat je soms hebt als je weet dat een aanval zal mislukken. Maar je kunt ‘m niet voorkomen. Je moet ‘m zelfs helpen mislukken.
(uit: The Killer Angels)

We will charge valiantly…
and be butchered valiantly!
And afterwards men in tall hats and gold watch fobs will thump their chest and say what a brave charge it was.

Generaal John Buford

little round top
herdenking op little round top bij Gettysburg

Robert E. LeeRobert E. Lee tegen generaal James Longstreet (voordat de strijd op de tweede dag begint): We vrezen onze dood niet. Maar eens is het moment daar. We zijn er niet klaar voor dat er zoveel doden vallen. We verwachten wel af en toe een lege stoel. Als saluut voor omgekomen kameraden. Maar deze oorlog gaat maar door en er vallen steeds meer doden. We verwachten dat er mensen omkomen. Maar niet dat we allemaal omkomen en daarin ligt het gevaar. Als u aanvalt moet u alles geven. Dit is een zee van bloed en ik wil dat er een eind aan komt. Dit moet het laatste gevecht worden.
(uit: The Killer Angels)

When you attack, you must hold nothing back. You must commit yourself totally.
We are adrift here in a sea of blood and I want it to end.
I want this to be the final battle.

Robert E. Lee

slagveld op Google Maps
het slagveld bij Gettysburg op Google maps in terreinweergave

James LongstreetRobert E. Lee tegen generaal James Longstreet (na de verschrikkelijke nederlaag op de avond van 3 juli 1863): Ze sterven niet voor ons (generaals). Niet voor ons. Dat is nog enigszins een opluchting. Als deze oorlog doorgaat… en hij zal doorgaan. Wat kunnen we anders doen dan doorgaan? Het is altijd dezelfde vraag. Wat kunnen we anders doen? Als zij vechten, moeten we met ze mee vechten. En maakt ‘t uit wie er wint? Was dat ooit écht de vraag? Zal de almachtige God die vraag stellen aan het einde? (uit: The Killer Angels)

Gettysburg [ imdb.com ] | Gettysburg [ en.wikipedia.org ]