» » boeken

zondag 5 september 2010
vergeetboek
vandaag lanceert Douwe Draaisma zijn Vergeetboek
vergeetboekDouwe Draaisma lanceert zondagmiddag 5 september de website www.vergeetboek.nl. Dat doet hij op de boekenbeurs Manuscripta, waar hij ’s ochtends ook live is te horen in het televisieprogramma van Wim Brands. De website biedt wekelijks nieuwe films die vooruitbeschouwen op de thema’s van zijn komende boek, dat op 2 november verschijnt, het Vergeetboek. In interviews vertellen Anna Enquist, Bernlef, Frank Meester, Nelleke Noordervliet, Nicolaas Matsier, Sana Valiulina, Bert Keizer, Wim Brands en Douwe Draaisma hierin over vergeten, hun eerste herinnering, hun jongste herinnering, en wie niet vergeten mag worden.
 
Het Vergeetboekje met de Lastige vragen van Douwe Draaisma, een voorpublicatie met het volledige uitzendprogramma, is vanaf deze week gratis via de boekhandel verkrijgbaar. Het dagblad Trouw volgt www.vergeetboek.nl vanaf vandaag wekelijks en organiseert samen met de Historische Uitgeverij een essaywedstrijd onder de titel: Wat ik het liefste vergeet.
 
Bron: groningergezinsbode.nl
vergeetboek
vergeetboek.nl
Heeft u wel eens een herinnering aan uzelf uit het geheugen van iemand anders willen verwijderen?

lastige vragen uit het vergeetboekje


Flipbook de Étienne Jules Marey ca. 1895

vergeetboek.nl | Manuscripta

donderdag 2 september 2010
vintage traveling
20th Century Travel: 100 Years of Globe-Trotting Ads
20th Century TravelA lush visual history of international wanderlust, this volume features 400-plus print advertisements from the Jim Heimann Collection, that illustrate the evolution of leisure travel — from domestic to global, exclusive to popular, exotic to standardized — and its crucial role in American culture.
 
With an introduction, decade-by-decade analysis, and an illustrated timeline, this book highlights the cultural and technological developments that transformed travel from a cushioned journey of the elite into a convenient leisure pastime for the general public. 20th Century Travel takes us on a grand tour of travel’s golden age.
 
Bron: taschen.com
poster
illustratie voor een toeristische advertentie

blader door dit boek

dinsdag 24 augustus 2010
Biedermeier-Middeleeuwen [ 2 ]
Moritz von Schwind (1804-1871)
en de fresco’s in Schloss Hohenschwangau

Von SchwindNa ons bezoek aan Schloss Hohenschwangau begin juli waren we vorige week weer even terug in Duitsland. Daar vond ik in een antiquariaat in Bückeburg een boek over Moritz von Schwind die van Maximilliaan II van Beieren de opdracht had gekregen voor zijn kasteel ontwerpen te maken voor fresco’s met middeleeuwse sagen. Op het internet kon ik weinig vinden over deze laat-romantische Oostenrijkse schilder. Maar in het voorwoord van het boek van Friedrich Haack uit 1897 (waarvan ik een derde druk uit 1924 kocht) vond ik een verwijzing naar een oeuvrecatalogus uit 1906. En deze kon ik voor een spotprijsje bestellen bij een ander antiquariaat in Duitsland. Nu heb ik eindelijk een goed overzicht van Von Schwind’s omvangrijke oeuvre. Schwind, Des Meisters Werke (herausgegeben von Otto Weigmann, Stuttgart/Leipzig, 1906) telt 1265 afbeeldingen van tekeningen, aquarellen, schilderijen en fresco’s. In het Duitse Keizerrijk stond Moritz von Schwind nog zeer hoog aangeschreven. Zijn oeuvrecatalogus verscheen als negende deel in de reeks Klassiker der Kunst nadat Raffael, Rembrandt, Titiaan, Dürer, Rubens, Velasquez en Michelangelo hem waren voorgegaan. Honderd jaar later moeten we vaststellen dat Von Schwind het modernisme niet heeft overleefd. Toch leeft hij voor mij voort in sprookjestuinen en brave fantasy art.

ontwerpen van Von Schwind
ontwerp voor fresco in Schloss Hohenschwangau (1834-1836) voor de kamer met de legende over Karel de Grote

Moritz von Schwind was dertig toen de koning van Beieren hem de opdracht gaf voor de fresco’s in zijn kasteel Hohenschwangau. Hij ontwierp in totaal vijf reeksen voor verschillende kamers: De Wilkinasage in de heldenzaal, de legende van de geboorte van Karel de Grote in de Berchtakamer, scenes uit het ridderleven in de schrijfkamer, Rinaldo en Armida in de slaapkamer en de Autharisage in de Autharikamer.

Hohenschwangau interieur
de Berchtakamer in Schloss Hohenschwangau met muurschilderingen naar een ontwerp van Von Schwind
Der zweite Zyklus behandelt die Legende von der Geburt Karls des Großen, die eine alte Sage in die Reißmühle im Würmtale verlegt. Auf diese lokalgeschichtliche Tradition weist das erste Bild: Bavaria reicht Germania den kleinen Karl, der von ihr mit Szepter und Krone geschmückt wird. Als Erzähler erscheint Aventinus in bischöflichem Gewand, ein kleiner historischer Irrtum, den man dem Romantiker nicht zu sehr verübeln darf. Die Sage vermeldet: Auf einem Jagdzug im Würmtal findet Pippin bei einem Müller die britannische Königstochter Berchta, an deren Stelle ihm der betrügerische Hofmeister die eigne Tochter als Gemahlin zugeführt hatte. Er erkennt sie und erhebt sie zu seiner Gattin. Nachdem an den Schuldigen das Strafgericht vollzogen, führt er Berchta, die inzwischen eines Knäbleins — Karl — genesen ist, im Triumph auf seine Burg Weihenstephan. Der Darstellung liegt eine Publikation des Freiherrn von Aretin, „Aelteste Sage über die Geburt und Jugend Karls des Großen", München 1803, zugrunde.
 
Bron: Schwind des Meisters Werke in 1265 Abbildungen, herausgegeben von Otto Weigmann, Stuttgart/Leipzig 1906
Von Schwind
Deze potloodtekening laat goed zien dat Von Schwind de apollinische vormgestrengheid van de meesters uit de Hoogrenaissance nastreefde

Hohenschangau [ castles.org ] | Moritz von Schwind [ de.wikipedia.org ]

donderdag 5 augustus 2010
de geest van de Middeleeuwen
de Boze Boodschap van Nosferatu, Phantom der Nacht (1979)

Schrijver Maarten ‘t Hart koos afgelopen zondagnacht na Zomergasten voor de film Nosferatu van Werner Herzog uit 1979. Deze film leunt zwaar op de klassieker Nosferatu, eine Symphonie des Grauens van Friedrich Wilhelm Murnau uit 1922. Een paar sterke scenes uit het origineel heeft Herzog zelfs letterlijk geciteerd. Het tijdsbeeld van de Biedermeier wordt in deze film mooi samengeweven met het gestyleerde beeld van de expressionistische film. Isabelle Adjani die de rol van Lucy speelt, lijkt wel een filmdiva uit 1915. Dat wordt nog eens versterkt door de sjabloonachtige weergave van emoties.

Nosferatu
Nosferatu met Isabelle Adjani als Lucy

Nosferatu van Werner Herzog en de gothic novel van Bram Stoker uit 1897 zijn verschillend, maar toch is de essentie van het vampierverhaal hetzelfde. Net als bij de versie van Francis Ford Coppola uit 1992 heeft het verhaal mij weer aan het denken gezet. Dracula is de afgelopen honderd jaar meer dan 200 keer verfilmd, waardoor het een cliché geworden is dat het publiek heeft afgestompt. Maar Herzog probeert weer tot de kern van het verhaal door te dringen en vertelt het op een trage, bijna meditatieve manier. De score van o.a. Popol Vuh versterkt de sfeerbeelden. Gemakkelijke schrikeffecten laat Herzog achterwege. Voor veel horrorliefhebbers mag deze film misschien saai zijn, maar hij kruipt wél onder de huid. Hoewel Dracula een modern verhaal (1897) is, is het gebaseerd op oude volksverhalen die voortkomen uit volks bijgeloof.

Sinds we met de Verlichting afscheid hebben genomen van ‘de Middeleeuwen’, hebben we de duistere en onzichtbare wereld van demonische wezens verbannen naar de periferie van onze belevingswereld: de schijnwereld van de gothic novel en de horrorfilm. In ‘de moderne tijd’ kunnen we nog moeilijk in het bestaan van demonen geloven, maar onze angst voor demonen is nog niet helemaal verdwenen. Dat maakt het mogelijk om in onszelf de grens van onze bestaanszekerheid op te zoeken en te huiveren. Het is eigenlijk vreemd dat je kunt genieten van rillingen over de rug. De griezelfilm roept op een veilige manier de sensatie van doodsangst op. Dat kan ook een gevoel van macht geven. Want we laten ons even helemaal onderdompelen in onze angst, terwijl we vooraf en achteraf weten dat het ‘maar een film’ is en dat we weer uit onze angst zullen komen. Behalve als we er IN zitten, wordt de film écht. Op dat moment ervaren we dat ‘de Middeleeuwen’ er nog steeds zijn. De waarschuwing “ga er niet heen, want het spookt er!” is in ‘de Middeleeuwen’ van levensbelang net als het radiobericht “er is een spookrijder op de A12 gesignaleerd” in ‘de moderne tijd’. Demonen op de buis zijn amusement wanneer we niet geloven in hun bestaan, terwijl er intussen angst en twijfel blijft, als een restant van ‘de Middeleeuwen’ in ons bewustzijn.

In ‘de Middeleeuwen’ wordt het bestaan van demonen die in allerlei gedaanten kunnen veranderen serieus genomen. De Middeleeuwse wereld is eigenlijk zo bedreigend dat je elk moment wel van angst zou kunnen sterven. Maar in ‘de Middeleeuwen’ ervaart de mens ook bescherming door het geloof. Het christelijk geloof leert de overwinning op de dood door het Kruis en door de Opstanding van Christus. Dit geloof is in Dracula nog terug te vinden: vampiers verdragen geen daglicht, kruis(teken) en hostie. Het overwinning dragende kruis, en daarmee ook het christelijk geloof, speelt in de vampierroman dus nog wel een rol. Maar het Dracula is er niet om ons bij het christelijk geloof te brengen, maar om ons te ‘amuseren’ met een Boze Boodschap. Het griezelverhaal wil onder de huid kruipen en ons de stuipen op het lijf jagen. Herzog gebruikt geen goedkope schrikeffecten, maar laat het kwaad langzaam neerdalen en steeds dieper op ons inwerken. Tenslotte laat hij het verhaal slecht aflopen. Eigenlijk is Nosferatu een negatief evangelie: het gaat niet om onze redding maar om onze verdoemenis in een hel waar we geen daglicht kunnen verdragen en waar we ’s nachts altijd moeten blijven leven. “Niet de dood is het ergste dat we vrezen moeten", zegt graaf Dracula tegen Jonathan Harker, “maar áltijd moeten blijven leven, dát is ondragelijk.” Graaf Dracula spreekt hier als de demon uit Die fröhliche Wissenschaft van Nietzsche :

„Das grösste Schwergewicht. – Wie, wenn dir eines Tages oder Nachts, ein Dämon in deine einsamste Einsamkeit nachschliche und dir sagte: „Dieses Leben, wie du es jetzt lebst und gelebt hast, wirst du noch einmal und noch unzählige Male leben müssen; und es wird nichts Neues daran sein, sondern jeder Schmerz und jede Lust und jeder Gedanke und Seufzer und alles unsäglich Kleine und Grosse deines Lebens muss dir wiederkommen, und Alles in der selben Reihe und Folge – und ebenso diese Spinne und dieses Mondlicht zwischen den Bäumen, und ebenso dieser Augenblick und ich selber. Die ewige Sanduhr des Daseins wird immer wieder umgedreht – und du mit ihr, Stäubchen vom Staube!“ – Würdest du dich nicht niederwerfen und mit den Zähnen knirschen und den Dämon verfluchen, der so redete?
 
Bron: Die fröhliche Wissenschaft, Viertes Buch, Aphorismus 341 (KSA 3, S. 571)
Time is an abyss… profound as a thousand nights… Centuries come and go… To be unable to grow old is terrible… Death is not the worst… Can you imagine enduring centuries, experiencing each day the same futilities…

Count Dracula

De Ewige Wiederkunft is overigens een oeroude gedachte en Nietzsche lijkt deze via Schopenhauer aan de Indische filosofie ontleend te hebben. Graaf Dracula spreekt over de kwelling van het eeuwige leven zonder verlossing.

Rad van Reïncarnatie
het boeddhistische Rad van Reïncarnatie wordt vastgehouden door een demon met vampiertanden

Dracula is een even populair als angstaanjagend verhaal, al dringt het angstaanjagende maar moeilijk tot je door zolang je de realiteit van de hel niet echt serieus neemt. Het geloof in een hiernamaals, opgesplitst in een hemel en een hel is in de loop van de 20e eeuw sterk afgenomen. Dood is dood. Punt uit. Het leven is gewoon genieten op aarde zolang je (nog) kunt. Net als die dansende mensen op de markt in Delft in Nosferatu. De stad is letterlijk voor driekwart uitgestorven en de laatste overlevenden die al ten dode opgeschreven zijn, volgen de wijsheid van de dwaas: “Probeer er, naar eigen goeddunken, maar het beste van te maken!” Er wordt nog ‘genoten’ van een galgenmaal tussen de ratten en daarna is de game over.

Dit beeld van de dansende pestlijders uit Nosferatu, is een griezelige metafoor van onze wereld. In plaats van een gebed om bescherming van de ziel, gaat het lichaam nog één keer helemaal los in genotzoekerij. De wanhoop en de doodsangst worden bedekt met wegkijken, jagen op genot en ‘amusement’.

Nosferatu Phantom der Nacht

woensdag 4 augustus 2010
de duivelskunstenaar
zondagmorgen gezien bij VPRO Boeken: Pieter Steinz over Faust
de duivelskunstenaarEen levenslange fascinatie voor Johannes Faust inspireerde NRC Boekenchef Pieter Steinz tot een tocht langs vijfhonderd jaar Faust in de kunsten. (…) De fascinatie van Steinz zelf vindt zijn oorsprong in zijn kindertijd. Tijdens een bezoek aan Slot Waardenburg, bij Zaltbommel, wordt bij bij jonge Steinz de kiem gelegd voor een levenslange liefde voor de Faust-legende. “Op Slot Waardenburg werd ik door een rondleider naar de ‘Faust-kamer’ gebracht, die toen nog niet open was voor publiek. Faust zou daar gezeten hebben, in een heel schilderachtig kamertje met maar één raam. Op een gegeven moment wees die man naar een vlek op de muur en vertelde dat dat het bloed van Faust was nadat de duivel hem was komen halen. Dat maakte zo’n ongelofelijke impact dat het me mijn hele leven bleef fascineren.”
 
Bron: boeken.vpro.nl
zaterdag 31 juli 2010
Kant aan de kant
gelezen in Romantiek. een Duitse affaire
Het romantische transcenderen, van Schlegel tot Nietzsche, gaat niet in de richting van de grote rust, maar is op avontuur uit. Hierbij past eerder het beeld van iemand die zee kiest voor een stormachtige reis. Waar de romantische nieuwsgierigheid toe leidde, laat zich goed illustreren in het contrast met Kant.
 
Kant
had in de Kritik der reinen Vernunft een poëtisch beeld gevonden voor de zelfbeperking van de rede, die door de romantici juist niet wordt geaccepteerd.
 
“Wij hebben thans", schrijft Kant, “het land van het zuivere verstand niet alleen doorkruist (…) maar ook opgemeten en elk ding dat daar voorkomt zijn plaats gewezen. Maar dit land is een eiland (…) omringd door een weidse stormachtige oceaan (…) waar menige mistbank en snel wegsmeltend ijs ons nieuwe landen voorliegt, en doordat dit de zeevarende op zijn ontdekkingsreis onophoudelijk met ijdele hoop misleidt, stort deze zich in het avontuur, wat hij nooit ofte nimmer kan laten en wat hij toch ook nooit ofte nimmer tot een goed einde kan brengen.”
 
Bron: Rüdiger Safranski, Romantiek. een Duitse affaire. Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2007 (blz 290-291) vertaling: Mark Wildschut
Kant en Nietzsche
Immanuel Kant (1724-1804) en
Friedrich Nietzsche (1844-1900)

RomantiekRomantik. Eine Deutsche Affäre
Die Romantik, neben dem Idealismus der Inbegriff des deutschen Geistes, ist in aufgeklärten Zeiten an den Rand gedrängt worden. Rüdiger Safranski holt sie für uns ins Zentrum zurück. Er beschreibt die Romantik als Epoche, ihre Zeitgenossen Tieck, Novalis, Fichte, Schelling, Schleiermacher oder Dorothea Veit, die für die Entfesselung des Genies stehen, für den Aufbruch ins Grenzenlose, für die Lust am Experiment. Und er erzählt die Geschichte des Romantischen, die bis heute fortlebt. Sie handelt von der Karriere des Imaginären und führt über Heine, Richard Wagner, Nietzsche und Thomas Mann bis zu den Erregungen des 20. Jahrhunderts - die Biographie einer Geisteshaltung. ( Bron: powells.com )

woensdag 28 juli 2010
Friedrich & co [ 11 ]
gelezen: Deutsche Malerei des 19. Jahrhunderts van Hans J. Neidhardt
herlezen: Classicisme en Romantiek in Duitsland van Alexander Rauch

Deutsche Malerei des 19. JahrhundertsEen maand geleden kocht ik in Augsburg een boek over de Duitse schilderkunst van de 19e eeuw, bij wijze van wiedergutmachung. Want in de canon van 19e eeuwse Duitse schilderkunst werd 25 jaar geleden tijdens mijn studie aan de kunstacademie alleen Caspar David Friedrich vermeld. Ik had de indruk dat Duitsland in de negentiende eeuw nauwelijks grote schilders heeft voortgebracht, in tegenstelling tot Frankrijk. Maar niets is minder waar. Op dit moment ben ik meer geboeid door de Duitse schilderkunst tussen 1770-1830 dan de Franse schilderkunst uit die periode. Tussen de Duitse en Franse kunst uit de zgn. Goethezeit bestaan fundamentele verschillen. Daarbij speelt de staatkundige situatie een belangrijke rol: Frankrijk was een eenheidsstaat en werd centraal vanuit Parijs geregeerd, terwijl Duitsland een conglomeraat van staatjes vormde waardoor provincialisme heel gewoon was. Maar dat betekende ook een grotere diversiteit. Het katholieke zuiden en het protestantse noorden in Duitsland bedienden zich bijvoorbeeld van heel andere uitdrukkingsvormen, terwijl de Franse kunst veel uniformer was. In Deutsche Malerei des 19. Jahrhunderts wordt de Duitse schilderkunst van de laat 18e en 19e eeuw behandeld. Schilders van Anton Graff (1736-1813) tot Max Lieberman (1847-1935) en stromingen van Classicisme en Romantiek tot Biedermeier en van realisme tot impressionisme. Achterin het boek zijn ruim tachtig korte biografieën van schilders opgenomen.

Romantiek en ClassicismeIn het boek Romantiek en Classicisme dat tien jaar geleden bij Uitgeverij Könemann verscheen, staat een uitgebreid en rijk geïllustreerd essay van Dr. Alexander Rauchschilderkunst van Europa tussen twee revoluties‘. Het gedeelte over de Duitse schilderkunst (blz. 420-480) is een prima aanvulling op het boek van Prof. Hans Joachim Neidhardt. Ik ontdekte een aardig verschil in de selectie van beide kunsthistorici. Beiden selecteren het bekende schilderij De waterval van Schmadribach van Joseph Anton Koch, de vader van het classicistische landschap in Duitsland. Maar Neidhardt kiest voor de versie uit 1811 terwijl Rauch voor een latere versie uit 1821-22 heeft gekozen. Bovendien vergelijkt Rauch deze met een ander bekend werk Der Watzmann uit 1824 van Ludwig Richter, een schilder van de jongere generatie. Terwijl Koch het ‘heroïsche landschap’ voor ogen had met dramatische rotspartijen, watervallen en wolkenpartijen, streefde Richter naar het romantische harmoniemodel dat kenmerkend is voor de Biedermeier.

Koch en Richter
Joseph Anton Koch De waterval van Schmadribach, 1821-22
en Ludwig Richter Der Watzman, 1824

De landschapsschilderijen van Joseph Anton Koch en Ludwig Richter zijn tegengesteld aan die van Casper David Friedrich. Laatstgenoemde had weinig op met Koch’s heroïsche visie op het landschap. Hij vond de schilderijen van Koch veel te druk. “Datgene wat ze in een cirkel van 100 graden in de natuur hebben gezien, persen ze op het doek samen in een gezichtshoek van 45 graden” bekritiseerde hij Koch en zijn volgelingen. Maar van Friedrich kun je eerder het omgekeerde zeggen. Hij hield juist van het kale en lege en der Monch am Meer toont dit in extremo. Dit is beslist geen gemoedelijke Biedermeier maar donkere Romantiek in zijn meest beklemmende vorm.

Monch am Meer
Caspar David Friedrich
Der Mönch am Meer, 1809-10

meer Friedrich & co | Deutsche Malerei des 19. Jahrhunderts

maandag 26 juli 2010
sprezzatura
Het roze van Tiepolo van Roberto Calasso en
Giambattista Tiepolo tra scherzo e capriccio in Udine tot 31 oktober

Tiepolo PinkIn het beoordelen van schilderijen wordt mijn blik vaak vertroebeld door mijn mateloze bewondering voor het virtuoze gebaar of voor de noeste arbeid. De blik blijft prettig steken aan de oppervlakte, in het handschrift en vooral ook bij het plezier van de meester die losjes zijn métier beheerst. Tijdens onze reis door Beieren en Italië viel mij dit weer eens op. Eerst in Würzburg waar ik mij vergaapte aan de fresco’s van Tiepolo en later in Venetië waar ik overdonderd werd door de Venetianen in de Gallerie dell’ Accademia: Bellini, Giorgione, Titiaan, Veronese, Tintoretto… Krachtpatsers in olieverf. Handige jongens natuurlijk ook. Hun soepele penseelvoering doet aan acrobatiek denken. Ik kijk er met ademloze bewondering naar.

De kracht van bravoure is tegelijkertijd ook een zwakte: verwacht van een krachtpatser geen poëtische verbeelding. Die tref je eerder aan in een onbeholpen portret van een derderangs schilder. Maar de Italianen verbazen, want bravoure en poëzie gaan bij hen gewoon samen. In het Italiaans is er een term voor het vermogen dat fabelachtige materiaalbeheersing paart aan ongedwongen natuurlijkheid en verbeeldingskracht: sprezzatura. Baldassare Castiglione, de Italiaanse humanist uit de 16e eeuw, introduceerde de term. Hij meende dat degene die de ware kunst beheerst, de indruk wekt dat het geen kunst is. Met sprezzatura wordt de inspanning verborgen achter het moeiteloze gebaar. Vergelijk het met de lachende acrobaat met vier mannen op zijn schouders. Critici willen sprezzatura daarom nog wel eens vergelijken met een circusact, een truc. Maar dat is juist niet wat Castiglione bedoelt. De gekunsteldheid, die hij in het maniërisme zag, beschouwde hij juist als een gevaar voor de kunstenaar en als een bedreiging van het leven in het kunstwerk. Met sprezzatura kan krampachtigheid vermeden worden of getransformeerd tot een soort nonchelante zelfbeheersing.

Tiepolo in Würzburg
Giambattista Tiepolo 1752
Fresco in de keizerzaal van de Würzburger Residenz

In Il Rosa Tiepolo van Roberto Calasso wordt de sprezzatura als een typisch Italiaanse eigenschap gezien. Bij Giambattista Tiepolo (1696-1770) knalt de sprezzatura van de muren en van de plafonds. Halverwege de achttiende eeuw was hij een halfgod maar na 1789 raakte ‘de laatste grote Venetiaan’ volledig uit de gratie. Zijn theatrale voorstellingen werden in de volgende stijlperioden, het classicisme en de romantiek met weerzin bekeken. “Wel vuurwerk, maar geen vuur", zo oordeelde men. Het negatieve oordeel over de rococo moeten we tegenwoordig vooral begrijpen vanuit de diepe afkeer van het Ancien Régime waarvan Tiepolo een lakei was geweest. De bekoorlijke hemel van Tiepolo was de hemel van het ancien régime. Opstijgen naar de hemel en neerdalen in zintuigelijk genot was voor de schatrijken in de achttiende eeuw blijkbaar één en dezelfde beweging. Niet voor niets lijken de wolken op matrassen waarin de luie lijven een laatste bestemming hebben gevonden. Daar is dus weinig visionairs aan. In de romantiek moest men niets meer hebben van de oppervlakkige schijnwerelden waarmee Tiepolo de plafonds van de paleizen had opengebroken. Zijn sprezzatura en gevoel voor de ‘bella figura’ werd met achterdocht bekeken. Als Tiepolo niet in 1770 was gestorven, dan had hij wellicht hetzelfde lot moeten dragen als Jean-Honoré Fragonard (1732-1806), die andere meester van het rococo. Deze stierf als een fossiel van het gewraakte ancien régime in grote armoede en totaal vergeten.

Tiepolo in Würzburg
detail van een fresco met Apollo op het plafond boven het trappenhuis van de Würzburger Residenz

Toch bestaat er naast de decoratieve en pastelkleurige Tiepolo nog een andere, duistere en visionaire Tiepolo. In Udine is tot 31 oktober de tentoonstelling Giambattista Tiepolo tra scherzo e capriccio te zien met zijn scherzi, een serie van 23 gravures die pas na zijn dood in 1770 in de openbaarheid kwamen. Deze prenten worden wel eens vergeleken met de Los desastres de la guerra van Goya, maar dat is toch niet helemaal terecht. Tiepolo’s gravures zijn lastiger te duiden dan Goya’s donkere symfonie. Bovendien was Tiepolo een lichtvoetige Venetiaan die de ellende van de Franse Revolutie nooit heeft meegemaakt. In Il Rosa Tiepolo doet Roberto Calasso een poging om tot die andere Tiepolo door te dringen. Het is een aardige voorbereiding op een bezoek aan de tentoonstelling in Udine.

Tiepolo Scherzi
een van de Scherzi die de duistere kant van Tiepolo laten zien en die op de tentoonstelling in Udine te zien is
Voor iemand die op zoek is naar een voorbeeld van die luchthartigheid, zal niemand overtuigender zijn dan Tiepolo, die zijn leven lang alles in het werk stelde om de subtiele eigenzinnigheid van wat hij schilderde zó doeltreffend door zijn koortsachtige werktempo te verdoezelen, dat hij kans zag zijn meest gewaagde en raadselachtige werk, de Scherzi, voor eenvoudig tijdverdrijf te laten doorgaan. Je zou bijna zeggen dat Tiepolo ernaar streefde nooit helemaal serieus te worden genomen. Hij legde nooit enige nadruk op zijn symbolen en betekenissen, met als resultaat dat die meestal over het hoofd werden gezien. Ook op zijn Scherzi, al zinderen minstens elf van de drieëntwintig tekeningen van een welhaast ondraaglijke spanning die voortkomt uit de daad van het kijken naar iets onbekends, terwijl over sommige andere een milde loomheid ligt, zoals de twee afbeeldingen van familiegroepjes die rust nemen, nu eens saters, dan weer mensen. Voor de Scherzi geldt geen dwingende volgorde (wat voor Goya’s Desastres de la guerra ooit wel het geval zal zijn), maar wel een fysiologische indeling, een wisseling van psychische gesteldheden waarbij geen enkel element de overhand krijgt. Zelfs als de betekenissen op zijn afbeeldingen zich steeds opdringeriger verdichtten, liet Tiepolo dat air van iemand die ‘moeiteloos en als het ware gedachteloos’ te werk gaat nooit varen. Dat ging hem zo goed af dat hij iedereen in de waan bracht dat hij niet door gedachten werd gekweld. Om die gedachten zelf zodoende tegen indringers te beschermen.
 
Bron: Roberto Calasso, Het roze van Tiepolo
Nederlandse vertaling: Els van der Pluijm en Uitgeverij Wereldbibliotheek bv

Tiepolo PinkTiepolo Pink
“Tiepolo: the last breath of happiness in Europe,” Calasso declares. The 18th century was a ­paradise of frivolity, which ­solemnly recognised the pursuit of happiness as the legitimate aim of human life. ­Tiepolo (1696-1770) illustrated that idyll in paintings that are frothily ­theatrical and warmly carnal. Even his angels have nubile bodies and secondary ­sexual characteristics. On a painted ceiling in Venice that is meant to be “strictly devotional", Calasso notices that one of these seraphic beings raises his arm to disclose a “soft down” of armpit hair, “not customary with angels". The clouds on which Tiepolo’s goddesses float, as Calasso nicely puts it, have the springy consistency of “congealed foam", like vast beds. Heaven is nothing more than a sublimation of earthly pleasures. All are welcome to the revels: in a weird multicultural reverie, Calasso suggests that Tiepolo’s ceilings represent “the sky of Europe – the only sky capable of embracing, with equal benevolence, all images, of gods and men, saints and nymphs, Olympus and Bethlehem". I’m not so sure: you were more likely to be invited to join in this aerial carnival if your skin was pink.
Bron: guardian.co.uk

Het roze van Tiepolo

maandag 19 juli 2010
De Grote Middag
vandaag in de zon gelezen: kleine filosofie van het bruinworden
het laatste essay in Filosofie van het landschap (1970) van Ton Lemaire
Kaunertal 4 juli 2010Zo is onze jaarlijkse tocht naar de zuidelijke zomer een rite in de nieuwe religie van de immanente wereld. Wij zijn inderdaad de aarde trouw, door in onze naaktheid het licht dat haar openbaart te trotseren, en daardoor bruin te worden. Bruin is de kleur van het lichaam dat de wereld vereert op haar grote middag. Het is op deze manier dat wij de worsteling van Nietzsche en Van Gogh om de absoluutheid van het bestaan en de transparantie van de wereld tijdens ons vakanties in praktijk brengen. Wij worden bruin van de wereld op haar hoogtepunt. En het is de kleur, die verraadt dat er - hoe zwak en pover ook - een soort mystieke vereniging heeft plaatsgevonden tussen de mens en zijn wereld.
 
Bron: Filosofie van het landschap, negende druk, blz 247.
En het is de kleur, die verraadt
dat er - hoe zwak en pover ook -
een soort mystieke vereniging heeft plaatsgevonden tussen de mens en zijn wereld

Filosofie van het landschap [ bol.com ]

woensdag 23 juni 2010
onverklaarbaar bewoond
zondag om 11.20 gekeken naar boeken op Nederland 1
Wim Brands in gesprek met Bert Keizer

Bert Keizer gelooft niet in bewustzijn zonder hersenen zoals Pim van Lommel. “Hersenen zonder bewustzijn kan wel, maar bewustzijn zonder hersenen is onzin", vindt hij. Zijn boek onverklaarbaar bewoond biedt niet de troost van een eindeloos bewustzijn maar zoekt juist naar een dieper inzicht in de relatie tussen onze hersenen en onszelf.

Onverklaarbaar bewoondEen mens zit op een andere manier vast aan zijn hersenen dan aan bijvoorbeeld zijn benen of zijn galblaas. Wie zijn galblaas kwijtraakt, blijft als mens geheel aan dek. Maar wie een deel van zijn hersenen moet prijsgeven vanwege een ongeluk, een tumor of een bloeding, kan eindigen met een ernstig verdraaide versie van zichzelf. Een beschadigd brein betekent een beschadigde ziel. Op zoek naar een dieper inzicht in de relatie tussen onze hersenen en onszelf, volgde arts en filosoof Bert Keizer gedurende enkele maanden een aantal hersenchirurgen en hun patiënten van zeer dichtbij. Patiënten beziet hij niet alleen als medische gevallen, maar in de eerste plaats als mensen, die te maken krijgen met onthutsende veranderingen. Hij schetst een levendig en uitermate realistisch beeld van hun lotgevallen, vol dialogen en filosofische terzijdes. Zijn collega’s bewondert hij om hun durf en vaardigheid, maar hij stelt ze ook kritische vragen over de gevolgen van hun ingrepen.
 
Onverklaarbaar bewoond is een even belangwekkend als onthutsend relaas in de kenmerkende Keizerstijl: nuchter en scherp, maar ook soepel, en met onnadrukkelijk mededogen.
 
Bron: boeken.vpro.nl

Bert Keizer fascineerde zich al langer voor de samenhang tussen hersenen en ziel, die even onlosmakelijk als onverklaarbaar met elkaar verbonden zijn: “Iemand zei eens dat het bewustzijn in ons lichaam zit zoals de stemming in een feest. Later hoorde ik iets vergelijkbaars over de benen van Sven Kramer, waar over gezegd werd dat daar een gouden medaille inzit. Dat geldt ook voor onze ziel: anatomisch is die in ons lichaam niet aanwezig. Maar hij zit er, onmiskenbaar.”

Wim Brands in gesprek met Bert Keizer [ boeken.vpro.nl ]

zaterdag 19 juni 2010
nunc stans
de nuchtere mystiek van Arthur Schopenhauer
gelezen: De woelige jaren van de filosofie van Rüdiger Safranski

Toen Immanuel Kant (1724 - 1804) zijn kritieken had geschreven, leunde hij tevreden achterover. De kentheorie was af. Het was volbracht. Honderd jaar later zou deze zelfvoldaanheid ook in de moderne fysica opduiken. Toen Max Planck (1858 - 1947) zijn vader liet weten dat hij graag natuurkunde wilde gaan studeren, reageerde deze met de opmerking dat zijn zoon beter iets anders kon gaan doen, want dat vak was immers voltooid! We weten inmiddels dat het in de filosofie en in de fysica anders is gelopen. Zoals Planck met zijn kwantummechanica de Newtoniaanse natuurkunde op zijn kop zette, zo zorgde de Duitse filosofie na Kant voor een omwenteling in de Descartiaanse filosofie. Vooral Arthur Schopenhauer (1788-1860) heeft aan deze Copernicaanse wending bijgedragen. Hij breekt definitief met de klassieke subject-object (mens-wereld) verhouding die sinds René Descartes (1596 - 1650) de westerse filosofie heeft gedomineerd.

Arthur Schopenhauer in 1815In 1813 was Schopenhauer 25 en had hij zijn grote ontdekking nog niet gedaan. Toch sprak hij al van ‘het betere bewustzijn’. Dat was een soort werktitel van wat in 1819 zijn hoofdwerk zou worden Die Welt als Wille und Vorstellung. In dit boek vestigt hij de aandacht op iets heel nieuws. Immanuel Kant had in zijn hoofdwerk Kritik der Reinen Vernunft (1781) een ‘blinde vlek’ geïsoleerd die hij het Ding an Sich noemde. Kant stelde vast dat het menselijk verstand de toegang was ontzegd tot het Ding an Sich, maar hij had dit ‘Redevormige gat’ nu wél in de wereld geholpen. Kant vond dat het geloof hier maar uitspraken over moest doen en meende dat hij voor de filosofie de klus geklaard had…

sphaerenblickNa het verschijnen van Kant’s kritieken in de jaren tachtig van de achttiende eeuw dook men vooral in Duitsland in het gat waarvan Kant met chirurgische precisie de contouren had vastgesteld. Fichte was de eerste en introduceerde het primaat van het ik, dat vóór alle kennis en al het gekende aanwezig is. Schelling noemde dit natuur en bij Hegel heette het Absolute Geest. Maar Schopenhauer ging nog verder. Als je steeds dieper in de materie doordringt en de wereld van het subatomaire binnentreedt, dan blijkt de klassieke mechanica van Newton niet meer te gelden. Zo dringt Schopenhauer ook door in de diepste diepte en bereikt zo een bewustzijn aan gene zijde van ruimte en tijd, waar de klassieke subject-object dualiteit zijn geldigheid heeft verloren. Voor hem is dát de wereld zoals deze ís, de wereld als wil. De kenbare wereld is voor hem de wereld als voorstelling. Dus bundelt hij zijn denkwerk onder de titel: de wereld als wil en voorstelling.

De mystici noemden deze ervaring nunc stans, het staande nu.
De intensiteit van dit heden is zonder begin en zonder einde
en het kan zelfs verdwijnen,
omdat wij eruit verdwijnen.
Schopenhauer noemt het een bewustzijn ‘aan gene zijde van ruimte en tijd’ - ook weer een paradoxale uitdrukking die ons door onze taal wordt opgedrongen. Wanneer ik op een bepaald ogenblik verzonken ben in opmerkzaamheid, dan is de scheiding van ik en wereld feitelijk plotseling opgeheven. Het maakt niet uit of ik zeg: ik ben buiten bij de voorwerpen of de voorwerpen zijn in mij, doorslaggevend is veeleer: ik ervaar mijn opmerkzaamheid niet meer als een functie van mijn belichaamd ik. Deze opmerkzaamheid is uit de coördinaten van ruimte en tijd, waarvan het snijpunt ons belichaamde ik is, gelicht: de ruimte, de tijd en zichzelf vergetend. De mystici noemden deze ervaring nunc stans, het staande nu. De intensiteit van dit heden is zonder begin en zonder einde en het kan zelfs verdwijnen, omdat wij eruit verdwijnen. De opmerkzaamheid houdt plotseling op wanneer ik naar mijn subject-zijn wordt teruggedreven; dan zijn alle scheidingen weer aanwezig; ik en de anderen, deze ruimte, deze tijd. Heeft mijn empirisch ik weer bezit van mij genomen, dan zal ik dit ‘ogenblik van opmerkzaamheid’ stevig verankeren in mijn individualiteit, mijn levenstijd, mijn plaats en daarom zal ik hebben verloren wat dit ogenblik het karakteristieke heeft gegeven: het nergens en nooit. Dit soort opmerkzaamheid moet zijn opgehouden wanneer ik haar bij een plaats en tijd kan indelen. Ik ben weer in de individuatie teruggezonken of, zo men wil, naar haar opgedoken. Ongetwijfeld is het ‘betere bewustzijn’ ook een soort extase, een kristallijnen extase van klaarheid en onbewogenheid, een euforie van het oog waarvoor dankzij alle aanschouwelijkheidsmogelijkheden de voorwerpen verdwijnen. Deze extase bevindt zich precies op de pool die tegenover die andere ligt, waarvoor vanouds de naam Dionysos staat: zich in de stroom der begeerten storten, door het lichaam meegesleept, een oplossen van het zelf in orgiastische zinnelijkheid. Hier wordt het lichaam niet verlaten, maar tot hemellichaam verhoogd. Hier verdwijnt ook een ik doordat het zich aan de niet ik-achtige machten van de drift prijsgeeft.
 
uit: Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie door Rudiger Safranski, blz. 192-193
En ik wil mij niet bewaren!
Ver van jullie drijft mij de wind,
Op de stroom daar wil ik varen,
Door de schittering zalig blind!

Vaar toch door! Ik wil niet vragen,
Waar de vaart eindigt!

Joseph von Eichendorff (1788 - 1856)

Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie

dinsdag 15 juni 2010
is dát kunst ?
a.s. zaterdag 19 juni om 14.00 rondetafel discussie Niet alles is kunst
Restaurant Vermeer Prins Hendrikkade 59-72, Amsterdam
niet alles is kunstGalerie Gijsbrecht Bol nodigt u met groot genoegen uit voor een rondetafel-discussie op 19 juni as. vanaf 14.00u. naar aanleiding van de publicatie van het boek Niet alles is kunst van D. Kraaijpoel, L. Meijer en L. Allan bij uitgeverij Aspekt. Het boek, dat voor het eerst in maart 2010 in de schappen lag en nu al in herdruk is genomen, pleit in drie essays voor de herwaardering van de mimesis-theorie, ook wel de representatietheorie genoemd. Deze theorie is vandaag de dag ondergesneeuwd door andere kunsttheorieën en wordt binnen de kunstwereld als criterium om kunst te waarderen vaak niet meer als waardevol gezien. De focus ligt met name op het kunsttheoretisch discours en kunst die daar in past. Kunst die het discours als het ware illustreert. Ze wordt door een elite van onder meer kunsthistorici, -critici, conservatoren en galeriehouders uitgekozen, terwijl het voor buitenstaanders met een beperkte of gebrekkige kennis van kunsttheorieën niet of nauwelijks begrijpelijk is.
Affen als Kunstrichter
Gabriel von Max
Affen als Kunstrichter, 1889
olieverf, 85 x 107 cm Neue Pinakothek, München
Door de eenzijdige nadruk op conceptuele, schokkerende, subversieve en/of non-figuratieve kunst in de ‘serieuze’ kunstwereld is bij het publiek een impressie ontstaan dat goede kunst onbegrijpelijk behoort te zijn. Men hanteert de verkeerde criteria om dergelijke kunstwerken te beoordelen (“Het zwarte vierkant van Malevich is zó mooi.”), is bang geworden te vertrouwen op hun eigen zintuigelijke ervaring (om te voorkomen dom over te komen) en vreest iets te waarderen op zijn esthetische kwaliteiten (“Figuratief of naar de natuur, dat is toch ouderwets?!”).
 
Lennaart Allan, mede-auteur van Niet alles is kunst gaat de discussie met u aan. Hij beargumenteert waarom de mimesis-theorie en kunstwerken, die daaraan schatplichtig zijn, vandaag de dag nog steeds waardevol en bruikbaar zijn. Deze theorie heeft volgens hem een bestaansrecht naast alle andere kunsttheorieën en hoort dan ook met respect behandeld te worden.
 
Het belooft een interessante – misschien wel verhitte – discussie te worden. Komt allen! Uw actieve deelname wordt zeer op prijs gesteld, ook als u het niet eens bent met Allans stelling.


galeriegijsbrechtbol.com
| meer over dit boek op deze blog

vrijdag 11 juni 2010
het uitverkoren groeps-IK
gelezen in Romantiek. Een Duitse Affaire van Rüdiger Safranski

Romantiek. Een Duitse AffaireHet spook van het nationalisme waart niet meer rond, maar zit nu met 24 zetels (1,5 miljoen kiezers) stevig in de volksvertegenwoordiging. De onderbuik van het volk heeft een duidelijke stem gekregen. Hoe gevaarlijk is dat? Wanneer we naar de geschiedenis van onze oosterburen kijken, gaan alle haren recht overeind staan.

Het begon ruim 200 jaar geleden allemaal zo mooi met het gedachtengoed van de filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762-1814). Hij vestigt alle aandacht op ons ‘ik’ en voor Fichte betekent dat in diepste zin een ongedeeld ‘ik’. Voordat de Franse Revolutie losbarstte, had vooral de adel ‘een ik’ (lees: individuele vrijheid), maar het gewone volk kwam daar niet of nauwelijks aan toe. Tijdens de Verlichting ontwaakte ‘het ik’ ook onder het gewone volk. Rüdiger Safranski beschrijft in zijn boek Romantiek. Een Duitse Affaire hoe er in het denken van Fichte geleidelijk een omslag plaats vond van het universalisme in het nationalisme. ‘Het ik’ van het Duitse volk werd in de eerste plaats ‘een Duits ik’. En dat ‘Duitse ik’ voelde zich uitverkoren de wereld geestelijk vóór te gaan…

De idee van culturele natie is bij Novalis en Schiller nog in de geest van een universalistische missie geformuleerd, de appreciatie van het eigene gaat nog niet gepaard met verachting voor het vreemde.

Rüdiger Safranski

Johann Gottlieb FichteNovalis gelooft net als Schiller dat het de ‘wereldgeest; is die de Duitsers heeft ‘uitverkoren’ voor de grote missie vrijheid en humaniteit in Europa te bevorderen, en geen van beiden had ooit kunnen bevroeden dat de traagheid waarmee de Duitse Natie tot stand kwam niet tot democratische culturele rijpheid zou leiden, maar dat er in plaats daarvan bijzondere vormen van hysterie en ressentiment uitgebroed zouden worden, dat de langzaam gegroeide cultuur en vorming niet sterk genoeg zouden zijn om de latere barbarij een halt toe te roepen, en dat deze cultuur zich zelfs als instrument voor barbaarse doeleinden zou laten gebruiken.
 
De idee van culturele natie is bij Novalis en Schiller nog in de geest van een universalistische missie geformuleerd, de appreciatie van het eigene gaat nog niet gepaard met verachting voor het vreemde.
 
Bij Fichte kun je echter gadeslaan hoe het universalisme geleidelijk omslaat in nationalisme. De Grundzüge des gegenwärtigen Zeitalters van 1805 zijn nog universalistisch; (…) Maar een jaar later, in de in Berlijn gehouden Reden an die Deutsche Nation van 1807/08, is het vaderland niet alleen het uiterlijke kader, maar het eigenlijke subject van de vrijheid. (…) Fichte spreekt over het volk als over één groot individu. De heuglijke eigenschappen van de enkeling - vrijheid, daadkracht, geest, cultuur - worden nu aan het volk toegeschreven (…)
 
uit: Romantiek. Een Duitse Affaire. Hoofdstuk I, blz. 21
Nederland heeft gewonnen!

Geert Wilders op 9 juni 2010

zaterdag 29 mei 2010
een onderpand van onze onsterfelijkheid
gelezen uit Franz Sternbalds Wanderungen (1798) van Ludwig Tieck

In navolging van Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795/96) schreef Ludwig Tieck de kunstenaarsroman Franz Sternbalds Wanderungen. Het verhaal gaat over de 22-jarige schilder Franz Sternbald die zijn leermeester Albrecht Dürer uit Nürnberg verlaat om op reis te gaan. Tijdens zijn omzwervingen ontmoet hij allerlei personen waaronder ook historische figuren als de Noord-Nederlandse schilder Lucas van Leyden. Aan het begin van zijn reis probeert een zakenman hem op andere gedachten te brengen. Kunstenaars zijn volgens hem arme stumperds en zouden beter een vak kunnen gaan leren. Franz Sternbald dient hem van repliek. In Tieck’s roman komt de romantische opvatting over kunst duidelijk naar voren: kunst is een onderpand van onze onsterfelijkheid en moet juist niet nuttig zijn!

Zo beschouw ik de kunst
als een onderpand
van onze onsterfelijkheid.

uit: Franz Sternbalds Wanderungen

Friedrich Overbeck
Portret van Franz Pforr door Friedrich Overbeck
Overbeck liet zich inspireren door de romantiek van Wackenroder en Tieck en keerde terug naar de tijd van Dürer, Raffael en Lucas van Leyden
“En wat drukt u uit met dat woord “nut"? Moet soms alles op eten, drinken, en je kleden neerkomen? Of dat ik een schip beter leer besturen en machines uitvind die het ons gemakkelijker maken, opnieuw alleen om beter te eten? Ik zeg het nog een keer, het waarlijk hoogstaande kan en mag geen nut hebben; dit nuttig-zijn staat haaks op de goddelijke natuur, en dat te eisen betekent de verhevenheid van haar adel beroven en het haar op de laag-bij-de-grondse niveau van de vulgaire behoeftes van de mensheid plaatsen. Want weliswaar heeft de mens veel nodig, maar hij moet de geest niet tot de knecht van zijn knecht, van het lichaam verlagen: hij moet als een goede heer des huizes zorg dragen dat alles goed verloopt, maar die zorg voor het onderhoud moet niet heel zijn leven uitmaken. Zo beschouw ik de kunst als een onderpand van onze onsterfelijkheid.”
 
uit: Franz Sternbalds Wanderungen, vertaling van Mark Wildschut
Aesthetic vision and German romanticism van Brad Prager


Franz Sternbalds Wanderungen [ de.wikipedia.org ]

woensdag 26 mei 2010
De Nazarener
gelezen: Herzensergiessungen Eines Kunstliebenden Klosterbruders
van Wilhelm Heinrich Wackenroder en Ludwig Tieck

Dit geschrift van Wilhelm Heinrich Wackenroder dat in 1796 door zijn vriend Ludwig Tieck bewerkt is en uitgegeven, inspireerde een groep Duitse schilders die men spottend de Nazarener noemde. Zij namen de helden van Wackenroder tot voorbeeld: Albrecht Dürer, Rafael, Perugino en Michelangelo. Johann Friedrich Overbeck en Franz Pforr vormden de kern van de Nazarener. Peter von Cornelius, Ferdinand Olivier, Wilhelm von Schadow en Julius Schnorr von Carolsfeld sloten zich bij hen aan.

Julius Schnorr von Carolsfeld
Klara Bianka von Quandt met luit, 1820
Herzensergießungen eines kunstliebenden Klosterbruders - ReclamIn der Einsamkeit eines klösterlichen Lebens, in der ich nur noch zuweilen dunkel an die entfernte Welt zurückdenke, sind nach und nach folgende Aufsätze entstanden. Ich liebte in meiner Jugend die Kunst ungemein, und diese Liebe hat mich, wie ein treuer Freund, bis in mein jetziges Alter begleitet: ohne daß ich es bemerkte, schrieb ich aus einem innern Drange meine Erinnerungen nieder, die du, geliebter Leser, mit einem nachsichtsvollen Auge betrachten mußt. Sie sind nicht im Ton der heutigen Welt abgefaßt, weil dieser Ton nicht in meiner Gewalt steht, und weil ich ihn auch, wenn ich ganz aufrichtig sprechen soll, nicht lieben kann.
 
Bron: inleiding uit Herzensergiessungen … [ zeno.org ]

Pre-Raphaelite Brotherhood
Niet alleen in Duitsland gingen schilders in de negentiende eeuw terug naar de schilderkunst van de Renaissance. Enkele decennia na de Nazarener ontstond in Engeland in 1848 de Pre-Raphaelite Brotherhood. Deze schilders keerden terug naar de schilderkunst van vóór Raffael. De groep werd opgericht door William Holman Hunt, John Everett Millais, Dante Gabriel Rossetti en zijn broer William Michael Rossetti.

Herzensergiessungen Eines Kunstliebenden Klosterbruders [ W&V ]

zaterdag 22 mei 2010
Duitse filosofie 1760-1860
Terry Pinkard Duitse filosofie 1760 -1860
Terry PinkardIn de tweede helft van de achttiende eeuw ging de Duitse filosofie de Europese overheersen. Hierdoor veranderde de manier waarop niet alleen Europeanen, maar mensen overal in de westerse wereld dachten over zichzelf, de natuur, de geschiedenis van de mensheid, religie, politiek en de structuur van de menselijke geest. In dit rijke en breed opgezette boek verweeft Terry Pinkard het verhaal van ‘Duitsland’ – dat in die tijd veranderde van een losse verzameling vorstendommen in een opkomende natie met een karakteristieke cultuur – met een analyse van de tendensen en complexiteit van het filosofische denken dat zich daar ontwikkelde. Hij onderzoekt de dominante invloed van Kant, met zijn revolutionaire nadruk op ‘zelfbeschikking’, en volgt die invloed via de ontwikkeling van de Romantiek en het idealisme naar de kritiek van postkantiaanse denkers zoals Schopenhauer en Kierkegaard. Dit boek zal bij veel lezers interesse wekken voor de geschiedenis van de filosofie, de culturele geschiedenis en de geschiedenis van ideeën.
 
Bron: uitgeverijatlas.nl
donderdag 20 mei 2010
Lessings Laocoon
Laocoön. Over de grenzen van schilderkunst en poëzie
vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Wessel Krul
LaocoönDe Duitse toneelschrijver en criticus Gotthold Ephraïm Lessing (1729-1781) is een van de aantrekkelijkste denkers uit de Verlichting en een sleutelfiguur in geschiedenis van de moderne kunst.Met zijn essay Laocoön (1766) is hij de eerste die het onderscheid tussen literatuur en beeldende kunst even eenvoudig als geniaal onder woorden brengt: beeldende kunst speelt zich af in ruimte, literatuur in tijd. Als uitgangspunt koos Lessing de beroemde beeldengroep in het Vaticaans Museum die de dood van de Trojaanse priester Laocoön verbeeldt. In de Aeneis van Vergilius schreeuwt Laocoön het uit, zodra hij het gif van de slangen in zijn lichaam voelt doordringen. In de beeldengroep lijkt de priester niet meer dan een zucht te slaken.
 
De dichter kan wat de beeldhouwer niet kan: een personage kan schreeuwen, doordat de lezer zich een aantal opeenvolgende gebaren voorstelt. Een beeld kan maar één moment uit de handeling weergeven. Als dit juist het ogenblik is waarop geschreeuwd wordt, staat het personage als het ware voor altijd bevroren met wijd open mond – een onvermijdelijk lelijk gezicht.
 
Bron: historischeuitgeverij.nl
dinsdag 18 mei 2010
niet alles is kunst
vanavond in De Avonden: Diederik Kraaijpoel en Lennaart Allan
over hun boek Niet alles is kunst
niet alles is kunstGijsbert van der Wal praat met Diederik Kraaijpoel en Lennaart Allan, die samen met Willem L. Meijer het boek ‘Niet alles is kunst‘ schreven: een helder boek over de hedendaagse verwarring omtrent het begrip kunst. De verwarring die ertoe leidt dat de schoonmakers van een museum per ongeluk een kunstwerk voor afval aanzien en weggooien. De verwarring die bij het publiek ontstaat als een kunstenaar maandenlang in een afgesloten tent in een Zwolse nieuwbouwwijk werkt aan een kunstwerk dat, als de tent is afgebroken, blijkt te bestaan uit ‘de essentie van het niets’. De verwarring, kortom, die maakt dat alles – zelfs niets – kunst kan zijn, zolang het maar met conceptueel gepraat of geschrijf wordt omgeven.
 
Bron: vpro.nl

de humptydumptisering van de kunst

maandag 17 mei 2010
odyssee van de geest
gisteren van Michaela gekregen: Romantiek. Een Duitse Affaire
van Rüdiger Safranski, vertaald door Mark Wildschut

Romantiek. Een Duitse AffaireAl twee jaar keek ik uit naar de Nederlandse vertaling van Safranski’s boek Romantik. Eine deutsche Affäre. Gisteren gaf Michaela mij deze cadeau en vandaag ben ik erin begonnen. Safranski begint zijn verhaal op 17 mei 1769, vandaag precies 241 jaar geleden. Dat is het moment waarop Johann Gottfried Herder (Safranski noemt hem de Duitse Rousseau) halsoverkop vanuit Riga de boot neemt naar Toulon. Door het ruimte sop te kiezen, ruilt Herder het vaste in voor het vloeibare, het zekere voor het onzekere. Deze sprong in het onbekende is typerend voor de geest van de Romantiek. Rüdiger Safranski heeft een indrukwekkende intellectuele reikwijdte en weet vanuit de Goethezeit genuanceerd lijnen naar onze tijd te trekken. Daarbij is hij een meesterlijk verteller. Filosofie en geschiedenis blijven bij hem wat ze eigenlijk zijn: het meeslepende avontuur van de geest.

De Romantiek was de poging ‘aan het banale een verheven betekenis, aan het gewone een geheimzinnig aanzien, aan het bekende de waardigheid van het onbekende, aan het eindige een schijn van oneindigheid te geven’.

Novalis

Herder in BückeburgOverigens verbleef Herder tussen 1771 en 1776 in Bückeburg, de residentie van het graafschap Schaumburg-Lippe. Michaela en ik bezochten vorige week dit fraaie stadje. Aan het beeld van Johann Gottfried Herder, dat herinnert aan de jaren 1771 tot 1776 toen hij hier predikant was, zijn we blijkbaar voorbijgelopen. De jaren in Bückeburg waren voor Herder zijn Sturm und Drang periode waarin Über den Ursprung der Sprache (1772) en Von Deutscher Art und Kunst (1773) ontstonden.

Herders levensfilosofie heeft de cultus rond het genie van de Sturm und Drang (en later van de Romantiek) geïnspireerd. Het genie gaat daar door voor iemand bij wie het leven vrij kan stromen en zijn scheppende kracht ten volle kan ontplooien. Er ontstond in die tijd een luidruchtige cultus rond het zogenaamde “krachtdadige genie": vaak opgeklopt en pretentieus, maar ook vol elan en zelfverzekerd. De geest van de Sturm und Drang wil voor het geniale, dat als betere aanleg eigenlijk in iedereen sluimert en er alleen op wacht eindelijk ter wereld te komen, de verloskundige zijn.
 
uit: Romantiek. Een Duitse Affaire. Hoofdstuk I, blz. 21

Romantiek. Een Duitse Affaire [ uitgeverijatlas.nl ]

zondag 16 mei 2010
geschiedenis van gisteren
Nederlandse en Duitse lesboeken geschiedenis van dertig jaar geleden

Mijn oude schoolboeken geschiedenis heb ik nooit weggegooid. In 1978/79 stond de periode 1850-1975 op het programma en als lesboek Geschiedenis in onderwerpen onder redactie van W.F.Kalkwiek. Dit lesboek is typisch voor de didactiek van de jaren zeventig toen de geschiedenis een thematische behandeling had gekregen. Mijn oudere broer had als voorbereiding op het eindexamen een ander lesboek in gebruik: Geschiedenis van gisteren met daarin geschiedenis van de twintigste eeuw. In dit boek is de chronologische benadering van de geschiedenis nog enigszins overeind gebleven.

geschiedenisboeken
geschiedenis in onderwerpen
en geschiedenis van gisteren beiden uit 1976

Het is aardig om door deze boeken te bladeren. Grote geschiedenis is eerder ingebed in kleine geschiedenis dan omgekeerd. Zo hebben de Entente Coridiale uit 1904 en de Triple Entente uit 1907 zich in mijn leven voor altijd verbonden met de schoolbanken van 1978. De meeste geschiedschrijving probeert het verleden objectief en van buitenaf te beschrijven, maar onze blik op de geschiedenis zal altijd subjectief en van binnenuit blijven. Lesboeken geschiedenis uit een andere tijd of uit een ander land laten dat duidelijk zien.

geschiedenisboeken
Ook Michaela heeft haar oude lesboeken geschiedenis nog bewaard. Die Reise in die Vergangenheit Band 3 en 4 dateren uit 1982.
Ze zijn in alle opzichten beter dan de Nederlandse lesboeken
Je hebt nu voor een groot deel deze school doorlopen. Vanaf dit moment komt geleidelijk aan de voorbereiding op het eindexamen. Je zult ook meer en meer moeten gaan bezinnen op wat je daarna gaat doen. Waar je ook terechtkomt, het staat vast dat je actiever gaat deelnemen aan het maatschappelijk gebeuren. Op die maatschappij ben je niet voldoende voorbereid als je je “papiertje” in de zak hebt. Men zal namelijk steeds verlangen dat je kritisch aan het maatschappelijk verkeer deelneemt. Dat betekent dat je zelf interpretaties kunt geven aan alles wat er om je heen gebeurt. (…) Hiervoor is het nodig te weten hoe onze maatschappij in elkaar zit en hoe het komt dat zij zo gegroeid is.
 
uit het voorwoord van geschiedenis van gisteren 1976
zondag 9 mei 2010
grote kleine man
gekocht in Bückeburg: monografie van Adolph von Menzel uit 1903

Adolph von Menzel postzegelGisteren waren Michaela en ik in Bückeburg aan de rand van het Wesergebirge en tegenwoordig op de grens van Niedersachsen en NordRhein-Westfalen. Van 1640 tot 1807 was Bückeburg de residentie van het graafschap Schaumburg-Lippe. Grootste bezienswaardigheid van dit stadje is Slot Bückeburg waar de nakomelingen van de vorstelijke familie tot op de dag van vandaag zijn blijven wonen. Bij het Slot bevindt zich ook een fantasierijke stadspoort met twee draken. Gisteren werd rond de stadspoort een middeleeuwse markt gehouden en we hadden het gevoel op een filmset rond te lopen. Michaela ontdekte naast de stadspoort een antiquariaat waar ik een fraaie monografie kocht van de schilder Adolph von Menzel.

Bückeburg
Michaela bij Slot Bückeburg

Adolph von Menzel monografie 1903Twee jaar geleden schreef ik al over een ander boek over Menzel, maar het bijzondere van deze uitgave is dat deze nog tijdens zijn leven verschenen is. Menzel moet deze monografie van H. Knackfuss haast wel gezien hebben, want deze is niet alleen voorzien van pentekeningen maar ook van fotoreproducties van schilderijen en dat was in 1903 nog bijzonder. De tekst is gezet in gotisch schrift waardoor deze wel wat lastiger te lezen is, maar alle bladzijden zijn geïllustreerd. Ik ben vooral blij met de vele pentekeningen in dit boek die Menzel tussen 1839 en 1842 tekende bij het leven van Frederik de Grote. In het andere boek zijn deze nauwelijks opgenomen, zodat dit boek een mooie aanvulling is.

Friedrich in Sanscouci
een van de vele pentekeningen van Menzel over Frederik de Grote (1839 - 1842)

Adolph von MenzelEen volledige oeuvrecatalogus van Adolph von Menzel is er naar mijn weten nog niet en zal er wellicht ook nooit komen. Menzel, de kabouter Plop onder de schilders bleef zijn hele leven ongetrouwd en van hem kun je bij wijze zeggen dat hij niet geleefd heeft, maar dat hij getekend heeft. Naast zijn schilderijen liet hij zesduizend tekeningen na en daarbij komen nog eens 77 schetsboeken. Na zijn dood in 1905 kreeg hij een staatsbegrafenis en liep keizer Wilhelm II achter zijn kist aan. Toch had Menzel niet de opdracht gekregen om de proclamatie van het Duitse Keizerrijk op 18 januari 1871 in Versailles te schilderen. Die ging naar Anton van Werner. Maar Menzel had wel de inhuldiging van diezelfde keizer Wilhelm I als koning Wilhelm I van Pruisen tien jaar eerder mogen vastleggen. In de monografie staat dit schilderij afgebeeld, samen met de schetsen van alle ministers die tijdens deze plechtigheid aanwezig waren.

de ministers van Staat
voorstudie bij de inhuldiging van koning Wilhelm I van Pruisen op 18 oktober 1861 in Königsberg
schetsen van Menzel
de bladen uit Menzel’s schetsboeken zijn een feest van de waarneming. Hij was een realist in hart en nieren en had oog voor de meest uiteenlopende onderwerpen.


Adolph von Menzel [ de.wikipedia.org ]
| adolph-von-menzel.de

maandag 3 mei 2010
het kapitaal
nieuwe herziene uitgave van Das Kapital van Karl Marx
Bernhard Hulsman en Hans Driessen over Het Kapitaal

Het KapitaalZowel NRC Handelsblad en Trouw besteedden dit weekend in hun boekenbijlagen aandacht aan de nieuwe Nederlandse uitgave van Het Kapitaal van Karl Marx. Kijken in de ziel van het monster heet de bijdrage van Bernhard Hulsman in NRC Handelsblad. Deze uitdrukking komt uit Het Kapitaal, het ambitieuze onderzoek waarin Marx de ziel van het kapitalisme (het monster) probeert bloot te leggen. Hulsman stelt vast dat er sinds de kredietcrisis weer veel belangstelling is voor Marx‘ hoofdwerk. Zelf heeft hij het boek gelezen in de jaren zeventig en bij herlezing valt hem weer op hoe lastig Het Kapitaal eigenlijk te lezen is. Dat heeft vooral ook te maken met lange en gedetailleerde beschrijvingen van productieprocessen en arbeidsverhoudingen in het Victoriaanse Engeland. Marx leefde van 1848 tot aan zijn dood in 1883 in Londen en zat dus met zijn neus bovenop het negentiende eeuwse kapitalisme. Engeland was het machtigste land ter wereld, maar tegelijkertijd was de “Verelendung” van het proletariaat hier het grootst. Hulsman geeft een korte samenvatting van Marx‘ diagnose van het kapitalisme en de, volgens hem, onvermijdelijke overgang naar het socialisme. In de laatste alinea’s stelt hij de vraag waarom Marx‘ voorspelling tenslotte niet is uitgekomen. Dat komt met name doordat Marx niet genoeg oog heeft gehad (maar waarschijnlijk ook nog geen oog kon hebben) voor de levensvatbaarheid van ‘het monster’ van het kapitalisme. Het bleef zichzelf telkens vernieuwen en ‘de truc van meerwaardevorming’ herhalen. Het kapitalisme zorgde niet voor zijn eigen einde, zoals Marx voorzag, maar voor zijn eigen voortbestaan. Volgens Hulsman ligt de actualiteit van Het Kapitaal vooral in het feit dat Marx heeft aangetoond dat economie niet de harde wetenschap is die hij voorstond. In wezen is economie een sociale wetenschap die vergeleken met de natuurwetenschappen niet of nauwelijks tot voorspellingen in staat is.

Karl Marx
Marx had een reusachtige impact op de geschiedenis van de twintigste eeuw

Trouw laat in de weekendbijlage Letter & Geest de vertaler en filosoof Hans Driessen aan het woord. Driessen redigeerde en actualiseerde de vertaling van Isaac Lipschits uit 1967. Waarom zouden we Het Kapitaal bijna 150 jaar na verschijnen nog lezen? vraagt hij zich af. Marx heeft als profeet van de socialistische heilstaat aan het begin van de eenentwintigste eeuw voorgoed afgedaan. Hij noemt twee redenen waarom Het Kapitaal nog steeds de moeite waard is. De eerste is inhoudelijk: Ook al is het kapitalisme tegenwoordig oneindig complexer dan 150 jaar geleden, bepaalde grondbeginselen die Marx stelde, staan nog steeds als een paal boven water. Koloniale uitbuiting bestaat nog altijd alleen heten koloniën nu “Derde Wereld". En sinds de neo-liberale golf na 1989, de kredietcrisis en de bonussen voor topmanagers is wat Marx de “geeuwhonger naar meerwaarde” noemde, actueler dan ooit. Een tweede reden om Het Kapitaal te lezen, is een eshetische. Driessen noemt Marx een fenomenaal schrijver, een groot stilist en een geduldig didacticus. Ook is hij volgens hem een meester in het citeren en een groot polemist.

Er is nauwelijks een boek te noemen dat een groter stempel heeft gedrukt op de wereldgeschiedenis van de afgelopen bijna anderhalve eeuw, dan Het Kapitaal van Karl Marx. Bij Uitgeverij Boom is op 1 mei 2010 een geheel herziene editie verschenen van dit belangrijke werk. Hans Driessen (vertaler van onder meer Peter Sloterdijk) redigeerde en actualiseerde de vertaling van Isaac Lipschits uit 1967. Het resultaat is een boek dat nog altijd van een verbluffende actualiteit is. De belangstelling voor het leven en werk van Karl Marx is wereldwijd opnieuw enorm, niet in de laatste plaats door de diepe economische krisis. Deze nieuwe uitgave van Het kapitaal is voorzien van een uitgebreid register van namen en trefwoorden.
 
Bron: uitgeverijboom.nl
Het communisme schaft echter de eeuwige waarheden af, het schaft de religie af, de moraal, in plaats van ze een nieuwe vorm te geven; het weerspreekt dus alle tot dusver gekende historische ontwikkelingen.

uit: Het Communistisch Manifest

Ludwig FeuerbachZelf zal ik Het Kapitaal niet gaan lezen. Ik heb Marx altijd terzijde geschoven vanwege zijn materialisme. Zijn uitspraak dat godsdienst opium voor het volk is, was hem door Ludwig Feuerbach ingegeven, die in zijn geschrift “Über das ‘Wesen des Christentums’ in Beziehung auf den ‘Einzigen und sein Eigentum’ ” (1841) de religie psychologisch verklaard had als een wensdroom om de ontoereikendheid van het menselijk bestaan te compenseren. Ook bij Marx verschraalde het mens- en wereldbeeld in puur materialisme. Het geestelijke inzicht dat de mens niet van brood alleen leeft, werd verworpen. Zo schreef Feuerbach dat het er niet meer om gaat dat we in het brood het Lichaam van de Heer genieten, maar dat we brood voor ons eigen lichaam hebben. Marx schreef in zijn stellingen over Feuerbach in 1848 dat filosofen altijd op verschillende manieren de wereld hebben geïnterpreteerd, maar dat het er nu op aan komt de wereld te veranderen. Met deze elfde en laatste stelling gaf Marx in feite al het startschot voor de wereldrevolutie die 69 jaar later in Rusland zou losbarsten. De gevolgen van het marxisme in de twintigste eeuw zijn verschrikkelijk genoeg geweest om mij van Marx‘ materialistische heilsleer af te keren.

de terugkeer van het kapitaal

woensdag 28 april 2010
gids voor de verdoolden
gids voor de verdoolden (1977) van E.F. Schuhmacher

gids voor de verdooldenToen E.F. Schuhmacher in 1968 in Sint Petersburg was, dat toen nog Leningrad heette, zag hij verschillende kerkgebouwen om zich heen, terwijl er op de kaart geen kerkgebouwen stonden aangegeven, behalve kerken die als museum waren ingericht, zoals de Izaakijevskije Sobor die in 1930 was omgedoopt in het Soviet Museum of Scientific Atheism. “Levende kerken laten we op onze kaarten niet zien", verklaarde de gids.

Veertig jaar later is de situatie in Rusland volkomen veranderd. Toen ik in 2005 een bezoek aan Sint Petersburg bracht waren er alleen al in het begin van de Nevski Prospect een handvol kerken dagelijks geopend die eveneens keurig op de kaart vermeld stonden. Niet alleen in Rusland is religie in het openbare leven teruggekeerd. Ook in Nederland is religie weer terug van weggeweest en wordt er in het publieke debat zelfs weer over God gesproken. Maar toen E.F. Schuhmacher aan het eind van zijn leven gids voor de verdoolden schreef, leek religie iets voor het museum geworden. Religie mag als thema misschien weer terug zijn in de samenleving, God lijkt nog even ver weg als 33 jaar geleden toen gids voor de verdoolden verscheen.

isaac kathedraal
De Izaakijevskije Sobor is op de kaart van Sint Petersburg niet meer over het hoofd te zien
Wie alles zonder meer gelooft, loopt het risico zich te vergissen. Toch, als ik alleen maar dingen wil weten die ik boven alle twijfel verheven acht, loop ik wel zo min mogelijk gevaar me te vergissen, maar het het gevaar dat misschien het fijnst, belangrijkste en kostbaarste van het leven mij ontgaat, wordt daarmee des te groter. Thomas van Aquino heeft, in navolging van Aristoteles, gezegd dat ‘de vaagste kennis die van het hoogste te verwerven is, te verkiezen is boven de meest stellige kennis die over het lagere is vergaard.”
 
uit: gids der verdoolden, Ambo, Baarn, 1977
isaac kathedraal en pantheon
De Izaakijevskije Sobor in Sint Petersburg en het Pantheon in Parijs. De Isaac kathedraal is nu weer de zetel van het patriarchaat van Sint-Petersburg waar de Liturgie weer gevierd kan worden. Het Pantheon in Parijs is nog altijd een museum, waar naast de Slinger van Foucault ook de kille geest van de Verlichting hangt.

Ernst Friedrich SchumacherErnst Friedrich “Fritz” Schumacher (1911-1977) was een invloedrijk economisch denker met een statistische achtergrond. Schumacher verliet vóór de Tweede Wereldoorlog al zijn geboorteland Duitsland, onder meer voor studies in Oxford (waarvoor hij een Rhodesbeurs kreeg) en aan Columbia University in New York. Na de oorlog werkte hij van 1950 tot 1970 als adviseur voor de Britse National Coal Board. Hij voorzag dat de energievoorziening van het land niet enkel op steenkool kon blijven draaien, maar tegelijk beschouwde hij aardolie evenzeer als niet onuitputtelijk. Bovendien waarschuwde hij dat de olievoorraden zich bevonden in ’s werelds meest onstabiele landen. Als economisch raadgever bezocht bij meerdere derde-wereldlanden en steunde die in hun streven naar meer zelfvoorziening (self-reliance). Hij is gekend voor zijn kritiek op de Westerse economieën en zijn voorstellen voor op mensenmaat aangepaste en gedecentraliseerde technologieën. Volgens de Times Literary Supplement hoort zijn boek Small Is Beautiful (1973), (de schoonheid van het kleine), in het Nederlands uitgebracht onder de titel Hou het klein, bij de honderd meest invloedrijke boeken van na de Tweede Wereldoorlog. Schumacher’s ontwikkelingstheorieën kunnen samengevat worden met de termen intermediate size en intermediate technology. In tegenstelling tot veel klassieke economen was hij op zoek naar een alternatieve economie. In die geest schreef hij zelfs een essay over boeddhistische economie. Hij schreef over economie in The Times, The Economist en Resurgence. (Bron: nl.wikipedia.org)

schumacher.org.uk

vrijdag 23 april 2010
flatus vocis
de historische fundering van de Institutionele Theorie
gelezen in Niet alles is kunst een essay van Lennaart Allan

niet alles is kunst(wat vooraf ging) In zijn essay een pleidooi voor een herwaardering van de representatietheorie in de bundel Niet alles is kunst laat Lennaart Allan zien dat de Institutionele Theorie aandelen van het nominalisme in zich draagt. In de geschiedenis van de filosofie kennen we het nominalisme uit de scholastiek, de middeleeuwse wijsbegeerte. Deze werd voortgestuwd door de zogenaamde universaliastrijd. In deze strijd ging het om de vraag of de essenties of Ideeën een werkelijk bestaan hebben of dat ze slechts als abstracties bestaan, als namen dus. De eerste nominalist, Roscellinus (ca. 1050 - ca. 1120) leerde bijvoorbeeld (volgens Anselmus van Canterbury) dat de universalia niets anders waren dan flatus vocis, een “ademtocht van de stem". Voor het nominalisme hadden de essenties dus geen eigen werkelijkheid, terwijl het realisme (we zouden het tegenwoordig beter idealisme kunnen noemen) meende dat de essenties werkelijk bestonden in een transcendent Ideeënrijk.

Het nominalisme botste in de Middeleeuwen met de christelijke leer. Nominalisten liepen steeds het risico van ketterij beschuldigd te worden, vooral als zij zich uitspraken over de dogma’s van de Kerk. In de eerste helft van de veertiende bouwde William van Occam (ca. 1300 - ca. 1349) het nominalisme verder uit. Ook hij werd van ketterij beschuldigd en in 1328 werd hij geëxcommuniceerd en vogelvrij verklaard. We kennen deze nominalist vooral van ‘het scheermes van Occam‘. Dit ’scheermes’ is de uitspraak: Entia non sunt praeter necessitatem multiplicanda, d.w.z. dat men de zijnden (gepostuleerde objecten binnen een hypothese) niet zonder noodzaak moet verveelvoudigen. Deze methode doet denken aan de zogenaamde ‘fenomenologische reductie‘, die ruim vijf eeuwen later door Edmund Husserl werd geformuleerd. In de fenomenologie streeft men naar een terugkeer naar de dingen (verschijnselen) zélf, zonder deze te vermeerderen met abstracties.

nominalisme of anti-essentialisme
Een halve eeuw geleden werd een serie boeken geïllustreerde wereldgeschiedenis nog onder de titel de pelgrimstocht der mensheid uitgegeven. Tegenwoordig zou een dergelijke titel ondenkbaar zijn. Er bestaat voor de postmoderne mens geen pelgrimstocht, hoogstens een zwerftocht, aangezien het post-modernisme het hogere doel heeft afgeschaft. Ook heeft ‘het scheermes van Occam‘ het woord ‘mensheid’ bijna uit ons vocabulaire weggeschoren. Dat we een woord als ‘mensheid’ niet zo gauw meer gebruiken, heeft te maken met de dominantie van het nominalisme of anti-essentialisme. Deze leer houdt in dat de dingen geen essentie hebben, maar samenvallen met wat ze zijn. Het gevolg van deze opvatting is dat de ideeënleer van Plato en alle metafysica die zich hieruit ontwikkeld heeft (en bovendien alle religie!) simpelweg wordt opgedoekt. Andy WarholWat overblijft, zijn de dingen zelf. Warhol’s Brillo Boxes markeren volgens Arthur Danto een eindpunt in de kunstgeschiedenis. Vanuit filosofisch oogpunt zijn ze het einde van de metafysica. Kunst die eigenlijk hoort bij Nietzsche’s laatste mens. De pop-art van Andy Warhol is anti-humanistisch. Zijn uitspraak “I want to be a machine” is misschien ironisch maar legt tegelijkertijd een griezelig verlangen naar ontmenselijking bloot, om een ding onder de dingen te zijn.

Nu terug naar het essay van Lennaart Allan. In verband met de Institutionele Theorie gaat hij vooral in op het hedendaagse nominalisme. Hij stelt hierbij vast dat het huidige nominalisme een anti-humanisme is, omdat deze veronderstelt dat de menselijke natuur niet bestaat. Vervolgens gaat hij op zoek naar de oorsprong en oorzaak van het nominalisme in onze tijd. De geest van het nominalisme heeft zich in het postmodernisme radicaal uitgewerkt. Het postmodernisme schaft namelijk de hoogste Idee af en stelt dat de waarheid niet bestaat. De invloed van Derrida’s uitspraak ‘Il n’y a pas de hors-texte’ (uit: L’écriture et la différance, 1967) is groot geweest. Eigenlijk is dit een radicalisering van de flatus vocis: elke uitspraak, dus ook de filosofische uitspraak, is een ‘ademtocht van de stem’ en verwijst weer naar een andere ‘ademtocht van de stem’, maar nooit naar een werkelijkheid buiten de taal. Het postmodernisme heeft zich dus opgesloten binnen de taal, in de flatus vocis en schaft de werkelijkheid daarbuiten af. Occam’s scheermes is bij Derrida een kettingzaag geworden. Niet alleen ‘de filosoof met de hamer’ wist van opruimen.

Gunther van Hagens
Gunther van Hagens X-lady, 2008
het menselijk lichaam als ready made
postmodernisme (of hedendaags nominalisme) houdt van deconstructie en is anti-humanistisch

Het is duidelijk dat het postmodernisme en de Institutionele Theorie wat met elkaar gemeen hebben. Beiden sluiten zich op in een cirkelredenering en oefenen vanuit deze positie macht uit. Voor het postmodernisme bestaat dé werkelijkheid niet en is alles interpretatie. Voor de Institutionele Theorie bestaan er geen criteria meer voor kunst, maar bepaalt de (Institutionele) Theorie tenslotte wat kunst is. Allan beschouwt het nominalisme terecht als een voorloper van het postmodernisme. Dichterbij in de geschiedenis ligt volgens hem het marxisme als tweede belangrijke bron van het postmoderne denken. Hij beschrijft zelfs het postmodernisme als marxisme-substituut. Daarover een volgende keer meer.

Damien Hirst
Damien Hirst For the love of God, 2008
postmodernisme (of hedendaags nominalisme) is ding-achtig en vaak cynisch

Niet alles is kunst
Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan
Uitgeverij Aspekt maart 2010, 310 pagina’s, ISBN 9789059118669

recensie over Niet alles is kunst door Stefan Beyst

donderdag 22 april 2010
toverstafje
De Institutionele Theorie
gelezen in Niet alles is kunst een essay van Lennaart Allan

niet alles is kunst( wat vooraf ging ) In zijn essay een pleidooi voor een herwaardering van de representatietheorie in de bundel Niet alles is kunst zoekt Lennaart Allan naar de oorsprong van de Institutionele Theorie. Deze kunsttheorie is ontstaan na de revolutie van de ready made, waardoor in de moderne kunst alles (en zelfs niets) tot kunst bevorderd kan worden. De Amerikaanse filosoof en kunstcriticus Arthur Danto (*1924) was de eerste die in zijn essay The Artworld (1964) tot een formulering van de Institutionele Theorie is gekomen. Tien jaar zou George Dickie (*1926) deze theorie in zijn boek Art and the Aesthetic: An Institutional Analysis nog verder verfijnen.

Wat houdt de Institutionele Theorie van Arthur Danto en George Dickie precies in? De kortste samenvatting van deze theorie is: Kunst berust op iets buiten het kunstwerk, namelijk theorie. De theorie is dus een cirkelredenering en daarom kan ook letterlijk alles of niets tot kunst worden bevorderd. Met de Institutionele Theorie kan de kunstwereld zijn mantra’s laten rondzingen. Zo zegt Anna Tilroe kunstcriticus van de Volkskrant: “Kunst is context". Haar collega Cornel Bierens van NRC Handelsblad is sarcastisch: “het is beeldende kunst omdat de beeldende kunstclub het zegt, zoals televisie televisie is omdat het televisietoestel het doorgeeft.”

Het essay The Artworld (1964) van Arthur Danto had veel invloed. Een bekende passage uit dat essay is Danto’s reflectie op de Brillo Boxes (1963) van Andy Warhol. Volgens Danto was dit de culminatie en het eindpunt van de geschiedenis, omdat de essentie van kunst hierin zou worden onthuld:

Brillo Boxes 1963Wat uiteindelijk het verschil maakt tussen een Brillo-doos en een kunstwerk dat bestaat uit een Brillo-doos, is een bepaalde kunsttheorie. Het is de theorie die de doos opneemt in de wereld van de kunst en hem beschermt tegen een terugval naar het object dat hij in werkelijkheid is (…) Zonder die theorie zal niemand hem als kunst zien, en om dat te kunnen inzien, moet men heel wat kunsttheorie beheersen plus een flink portie geschiedenis vande recente New Yorkse schilderkunst.
 
Bron: Arthur Danto in “The Artworld” (1964)

De Institutionele Theorie is dus eigenlijk het toverstafje waarmee alles tot kunst kan worden omgetoverd. De theorie is tegelijkertijd een zelfrechtvaardiging van veel hedendaagse kunst, waarvan je je kunt afvragen of het nog kunst is. De schrijvers van de essays in Niet alles is kunst stellen vast dat er door Institutionele Theorie grote verwarring is ontstaan over wat nu wél en wat nu géén kunst is, ook onder de ingewijden.

Kamagurka
© Kamagurka. uit: Harde Tijden, 1983

Juist omdat de Institutionele Theorie alles tot kunst kan maken, komt de kunst zélf in een crisis. Want welk onderscheid is er dan nog tussen kunst en niet-kunst? Om uit de verwarring te komen, moeten we terug naar de tijd dat de Institutionele Theorie nog niet bestond. Allan begint dan het spoor terug te volgen en komt eerst uit bij een voorloper van de Institutionele Theorie die door de Amerikaanse estheticus Morris Weitz werd geformuleerd. In zijn Philosophy of the Arts (1950) introduceerde hij het anti-essentialisme van Wittgenstein in de kunsttheorie. Het anti-essentialisme van Wittgenstein is historisch terug te voeren naar het nominalisme een stroming binnen de scholastiek, de middeleeuwse wijsbegeerte. Een volgende keer wil ik stil staan bij de filosofische fundering van de Institutionele Theorie, het nominalisme.

Niet alles is kunst
Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan
Uitgeverij Aspekt maart 2010, 310 pagina’s, ISBN 9789059118669

recensie over Niet alles is kunst door Stefan Beyst

woensdag 21 april 2010
de pelgrimstocht der mensheid
toegevoegd aan mijn verzameling geschiedenisboeken:
de pelgrimstocht der mensheid (1960)

Omdat ons beeld van de geschiedenis beperkt is, verzamel ik oude geschiedenis(school)boeken. Deze helpen mij de geschiedenis te bekijken vanuit de geschiedenis. Vandaag kocht ik de pelgrimstocht der mensheid die in 1937 voor het eerst verscheen en die in 1960 als vijf geïllustreerde deeltjes in de Phoenix pocketreeks nog een vijfde en laatste druk beleefde.

de pelgrimstocht der mensheid
de pelgrimstocht der mensheid
uitgeverij De Haan, 1937-1960

Een halve eeuw geleden was de titel eigenlijk al over de houdbaarheidsdatum heen, maar uitgeverij De Haan durfde het nog aan. De vijf deeltjes uit 1960 zien er even puntgaaf als ongelezen uit. Dat gaat nu allebei veranderen. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en heb alvast gekeken hoe het afloopt met de pelgrimstocht der mensheid. De allerlaatste bladzijde uit de laatste en herziene druk van het vijfde deel, waarin ook de Tweede Wereldoorlog is opgenomen, eindigt als volgt:

Blijft echter de grote vraag, die ieder mens zich geregeld stelt (althans stellen moet): maar… zijn wij wel op weg naar vrede, gaan wij wel, zij het met vallen en opstaan, omhoog of glijden wij integendeel steeds verder af naar een nieuwe catastrofe? Op deze vraag behoeft (gelukkig!) en kan (helaas!) de geschiedschrijver van het jongste verleden, van de eigen tijd dus, geen antwoord op geven. Welbewust laat hij daarom dit overzicht van ’s mensen tocht door twintig eeuwen in oktober 1960 eindigen met een vraagteken, maar ook… met een afbeelding van het gebouw der Verenigde Naties.
 
Prof. Dr. C.D.J.Brandt in De pelgrimstocht der mensheid
united nations headquarters
De pelgrimstocht der mensheid eindigt in 1960
bij het hoofdkwartier van de Verenigde Naties
dinsdag 20 april 2010
de humptydumptisering van de kunst
gelezen uit Niet alles is kunst een essay van Lennaart Allan:
een pleidooi voor de herwaardering van de representatietheorie

The Shock of the NewIn 1982 was op de Nederlandse televisie de documentaireserie The shock of the new te zien die ging over de aardverschuiving in de beeldende kunst aan het begin van de twintigste eeuw. Deze serie vormde voor mij een aanleiding om voor mijn eindexamen voor het vak geschiedenis een scriptie te schrijven over het ontstaan van de abstracte kunst. Bovendien zou ik na mijn eindexamen naar de kunstacademie gaan dus het leek mij een uitstekende voorbereiding. Als leidraad voor mijn werkstuk koos ik voor een uitspraak van Paul Klee: “Moderne kunst geeft niet het zichtbare weer, maar maakt zichtbaar.” Ik was ervan overtuigd dat moderne beeldende kunst visionair is en een groter bereik heeft dan traditionele kunst die niet verder komt dan reproduceren van het bekende, terwijl we in de moderne kunst geconfronteerd worden met het nieuwe. En honderd jaar geleden veroorzaakte dat een schok.

The Shock of the New van en met de Australische kunstcriticus Robert Hughes was eigenlijk een terugblik op het modernisme. In 1982 hoorde je het woord ‘postmodern’ nog nauwelijks. De Franse filosoof Jean-François Lyotard gaf het woord in La condition postmoderne (1979) een filosofische lading en in de loop van de jaren tachtig ging men steeds vaker de term postmodernisme gebruiken in het besef dat het modernisme ten einde was. De manifesten die in de eerste decennia van de vorige eeuw geschreven werden, zijn nu ouderwets. Als postmoderne eenentwintigste eeuwers kunnen we de utopische visie van het jonge modernisme niet meer delen, een enkele stokoude modernist onder ons daargelaten. Nu zijn het tijdsdocumenten geworden en vanuit postmodernistisch oogpunt zelfs gevaarlijk. Want ‘de Nieuwe Mensch’ en zijn ‘Nieuwe Kunst’ passen niet per toeval precies bij de totalitaire ideologieën die in de twintigste eeuw een apocalyps hebben voortgebracht. Wij, de erfgenamen van het modernisme zoeken nu in zekere zin onze veiligheid in het huis van het postmodernisme. Laten we het klein en bij onszelf houden en laten we vooral geen grote woorden meer gebruiken. Het modernisme is definitief door het postmodernisme ten grave gedragen.

Ruim een kwarteeuw later ben ik anders tegen het modernisme aan gaan kijken. Ik herkende mij in de visie van Robert Hughes die vijfentwintig jaar later in 2004 de documentaire The New Shock of the New maakte, waarin hij probeerde te volgen hoe de hedendaagse kunst zich na 1982 ontwikkeld had. Hij was daar niet optimistisch over. Grootstedelijke celebrity en het grote geld hadden volgens hem de hedendaagse kunst verziekt en de kunstwereld was gaan lijken op de schijnwereld van de showbizz. Dat was voor een deel de erfenis van Andy Warhol, maar had ook te maken met de gekte op de financiële markten die overgeslagen was op de kunstwereld. Kunstmakelaars, kunstbobo’s en hypes hadden de hedendaagse kunst steeds meer in hun greep gekregen, waarbij kunstenaars soms niet meer te onderscheiden waren van yuppies of beurshandelaren. Robert Hughes in gesprek met Jeff KoonsJeff Koons is daar het prototype van. Hughes kon weinig waardering voor zijn werk opbrengen, maar zocht Koons toch op omdat zijn werk exemplarisch is voor de kunst van de neoliberale jaren negentig. Hughes luisterde onbewogen naar Koons mantra’s die New Yorkse kunstmakelaars en galeriehouders zo graag reproduceren.

Bij het verschijnen van the new shock of the new in 2004 schreef Hughes:

Styles come and go, movements briefly coalesce (or fail to, more likely), but there has been one huge and dominant reality overshadowing Anglo-Euro-American art in the past 25 years, and The Shock of the New came out too early to take account of its full effects. This is the growing and tyrannous power of the market itself, which has its ups and downs but has so hugely distorted nearly everyone’s relationship with aesthetics. That’s why we decided to put Jeff Koons in the new programme: not because his work is beautiful or means anything much, but because it is such an extreme and self-satisfied manifestation of the sanctimony that attaches to big bucks. Koons really does think he’s Michelangelo and is not shy to say so. The significant thing is that there are collectors, especially in America, who believe it.
 
Bron: guardian.co.uk

Wanneer je dit nu leest, valt de parallel met de kredietcrisis onmiddellijk op. Het bedrog dat in de financiële wereld mogelijk is, is ook in de kunstwereld mogelijk. Hughes: “in art, it can. And since it can, as Bill Clinton remarkes in another context, it does.”


Robert Hughes: The Business of Art.
Damien Hirst is all hype

Tijdens zijn bezoek aan David Hockney zag je de kunstcriticus weer delen in de verwondering en de nieuwsgierigheid van de kunstenaar. Hughes had het duidelijk gehad met de mindgames die er in de hedendaagse en conceptuele kunst gespeeld worden en besloot zijn documentaire met de vraag waarover kunst hoort te gaan. Zijn antwoord was kort en duidelijk: beauty. Daarmee keerde hij terug naar de klassieke opvatting over kunst.

niet alles is kunstDe vooruitgangsidee dat alles, dus ook kunst, steeds beter, bewuster en universeler wordt en die door het modernisme werd uitgedragen, is uitgewerkt en lijkt in het postmodernisme zelfs geïmplodeerd. Postmodernisme is anti-utopisch en kent geen vooruitgang meer. Alles kan. Maar is dat wel zo? De klassieke drieslag het schone, het ware en het goede wordt door postmoderne ogen met wantrouwen bekeken. Omdat deze drieslag mij zo lief is, ben ik blij als de schijnbaar tolerante houding van het postmodernisme kritisch bekeken wordt. Vorige maand verscheen bij uitgeverij Aspekt de essaybundel Niet alles is kunst met daarin drie essays van Diederik Kraaijpoel, Willem L.Meijer en Lennaart Allan. Het essay van Lennaart Allan is voortgekomen uit het artikel we laten ons niet langer voor de gek houden , een essay van Lennaart Allan dat op 10 september 2005 in de weekendbijlage Letter & Geest van Trouw verscheen. Zijn betoog geeft een helder inzicht in een ontwikkeling in de twintigste eeuwse kunst die heeft geleid tot een vervreemding tussen kunst en samenleving en is tegelijkertijd te lezen als een pleidooi voor de herwaardering van de representatietheorie zoals hij zijn essay zelf noemt.

Allan probeert met zijn essay de wortels van de hedendaagse kunst(theorieën) te belichten vanuit een filosofisch, kunsthistorisch en kunsttheoretisch standpunt. Om de oorsprong van de hedendaagse kunst(theorieën) bloot te leggen, gaat Allan eerst bijna honderd jaar terug naar Duchamp en dan weer honderd jaar naar de Romantiek. Daarna volgt hij het spoor verder terug en belandt via de scholastiek bij de klassieke filosofen Aristoteles en Plato. Tenslotte eindigt hij bij de pre-socraten Parmenides en Heraclitos. Binnen het bestek van nog geen negentig pagina’s komt dus de westerse filosofie in volgelvlucht voorbij. In de filosofie komt het rijtje Kant, Fichte, Schelling, Hegel, Schopenhauer, Marx en Nietzsche aan bod en wat de kunstbeschouwing betreft, gaat hij in op de kunsttheorieën van Claude Henri de Saint-Simon, Gabriel-Désiré Laverdant, Charles Batteux, Arthur Danto, Morris Weitz en George Dickie. Ook verwijst hij naar hedendaagse denkers als Stephen Halliwell, Merlin Donald, Mark Lilla en Stefan Beyst.

Het essay begint met enkele voorbeelden van wat je naar analogie van sportverdwazing ook wel kunstverdwazing zou kunnen noemen. Een schoonmaakster die enkele volle asbakken en vuile bierglazen opruimt en daarna hoort dat het een kunstwerk (van Damien Hirst) is. Haar eerlijke reactie: “ik wist niet dat het kunst was.” Om aan te tonen dat er niet alleen onder schoonmakers maar ook onder museumdirecteuren en conservatoren zélf verwarring is over wat wél en wat géén kunst is, geeft hij nog een ander voorbeeld, waaruit blijkt dat men het in de kunstwereld soms ook niet meer precies weet. De verwarring is dus alom. We weten het gewoon niet meer goed. Allan stelt vast dat er iets niet klopt en opent zijn betoog met de vraag “hoe is dat zo gekomen?”

fountain van Marcel DuchampWaar komt de verwarring over wat kunst nu precies is eigenlijk vandaan? Daarvoor gaat Allan eerst terug naar Marcel Duchamp. Misschien is Duchamp wel de meest invloedrijke kunstenaar van de twintigste eeuw geweest. Wat de kwantummechanica voor de moderne natuurkunde is, dat is de ready made voor de moderne kunst. De ready made, de naam zegt het al, is een voorwerp dat reeds gemaakt is en wat tot kunst wordt bevorderd. Dat is mogelijk doordat we met elkaar afspreken dat het kunst is. Bij de navolgers van Duchamp, bijvoorbeeld bij Yves Klein, fluxus, neo-dada en pop-art kan een ready made zelfs (van) alles zijn. Of letterlijk niets. Zo staat op de achterflap van ‘niet alles is kunst’ het volgende te lezen over een project van kunstenares Saskia Korsten:

Op 27 november 2004 berichtte de NRC dat de Italiaanse kunstenaar Luis Listoni van de gemeente Zwolle de opdracht had gekregen om in een buitenwijk een kunstwerk te plaatsen. Er werd een tent neergezet. Na een paar maanden mochten de wijkbewoners naar binnen. Iedereen gefopt: er was niets te zien. Een stem op een bandje legde uit dat het kunstwerk bestond uit deze lege tent. Het ging om de kunst van het weglaten, ‘tot de essentie van het niets overblijft’. De grap kostte 138.000 euro.

Marcel Duchamp kon ik als achttienjarige wel waarderen om de kwajongensstreek waarmee hij de kunst op zijn kop had gezet. Samen met een schoolvriend die ook naar de kunstacademie zou gaan, hadden we ons niet aangesloten bij de punk (veel te mainstream vonden we) maar bij Dada. Begin jaren tachtig hing er een donkere wolk boven Nederland, in de vorm van jeugdwerkloosheid en kernbewapening. We herkenden ons in de ‘vrolijke’ reactie van de dadaïsten op de zelfvernietiging van de burgerlijke maatschappij tussen 1914 en 1918. Als de wereldleiders de boel belazerden, dan kon de jeugd hen een spiegel voorhouden. Dada was bewust anti-kunst omdat ze tegen het oude Europa was die de jeugd als kanonnenvoer naar het front liet marcheren. Dada was dus niet bedoeld als kunst maar werd als dadaïsme wel gecanoniseerd in de twintigste eeuwse kunstgeschiedenis.

Marcel Duchamp
de tandartsnota van Marcel Duchamp uit 1919 als kunstwerk

Marcel Duchamp speelde een grote rol als het gaat om de omkering anti-kunst in kunst. Hij was een uitstekend schaker en zijn (anti)kunst was dan ook een uitkomst van zijn strategisch denken. Met de introductie van de ready made hoefde een kunstenaar zelf niets meer te maken. Het enige wat nodig was, was de bevordering tot kunstwerk. Duchamp is de vader van de conceptuele kunst, van de nieuwe kleren van de keizer. Wat gebeurt er eigenlijk als je een voorwerp tot kunst bevordert en de ander accepteert dat? Allan noemt een bekende annekdote uit het leven van Duchamp. Deze werd gevraagd een werk in te zenden voor een tentoonstelling van zelfportretten. Hij stuurde een telegram naar de galeriehouder met de mededeling: “This is a portrait if I say this is a portrait”. De galeriehouder hing het telegram op de tentoonstelling tussen de ingezonden zelfportretten. Toen het op een betaling van het ingezondene aankwam, stuurde de organisator een telegram terug naar Duchamp met de boodschap “This is a cheque, if I say this is a cheque.” Duchamp werd dus met een voorspelbare tegenzet geconfronteerd, maar was evenwel niet meer van het bord te vegen. Hij had namelijk zelf de regels van het spel bepaald en de ander had met hem meegespeeld. Bij dit spel verwijst Allan naar Humpty Dumpty, het eivormige mannetje uit het boek Through the Looking Glass, het vervolg van Alice in Wonderland.

Humpty Dumpty
Humpty Dumpty uit Alice in Wonderland geïllustreerd door John Tenniel, 1871
“Als ik een woord gebruik", zegt Humpty Dunpty op een nogal boze toon, “dan betekent het precies wat ik kies dat het betekent - niets meer en niets minder.” “De vraag is", zei Alice, “of je woorden wel zulke verschillende dingen kunt laten betekenen.” “De vraag is", zei Humpty Dumpty “wie er de baas is - dat is alles.”
 
uit: Through the Looking Glass van Lewis Carroll

De ready made, waar Duchamp de geestelijk vader van is, bestaat bij gratie van de acceptatie door de kunstwereld. Anders gezegd: de kunstwereld geeft zich over aan de macht van de individuele kunstenaar die een voorwerp, alles of zelfs niets tot kunst heeft bevorderd. Achter de ready made gaat dus een machtsspel verborgen.

Merda d’artista uit 1961Zo kreeg de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni het in 1961 voor elkaar zijn eigen ingeblikte uitwerpselen te verkopen. Nu hebben bijna alle grote musea voor moderne kunst in de wereld een geel blikje poep van Manzoni in hun collectie. Poep als kunst. Het is duidelijk dat Duchamp’s ready made een revolutie in de kunst van de 20e eeuw heeft veroorzaakt. Daarom was er ook een nieuwe kunsttheoretische fundering nodig. Maar je zou ook kunnen zeggen, dat de moderne kunst die door de ready made op zijn kop gezet werd, gerechtvaardigd moest worden. Deze rechtvaardiging werd de Institutionele Theorie. Een volgende keer meer hierover…

Niet alles is kunst
Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan
Uitgeverij Aspekt maart 2010, 310 pagina’s, ISBN 9789059118669

recensie over Niet alles is kunst door Stefan Beyst

woensdag 14 april 2010
Amerikaanse Burgeroorlog [ 4 ]
gisteren gezien op DVD: Gettysburg (1993)
een eerbetoon aan de 58.000 dodelijke slachtoffers van Gettysburg

The Killer AngelsGettysburg is het Waterloo van de Verenigde Staten en keerde het tij voor Robert E. Lee. De eerste oorlogsjaren had deze briljante generaal van de geconfedereerden met zijn leger vooral overwinningen behaald op het leger van de Unie. Na Gettysburg zouden de kaarten anders op tafel komen te liggen. Michael Shaara schreef over deze bloedigste veldslag die ooit op Amerikaans grondgebied is uitgevochten, de roman The Killer Angels (Pulitzerprize 1974) waarop de film Gettysburg (1993) gebaseerd is. Zondag keek ik al naar God and Generals (2002) de verfilming (en prequel) van het gelijknamige eerste deel van Micheal Shaara’s zoon Jeffrey.

GettysburgGettysburg is een magistrale oorlogsfilm die zowel te bekijken is als een nauwkeurige reconstructie van de Slag bij Gettysburg als om de diepzinnige dialogen over leven of dood en over winnen of verliezen. De film doet een zeer gedetailleerd verslag van de strijd waarbij vele sleutelpersonages optreden en er geschakeld worden tussen evenzovele sleutelposities aan beide zijden van het front. Het is een knappe prestatie van regisseur Ronald F. Maxwell dat hij het verhaal heel precies vertelt en toch de vaart en de spanning erin weet te houden. De langdradigheid van de de prequel God and Generals heeft Gettysburg gelukkig helemaal niet. Het verslag begint op de avond van 30 juni en volgt de strijd die de volgende dag uitbreekt en de daaropvolgende dagen tot de avond van 3 juli wanneer Lee besluit om zich terug te trekken. Bij het schakelen tussen de posities aan het front worden telkens onderschriften gebruikt. Er worden zoveel personages opgevoerd dat je wel met al je aandacht bij de film moet blijven.

In het verhaal komen talloze namen voorbij en er zijn zeker tien belangrijke figuren: luitenant general James Longstreet (Tim Berenger), kolonel Joshua Chamberlain (Jeff Daniels), generaal Robert E. Lee (Martin Sheen), sergeant “Buster” Kilrain (Kevin Conway), luitenant Thomas Chamberlain (Thomas Howell), brigadier generaal John Buford (Sam Elliott), brigadier generaal Lewis A. “Lo” Armistead (Richard Jordan), majoor generaal Winfield Scott Hancock (Brian Mallon) en majoor generaal George Pickett (Stephen Lang), luitenant generaal Richard S. Ewell (Tim Scott) en majoor generaal Henry Heth (Warren Burton). Oorlog was 150 jaar geleden een mannenwereld en in Gettysburg zit dan ook geen enkele vrouwelijke rol. De enige vrouwen die je in de filmziet, zijn een paar Pennsylvanische vrouwen aan de kant van de weg die de colonne voorbijzien trekken en de enkele tekst die door een vrouw wordt uitgesproken luidt “Ik dacht dat de oorlog in Virginia was!”

Gettysburg focust vooral op de generaals aan beide zijden, uiterst gewetensvolle mannen die eigenlijk geen oorlog willen. Daardoor komt de verschrikking van de oorlog angstaanjagend dichtbij. Want beide partijen hebben toch besloten het conflict met geweld te beëindigen en hebben zich daardoor in een oorlog gestort waarvan ze aan het begin niet konden vermoeden wat dat betekende. Oorlog is een duivelse onderneming, een cultus van het kwaad waarbij de eer van goedwillende mannen gebruikt wordt om dood en verderf te zaaien. Als Gettysburg een boodschap heeft, is het deze: het zijn de goedwillenden die oorlog voeren, degenen die eigenlijk geen oorlog willen, maar die zich tot oorlog hebben laten verleiden.

sterfscene van generaal Reynolds
sterfscene van generaal Reynolds
deze wordt door de art director van Gettysburg in de vorm gegoten van een tableau vivant dat geïnspireerd is door het iconische tafereel van de dood van generaal Wolfe door Benjamin West
generaal Reynolds dood
de plaats waar generaal Reynolds dodelijk getroffen raakte vlak na de slag gefotografeerd door oorlogsfotograaf Matthew Brady en als gravure gepubliceerd in Harper’s Weekly

In werkelijkheid waren het natuurlijk niet alleen maar gewetensvolle mannen die meevochten. Dat de generaals aan beide zijden als killer angels worden voorgesteld, komt waarschijnlijk omdat de Amerikaanse Burgeroorlog een broedermoord is geweest. Ook daarom focust het verhaal in op de twee broers Joshua en Thomas Chamberlain en op de generaals Armistead en Hancock, twee oude vrienden die aan het front plotseling tegenover elkaar komen te staan. Elke oorlog is broedermoord, en bij een burgeroorlog is de hartverscheurendheid van deze broedermoord een blijvend trauma. “Zegt u generaal Hancock dat het mij spijt.” huilt de generaal Armistead tegen een van de noordelijken wanneer hij in de vijandelijke stellingen dodelijk gewond is geraakt. De broers Joshua en Thomas Chamberlain zijn op de avond na de slachting in shock. Ze kunnen niets meer zeggen, kijken elkaar met een lege blik aan en omhelzen elkaar. De slachting van Gettysburg was een broedermoord, een humanitaire ramp, zoals elke moord (laat staan een oorlog) een broedermoord en een humanitaire ramp is. Tijdens de slachtpartij bij Gettysburg (1-3 juli 1863) vielen 58.000 doden, bijna net zoveel als tijdens de hele oorlog in Vietnam (58.177 doden).

Joshua ChamberlainThe Killer Angels
Joshua Chamberlain tegen sergeant Buster Kilrain: Zeg ’s Buster, wat vind jij van negers?
Buster: Als u het ras bedoelt, ik weet het echt niet. Daar hoef je je niet voor te schamen. ‘t Gaat erom dat je een ras niet kunt veroordelen. Het is achterlijk om een groep als geheel te veroordelen. Je moet mensen op zich beoordelen.
Chamberlain
: Voor mij was het nooit een verschil.
Buster: Helemaal niet?
Chamberlain
: Ik ken niet veel bevrijde slaven, maar de paar die ik ken… als je hen in de ogen keek, zag je ‘n mens. Een goddelijke vonk zei mijn moeder dan. En daar gaat ‘t om, alle rassen zijn mensen. (stilte) Wat zit de mens mooi in elkaar. Volmaakt toegerust voor zijn taak. Zijn daden gelijken die van een engel.
Buster: Hij mag misschien wel een engel zijn, maar dan is hij wel een moordende engel. Kolonel, u bent een goed mens. Er is een groot verschil tussen ons, maar toch bewonder ik u. U bent een idealist, God zij geloofd. De waarheid is dat er geen goddelijke vonk bestaat. Er zijn veel mensen met evenveel waarde als een dode hond. Als je ze elkaar op ziet hangen, zoals in mijn oude land (Buster komt uit Ierland). Gelijkheid? Ik vecht ervoor om te bewijzen dat ik beter ben dan zij. Wanneer hebt u ooit die goddelijke vonk gezien, kolonel? Waar hebt u die prachtige gelijkheid waargenomen? Geen twee dingen op aarde zijn gelijk of hebben gelijke kansen. Veel mensen zijn slechter dan mij. Sommigen zijn beter. Maar ik geloof niet dat ras of land maar iets uitmaakt. Wat er toe doet is rechtvaardigheid. (stilte) En daarom ben ik hier. Ik wil beoordeeld worden op mijn eigen verdiensten, niet op die van mijn vader. Ik ben Kilrain en ik vervloek alle hoge heren. Er is maar één aristocratie. En die zit hier (wijst naar zijn hersens). En daarom moeten we deze oorlog winnen.
(uit: The Killer Angels)

Generals can do anything.
There’s nothing so much
like a god on earth
as a General on a battlefield.

Kolonel Joshua Chamberlain

gevechten om little round top
de strijd om little round top op 2 juli 1863 behoorde tot de bloedigste gevechten tijdens de Slag bij Gettysburg

John BufordJohn Buford: Wij vallen dapper aan. En we worden dapper afgeslacht. En na afloop slaan de hoge heren zich van trots op de borst omdat het zo’n dappere aanval was. Devin, ik ben al heel lang soldaat. En ik heb nog nooit zo duidelijk iets voor ogen gezien. Alsof ik die blauwe troepen echt zie tijdens die bloedige gebeurtenis. Hoe ze die helling opgaan naar de top. Alsof het al gebeurd is. Alsof het al een herinnering is. Het heeft een vreemde, oneigenlijke helderheid. Alsof morgen al gebeurd is en je er niets meer aan kunt doen. Het gevoel dat je soms hebt als je weet dat een aanval zal mislukken. Maar je kunt ‘m niet voorkomen. Je moet ‘m zelfs helpen mislukken.
(uit: The Killer Angels)

We will charge valiantly…
and be butchered valiantly!
And afterwards men in tall hats and gold watch fobs will thump their chest and say what a brave charge it was.

Generaal John Buford

little round top
herdenking op little round top bij Gettysburg

Robert E. LeeRobert E. Lee tegen generaal James Longstreet (voordat de strijd op de tweede dag begint): We vrezen onze dood niet. Maar eens is het moment daar. We zijn er niet klaar voor dat er zoveel doden vallen. We verwachten wel af en toe een lege stoel. Als saluut voor omgekomen kameraden. Maar deze oorlog gaat maar door en er vallen steeds meer doden. We verwachten dat er mensen omkomen. Maar niet dat we allemaal omkomen en daarin ligt het gevaar. Als u aanvalt moet u alles geven. Dit is een zee van bloed en ik wil dat er een eind aan komt. Dit moet het laatste gevecht worden.
(uit: The Killer Angels)

When you attack, you must hold nothing back. You must commit yourself totally.
We are adrift here in a sea of blood and I want it to end.
I want this to be the final battle.

Robert E. Lee

slagveld op Google Maps
het slagveld bij Gettysburg op Google maps in terreinweergave

James LongstreetRobert E. Lee tegen generaal James Longstreet (na de verschrikkelijke nederlaag op de avond van 3 juli 1863): Ze sterven niet voor ons (generaals). Niet voor ons. Dat is nog enigszins een opluchting. Als deze oorlog doorgaat… en hij zal doorgaan. Wat kunnen we anders doen dan doorgaan? Het is altijd dezelfde vraag. Wat kunnen we anders doen? Als zij vechten, moeten we met ze mee vechten. En maakt ‘t uit wie er wint? Was dat ooit écht de vraag? Zal de almachtige God die vraag stellen aan het einde? (uit: The Killer Angels)

Gettysburg [ imdb.com ] | Gettysburg [ en.wikipedia.org ]

dinsdag 13 april 2010
Amerikaanse Burgeroorlog [ 3 ]
zondag gezien op DVD: Gods and Generals (2002)

Gods and GeneralsGettysburg van Ronald F. Maxwell uit 1993 was de verfilming van het middelste deel uit de befaamde trilogie van Michael en Jeffrey Shaara over de Amerikaanse Burgeroorlog. Bijna tien jaar later werd het eerste deel Gods and Generals verfilmd. Het derde deel The Last Full Measure zal onverfilmd blijven want Gods and Generals flopte terwijl de film zestig miljoen dollar had gekost. De veldslagen zijn uitstekend in beeld gebracht, maar over het geheel genomen is de film langdradig en traag en dat is regisseur Ronald F. Maxwell aan te rekenen. Zijn director’s cut duurt zelfs zes uur!

Gods and GeneralsDe twee zuidelijke generaals Stonewall Jackson (Stephen Lang) en Robert Edward Lee (Robert Duvall) en de noordelijke majoor Joshua Chamberlain (Jeff Daniels) spelen in Gods and Generals de hoofdrollen. Dat het verhaal vooral vanuit het zuidelijke perspectief verteld wordt, hoeft niet te verwonderen omdat Ted Turner voor de financiering van de film zorgde. Overigens speelt ‘The Mouth From The South’ zélf de rol van de zuidelijke kolonel Waller T. Patton. Net als in Gettysburg uit 1993, want ook deze film is door Turner geproduceerd.

Thomas Jonathan JacksonThomas Jonathan Jackson genaamd Stonewall (1824-1863) was een Amerikaans onderwijzer en militair. Hij werd beroemd als Zuidelijk generaal tijdens de Amerikaanse burgeroorlog als legerkorps-commandant in het Army of Northern Virginia van generaal Robert E. Lee. Krijgshistorici noemen zijn Shenandoah-campagne en zijn omsingeling van de Noordelijke rechtervleugel bij Chancellorsville briljant; maar daar tegenover stellen ze zijn zwakke en verwarde optreden tijdens de Zeven Dagen veldslagen rondom Richmond. Al met al wordt hij beschouwd als één van de meest talentvolle tactici in de militaire geschiedenis van de Verenigde Staten. “Stonewall” Jackson werd per abuis door zijn eigen troepen neergeschoten bij Chancellorsville en verloor een arm. Hij overleed enkele dagen later aan complicaties bij zijn verwondingen. Zijn dood was een zware tegenslag voor de Confederatie; na zijn verwonding, maar vóór zijn dood, zei generaal Lee: “Hij heeft zijn linkerarm verloren, maar ik mijn rechterarm.” (Bron: nl.wikipedia.org)

I regard the crime of desertion as a sin against the army of the Lord. Duty is ours,
the consequences are God’s

Generaal ‘Stonewall’ Jackson

Drie grote veldslagen worden in beeld gebracht: de Eerste Slag bij Bull Run (of Slag bij Manassas) (18 juli 1861), de Slag bij Fredericksburg (11-15 december 1862) en de Slag bij Chancellorsville (30 april - 6 mei 1863). Tijdens deze laatste veldslag raakte generaal Jackson door eigen vuur gewond en overleed kort daarop aan een longontsteking. Een maand later zou generaal Lee de noordelijken op eigen grondgebied aanvallen. De Slag bij Gettysburg (1-3 juli 1863) werd de bloedigste slag uit de Amerikaanse geschiedenis en is verfilmd in Gettysburg gebaseerd op The Killer Angels het tweede deel van de trilogie. De Slag bij Antietam (16-18 september 1862) wordt overigens overgeslagen.

Slag bij Chancellorsville
Generaal Stonewall Jackson wordt tijdens de Slag bij Chancellorsville door eigen vuur getroffen (Kurz and Allison, 1863)

De Amerikaanse Burgeroorlog (The Secession War voor de Zuidelijke Staten en The Civil War voor de Noordelijke Staten) is in de Verenigde Staten nog altijd springlevend. Het is het grootste trauma uit de geschiedenis van het land die het Vietnamtrauma honderd jaar later overschaduwt. In de Vietnamoorlog kwamen ruim 58.000 Amerikanen om terwijl in de Burgeroorlog het aantal doden op 618.000 wordt geschat, zeker tien keer zoveel. En daarbij moet je ook bedenken dat de VS ten tijde van de Burgeroorlog 32 miljoen inwoners had tegenover ruim 300 miljoen tegenwoordig. In de vier jaar (1861-1865) van de Burgeroorlog stierven meer Amerikaanse soldaten dan tijdens alle oorlogen waarbij Amerika in de twintigste eeuw betrokken was.

They carried one Bible. They believed in the same God. One side fought for God’s glory. The other for His kingdom on earth. But for the duration of the war God refused to take side.

Gods and Generals, trailer

straatgevechten in Fredericksburg
straatgevechten in Fredericksburg 1863
gravure uit Harper’s Weekly

Er zijn vele websites over deze zwartste episode uit de Amerikaanse geschiedenis, waaronder ook forums als civilwarinteractive.com waar bijna 150 jaar later levendig over de Civil/Secession War wordt nagepraat. En nog altijd is het verschil tussen de noordelijke en zuidelijke staten merkbaar, al is het al in de naamgeving van de veldslagen die door beide partijen vaak anders genoemd werden en worden. De veldslagen uit 1861-1865 worden door vrijwilligers nog altijd nagespeeld. Zo organiseert de Washington Civil War Association over drie weken in het weekend van 1 en 2 mei bij Fort Steilacoom (Washington) een reconstructie van de Slag om Fort Steilacoom door vrijwilligers.


reconstructie van de Slag om Fort Steilacoom door vrijwilligers. (Geen schokkende, wel schokkerige beelden.)

godsandgenerals.warnerbros.com | Gods and Generals [ en.wikipedia.org ]
Gods and Generals [ jeffshaara.com ]

woensdag 7 april 2010
Willem & Anna
met Pasen gekocht in het Hermitage aan de Amstel in Amsterdam
De ridder en de grootvorstin van Michel Didier
Michel Didier - De ridder en de grootvorstinWillem II was de enige Romantische ridder die Nederland ooit heeft geregeerd en zijn exotische bruid Anna Paulowna bracht de praal van het Russische hof naar de Lage Landen bij de Zee, op het moment dat Romantische kunstenaars en dichters stonden te dringen om de nieuwe eenheidsstaat, het Koninkrijk der Verenigde Nederland, te bezingen. Willem II verzamelde niet alleen kunst op grote schaal, hij introduceerde de Romantische gotiek in Nederland en liet ‘middeleeuwse’ paleizen en vorstelijke onderkomens ontwerpen in heel Nederlanden in België. Na zijn dood wijdde Anna paleiszalen aan de nagedachtenis van haar ranke oorlogsheld.Voor het eerst zijn alle kunstuitingen rond Willem en Anna in één boek bijeengebracht, van de poëzie van Bilderdijk en Tollens tot de schilderijen van Kruseman en Koekkoek, van de Russisch-orthodoxe kapellen in Den Haag en Soestdijk tot de paleizen in Berlijn, Tervuren en Sint Petersburg. Een fascinerend tijdsgewricht komt tot leven: de Franse revolutie, Napoleon, de Slag bij Waterloo, de Tiendaagse Veldtocht, Van Speijk, Victoria en Thorbecke, de dynastieke verwikkelingen van de Oranjes en Romanovs, de Saksen-Coburgs, Bourbons en Bonapartes, kortom: Revolutie en Romantiek.
 
Bron: nnbh.com
Willem II, Anna Paulowna en hun kinderen
Willem II, Anna Paulowna en hun kinderen
door Jan Baptist van der Hulst
Willem II was ook een groot verzamelaar van kunstwerken uit de 15de tot de 19de eeuw. In zijn tijd had deze Oranje de grootste privé collectie van Nederland.
Dat Willem II een grote liefde voor de schone kunsten had, komt ruimschoots aan de orde. Didier is niet voor niets kunsthistoricus. Willem II wordt belicht als fervent aanhanger van de neogotiek en ook zijn eigen talenten als architect worden belicht. Willem II was ook een groot verzamelaar van kunstwerken uit de 15de tot de 19de eeuw. In zijn tijd had deze Oranje de grootste privé collectie van Nederland. Helaas moest deze collectie na zijn dood worden geveild om de schulden aan zijn zwager, de Tsaar van Rusland, te kunnen voldoen. Zo zijn vele belangrijke stukken, waaronder prachtige Rembrandts, uit Nederland verdwenen.
 
Zo meldt Didier bijvoorbeeld niet dat een deel van deze collectie op de veiling is gekocht door de Luxemburgse verzamelaar Pescatore, die vervolgens zijn collectie heeft nagelaten aan de stad Luxemburg. Zo is nog steeds een deel van de collectie van Willem II te zien in de Villa Vauban in Luxemburg.
 
Bron: oranje-nassau.org

Anna Paulowna 1855Anna Paulowna (1795-1865) was een dochter van tsaar Paul I van Rusland en diens vrouw Sophia Dorothea Augusta Louisa van Württemberg, in Rusland beter bekend als tsarina Maria Fjodorovna. Toen zij 6 jaar was werd haar vader vermoord en opgevolgd door zijn zoon Alexander I. In 1809 (ze was toen veertien jaar oud) heeft keizer Napoleon geprobeerd haar te trouwen, maar zijn verzoek werd afgewezen. Hij was toen op zoek naar een adellijke echtgenote, maar kreeg Anna’s hand niet, na verzet van Anna zelf en haar moeder tsaritsa Maria Fjodorovna, de vrouw van tsaar Paul I. In 1814 was er een plan geweest om Anna uit te huwelijken aan de Franse prins Karel, zoon van de latere koning Karel X. Maar doordat Anna direct na het huwelijk zich tot het katholicisme zou moeten bekeren, ging dit uiteindelijk niet door. Toen de verloving tussen de Nederlandse prins Willem II en de Engelse prinses Charlotte werd verbroken, werd Anna door haar broer, tsaar Alexander, hij was een goede vriend van kroonprins Willem, als geschikte huwelijkskandidate naar voren geschoven. Na een reis van bijna een maand arriveerde kroonprins Willem met zijn vader koning Willem I op 20 december 1815 in het Russische Sint-Petersburg. Aldaar heeft het huwelijksaanzoek plaatsgevonden. Na onderhandelingen op het gebied van geloofsovertuiging werd overeengekomen dat zij Russisch-Orthodox mocht blijven, al bezocht zij later ook veel hervormde kerkdiensten. Op 21 februari 1816 trouwde ze met veel pracht en praal in het Rozenpaviljoen, dat zich in de paleistuin van het Pavlovsk-paleis nabij Sint-Petersburg bevindt, met de latere koning Willem II.
 
Bron: nl.wikipedia.org

dinsdag 30 maart 2010
broeders en zusters
gelezen: Tijd van Onbehagen door Ad Verbrugge
het verdwijnen van de ervaring van heiligheid in onze cultuur
We dienen ons af te vragen wat het verdwijnen van de ervaring van heiligheid voor onze cultuur zou kunnen betekenen. Men kan hier meteen het postmoderne bezwaar aantekenen dat dit wel al te ‘grote woorden’ zijn die we beter niet kunnen gebruiken, omdat er immers ook zoveel ellende uit is voortgekomen. Grote woorden zijn echter nodig waar navenant grote zaken in het geding zijn. Er zal hier worden betoogd dat de ervaring van heiligheid wezenlijk is voor de samenhang van een gemeenschap en dat vooral in de hedendaagse Verlichting deze ervaring ontbreekt.
 
Bron: Tijd van Onbehagen, Uitgeverij SUN, 2004, blz. 229
Het heilige bezielt ons,
niet omgekeerd;
dat is de ethologische realiteit
van het heilige,
of dat vanuit een uitwendig perspectief een drogbeeld is
of niet, doet niet ter zake
Russische parochie Nijmegen
Russische Kerk Hl. Tychon Nijmegen
De richting van de Europese cultuur als geheel kan niet los worden gezien van de christelijke symbolisering waarin de mens werd gedreven door een bepaalde ervaring van het heilige om van daaruit zijn leven en de wereld gestalte te geven. De subjectiviteit in de religieuze levenservaring was er toch altijd één waarin de mens zich in zijn innerlijke leven afgestemd wist op een groter heilig verband. Voorts behoorde tot de idee van de waarheid van het individu in zijn godsverhouding tegelijkertijd het diep doorvoelde besef van de eigen zondigheid en daarmee van de noodzaak tot een wedergeboorte in Christus door de genade Gods. Deze wedergeboorte was bovendien een gemeenschappelijke aangelegenheid van ‘broeders en zusters‘. Daarom werd juist de zelfzucht als bron van kwaad en van demonische excessen ervaren; een motief dat iemand als Shakespeare op weergaloze wijze voel- en zichtbaar heeft gemaakt.
 
Bron: Tijd van Onbehagen, Uitgeverij SUN, 2004, blz. 231

Tijd van Onbehagen [ books.google.nl ]

donderdag 25 maart 2010
de dood van God?
gelezen in Tijd van Onbehagen (2004) van Ad Verbrugge

Tijd van OnbehagenIk maakte het eerst kennis met Ad Verbrugge door een avondje Zomergast(en) in 2006. Verbrugge (Terneuzen, 1967) is een filosoof van mijn eigen generatie en stelt zich duidelijk pessimistischer op dan de voorgaande generatie, de babyboomers. Vorige week begon ik eindelijk aan Tijd van Onbehagen, een bundel filosofische esays over een cultuur op drift. Op de omslag staat het schilderij Erwartung (1935) van Richard Oelze afgebeeld. De onheilszwangere sfeer brengt Untergang des Abendlandes van cultuurpessimist Oswald Spengler in herinnering. Verbrugge is niet de enige die het interbellum (en zijn cultuurpessimisme) verbindt met onze tijd. Na de optimistische jaren vijftig en zestig waarin de babyboomers opgroeiden, volgden de moeilijke jaren zeventig en tachtig, waarin de generatie van Verbrugge tot bewustwording kwam. In de jaren negentig nam de welvaart weliswaar toe, maar tegelijkertijd werd de schaduwzijde steeds meer zichtbaar en in het nieuwe millennium moest ook de mondiale instabiliteit onder ogen gezien worden. Het maakbaarheidsideaal van de babyboomers kwam onder druk te staan.

Verbrugge sluit aan bij een groep denkers die zich communitaristen noemen. Deze leggen de nadruk eerder op het cement van de samenleving dan op de bouwstenen (het individu) en bekritiseren het individualisme dat in hun ogen sinds de jaren zestig te ver is doorgeslagen. Het gevolg is dat de boel uit elkaar dreigt te vallen. William Butler YeatsThings fall apart, the centre cannot hold” wordt regelmatig geciteerd en ook worden parallelen getrokken met de duistere tijd waarin het nationaal socialisme zich kon ontwikkelen en presenteren als dé oplossing om de boel bij elkaar te houden. Religie speelt een centrale rol als het gaat om datgene wat mensen bindt. Niet voor niets maakte het nationaal socialisme gebruik van het mythische en (quasi-)religieuze. En niet voor niets is de mensheid na de oorlog huiverig geworden voor religie, ideologie en Grote Verhalen en laat de post-moderne mens zich liever leiden door relativisme. De ‘veilige’ optie van het relativisme ondermijnt echter ook de gemeenschap. Het bindmiddel van gemeenschappelijke waarden spoelt weg wanneer waarheid vervangen wordt door ‘eigen waarheid’ (lees: mening). Wat overblijft zijn losse individuen. Daarom is de voornaamste zorg van het communitarisme het vaststellen en beschermen van gemeenschappelijke waarden die een samenleving bij elkaar houden.

In het voorlaatste en langste essay De dood van God? uit de bundel Tijd van Onbehagen geeft Verbrugge en filosofisch en historisch overzicht van de (westerse) Verlichting en het onvermijdelijke gevolg daarvan, wat we na Nietzsche de dood van God zijn gaan noemen. Verbrugge vervangt Nietzsches uitroepteken met een vraagteken. Want religie en God zijn weer helemaal terug. Hoe kan dat eigenlijk? Het geseculariseerde westen wordt geconfronteerd met miljoenen migranten voor wie Allah springlevend is. Hebben we hier enkel te maken met een botsing van beschavingen of is er méér aan de hand? Is er toch méér tussen hemel en aarde zoals ietsisten menen. Of heeft deze wereld een sterk westers beschavingsoffensief nodig, m.a.w. moet de islam door de Verlichting worden gejaagd? Verbrugge gelooft niet in de Verlichting zoals zijn collega’s Paul Cliteur en Herman Philipse en dat maakt hem voor mij een open filosoof, die de zwakke plekken van de (westerse) Verlichting onder ogen wil zien.

Tijd van Onbehagen, de dood van God?
Ad VerbruggeVerbrugge groeide op in een gelovig protestants milieu in Terneuzen, waar hij ook de middelbare school doorliep en al vroeg in de weer was met vragen over het ontstaan van de wereld en de aard van de samenleving. Hij koos dan ook voor een studie filosofie, die hij volgde aan de Universiteit Leiden van 1985 tot 1991. In 1994 werd hij er benoemd tot universitair docent wijsgerige ethiek.
 
Vijf jaar later - na een inhoudelijk conflict met zijn promotor in Leiden - promoveerde hij aan de KU Leuven op een proefschrift over de omstreden Duitse filosoof Martin Heidegger. In Leiden werd hij in 2002 verkozen tot docent van het jaar. In zijn veelbesproken boek Tijd van Onbehagen (2004) ontleedt hij aan de hand van fenomenen als zinloos geweld en de vorming van Europa de geest van deze tijd, die zich in de ogen van Verbrugge kenmerkt door het ontbreken van gemeenschapszin en een gebrek aan bezieling. Verbrugge wil zich inzetten om de samenleving te veranderen. Dat levert hem naast veel bijval ook kritiek - vooral uit linkse hoek - op.
 
Bron: vpro.nl

Ad Verbrugge [ nl.wikipedia.org ]

woensdag 24 maart 2010
verontrustende scenario’s
maandagavond gezien bij Tegenlicht: Energy Risk

olie- en gasleidingenIn 2006 was bij Tegenlicht de documentaire Energy War te zien waarover ik later in mijn blog schreef. Centraal in deze documentaire stond de visie van Thomas L. Friedman die hij in zijn boek Hot, flat and crowded presenteert. Afgelopen maandag volgde in Tegenlicht de documentaire Energy Risk waarin een aantal experts op het gebied van energie en geopolitiek aan het woord kwam. Ook aan hen werd weer de brandende vraag voorgelegd: Wat doen we straks als onze fossiele brandstoffen op zijn?

olie- en gasleidingen
boven: olie- en gasleidingen vanuit Rusland
rechtsboven: de Southstream (blauw)
Nabucco (rood) en Nordstream (groen)
In de loop van de 21e eeuw zullen fossiele brandstoffen opraken. Zwartkijkers geven ons, gezien de explosieve groei in China en India, nog maar 25 jaar om op duurzame energie over te schakelen. Zullen Europa (en Nederland) wel tijdig hun transitie hebben afgerond, vóórdat olie en gas schaars en/of te duur en/of moeilijk bereikbaar worden? Zullen onze energieafhankelijke economieën nog wel gewoon door kunnen draaien? Dat zijn belangrijke vragen in een wereld waarin nieuwe machtsblokken en politieke allianties ontstaan op basis van verschillen in energiesituatie. ‘Bij “energietransitie” gaat iedereen graag uit van een harmonieuze ontwikkeling’, zegt Coby van der Linde, directeur van het Clingendael International Energy Programme (CIEP), ‘maar als je kijkt naar de geschiedenis dan zie je dat dit soort grote veranderingen vaker met conflict gepaard gaan’. Van der Linde ontwikkelde een toekomstscenario dat Tegenlicht voorlegde aan buitenlandse deskundigen. Samen schetsen zij een verontrustend beeld van geopolitieke conflicten die ons mogelijk te wachten staan. Met Michael Klare (o.a. ‘Resource Wars’ en ‘Rising Powers, Shrinking Planet, the new geopoliticis of energy’), oud-admiraal William Fallon (voormalig gezagvoerder van CentCom), politiek econoom Mikhail Deliagin (Moskou), Edward Lucas (’The New Cold War‘), Youssef Ibrahim (columnist en ‘political risk consultant’) en Ariel Cohen (senior research fellow The Heritage Foundation).
 
Bron: tegenlicht.vpro.nl

The New Cold WarThe New Cold War
Russia’s vengeful, xenophobic, and ruthless rulers have turned the sick man of Europe into a menacing bully. The rise to power of Vladimir Putin and his ex-KGB colleagues coincided with a tenfold rise in world oil prices. Though its incompetent authoritarian rule is a tragic missed opportunity for the Russian people, Kremlin, Inc. has paid off the state’s crippling debts and is restoring its clout at home and abroad. Inside Russia it has crushed every constraint, muzzling the media, brushing aside political opposition, castrating the courts and closing down critical pressure groups. The murders in 2006 of the journalist Anna Politkovskaya in Russia, and the British citizen Aleksandr Litvinenko, highlight the danger faced by anyone who stands in the Kremlin’s way. In eastern Europe, vulnerable and ill-run, and even in the complacent rich democracies, Russia is subverting the institutions of state and buying up the commanding heights of the economy.
 
Bron: edwardlucas.com

The New Cold War [ edwardlucas.com ] | tegenlicht.vpro.nl

woensdag 17 maart 2010
gekleurd grijs
Johannes Kneppelhout en Gerard Bilders Brieven en dagboek

Gekleurd GrijsJaren geleden schreef ik iets over de boekjes Schilders in Oosterbeek van Victorine Hefting, Kneppelhout en de Veluwse schildersbent van Else Maas en twee boekjes van Peter van der Kuil: Jan Kneppelhout en zijn tijdgenoten plus een wandelgids langs verschillende markante plekken in de schilderachtige omgeving van Oosterbeek, verschenen bij Uitgeverij Kontrast. Enige tijd geleden verscheen bij Uitgeverij Waanders het boek Gekleurd Grijs, waarin het dagboek van Gerard Bilders (zoon van de Oosterbeekse schilder W.G. Bilders) én een deel van zijn briefwisseling met de Oosterbeekse mecenas Johannes Kneppelhout is opgenomen. De inleiding is van Wiepke Loos.

Ik heb tegenwoordig allerlei avondgedachten en maak schilderijen met landschappen,
die en silhouette tegen
cadmium-luchten uitkomen

Gerard Bilders, dagboek, 26 mei 1862

Gerard BildersDe jonggestorven landschapschilder Gerard Bilders (1838-1865) wordt beschouwd als een van de voorlopers van de Haagse School. Naast een delicaat geschilderd oeuvre zijn er ook belangwekkende geschriften van zijn hand bewaard gebleven, die door de letterkundige Johannes Kneppelhout in een zeer gelimiteerde editie zijn uitgegeven.
 
Als schilder maakte Bilders zich omstreeks 1860 los van de Romantiek en zocht naar zijn eigen zeggen naar een toon, dien wij gekleurd grijs noemen. De lezenswaardige en ontroerende briefwisseling met Kneppelhout geeft inzicht in Bilders’ moeizame kunstenaarsbestaan, zijn worstelingen met zijn talenten en de slopende ziekte (tuberculose) waaraan hij op 26-jarige leeftijd bezweek. Een belangrijk deel van de correspondentie is gewijd aan de grote Europese literatuur, het negentiende-eeuwse kunstleven en Kneppelhouts opvoedingsidealen.
 
Deze integrale heruitgave van het zeldzame Dagboek en Brieven van A.G. Bilders – wel vergeleken met de brieven van Van Gogh – is rijk geïllustreerd met werk van Gerard Bilders, zijn voorgangers en tijdgenoten, en is voorzien van een uitgebreid notenapparaat.
 
Bron: waanders.nl
Kneppelhout
Jan Kneppelhout en zijn tijdgenoten
wandelgids Oosterbeek en omgeving
Aangetrokken tot de bijzondere schoonheid en sfeer die Oosterbeek en omgeving uitstralen, strijken hier in de 19de eeuw vele schilders, schrijvers, dichters, wetenschappers en andere vooraanstaanden neer. Onder hen is ook Jan Kneppelhout (1814-1885). Hij en zijn echtgenote, Ursula van Braam, maken hun huis de Hemelsche Berg tot een plek waar talenten en notabelen vooraanstaande samenkomen. Jan Kneppelhout en zijn tijdgenoten laat de lezer in een cultuurhistorische wandeling kennis maken met deze 19de-eeuwers en met een gebied dat ook nu nog vele pittoreske plekken kent. Het bevat unieke historische foto’s en afbeeldingen van kunstwerken en een aparte handzame gids die de wandelaar langs de rijke historie en het schitterende landschap van Oosterbeek voert.
192 pag. + wandelgids 32 pag. 250 illustraties, Full colour, form. 17x24 cm, gebonden met harde kaft ISBN: 978-90-78215-21-9 € 27,50
 
Bron: uitgeverijkontrast.nl
Kneppelhout gedenkteken
Op 17 september 1895 bood het dankbare Oosterbeek mevrouw Ursula Kneppelhout haar en “wijlen haren onvergetelijke Echtgenoot” een gedenkteken aan ter gelegenheid van haar 70ste verjaardag.

Gerard Bilders, brieven en dagboek [ dbnl.org ]
Johannes Kneppelhout [ dbnl.org ]

woensdag 10 maart 2010
Kneuterdijk
gezien: De Troon elke zaterdagavond op Nederland 2 om 20.15
gelezen: De Drie Oranje Koningen van J.G. Kikkert

beginscene uit De TroonZaterdagavond ging de Nederlandse dramaserie De Troon van start. Regisseur Erik de Bruyn had in interviews al gezegd dat hij zich had laten inspireren door de dynamiek en eigentijdse frisheid van Marie-Antoinette van Sophia Coppola. Dat was meteen al aan de openingsscene te zien waarin we regentes Emma en een lakei door de paleistuin zien rennen. En ook daarna zie je geregeld opgewonden adel en hofhouding door paleizen rennen, gefilmd in handheld. Sophia Coppola was zeker niet de eerste die de achttiende eeuw met veel dynamiek in beeld gebracht heeft. Ook in Orlando (1992) en The Madness of George III (1994) zien we ‘rennende kostuums’ door paleistuinen en horen we opgejaagde muziek. Geen plechtige Shakespeare-achtige tableau vivants zoals in Willem van Oranje (1984). Zó moest De Troon dus niet worden en zo is het ook dus ook niet geworden.

De Troon
een deel van de stamboom met foto’s van de acteurs moet helpen om de serie beter te kunnen volgen…

Het taalgebruik is bewust hedendaags gehouden en dat lijkt mij een logische keuze. Men sprak aan het hof voornamelijk Frans en Duits en als er al een Nederlands woord zou zijn gevallen, dan zou dat Nederlands op z’n Bilderdijks zijn geweest. “We moeten alles doen om een troon onder onze kont te krijgen” zegt Willem Frederik (de latere koning Willem I) tegen zijn zoontje Guillot (de latere koning Willem II) als hij op audiëntie gaat bij Napoleon. Die scene heeft iets lachwekkend amateuristisch maar dat is waarschijnlijk bewust zo gedaan om de kneuterigheid van de Oranjes op het Europese toneel te benadrukken. De vrouw van koning Willem II en zus van tsaar Alexander I, Anna Paulovna, sprak met Russisch accent van Kneuterdijk en bedoelde daar dan ons land mee.

We moeten alles doen om een troon onder onze kont te krijgen

Willem Frederik tegen zijn zoontje Guillot

KikkertNaast de tv-serie De Troon lees ik in De Drie Oranje Koningen van Oranjekenner J.G. Kikkert. Dit boek leek mij een betere keuze dan het omstreden Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren van Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra, het boek waarop Ger Beukenkamp het scenario van De Troon gebaseerd heeft. Jan Kikkert heeft een indrukwekkend aantal oranjebiografieën op zijn naam staan en Prins Bernhard noemde hem ‘een nephistoricus‘ wat zijn betrouwbaarheid dus vergroot. Koning Willem I komt na zijn bronnenonderzoek (de tekst is met veel noten) niet bijzonder sympathiek naar voren. Hij was toch vooral de man die de Oranje dynastie zijn fortuin gaf ‘over de magere ruggen van de Javanen en hun lotgenoten’, zoals Kikkert schrijft. Hij wist een trouwe aanhang voor zich te winnen door deze in de adelstand te verheffen. Schandalen gingen met zwijggeld in de doofpot. Als het boek al zo begint, wat heeft het dan nog in petto? De drie hoofdstukken die ieder een Willem behandelen, heten respectievelijk: “Dit verfoeylijk wezen", “Laten we niet teveel van hem verwachten” en “Koning Gorilla".

De Troon [ avro.nl ] | prorepublica.nl

woensdag 3 maart 2010
lijnvoering
Vergangene Welten Graphic von Dürer, Callot, Rembrandt bis Richter

Vergangene WeltenBij de tentoonstelling Vergangene Welten (2006) in het Von der Heydt Museum in Wuppertal verscheen een dikke en fraai uitgevoerde catalogus. Gisteren kocht ik deze voor maar € 19,95 bij restseller Jokers in Düsseldorf. Het echtpaar Lohmann verzamelde ruim een halve eeuw prenten en bouwde een indrukwekkende collectie op met grafisch werk van 1500 tot de vroege twintigste eeuw. Daartoe behoren kopergravures van Albrecht Dürer (1471-1528), Lucas van Leyden (ca.1494-1533), Heinrich Aldegrever (1502-ca.1551/1561), Philipp Galle (1537-1612), Jacques Callot (1592-1635) en een puntgave serie kopergravures van Hendrick Goltzius (1554-1616) uit 1592, de negen muzen.

Jacopo de' Brabari
lijnenspel van Jacopo de’ Brabari
Pegasus (detail) ca. 1510

Deze Pegasus van Jacopo de’ Brabari behoort wel niet tot de Lohman Collectie, maar ze staat in duidelijk contrast met de kopergravures van Hendrick Goltzius. Wat ik aan de gravures van Goltzius zo bewonder, is de onberispelijke lijnvoering. Net als Ingres is hij een tekenaar die de perfecte vloeiende lijn beheerst. Nog meer dan de tekenaar moet de graveur kalligrafische kwaliteiten bezitten. De vloeiende lijn moet hij namelijk kunnen laten echoën in de arcering die nodig is om grijswaarden te scheppen. Wanneer ik Goltzius probeer te volgen, dan lijkt mijn lijnenspel meer op dat van Jacopo de’ Brabari: expressief misschien, maar ook onregelmatig.

Goltzius
lijnenspel van Hendrick Golzius ( dat door de interferentie met de lage beeldschermresolutie geweld wordt aangedaan ) detail van de muse Euterpe, 1592

Bij Goltzius lijkt het alsof hij over alles een grofmazige nylonkous trekt. Met zijn gevoelige naald fabriceert hij een soort 3D-wireframe met een bijna machinale consistentie en perfectie. Toch blijft zijn handschrift persoonlijk. Dat vind ik fascinerend om te zien.

Hendrik Goltzius [ W&V ] | meester van de lijn [ W&V ]

zaterdag 27 februari 2010
ten hemel schreiend brutalisme
zojuist verschenen: Het reële paradijs van Albert Gielen
socialistische architectuur en stedenbouw in Praag 1948-1989
GielenIn het eeuwenoude Praag hebben tal van ingrijpende perioden en gebeurtenissen hun sporen nagelaten in de architectuur van de stad. Een bijzonder ingrijpende periode is die van het communisme, dat van 1948 tot 1989 het land in zijn ijzeren greep hield. Het twintigjarig jubileum van de Fluwelen Revolutie in oktober a.s. is een goede aanleiding om de balans op te maken en zowel de geïnteresseerde thuisblijver als de bevlogen reiziger te helpen de sporen van het communisme - hoe fel bekritiseerd ook - terug te vinden en als zodanig te herkennen.
 
De Praagse architecten van na de Tweede Wereldoorlog wilden in de stijl van het functionalisme blijven werken, maar de communistische heersers waren hier fel tegen gekant. Het tij leek te keren toen Tsjechoslowakije op de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1958 tal van nieuwe impulsen op het gebied van architectuur liet zien. Heel voorzichtig trachtte het land weer aan te knopen bij de internationale architectuur. Tijdens de Praagse Lente leek de aansluiting met het Westen gevonden te zijn, maar de militaire inval in 1968 deed alles weer teniet en daarmee was de Praagse lente voorbij. Er begon een ‘normalisatieproces’ en het reëel socialisme werd ingevoerd, zoals het socialisme in de oostbloklanden werd genoemd. Deze gids neemt de lezer mee naar de architectuur uit deze turbulente periode, niet alleen naar de afzonderlijke bouwwerken, maar ook naar de veel bekritiseerde uitbreidingswijken waar meer te zien is dan men in eerste instantie verwacht.
 
Bron: tsjechie.net
Officieel was kritiek verboden tijdens de - communistische - tijd van de bouw, maar in feite
werd de toren verafschuwd
omdat het te overheersend was
op de skyline van Praag
Žižkovská televizní věž
Žižkovská televizní věž
Toen ik in 1993 Praag bezocht, was ik ontdaan van dit horizonvervuilende gedrocht midden in de stad. Brutalistische oostblok architectuur is meestal ten hemel schreiend. Ironisch genoeg werd de televisietoren pas voltooid in 1992 na de Fluwelen Revolutie, terwijl bijna iedereen het verafschuwde. Nu het socialistische ding er eenmaal stond werd in 2000 een dappere poging gedaan het op te leuken met beelden van kruipende baby’s.
Žižkovská televizní věž is een televisietoren in de Tsjechische hoofdstad Praag. De constructie werd gebouwd tussen 1985 en 1992 op een heuvel in de wijk Žižkov. Naar deze wijk is de toren, die een hoogte heeft van 216 meter, genoemd. De Žižkovtoren valt op door zijn ongewone uiterlijk. Aan drie betonnen palen hangen blokken waarin de radiozenders, de observatieruimtes en het torenrestaurant zijn gevestigd. Het torenrestaurant hangt op een hoogte van 63 meter, een ander uitzichtpunt op 95 meter hoogte.
 
David ČernýSinds het jaar 2000 zijn de drie palen van de toren versierd met beelden van kruipende baby’s, ontworpen door de Tsjechische beeldhouwer David Černý. Zoals vele brutalistische bouwwerken in Centraal- en Oost-Europa werd de TV-toren niet op prijs gesteld door de Praagse bevolking. Officieel was kritiek verboden tijdens de - communistische - tijd van de bouw, maar in feite werd de toren verafschuwd omdat het te overheersend was op de skyline van Praag.
 
Bron: nl.wikipedia.org
maandag 22 februari 2010
keeping up appearances
gekeken naar Mad Men (tweede seizoen) op DVD

De televisieserie Mad Men geeft een grondige inkijk in de schijnwereld van de American Dream. De intro met de in elkaar stortende reclamewereld en de reclameman in vrije val doet al vermoeden dat de zeepbellen die de reclamejongens blazen in hun eigen leven uit elkaar spatten. De tv-serie laat vooral zien hoe het is om te leven op de oppervlaktespanning van die zeepbel.

mad men intro
de intro van Mad Men
Dan River 1962
Dan River Ad 1962
De zeepbel van ‘het gelukkige gezinnetje’ wordt door de reclame nog altijd geblazen… Het is een beeld waar we ‘allemaal’ in willen blijven geloven

Bijna een halve eeuw later is er van de American Dream weinig over. Dat maakt deze serie ook tot pure nostalgie. Nog een keertje je vingers aflikken bij al het mahonie, chroom en pastelkleurige staartvinnen. De Cadillac Coupe de Ville bijvoorbeeld. De serie is tot in de puntjes verzorgd. Zet het beeld op een willekeurig moment stil en bestudeer alle details, ook op de achtergrond. Het klopt allemaal! Mad Men werkt als een tijdmachine.

Cadillac
Cadillac Coupe de Ville 1962
Cadillac
Don Draper in zijn 1962 Cadillac

All-American Ads '60sThe mood of advertising in the sixties was cheerful, optimistic, and at times, revolutionary. This nostalgic and diverse collection of print ads explores the wide, wonderful world of 60s Americana. (Bron: taschen.com)

De meeste advertenties die voor de intro van Mad Men zijn gebruikt, staan ook in All-American Ads ’60s, een bundeling advertenties onder redactie van Jim Heimann en verschenen bij Uitgeverij Taschen.

Cadillac brochure 1962 [ tocmp.com ] | 405madisonavenue.com

dinsdag 16 februari 2010
opkomst, bloei & verval
een vergeten studie: der Weg aus dem Chaos (1931) van Paul Ligeti

Der Weg aus dem ChaosJaren terug ontdekte ik bij De Slegte een zeldzaam exemplaar van der Weg aus dem Chaos van de Hongaarse architect Paul Ligeti. Het is een zware linnen band uit het interbellum met een hoog Untergang des Abendlandes-gehalte. De eerste editie die in 1931 verscheen, is gelukkig niet gedrukt in Buchstaben met weerhaken. Ik kocht het boek onmiddellijk omdat ik geïnteresseerd ben in de conjunctuur van de (kunst)historische ontwikkeling waar deze studie juist op focust. Daarmee is het ook een curiosum geworden, want het ordenen van de geschiedenis in wetmatige modellen is al minstens een halve eeuw even bizar als not done. In onze postmoderne tijd denken we niet meer in termen van opkomst, bloei en verval maar in termen van pluriformiteit, complexiteit en relativiteit. Toch is het helemaal niet verkeerd om eens uit ons postmoderne kader te ontsnappen. Laten we het eens proberen: Zou postmodernisme een andere naam kunnen zijn voor arrogantie (van het heden over het verleden) verpakt in de bescheidenheid waarin het ‘Grote Woord’ ontbreekt? Ik ben het helemaal met Huub Mous eens die op zijn blog schrijft:

En toch, soms denk ik wel eens, waarom waagt niemand het meer aan een organische ontwikkelingstheorie van de geschiedenis. Een theorie over opkomst, bloei en verval, ook van onze beschaving. Bewust of onbewust gaat menigeen er nog altijd vanuit dat de westerse beschaving zich alleen maar in opwaartse lijn zal verder ontwikkelen of op zijn minst op een constant niveau zal blijven voortbestaan. Het postmodernisme mag dan de utopie en de vooruitgang uit ons denken weggevaagd hebben, dat er ooit nog sprake zal zijn van neergang en verval, dat is natuurlijk een andere zaak. Vandaag de dag is menigeen belast met de loodzware arrogantie van het leven in het hier en nu en het superieur achten van onze eigen tijd. Zonder voor een nieuw cultuurpessimisme te pleiten, denk ik wel eens dat een beetje meer bescheidenheid ten aanzien van het heden wellicht geen kwaad zou kunnen. Alle grote beschavingen zijn ooit ten gronde gegaan. Waarom zou onze superieure westerse beschaving een uitzondering op die regel vormen? Een beschaving, die zijn goden ziet sterven, zei Spengler, krijgt zicht op het eind van zijn levenscyclus. Een weg uit de chaos, die Paul Ligeti tussen al zijn schema’s en modellen ontdekte, hebben weinigen nog voor ogen.
 
Bron: huubmous.nl
der Weg aus dem Chaos
twee uitgaven van het boek waarvan de linker editie nu in Michaela’s boekenkast staat

Pa(u)l Ligeti (1885-1941) was een joods Hongaarse architect over wie nauwelijks iets bekend is. Der Weg aus dem Chaos verscheen in 1931 bij de prestigieuze uitgeverij Callwey in München. In 1926 was de oorspronkelijke tekst al in een Hongaarse editie verschenen, maar met de Duitse uitgave in 1931 kreeg deze studie een veel groter verspreidingsgebied. Ligeti was de leermeester van de modernistische architect Farkas Molnár die in 1945 in Budapest gedood werd tijdens de Russische beschietingen. Ligeti stierf vier jaar eerder in een concentratiekamp.

Een beschaving, die zijn goden
ziet sterven, krijgt zicht
op het eind van zijn levenscyclus.

Oswald Spengler

der Weg aus dem Chaos
Ligeti zag de geschiedenis van Duitsland als een golfbeweging met het Habsburgse Rijk rond 1500 als hoogtepunt. De ironie van dit wetmatige model is dat Ligeti kort na het verschijnen van zijn boek gelijk kreeg. In 1933 begon de zwartste bladzijde uit de Duitse geschiedenis die uitliep op een ondergang die ook Ligeti het leven kostte.

Op het web vond ik overigens nog een verwijzing naar deze vergeten studie: Obscure(d) Modernism: The Aesthetics of the Architect Paul Ligeti van Rajesh Heynickx:

The few short articles devoted to him, or the short mention of Der Weg aus dem
Chaos
in studies on world history, have been mainly dominated by the idea that his philosophy of history and art theory was fascinating but intellectually negligible because it consisted of an incoherent patchwork of ideas. I want here to probe more fully the foundations of and justification for this treatment of Ligeti’s work. ( … ) To answer that question, I firstly want to offer an analysis of Ligeti’s art philosophy by delving into his intellectual sources and the graphical figures and charts he designed to elucidate his theories. Secondly, I will raise questions about the nature of writing (architectural) history and will discuss how our knowledge of twentieth-century aesthetics has been formed. More particularly, I will explore the mechanism by which historiographical narratives canonised some, and excluded other, strains of modernist thought.
 
Bron: Obscure(d) Modernism: The Aesthetics of the Architect Paul Ligeti
zondag 14 februari 2010
Vergevingszondag
vandaag is het in de Orthodoxe Kerk Vergevingszondag
en morgen begint de heilige Veertigdagentijd, de Grote Vasten
De terugkeer van de verloren zoonLent is the liberation of our enslavement to sin, from the prison of “this world". And the Gospel lesson of this last Sunday (Matt. 6:14-21) sets the conditions for that liberation. The first one is fasting - the refusal to accept the desires and urges of our fallen nature as normal, the effort to free ourselves from the dictatorship of flesh and matter over the spirit. To be effective, however, our fast must not be hypocritical, a “showing off". We must “appear not unto men to fast but to our Father who is in secret.”
 
The second condition is forgiveness - “If you forgive men their trespasses, your Heavenly Father will also forgive you.” The triumph of sin, the main sign of its rule over the world, is dicvision, opposition, separation, hatred. Therefore, the first break through this fortress of sin is forgiveness: the return to unity, solidarity, love. To forgive is to put between me and my “enemy” the radiant forgiveness of God Himself. To forgive is to reject the hopeless “dead-ends” of human relations and to refer them to Christ. Forgiveness is truly a “breakthrough” of the Kingdom into this sinful and fallen world.
 
uit: Father Alexander Schmemann, Great Lent - Journey to Pascha, blz. 28
To forgive is to put between me and my “enemy” the radiant forgiveness of God Himself. To forgive is to reject the hopeless “dead-ends” of human relations and to refer them to Christ. Forgiveness is truly a “breakthrough” of the Kingdom into this sinful and fallen world.

Father Alexander Schmemann

maandag 8 februari 2010
de hel van het eeuwigdurende heden
gekeken naar een interview met Bernlef in Boeken
ter ere van de vijftigste druk van Hersenschimmen (1984)
Wim Brands en BernlefBernlef: Er zijn twee concepten waarmee we ons door het leven slaan. Het ene is onze positie in de ruimte en het andere is onze positie in de tijd. Tijd en ruimte. Als die concepten worden aangetast, dan leef je in een eeuwig bedreigend heden. Elke handeling die je moet doen, is nieuw, onbekend. Dat is… ik bedoel… dit boek (Hersenschimmen) is maar een vage afspiegeling van hoe érg het is, hoe érg het moet zijn.
Wim Brands: Dit is overigens ook wel aardig wat je zegt over het heden. Er zijn snuiters die zeggen: Het lijkt me zo mooi als je alleen maar ten volle in het heden leeft.
Bernlef: Haha, God hoort ze brommen!
Wim Brands: Dat is de hél.
Bernlef: Nou en of… of dat de hel is. Dat kan ik je verzekeren!
 
Bernlef en Wim Brands in Boeken
Het gekke met herinneringen
is dat je je totaal onbelangrijke dingen vaak het helderst herinnert

Bernlef

Wim Brands en BernlefDe onvermijdelijke vraag aan de schrijver, die inmiddels in de zeventig is, luidt of hij zélf niet bang begint te worden voor het vertroebelen van zijn eigen geest. Bernlef: “Mijn geheugen voor dingen in de tijd is slechter geworden: wanneer iets precies is gebeurd, weet ik soms niet meer. Het gekke met herinneringen is dat je je totaal onbelangrijke dingen vaak het helderst herinnert. Zo zie ik zo voor me hoe mijn moeder in een bepaalde lichtval een brood staat te snijden. Maar vraag me niet naar mijn eerste verliefdheid. Mensen zeggen weleens: ‘Wacht maar tot je ouder wordt, dan komen al je jeugdherinneringen weer haarscherp terug. Maar ik ben nu 73, en ik zit nog te wachten.” (bron)

bekijk deze uitzending

woensdag 3 februari 2010
achttiende eeuwse meesters [ 2 ]
Johann Zoffany (1735-1810)

ZoffanyTot voor kort had ik het vooroordeel dat de schilderkunst van de achttiende eeuw nauwelijks de moeite waard was. Alles was in de zeventiende eeuw al gedaan en in het laatste kwart van die eeuw kwamen die vreselijke pruiken al en werd de schilderkunst even poezelig als de mannen verwijfd. Mea culpa voor dit verschrikkelijke vooroordeel! Om boete te doen, heb ik mij de laatste tijd op de schilderkunst van de achttiende eeuw gestort, met name op portretten.

Enkele dagen geleden schreef ik al iets over de schilders Nicolas Largillière (1656-1746) en Pompeo Batoni (1708-1787), wat mij betreft achttiende eeuwse meesters. De schilderkunst in deze merkwaardige eeuw verrast mij telkens weer en een van de verrassingen heet Johann Zoffany. Deze van origine Duitse schilder die vooral in Engeland gewerkt heeft, conformeerde zich voorbeeldig aan zijn opdrachtgevers en tegelijkertijd was hij schaamteloos in zijn openlijke bewondering voor Rembrandt. Nu hoef je je voor Rembrandt al tweehonderd jaar niet meer te schamen, maar in de achttiende eeuw konden Rembrandt’s schilderijen over het algemeen geen goedkeuring wegdragen. Te boers, te grof, te onbeschaafd, zo oordeelde men in de ‘galante tijd’. Maar de schilders herkenden zijn genie. Ook Zoffany’s tijdgenoot Joshua Reynolds heeft veel naar Rembrandt gekeken en citeerde hem in zijn pose.

Zoffany
Sir Joshua Reynolds en Johann Zoffany
beiden als Rembrandt

In de achttiende eeuw wordt de portretschilderkunst vooral door de Engelse schilders Thomas Gainsborough, Sir Joshua Reynolds, Sir Thomas Lawrence en George Romney op een zeer hoog niveau gebracht. Toch was het de Duitser Johann Zoffany die de lievelingsschilder van koning George III (1738-1820) werd. Niet alleen in Engeland bereikte hij als schilder het hoogst haalbare. In 1776 werd hij door keizerin Maria Theresia (1717-1880) in de adelstand verheven. Zoffany was ook een avonturier en maakte van 1783 tot 1789 een grote reis naar Indië. Twee maanden geleden is er in Engeland een biografie over hem verschenen met als titel Johan Zoffany: Artist and Adventurer

Zoffany
Charles Towneley in zijn collectie (detail)
Zoffany schilderde overgedetailleerde schilderijen die een kunstcollectie moest inventariseren, met de trotse eigenaar tussen de kunstwerken in.
Johan Zoffany: Artist and Adventurer
In his early years in England, Johan Zoffany (1733-1810) was as much in demand as a portrait artist as Sir Joshua Reynolds and Thomas Gainsborough. Following in the footsteps of Hogarth, for whom he had the greatest admiration, he developed the art of the ‘conversation piece’ – the group portrait – and made the genre uniquely his own. As a painter at the court of King George III, he became a particular favourite of the Queen, Charlotte of Mecklenburg, who felt at home with this talented German-born artist who spoke her own language and who depicted her growing young family in a way that was both touching and unusually informal.
 
ZoffanyFrom early apprenticeships in Ellwangen and Regensburg, studying under Martin Speer, and Rome where he fell under the spell of Piranesi, Zoffany moved to London, finding work painting pastoral vignettes for the clockmaker Stephen Rimbault. From there he joined the studio of Benjamin Wilson whose passion for the theatre opened the door to London’s leading thespian, David Garrick. Under Garrick’s patronage, Zoffany popularised and perfected the art of the theatrical ‘conversation piece’ which captured the actor on stage in character, thereby acting as his publicist and provider of prints for his doting fans.
 
After being nominated by the King himself to membership of the Royal Academy of Arts, the artist – dogged by the want of money and need for escape – was offered the chance to accompany the naturalist Joseph Banks on the second Cook expedition to the South Seas, but their ship was deemed unseaworthy and the voyage was cancelled. In desperation, Zoffany turned to the Queen who agreed to send him to Florence to paint the Grand Duke’s renowned collection of paintings in the gallery of the Uffizi known as ‘The Tribuna’.
 
Bron: suebond.co.uk
Zoffany
Johann Zoffany 1771-72 (detail)
The Academicians of the Royal Academy

Johann Zoffany [ en.wikipedia.org ]

donderdag 14 januari 2010
bewijzen vermoeien de waarheid
begonnen aan het verbroken contract (1989) van George Steiner
het verbroken contractWe hebben het nog steeds over ‘zonsopkomst’ en ‘zonsondergang’, alsof het copernicaans model van het zonnestelsel niet voorgoed het ptolemeïsche wereldbeeld had vervangen. Vacante metaforen, versleten zegswijzen huizen vasthouden in onze woordenschat en grammatica. Ze worden betrapt in de hoeken en gaten van onze omgangstaal. Daar spoken ze rond, als oude vodden of geesten op zolder.
 
Dit is de reden waarom rationele mannen en vrouwen, vooral in de wetenschappelijke en technologische werkelijkheden van de westerse wereld het nog steeds over ‘God’ hebben. Daarom leeft het postulaat van het bestaan van God voort in zoveel veronachtzaamde uitdrukkingen en toespelingen. Geen plausibel denken of geloof garandeert Zijn bestaan. Er is ook geen begrijpelijk bewijs. Waar God met onze cultuur verbonden blijft, met onze vaste zegswijzen, is Hij een grammaticaal spook, een fossiel uit de kinderjaren van de rationele taal. Aldus Nietzsche (en velen na hem).
 
eerste twee alinea’s uit Het verbroken Contract van George Steiner (1989) vertaald door Herman Hendriks (1990)
De bewering van ‘de dood van God’ tast elke vezel van onze cultuur aan. Ze ligt ten grondslag aan de krachtige argumenten
voor afwezigheid, voor leegte
in hedendaagse analyses
van taal en vorm.

George SteinerHet thema van George Steiners werk is de geschiedenis, cultuur en literatuur van Europa. In zijn beschouwingen, zowel als in zijn romans en verhalen rond dit thema, nemen de cultuur en geschiedenis van het Jodendom en de Jodenvervolging in Europa daarbinnen een belangrijke plaats in: Europa pleegde zelfmoord door de Joden te doden, zei Steiner in 1969. Niettemin benadrukt hij ook de charmes van Europa, zoals de koffiehuizen en de klassieke muziek. In Nederland kreeg Steiner grotere publieke bekendheid door zijn deelname aan het interviewprogramma Nauwgezet en Wanhopig (VPRO-televisie, 1989) en het discussieprogramma Van de Schoonheid en de Troost (VPRO-televisie, 2000), beide van Wim Kayzer. Vanaf het eind van de jaren 60 begonnen er al diverse boeken van hem in Nederlandse vertaling te verschijnen bij verschillende uitgevers. In 1985 hield hij de Uhlenbeck-lezing aan het NIAS en in 1987 gaf hij in Leiden ook de Huizingalezing. In 2000, 2002, 2004 en 2008 was hij aanwezig op de conferenties van de Tilburgse stichting Nexus. ( Bron: nl.wikipedia.org )

George Steiner [ contemporarywriters.com ]

zondag 10 januari 2010
de ware Paulus
afgelopen week in Trouw: Plato en Paulusvertaler Gerard Koolschijn en
hoogleraar Bijbel en Ned. cultuur Patrick Chatelion Counet over Paulus

de Apostel PaulusOver de Apostel Paulus bestaan ontzettend veel vooroordelen. Volgens de een is hij de stichter van het fundamentalistische christendom, volgens een ander is hij een vrouwenhater en homofoob. Volgens weer anderen een fanaat, ophitser, demagoog, drammer en zelfs Romeinse spion. Gelukkig verschijnen er ook telkens weer publicaties die onderzoeken hoe eerlijk deze oordelen eigenlijk zijn. Zo verscheen begin vorig jaar bij uitgever Ten Have Paulus - De fundering van het universalisme van Alain Badiou. Deze niet-christelijke filosoof verbergt zijn sympathie voor Paulus niet en noemt hem zelfs ’de geniale anti-filosoof’. De gelauwerde Platovertaler Gerard Koolschijn maakte onlangs een rauwe vertaling van Paulus’ Brief aan de Romeinen. Deze week las ik een interview met hem in Trouw over zijn vertaling, waarin hij gehakt maakt van de Apostel der heidenen.

„Plato en Paulus draaien de materiële wereld de rug toe. Beiden gaan daarbij hevig tekeer tegen seksuele begeerte in zijn homofiele variant. Wanneer Paulus de slechtheid van de mens beschrijft is het eerste wat hij noemt de mannelijke en vrouwelijke homofiele liefde. Die krijgt een hele alinea, terwijl doodslag in een rijtje hebzucht, twist, kwaadsprekerij staat. Paulus voert een innerlijke oorlog, zegt hij, waarbij de wet van het lichaam vecht tegen de wet van zijn God. Hij verwart die wet van het lichaam op een rare manier met de joodse wet. In elk geval wil hij van die wet loskomen. Zoals een vrouw vrij komt voor een andere man wanneer haar man sterft, zo wil Paulus vrij komen voor zijn verlossende vereniging met Jezus. Die moet hem bevrijden van alle aardse strijd en hem vrede en eeuwige glorie bezorgen.
 
Dát vind ik het ergste, die afwijzing van het enige leven dat we hebben, in dienst van een hersenschim. En als zijn fundamentalistische vrienden nu maar in hun binnenkamer bleven en alleen zichzelf voor de gek hielden. Maar wat een vernietiging en misvorming hebben ze op hun geweten!”
 
Gerard Koolschijn in Trouw, dinsdag 5 januari, De Verdieping, pagina 27

Twee dagen later publiceerde dezelfde krant een reactie van bijzonder hoogleraar Bijbel en Nederlandse cultuur Patrick Chatelion Counet over Koolschijn’s vertaling van de Romeinenbrief. Chatelion Counet verdiepte zich in de vooroordelen over Paulus en schreef er een boek over.

Hoe kan het dat uw visie op Paulus zo essentieel verschilt van die van Koolschijn?
„Over deze teksten ligt tweeduizend jaar interpretatie, beïnvloeding, en bevooroordeling. En zeker de calvinistische interpretatie neigt naar fundamentalisme. Een vertaler zou zich daar aan moeten proberen te ontworstelen. Dat doet Koolschijn niet. Hij keurt de interpretatie van Paulus af, waarmee zijn voorouders probeerden te leven. Maar hij ziet de revolutionaire Paulus, de bevrijder, volkomen over het hoofd. Hij leest hem areligieus, zonder mystiek en antirevolutionair. Het maakt hem tot een atheïstische calvinist. Nog een laatste voorbeeld. Het meest ergert Koolschijn zich aan Paulus’ zogenaamde eis tot „gehoorzaamheid aan een zelfbedachte instantie.” Die gehoorzaamheid kom je bij Paulus nauwelijks tegen. „Onderzoek alles, behoud het goede,” schrijft hij in zijn vroegste brief. En: „Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig.” In die uitspraken kom ik een Paulus tegen die Koolschijn eigenlijk had willen zien.”
 
Patrick Chatelion Counet in Trouw, donderdag 7 januari, De Verdieping, pagina 27

Genie of Misgeboorte. Zeven vooroordelen over de Apostel Paulus
In zijn nieuwste boek presenteert Chatelion Counet zeven ‘Paulijnse paradoxen’. Is hij nu de volgeling van Jezus of de feitelijke stichter van het christendom? Is zijn schrijven fundamenteel joods of is hij een proto-antisemiet? Is het beroep dat velen op hem doen om homoseksualiteit en vrouwenemancipatie te veroordelen terecht? Is hij een manager of een mysticus, een rouwdouwer of een man van gebed? (Bron: rkkerk.nl)

Aan de Romeinen [vert. Gerard Koolschijn ] | Genie of Misgeboorte. Zeven vooroordelen over de Apostel Paulus

vrijdag 8 januari 2010
“uitroeien die beesten!”
gelezen Hart der Duisternis (1902) van Joseph Conrad
in de Nederlandse vertaling van Bas Heijne

Heart of DarknessNadat ik mij laatst weer eens had laten onderdompelen in de waanzin van Apocalypse Now besloot ik toch maar eens het boek te gaan lezen waarop deze film gebaseerd is. Joseph Conrad schreef Heart of Darkness aan de vooravond van de twintigste eeuw in 1898 toen de koloniale uitbuiting op een dieptepunt was. Maar Heart of Darkness is meer dan een boek over de duistere kant van het kolonialisme. Het gaat vooral over de mens die van God en gebod is losgeraakt en kan daarom ook worden gelezen als een metafoor op de moderne, goddeloze mens. Maar een moraal zoals bij Dostojewsky ("als God niet bestaat, is alles geoorloofd") zul je bij de ironische Conrad tevergeefs zoeken.

Het verhaal gaat over de missie van kapitein Marlow. Deze moet van een handelsmaatschappij op een verre post in de binnenlanden van Kongo agent Kurtz opsporen. Men zegt dat hij er ‘ondeugdelijke praktijken’ op na houdt. In de film Apocalypse Now is de missie van de hoofdpersoon verplaatst naar Vietnam en Cambodja en is Kurtz een Amerikaanse kolonel. Conrad baseerde het relaas van Marlow op zijn eigen ervaringen in Kongo Vrijstaat, waar hij als binnenschipper getuige was van de koloniale praktijken.

Heart of Darkness
In Heart of Darkness maakt de hoofdpersoon een bootreis en dringt niet alleen dieper door in de jungle maar ook in de duistere krochten van de menselijke geest
Hart der Duisternis van Conrad volgt de zoektocht van een jonge Kapitein van de Britse Oost-Indische Compagnie naar een voorganger die ‘verloren’ is in de Kongo. Kapitein Marlow en zijn bemanning stuiten op vele hindernissen tijdens hun reis, en worden blootgesteld aan de onmenselijkheden in het hart van de koloniale bezetting van Afrika. Als ze eindelijk hun doel (Kurtz) bereiken, ontdekken ze een stervende man die volledig is ‘gecorrumpeerd’ door zijn ervaring in de Kongo. Ze ontdekken dat Kurtz zichzelf heeft opgeheven tot de positie van een god die heerst over een gemeenschap van ondergeworpen inboorlingen en een leven leidt van beestachtigheid en buitensporigheid. Kurtz is haast een sekteleider, bevreesd en vereerd door zijn volgelingen. Maar ondanks zijn macht is Kurtz getraumatiseerd door wat hij heeft gezien en gedaan in Afrika, en zijn laatste woorden ‘the horror’ geven zijn geestelijke toestand weer.
 
Bron: nl.shvoong.com/books/

Joseph ConradJoseph Conrad werd in 1857 geboren in het Poolse Berdyczów (tegenwoordig Berdychiv in de Oekraïne) en groeide op in een verarmde adellijke en patriottistische familie. Zijn vader, Apollo Korzeniowski, schreef politiek getinte toneelstukken en vertaalde werken van auteurs als Charles Dickens, Victor Hugo en Shakespeare vanuit het Engels en Frans. In 1861 werd Josephs vader verbannen naar Vologda, en de 4 jarige Joseph en zijn moeder gingen mee. Vanwege de slechte gezondheid van moeder en het extreme klimaat in Vologda kreeg het gezin in 1865 toestemming om naar Tsjernihiv te verhuizen, waar moeder Ewelina Korzeniowska enkele weken later overleed aan de gevolgen van tuberculose. Vier jaar later overleed ook vader Apollo Korzeniowski, waardoor Joseph op 11 jarige leeftijd achterbleef als wees. Familielid Tadeusz Bobrowski nam de opvoeding voor zijn rekening, totdat de jonge Conrad op 16 jarige leeftijd verhuisde naar Marseille alwaar hij aanmonsterde op een schip en zeeman werd.

Conrad maakte vele reizen naar alle uithoeken van de wereld. Zijn jongensdroom om naar Afrika te reizen kwam uit. Hij voer ver landinwaarts op de Kongo door het de toenmalige Kongo-Vrijstaat. Indrukken en ervaringen van deze reis zijn terug te vinden in later werk, in het befaamde Heart of Darkness wordt de tocht over de rivier met een stoomschip uitvoerig beschreven en dient de reis naar het binnenland ook als metafoor voor een reis naar het innerlijke van de menselijke geest. Geschokt hoe de koloniale mogendheden zich gedragen tegenover de lokale bevolking besluit Conrad na één reis ontslag te nemen. (Bron: nl.wikipedia.org )


Congo-The Brutal History
BBC documentaire over Kongo-Vrijstaat de privékolonie van de Belgische koning Leopold II

Heart of Darkness [ books.google.com ]

dinsdag 5 januari 2010
terug naar het oerverhaal [ 2 ]
gelezen: het heilige en het profane (1957) van Mircea Eliade

Mircea EliadeOver godsdienstwetenschappers wordt wel eens gegrapt dat zij de enige wetenschappers zijn die niet in hun eigen bronnen geloven. Tijdens het lezen van het heilige en het profane van de godsdienst-historicus Mircea Eliade ontdekte ik hoe waar deze opmerking eigenlijk is. De van oorsprong Roemeense Eliade (1907-1986) was behalve godsdienst-historicus nog veel meer: yoga-kenner, religie-psycholoog, wijsgerig antropoloog en misschien ook wel socioloog. In het voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Hans Andreus schrijft deze dat Mircea Eliade meer verwant is met de dichter dan met de wetenschapper. Maar het heilige en het profane is vooral een boek van iemand die de smaak van honing beschrijft. Terwijl je van een dichter verwacht dat hij ‘hoger honing’ bezingt.

Misschien is dit het tragische lot van de wetenschapper; beroepshalve moet hij aan de kant blijven staan en daardoor mist hij datgene wat hij bestuderen wil: de levende ervaring. Omdat de godsdienstwetenschapper afstand schept tussen zichzelf en het object van zijn studie, kan hij niet participeren als een gelovige. Hij beschrijft de godsdienst(en) niet van binnenuit maar van buitenaf. Daardoor spreekt hij ook een andere taal. De terminologie die Eliade gebruikt, is even wetenschappelijk precies als kil. Religieuze ervaringen worden gebundeld en gelabeld in verstandelijke categorieën als ‘antropokosmische homologatie’, ‘zijnsmodus’ of ‘hiërofanie’. De godsdienstwetenschap brengt net als de fenomenologie een rationalistisch monstrum voort. Beiden worden gedreven door een diep verlangen om door te dringen tot de essentie. ‘Zurück zu den Sachen selbst‘ zoals de grondlegger van de fenomenologie Edmund Husserl het verwoordde. Maar in plaats van terug te keren naar de naakte verschijnselen, schept de fenomenologie een eigen metataal, waardoor het brandpunt juist op de taal komt te liggen en niet op de verschijnselen zoals oorspronkelijk de bedoeling was.

Mircea EliadeNiet elke wetenschapper hoeft in deze valkuil terecht te komen. Zo ontmoette de Peruaanse student antropologie Carlos Castaneda in 1960 in de Yaqui sjamaan ‘Don Juan’ terwijl hij de riten van zijn stam als studieobject gekozen had. Het verhaal is bekend: Castaneda gaf zijn positie als wetenschapper op en gaf zich over aan de levende ervaring. In zijn boeken deed hij verslag van de lessen die hij van zijn leermeester Don Juan ontving. De reacties waren voorspelbaar: zijn oudere vakbroeders noemden hem een charlatan, omdat hij zijn wetenschappelijke positie had opgegeven. Maar daardoor was hij nu een ingewijde in plaats van een buitenstaander ‘Het object van zijn belangstelling’ had hem uitgenodigd de grens te overschrijden en zijn wetenschappelijke houding op te offeren.

Het heilige en het profane is een boek van een wetenschapper die geconcentreerd schrijft over ‘het object van zijn belangstelling.’ Eliade heeft het voortdurend over ‘de goden’ maar dat blijft voor hem een categorie, evenals ‘de mythische helden’. Hij plaatst zich daardoor op een ‘wetenschappelijke Olympus’ die boven alle godenbergen uitreikt. Maar de religieuze ervaring zélf is in die positie onbereikbaar. De paradox is dat hij de religieuze ervaring wél dichterbij brengt, zoals onmiddellijk uit de eerste alinea van zijn boek blijkt:

Voor de religieuze mens is de ruimte niet homogeen. Hij toont scheuren en breuken; er zijn ruimte-delen die kwalitatief verschillen van de andere. ‘Kom niet te dichtbij’ zei de Heer tot Mozes ‘doe uw schoenen van uw voeten want de plaats waarop gij staat, is heilige grond. (Exodus 3:5) Er is dus gewijde, en daarom ’sterke’ veelbetekenende ruimte, en er zijn andere ruimten, die niet-gewijd, en bijgevolg over ‘t geheel zonder ordening en samenhang amorf zijn. De religieuze mens ziet deze ruimtelijke in-homogeniteit in de ervaren tegenstelling tussen de gewijde ruimte - de enige die werkelijk is, die werkelijk bestaat - en al het overige, de vormloze uitgestrektheid daar omheen.
 
Bron: eerste alinea uit ‘het heilige en het profane’
De religieuze mens ziet deze ruimtelijke in-homogeniteit in de ervaren tegenstelling tussen de gewijde ruimte - de enige die werkelijk is, die werkelijk bestaat - en al het overige, de vormloze uitgestrektheid daar omheen

Mircea Eliade

The Sacred and the Profane [ books.google.nl ] | castaneda.com

zaterdag 2 januari 2010
terug naar het oerverhaal [ 1 ]
25 jaar terug in mijn geschiedenis:
Mircea Eliade, Carl Gustav Jung en Anselm Kiefer

Mircea EliadeMet het lezen van het heilige en het profane uit 1957 van de bekende godsdienstwetenschapper Mircea Eliade (1907-1986 ) reis ik voor mijn gevoel weer 25 jaar terug in de tijd. Ik was begin twintig en voelde mij geestelijk ontworteld, een onderhuidse wanhoop die met religieuze honger beantwoord werd. Tijdens mijn studie aan de kunstacademie voelde ik mij vrij om aan de hand van geesten als Carl Gustav Jung en Mircea Eliade een spirituele reis te maken langs allerlei geestelijke tradities. Ik beschouwde hen als mijn gidsen op deze spirituele ontdekkingstocht.

Begin jaren tachtig was in de schilderkunst de figuratie terug van weggeweest en waren ‘jonge Duitsers’ en ‘jonge Italianen’ in de mode. De heftige en expressionistische schilderijen van deze jonge wilden waren meestal rauw geschilderd en daarmee verwant aan de subculturen van punk, grunge en graffiti. De enige nieuwe wilden die mij interesseerden waren Anselm Kiefer en Francisco Clemente. Naar mijn gevoel gingen zij inhoudelijk dieper dan de rest, juist omdat ze citeerden uit het verleden, bij voorkeur uit mythische verhalen. In het aanboren van Germaanse en Hindoeistische tradities brachten zij de tijdloze sapstroom weer omhoog. In diezelfde tijd las ik voor het eerst Man and his symbols van Carl Gustav Jung en gebruikte ik de universele beeldtaal van de archetypen ook bewust in mijn eigen tekeningen en schilderijen. Ik was ervan overtuigd dat een kunstenaar zijn eigen mythe schept. Religie moest opnieuw worden uitgevonden om waarachtig te kunnen zijn. Geïnstitutionaliseerde religie, met ons eigen Christendom voorop, vond ik niet authentiek. De toekomst was aan de esoterische, mystieke en mythische tradities die ik in mijn adolescente maakbaarheidswaanzin dacht te kunnen samensmeden tot een hoogst persoonlijke re-ligio, een blauwdruk van mijn ziel.

priester kunstenaar, 1916
laatste deel van het gedicht priester kunstenaar van Theo van Doesburg

Ik vond overigens wel dat dit met de nodige zelfspot moest gebeuren. Een hoogdravend ‘God in het diepst van mijn gedachten’ kon immers tot gevaarlijke zelfverheffing leiden. Een gedicht als priester-kunstenaar dat Theo van Doesburg in 1916 voor de Utrechtse schilder-mysticus Janus de Winter had geschreven, vond ik aantrekkelijk en afstotend tegelijk. Van Doesburg was overigens niet de enige die zo bralde in die tijd, onder kunstenaars zwangerde het van de Nieuwe Mensch die in het heldere licht van het modernisme geestelijk herboren moest worden. Uiteraard bedoelde men daar in de eerste plaats zichzelf mee. Dat de mythe van ‘de nieuwe Mensch’ een vruchtbare voedingsbodem voor foute ideologieën kon zijn, werd pas achteraf goed duidelijk. Zowel fascisme als communisme misbruikten de mythe van de nieuwe mens en van de moderniteit. Waarschijnlijk was Dada, een beweging die bewust anti-kunst nastreefde, een van de weinige bewegingen uit die tijd, die niet gevoelig was voor dergelijke aanlokkelijke gedachten. Als nuloptie had het dadaïsme geen idealen en ambities en dus ook niets te verliezen.

Ernst werd door de dadaïsten doeltreffend afgebrand met spot. ‘Nihil, nihil, driewerf nihil!’. De traditionele opvatting dat kunst het goede, het ware en het schone in zich verenigt, werd belachelijk gemaakt. De pop-art en later ook de punkbeweging hebben de anti-kunst van de dadaïsten in de twintigste eeuw voortgezet. Ideologie, grote verhalen en niet in de laatste plaats waarheid, kwamen na de 1945 onder sterke verdenking te staan. De klassieker The Open Society and its Enemies van Karl Popper uit 1945 zou een enorme invloed krijgen op het geestelijk klimaat na de Tweede Wereldoorlog. Op de weerlegging van theorieën zou een grotere nadruk komen te liggen dan op de bevestiging van theorieën. Betwijfelen van waarheid werd positiever dan het onderstrepen van waarheid. Het geestelijk klimaat werd na de oercatastrofe van de twintigste eeuw (1914-1945) steeds anti-dogmatischer en keerde zich daarmee van ‘de grote Waarheid’ af. Waarheid werd iets relatiefs en net zoiets individueels als de eigen mening.

Verwerping van ideologie en waarheid leek een veiliger optie dan bevestiging daarvan. En naarmate de meerderheid zich bij deze opvatting ging aansluiten, werd het een alsmaar veiliger optie. Spot bleek bovendien een doeltreffend middel om stellige opvattingen genadeloos af te branden. De geest van Dada bleef jonge mensen inspireren tot het cultiveren van een strategische nuloptie. Elke verheffende gedachte moest blijvend worden afgebrand met een methodisch en categorisch nihilisme. In de tweede helft van de jaren zeventig werden flower power en oosterse wijsheden door de punk afgekrabd of met spuitbussen overgespoten. No future! In dat klimaat kwam ik met een van de eerste lichtingen uit de Generatie X in 1983 naar de kunstacademie, terwijl er een schrijnende en vooral deprimerende jeugdwerkloosheid heerste.

De Duitse schilder Anselm Kiefer (1945) stond op dat moment erg in de belangstelling. In zijn werk verwees hij bijna altijd naar de Duitse geschiedenis en met een reflectie op de mythische dimensie van de Duitse identiteit, liet hij zien dat na Dada en pop-art de oude verhalen nog springlevend waren. In navolging van zijn ‘goeroe’ Joseph Beuys keerde hij zich af van het kosmopolitische modernisme dat na 1945 vooral uit New York kwam. De naoorlogse abstracte schilderkunst en ook de popart hadden zich in hun ogen teveel los gemaakt van plaats en tijd. In de drang naar universele geldigheid die het modernisme eigen is, had de moderne kunst zichzelf steeds verder uitgehold en, om met Simon Schama te spreken, was de kunst in de jaren zestig ontaard in “eindeloze pirouettes rond het heiligste der heiligen: de voorstellingstheorie.”

Net als Joseph Beuys legde Anselm Kiefer juist de nadruk op de innerlijke gelaagdheid en de interpretatie van het kunstwerk. Die gelaagdheid was vaak heel concreet. Bij Beuys en Kiefer zien we geen gladde en gelikte oppervlakten, zoals bij heel veel kunst uit de jaren zestig, maar juist rauwe en natuurlijke structuren, vaak half weggekrabd om de structuren daaronder bloot te leggen. Terwijl Beuys in zijn werk vaak verwees naar sjamanistische tradities, zocht Kiefer het eigen door de nazi’s besmette Duitse verleden op en onderzocht hij in zijn werk Germaanse en nationalistische mythen.

Anselm Kiefer
Anselm Kiefer markischer Sand, 1980

Een Duitse schilder die zo schaamteloos weer de aandacht vestigde op de mythe zoals die van Blut en Boden, werd met argusogen bekeken.Vooral de Boden werd er in zijn werk soms dik bovenop gelegd, zelfs letterlijk, want Kiefer verwerkte modder en stro in de rauwe verflaag. Op de kunstacademie noemde ik dergelijke kunst die toen erg in was spottend ‘zureregenkunst’. (’Zure regen’ was tussen de Club van Rome en de Kyoto Conferentie een veel gebezigde term in de milieuproblematiek) Het woord paste precies bij het deprimerende klimaat van de eerste helft van de jaren tachtig. Maar dit als een persoonlijke herinnering even terzijde.

Wat bezielde Kiefer om in de linkse jaren van de Baader-Meinhoff Gruppe de ‘dark room’ van Duitse mythen op te te zoeken? Kiefer geloofde dat het gevaarlijk was de mythe compleet te negeren. Na 1945 was de Duitse geschiedenis die taboe geworden. Vanaf 1949 moest er met de Bundesrepublik een nieuw Duitsland komen, gezuiverd van mythen. Hij wilde met zijn werk aantonen dat deze zuivering ook risico’s met zich meedroeg. De Britse historicus Simon Schama ziet het zo:

Het was duidelijk dat Kiefer het niet eens was met de opvatting die opgang deed bij de empirische historici in de jaren zestig, dat het Dritte Reich een historische abberatie was die weinig of niets te maken had met de lange traditie van het Duitse militaristische autoritisme. Het zou natuurlijk goed uitkomen als de geweldadige mythen van Blut und Boden veilig geklasseerd konden worden als specifiek nazistisch, en het daarbij te laten. Maar Kiefer is een te consciëntieuze cultuurhistoricus om dat soort keurige klasseringen te dulden. Democratie, lijkt hij te zeggen, wendt haar gezicht af van deze mythen, en dat is gevaarlijk. Wie hun betovering wil verbreken, moet tot op zekere hoogte hun kracht van dichtbij begrijpen, misschien wel binnen besmettingsafstand.
 
Bron: Simon Schama, Landscape and Memory (1995), Ned. vertaling 2007, blz. 147
Innenraum, Anselm Kiefer
Anselm Kiefer Innenraum, 1980

Voor Kiefer was het veiliger om het gevaar op te zoeken ook al was er het risico om zelf besmet te raken. Gelukkig zag men in de kunstwereld dat dit wel meeviel. Het Stedelijk Museum kocht al heel snel zijn schilderij Innenraum aan, dat een desolate aanblik bood op het uitgemergelde interieur van die Neue Reichskanzlei in Berlijn. Toch was niet iedereen enthousiast over Kiefer’s thematiek. Je bezighouden met mythen, bleef voor hen spelen met vuur. Sommige kunstcritici zagen in hem zelfs een ‘pyromaan’.

Het hoeft geen betoog dat Kiefers onbetamelijke bereidheid met vuur te spelen hem de beschuldiging heeft opgeleverd dat hij de gretige pyromaan was. In Duitsland wordt hij nog steeds met onaangename argwaan bekeken, en een reizende tentoonstelling door de Verenigde Staten in 1988-89 werd niet met onverdeeld enthousiasme ontvangen. Arthur Danto verweet hem zelfs achterbaks te zijn, zich te wentelen in een soort zonderlinge Wagneriaanse cult, en reclame te maken voor de mystiek van Blut und Boden die hij juist beweerde af te keuren.
 
Ik ben ervan overtuigd dat Anselm Kiefer geen verkapte fascist is (of wat voor fascist dan ook). Maar ondanks alle prijzen die hij heeft gekregen in Jeruzalem en Tel Aviv, is het makkelijk te begrijpen waar de argwaan uit voortkomt. Want die heeft zich gehecht aan talloze kunstenaars en antropologen die op afstand hebben genomen van de scepsis van de Verlichting over de culturele kracht van mythe en magie, en die in de ingewikkelde symbolische detaillering meer hebben gezien dan een misleiding van de naïeven door de gewetenlozen. Het staat vast dat mythen verleidelijk zijn. Een angstaanjagend aantal mensen die hun leven hebben besteed aan het coderen, vertellen en uitleggen ervan, is zelf aangetast door hun betovering. De moderne carrieres van Mircea Eliade en Joseph Campbell zijn alarmerende waarschuwingen. Campbell, dankzij de televisie de bekendste mythograaf in Amerika, was, blijkt nu, niet alleen een kenner, maar ook een aanhanger van heroïsche archetypen, en had beslist weinig geduld met de dagelijkse pietluttigheden van de democratie. Eliade, ongetwijfeld de voornaamste interpretator van de mythe, blijkt bezwarend betrokken te zijn geweest bij de wrede autoritaire politiek in zijn geboorteland Roemenië. En achter hen strekt zich natuurlijk een lange rij aanhangers van archetypen uit, van Carl Gustav Jung tot Friedrich Nietzsche (…), die door hun betrokkenheid bij de mythe aangezet werden tot vijandigheid jegens het individualisme van de natuurlijke rechten, en de democratische politiek die dat beschermt.
 
Bron: Simon Schama, Landscape and Memory (1995), Ned. vertaling 2007, blz. 148
Het staat vast dat mythen verleidelijk zijn. Een angstaanjagend aantal mensen die hun leven hebben besteed aan het coderen, vertellen en uitleggen ervan, is zelf aangetast door hun betovering. De moderne carrieres van Mircea Eliade en Joseph Campbell zijn alarmerende waarschuwingen.

Simon Schama

Ook eerder genoemde Mircea Eliade en Carl Gustav Jung staan nog altijd onder sterke verdenking bij degenen die de mythe schuwen. Mythen zouden mythografen besmetten met een verlangen naar een sterke leider en een afkeer van pietluttig overleg en democratie. Relativisme is het aangewezen middel om krachtige ideëen, waarvan de mythen een voertuig zijn, af te zwakken. Maar relativisme kan zelf ook weer een absoluut karakter krijgen. De postmoderne waarheid dat dé Waarheid niet bestaat, maar dat ieder heeft zijn/haar eigen waarheid heeft, is mijns inziens een zeer gevaarlijke gedachte. Achter het doodverklaren van het Grote Verhaal zoals dat in het post-modernisme gebeurt, verbergt zich zelf ook weer een Groot Verhaal dat maar moeilijk gezien wil worden. Een volgende keer meer hierover.

vrijdag 25 december 2009
vrede op aarde ?
Starets Johannes Krestjankin
Adviezen voor het geestelijk leven

VPRO gidsTerwijl onze koningin in haar kersttoepraak spreekt over ‘het nieuwe licht, de hoop in donkere dagen en het kerstkind’, zijn we intussen cynisch of op zijn minst sceptisch geworden in onze bezinning op de toestand in de wereld. Maar ‘vrede op aarde’ lijkt een even kunstmatige als onverwoestbare kerstgedachte. De VPRO gids probeert deze collectieve ‘kerstreflex’ te doorbreken en plaatst een zilveren duif op de cover met een gevleugelde zilveren tekst. ‘Oorlog op aarde’ Laten we de zoete dromen over kerstvrede dit jaar even opschorten. Vader Johannes Krestjankin wil ons ook wakker schudden. In zijn adviezen voor het geestelijk leven spreekt hij ons duidelijk toe: “Er bestaat helemaal geen vrede! Er is nooit vrede.” Maar toch zegt hij niet hetzelfde als Heraclitus die oorlog ‘de vader van alle dingen’ noemde. Integendeel, de starets (die in 2006 overleden is) wijst ons juist naar de Vader en Zijn Zoon in Wie wij de uiteindelijke vrede van het hart kunnen vinden. In de wereld blijft de vrede zo ver te zoeken dat het zalvende ‘vrede op aarde’ haast een perversiteit geworden is.

“Er bestaat helemaal geen vrede! Er is nooit vrede. De Heer heeft de wereld geen vrede gebracht, maar het zwaard. Dit zwaard des Heren klieft tot op het bot; alleen in geloof, alleen met God en in God vinden wij rust en vertroosting en kunnen wij gebeurtenissen interpreteren.”

Starets Johannes Krestjankin

Johannes Krestjankin(…) de spirituele ontreddering in West-Europa is inmiddels vele malen ernstiger dan die in Rusland en wij ontberen node geestelijk leiders als vader Johannes om ons zo nu en dan geestelijk door elkaar te schudden en ons leven en een ander perspectief te plaatsen dan dat van het ons omringende Westerse christendom, waarin een ’softe’ opvatting van de christelijke liefde en streven naar wereldse genoegzaamheid, een leven in vrede en rust, het vluchten voor ziekte en ongemak en het moeiteloos accepteren van de zonde de boventoon voeren. Wat voor een verfrissende ervaring is het niet om vader Johannes ons als het ware vanaf het papier toe te horen roepen: “Er bestaat helemaal geen vrede! Er is nooit vrede. De Heer heeft de wereld geen vrede gebracht, maar het zwaard. Dit zwaard des Heren klieft tot op het bot; alleen in geloof, alleen met God en in God vinden wij rust en vertroosting en kunnen wij gebeurtenissen interpreteren.”
 
Bron: vader Sergi Merks in het voorwoord van ‘adviezen voor het geestelijk leven’

adviezen voor het geestelijk leven [ nl.orthodoxlogos.com ]

zondag 22 november 2009
Hoe de stof de geest kreeg
gelezen in Beweging: IK is de directeur van mijn bewustzijn
een e-mail interview met Arie Bos
Arie Bos, Hoe de stof de geest kreegHoe de stof de geest kreeg
De evolutie van het ik door Arie Bos
Dit boek gaat over de samenhang tussen stof en geest. Het is in de wetenschap gebruikelijk de mens geheel te verklaren vanuit de stof. Anderen, de ‘spirituelen’, zijn vaak alleen geïnteresseerd in de geest, die de stof naar zijn hand zou kunnen zetten. Beide benaderingen zijn eenzijdig en leiden elk uiteindelijk naar een extreme kijk op het menselijke leven en de cultuur. Maar we leven nu eenmaal in een wereld die wij graag als samenhangend willen verklaren. Op de zoektocht naar die verklaring komen we vragen tegen als: wat is het verschil tussen dieren, de vroegste mensachtigen, de Neanderthaler en de moderne mens ? Wat is leven? Bepaalt DNA wie wij zijn? Is seks nodig voor het voortbestaan van het leven? Heeft de dood altijd bestaan? Waar zit het ‘ik’ eigenlijk? Is er bewustzijn mogelijk zonder hersenen? Zijn wij alleen maar natuur? Zouden wij vrij kunnen handelen als we alleen maar natuur zouden zijn? Of zijn we ook geest? Zo ja, wat hebben beide met elkaar te maken en wat is de geest dan eigenlijk? De auteur probeert samenhangen aan te tonen en te verklaren. Deze zoektocht kan onze opvattingen over de menselijke natuur ten goede komen.
 
Bron: christofoor.nl

e-mail interview met Arie Bos [ bewegingonline.nl ]

donderdag 19 november 2009
hogere esthetica
Kritik der Urteilskraft van Immanuel Kant na 200 jaar vertaald

Immanuel Kant - Kritik der UrteilskraftVijfentwintig jaar geleden moest ik het als kunststudent nog met een uitreksel doen, dat bij Uitgeverij Boom onder de naam Over Schoonheid is verschenen. Ruim tweehonderd jaar na Kants dood is er bij dezelfde uitgever nu eindelijk een integrale Nederlandse vertaling van de Kritik der Urteilskraft.

Deze derde Kritiek is het sluitstuk van Kants Magnum Opus, die de Kritik der Reinen Vernunft en de Kritik der Praktischen Vernunft compleet maakt. De vertaling is van Jabik Veenbaas en Willem Visser. Ze vertaalden ook de voorgaande kritieken, waarvan de laatste, Kritiek van de praktische rede, drie jaar geleden verscheen. Vandaag staat er in Trouw een artikel van Sebastian Valkenberg over Kritiek van het oordeelsvermogen waarin hij in gesprek is met Bart Vandenabeele, hoogleraar esthetica aan de Universiteit Gent.

Het boek is niet gemakkelijk, geeft Vandenabeele toe. Wat heet? De anekdotes die de moeilijkheidsgraad van Kants werk moeten illustreren zijn talrijk. Zo laat de schrijver Robert Musil één van zijn personages een aantal pagina’s lezen. Musil: „Als hij werkelijk consciëntieus de zinnen met zijn ogen volgde, had hij het gevoel dat een oude knokige hand met een draaiende beweging zijn hersenen uit zijn hoofd schroefde.”
 
Bron: Immanuel Kant blijft origineel - Trouw, 19 november 2009
Als hij werkelijk consciëntieus
de zinnen met zijn ogen volgde,
had hij het gevoel dat een oude
knokige hand met een draaiende beweging zijn hersenen
uit zijn hoofd schroefde

Robert Musil

Weinig boeken hebben zo’n stempel op de moderne cultuur gedrukt als Kants drie Kritieken. Na het succes van de Kritiek van de zuivere rede en de Kritiek van de praktische rede volgt nu Kants hoofdwerk over esthetiek, de Kritiek van het oordeelsvermogen. Opnieuw een primeur. De Kritiek van het oordeelsvermogen is de vervolmaking en voltooiing van Kants kritische filosofie. In deze derde Kritiek probeert Kant het theoretisch kennen en het praktisch handelen met elkaar te verbinden. In de laatste decennia heeft de belangstelling voor dit boek een enorme revival doorgemaakt.
 
uitgeverijboom.nl
zondag 15 november 2009
de vergeten oorlog van Kieft
… begon met de moord op Claes Swits in 1641

indianenverhalenTerwijl Duitsland door de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) verscheurd werd, beleefde de Republiek der Verenigde Nederlanden een bloeiperiode. De Gouden Eeuw had echter wel een zwart randje. In ons nationale bewustzijn hebben we de oorlog van Kieft (1643 tot 1645) keurig verdrongen. Maar in het Hudsonjaar komen ook de zwarte bladzijden uit onze koloniale geschiedenis naar boven. Drie Nieuw-Nederland deskundigen, Kees-Jan Waterman, Jaap Jacobs en Charles T. Gehring schreven in het kader van het Hudsonjaar het boek Indianenverhalen - De vroegste beschrijvingen van Indianen langs de Hudsonrivier (1609-1690) en daarin wordt de wrede oorlog tussen de Hollandse kolonisten en de Wickquasgeek indianen niet vergeten.

De kolonisten wilden liever
geen oorlog omdat de indianen
hen waardevolle handelswaar
gaven als pelzen. De gouverneur
Kieft ging tegen wil en dank
toch door met zijn plan.
In augustus 1641 werd de kolonist Claes Swits in Nieuw-Amsterdam door een Wickquasgeek-Indiaan vermoord. Het motief was wraak voor een eerdere overval en moord vijftien jaar daarvoor door Europeanen op een Indiaanse familie. De toenmalige bestuurder van de kolonie, Willem Kieft, greep deze moord aan om af te rekenen met de indianen in de buurt. De kringen rond Kieft zagen de indianen als een hindernis om de kolonie verder te laten doorgroeien. Om steun te verwerven onder de Europese bevolking voor een aanval op de Indianen richtte Kieft een raad van twaalf op, bestaande uit twaalf prominenten van de kolonie, die hem moest adviseren. De raad ging akkoord dat de daders voor de moord moesten worden gestraft, maar vonden het toch raadzaam om eerst te zoeken naar een diplomatieke oplossing. De gouverneur moest volgens de raad de Indianen herhaaldelijk vriendelijk vragen de dader uit te leveren. Kieft weigerde dit advies te volgen en verbood ook nog enige verdere samenkomst van de raad, toen deze daadwerkelijk inspraak wilde. De kolonisten wilden liever geen oorlog omdat de indianen hen waardevolle handelswaar gaven als pelzen. De gouverneur Kieft ging tegen wil en dank toch door met zijn plan.
 
Bron: nl.wikipedia.org

detail kaart van Nicolaes Visscher

detail van een kaart van Nicolaes Visscher van Nieuw-Nederland uit 1656. Dit is een latere druk uit 1685 toen de Engelsen Nieuw-Amsterdam hadden omgedoopt tot New York
Indianenverhalen
Op zoek naar een doorgang naar Azië voer Henry Hudson in 1609 de rivier op die later zijn naam zou dragen. Daarmee legde hij de grondslag voor de kolonie Nieuw-Nederland, met als hoofdstad Nieuw-Amsterdam, het latere New York. Hudsons tocht en de inbezitname van het gebied rond het eiland Manhattan bracht Nederlandse handelaars en kolonisten in direct contact met Indianen. Nederlandse predikanten, bestuurders en reizigers deden verslag aan het thuisfront over hun ontmoetingen met ‘wilden’, zoals zij bijna consequent werden aangeduid. Verwondering, fascinatie, afschuw en soms bijna etnografische afstandelijkheid strijden om voorrang in de beschrijvingen. In reisverslagen, brieven en journalen berichtten de nieuwkomers over het uiterlijk en de gebruiken van de inheemse bevolking. Boeiend zijn ook hun observaties van hoe de Indiaanse samenleving omging met zaken als bijvoorbeeld bezit of macht.
 
In Indianenverhalen zijn de vroegste beschrijvingen van deze Indianen samengebracht, ingeleid en verklaard door drie Nieuw-Nederlanddeskundigen. Ondanks het ontbreken van Indiaanse geschreven bronnen beschikken we met deze overleveringen toch over kennis van de levenswijze van de oorspronkelijke Amerikanen. Bovendien kunnen we door deze geschriften ook meer over de 17de-eeuwse Nederlanders zelf te weten komen. Wat zeggen hun beschouwingen en interpretaties van de Indiaanse culturen over hén?
 
Indianenverhalen: De vroegste beschrijvingen van Indianen langs de Hudsonrivier (1609-1690) - Kees-Jan Waterman, Jaap Jacobs en Charles T. Gehring - Walburg Pers - ISBN: 9057306263 - 22,50
 
Bron: walburgpers.nl
indianen

Nederlandse indianenverhalen [ nos.nl ]

donderdag 12 november 2009
triest voor de tropen
Het Trieste der Tropen van Claude Lévi-Strauss
vandaag precies 23 jaar geleden kwamen we voor het eerst in de tropen

Peru, november 1986Twee weken geleden overleed de wereldberoemde Franse etnoloog en structuralist Claude Lévi-Strauss op 100-jarige leeftijd. Vandaag is het precies 23 jaar geleden dat in de bus van Cerro de Pasco naar Pucallpa een exemplaar van Het Trieste der Tropen gestolen werd. Nota bene op onze eerste dag in de tropen! Ik blik vandaag terug naar 12 november 1986. In navolging van Claude Lévi-Strauss die in 1935 een reis maakte door de binnenlanden van Brazilië en in zijn beroemde boek verslag deed van de half-geciviliseerde indianenstammen die hij daar aantrof, wilden wij ook de indianenstammen (o.a. de Shipiba) bezoeken die leefden in het stroomgebied van de Ucayali, een van de bronrivieren van de Amazone. We hadden ons voorbereid op een triest paradijs, op toeristenindianen, illegale krokodillenjacht, ronkende en diesel lekkende aggregaten… Maar het fotootje van Johan Neeskens dat we aantroffen in een van de hutten in een indiaans dorpje, moest je je daar als Hollandse jongen nu triest of trots bij voelen?

Pucallpa kaart
Brazilië heeft 23 jaar later de snelweg van Rio naar Lima (BR 364) al klaarliggen. Peru moet alleen nog een “stukje” (rood) doortrekken van Pucallpa naar de Braziliaanse grens. Goed voor de economie, triest voor de tropen…
Het trieste der tropenHet trieste der tropen
In dit literair meesterwerk doet de auteur omstandig verslag van zijn Braziliaanse reizen, het land waar hij na zijn studietijd een aanstelling kreeg als docent aan de universiteit van São Paulo. In dit boek schetst de auteur ook de intellectuele reis die hem via de filosofie naar de etnografie leidde. Dit boek is echter befaamd om de delen die de Lévi-Strauss wijdde aan de vier Braziliaanse indianenstammen bij wie hij in de jaren dertig van de 20ste eeuw etnologisch veldonderzoek deed met name de Caduveo, de Borôro, de Nambikwara en de Tupi-Kawahib, allen levend in de deelstaat Mato Grosso.
 
De gebruiken en de materiële cultuur van deze ondertussen bijna verdwenen stammen beschrijft en documenteert de auteur (via fotomateriaal en tekeningen) met mededogen en respect. Het westerse superioriteitsgevoelen is de auteur vreemd, maar evenmin is hij geneigd een geïdealiseerd beeld van “le bon sauvage” of de “nobele wilde” zoals Jean-Jacques Rousseau naar voren schoof, te etaleren.
 
Bron: nl.wikipedia.org
Peru, november 1986
Yarinacocha, aan de Ucayali
november 1986

Claude Lévi-Strauss [ nl.wikipedia.org]

donderdag 5 november 2009
Rembrandt spreekt
aan het lezen in Rembrandt spreekt (2006) door Rudi Fuchs

FuchsIn het Rembrandtjaar 2006 werden aan de Rembrandt-bibliotheek weer vele tientallen nieuwe uitgaven toegevoegd. Een daarvan was het boek Rembrandt spreekt van Rudi Fuchs. Uitgeverij De Bezige Bij heeft na afloop van het Rembrandtjaar de oplage naar De Slegte laten overbrengen en daar ligt het boek nu al een tijdje in de ramsj. Fuchs is misschien geen echte Rembrandt-kenner maar hij is wel iemand die zich goed kan inleven in Rembrandt’s schilderijen en schrijft daar aanstekelijk over. Door aandachtig te kijken en de schilderijen als het ware te reconstrueren, slaagt hij erin contact te krijgen met de meester zelf.

Daarom heet zijn boek Rembrandt spreekt. Door scherpe waarneming probeert hij de gedachten van de meester af te luisteren en hem zo aan het woord te krijgen. Inmiddels heb ik twee hoofdstukken gelezen over de jonge Rembrandt. Aan de hand van Rembrandt’s eerste historieschilderij De Steniging van Stefanus uit 1629 laat Fuchs zien hoe Rembrandt als 23-jarige zijn leermeester Pieter Lastman weliswaar nog volgt, maar zich tegelijkertijd begint los te maken met gedurfde keuzen die van zijn genie getuigen.

de Steniging van Stefanus 1629
De Steniging van Stefanus 1629
Er spookte van alles
in zijn hoofd - de prenten
van Rafaël en Michelangelo -
en toen kwam het idee van
het grote donkere silhouet
van een ruiter tevoorschijn

Rudi Fuchs - Rembrandt Spreekt

Ik kan alleen gissen naar het moment waarop Rembrandt op dat krachtige silhouet van ruiter en paard is gekomen. Hij is, denk ik, begonnen met de figuur van Stefanus en de stenengooiers vlak achter de martelaar: dat is de meest traditionele groepering van de figuren, het meest Lastman. Dat was ook precies zijn probleem. Als het schilderij zo verder ging, wist hij, zou het een kundige maar tamme bedoening worden, terwijl hij juist bezig was met een onderwerp dat hem zo veel gelegenheid bood tot drama. Maar wat voor drama dan? Bij Lastman, had hij vastgesteld, moest je de dramatiek er eigenlijk bij denken als je naar de zorgvuldig en gedegen geschilderde vertelling keek. In het schilderen zelf, in opzet en uitvoering, gebeurde niets explosiefs. Lastman had hem verteld van Caravaggio in Rome. Er spookte van alles in zijn hoofd - de prenten van Rafaël en Michelangelo - en toen kwam het idee van het grote donkere silhouet van een ruiter tevoorschijn. Door die figuur zo dwars en radicaal, bijna buiten proportie, tegen de rest aan te zetten, kwam het schilderij toch nog dramatisch tot leven.
 
Het was de beslissende wending. Dat markante moment was nog niet aanwezig, denk ik, in Rembrandt eerste ontwerp; hij vond het onderweg, toen zijn schilderij vast begon te lopen en hij moest iets verzinnen; toen hij het gevonden had, leek het of het al die tijd voor de hand had gelegen. Alles viel op zijn plaats. Ongeveer zo moet het zijn gegaan. De Steniging van Stefanus vond zijn uiteindelijke vorm in een vrijwel onontwarbare samenloop van ingevingen en toevalligheden. Het optreden van de donkere ruiter, zo nadrukkelijk op de voorgrond, maakte van de eigenlijke steniging een tweede tafereel, terwijl het tegelijkertijd dat drastische contrast in belichting introduceerde. Die noodgrepen hadden zeker een effect, maar ik denk dat Rembrandt zich ook moet hebben gerealiseerd dat de Steninging vooral maatwerk was.
 
Bron: Rudi Fuchs in Rembrandt spreekt blz. 89 en 90

Rudi Fuchs als schrijver over beeldende kunst
Vanaf 1962 is Fuchs tevens actief als kunstcriticus; in eerste instantie schreef hij voor het Eindhovens Dagblad. Vanaf 1967/68 was hij criticus en columnist voor De Gids en voor NRC Handelsblad. Fuchs heeft veel artikelen over Nederlandse en buitenlandse kunstenaars gepubliceerd. Hij is auteur van boeken over onder meer Karel Appel en over Rembrandt en de Nederlandse Schilderkunst. (Bron: nl.wikipedia.org)

donderdag 1 oktober 2009
het wereldlandschap
tentoonstellingscatalogi De uitvinding van het landschap (2004)
en Panorama op de wereld (2001)

Panorama op de wereld. Van Bosch tot RubensIn 2004 was in het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen de tentoonstelling De uitvinding van het landschap te zien. Drie jaar eerder zag ik in het Noord-Brabants Museum in ’s-Hertogenbosch de tentoonstelling Panorama op de wereld. Van beide tentoonstellingen ben ik nu de catalogus weer eens aan het lezen. Op het eerste gezicht lijken deze twee grote landschapstentoonstellingen sprekend op elkaar omdat de ontwikkeling van de landschapsschilderkunst in de zestiende eeuw centraal staat.

Vlaamse landschapsschilderkunst van Patinir tot RubensVan Bosch tot Rubens was het in 2001 in ’s-Hertogenbosch en Van Patinir tot Rubens was het in 2004 in Antwerpen. De Noord-Brabantse hoofdstad legde daarbij vanzelfsprekend de nadruk op Jeroen Bosch terwijl de Zuid-Brabantse hoofdstad de nadruk legde op Pieter Paul Rubens. Antwerpen was van 1500 tot 1585 het centrum van de wereld. Ook voor de kunst was de stad belangrijk, niet alleen als centrum maar ook als knooppunt tussen de kunst van het Noorden en de Italiaanse kunst.

Zo werden bijvoorbeeld de tekeningen die Pieter Brueghel de Oude (overigens geboren in Noord-Brabant) in 1554 van zijn reis naar Italië meebracht, door de Antwerpse graveur en drukker Hieronymus Cock onder de naam ‘twaalf grote landschappen’ als losse prenten verspreid en hadden veel invloed. Het zijn wereldlandschappen met een hoge horizon en een vogelvluchtperspectief. Tegelijkertijd lopen Brueghel’s twaalf grote landschappen al vooruit op het naturalistische landschap van de zeventiende eeuw dat vooral in de Noordelijke Nederlanden tot grote bloei zou komen.

Pieter Brueghel de Oude
Pieter Brueghel de Oude Hieronymus
Dit is een goed voorbeeld van een panoramisch wereldlandschap waarin de kluizenaar rechtsonder een nietig figuurtje is.
De Vlaamse landschapsschilderkunst kende vanaf haar ontstaan op het einde van de 15e en begin 16e eeuw, een lange evolutie. De landschappen ontwikkelden zich van pittoreske of fantastische achtergronddecors tot zelfstandig meesterwerken waaronder zeestukken, dorpsgezichten, woudlandschappen en havenzichten. Omstreeks 1500 ontstaat het wereldlandschap. Dit type landschap ligt aan de oorsprong van de landschapsschilderkunst, Joachim Patinir en Henri met de Bles zijn pioniers van dit genre. Karakteristiek voor het wereldlandschap is haar gezichtspunt: de blik wordt langs bergen en rivieren naar de horizon geleid. De menselijke figuur verzinkt in dit weidse panorama.
 
Bron: codart.nl
Joachim Patinir
nogmaals Hieronymus in de woestijn
door Joachim Patinir

Goethe Landschaftliche Malerei (1818/1832)
Goethe schrijft hier over het zestiende eeuwse ‘wereldlandschap’ waarin je ergens in een hoekje een heilige Hieronymus of Maria Magdalena kunt ontdekken…
dinsdag 29 september 2009
dolende ziel
in navolging van Georges Rodenbach in Brugge, 1995

Gisterenavond vond ik een foto van mijzelf uit 1995 in Brugge. In mijn gedachten had ik toen het portret dat Lucien Lévy-Dhurmer (1865-1953) in 1896 maakte van de schrijver Georges Rodenbach (1855-1898).

Georges Rodenbach 1896
Lucien Lévy-Dhurmer portret van Georges Rodenbach (1896) en mijn navolging uit 1995

Voor mij is dat hét portret van de melancholicus, schitterend getroffen in het bleke, ziekelijke gelaat en zijn onderhuidse paniek. In Brugge zit je goed voor romantiek zou je denken. Zo niet voor Georges Rodenbach. Hij situeerde er zijn roman Bruges-la-Morte, maar in een verkeerde tijd. In de negentiende eeuw was Brugge ernstig in verval geraakt, heerste er armoede en prostitutie. Voor een poète maudit uit het fin de siècle daarom a place to be. Zijn roman Bruges-la-Morte werd in de decadente jaren negentig van de negentiende eeuw een hit, maar de Bruggelingen waren er niet blij mee. Tegenwoordig kun je je in een koetsje door Brugge laten rondtoeren en daarna genieten van een maaltijd die de Bourgondische gouden tijd doet herleven. Brugge is geknipt voor een romantisch weekendje voor twee personen dus. De laat-romantici en decadente dichters zagen dat duidelijk anders en bekeken de stad door een donkere bril. Die heb ik op bovenstaande foto eens uitgeprobeerd.

RodenbachGeorges Rodenbach (1855-1898) heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de wereldwijde renommée van de stad Brugge. De wijze waarop dit gebeurde werd hem echter door de Bruggelingen niet in dank afgenomen. Een stad die in volle actie was, enerzijds om een nieuwe haven te veroveren, anderzijds om de stad mooier en aantrekkelijker te maken, was er helemaal niet mee gediend om als La Morte te worden afgeschilderd. Zijn tweede boek, Le Carillonneur, werd zo mogelijk nog slechter onthaald, want dit was een regelrechte aanval op Brugge Zeehaven.
 
Brugge heeft dan ook steeds geweigerd aan Georges Rodenbach eer te bewijzen. Een voorstel om hier een straat naar hem te noemen, een standbeeld van hem op te richten of al was het maar een plakket tegen een muur te plaatsen, werd steevast geweigerd of genegeerd. Enkel een heel bescheiden plaatje, betaald door de familie Rodenbach, werd door de privévereniging ‘Les Amis de Bruges‘ ingemetseld in de trap van een woning Jan van Eyckplein. In Gent werd daarentegen wel een monument voor Georges Rodenbach opgericht.
 
Bron: nl.wikipedia.org
Dit is een geslaagde
en gevoelige evocatie
van een tot ziekelijke obsessie
en psychose verworden zoektocht
van een gefrustreerde man

over de verfilming van Bruges-la-Mort

opera en verfilming
Erich Wolfgang Korngold schreef in 1920 de opera Die tote Stadt. Het libretto is van Paul Schott (een pseudoniem van de vader van de componist) en is gebaseerd op Bruges-la-Morte. Rodenbach’s korte roman werd ook verfilmd in 1981 onder de naam Brugge, die Stille

Bruges-la-Morte [ fr.wikipedia.org ]

donderdag 13 augustus 2009
Goethe’s Grand Tour [ 3 ]
aan het lezen in Reis door Italië (1786-1788) van Johann Wolfgang Goethe:
Italien – das Land deutscher Sehnsucht
In den letzten Jahrhunderten ist Italien von den deutschen Dichtern, Künstlern und Denkern immer wieder mit unterschiedlichen Zielen und Vorstellungen bereist und neu entdeckt worden. Hierbei interessierten sich die Italienbesucher immer wieder für dieselben Gegenstände: das Land mit seinen Naturschönheiten, die von der Antike über die Renaissance bis zur Gegenwart reichende Kultur und schließlich die Bewohner der verschiedenen italienischen Regionen. Das Hauptinteresse der Italienfahrer konzentrierte sich auf die drei Städte Rom, Florenz und Venedig.
Sint Pieter door Goethe
gezicht op de Sint Pieter in Rome
tekening van Goethe
Rom galt jahrhundertelang als Inbegriff weltlicher und christlicher Geschichte, als Caput Mundi, als ewige Stadt, als Kosmos im kleinen. Während andere Städte, wie Florenz oder Bologna, Padua oder Neapel, ein geschlossenes Stadtbild besitzen, birgt Rom so viele verborgene Schätze, die selbst ein wochenlanges Durchstreifen erst langsam erschließt. In Rom haben Antike, Mittelalter, Renaissance und Barock ihre unauslöschlichen Spuren hinterlassen, hier umweht den Besucher mächtig der Geist der Geschichte, das Bewußtsein, auf demselben Boden zu wandeln wie Cäsar und Augustus, wie Apostel Paulus und Volkstribun Rienzi, wie Michelangelo und Raffael. Auch für Goethe stand der Romaufenthalt an der Spitze der italienischen Eindrücke. Hier fand er nach eigenem Bekenntnis zu sich selbst, hier sei er, »übereinstimmend« mit sich selbst, »glücklich und vernünftig« geworden.
 
Florenz
stand lange Zeit im Schatten Roms. Wer von Florenz nach Rom fuhr, der vergaß alsbald die Stadt am Arno; wer die Städte in umgekehrter Reihenfolge besuchte, dem wollte Florenz nach der römischen Vielfalt und Monumentalität auch nicht recht schmecken. Erst in der zweiten Hälfte des neunzehnten Jahrhunderts, als die Vorliebe für Geschichte und Kunst der Renaissance geweckt war, erhielt Florenz einen eigenen Rang in der Perlenkette städtischer Attraktionen.
 
Venedig, die dritte Stadtattraktion Italiens, besticht durch seine eigentümliche geographische Lage und mußte noch nie den Vergleich mit Rom scheuen. Schon immer galt es als exotische Perle des Mittelmeers, als Märchenstadt, wo Orient und Okzident einander die Hand reichen, Meer und Land sich begegnen. Eine Stadt für Träumer, die schon immer Künstler, Maler, Dichter und Komponisten inspiriert hat. Freilich blieben die Gefühle der meisten Reisenden zwiespältig gegenüber Venedig; die einen empfanden den Zauber, die andern sahen den Schmutz, die einen rochen den Duft des salzigen Meers, die andern witterten Verfall.
 
Bron: goethezeitportal.de
Warhol-Goethe
Tischbein’s Goethe door Andy Warhol

integrale tekst [ textlog.de ] | integrale tekst [ gutenberg.spiegel.de ]

zaterdag 8 augustus 2009
Goethe’s Grand Tour [ 2 ]
aan het lezen in Reis door Italië (1786-1788) van Johann Wolfgang Goethe

Toen Goethe begin september 1786 heimelijk naar Italië vertrok, was Frederik II (de Grote) van Pruisen twee weken daarvoor gestorven na een regeerperiode van 46 jaar. Precies zoveel tijd zit er ook tussen de Grand Tour van vader (1740) en zoon (1786).
postkoetsDe tijd had in de tussen- liggende periode bepaald niet stilgestaan, maar toch was de wereld van 1886 nog net pre-industrieel te noemen. James Watt had weliswaar twintig jaar voordat Goethe aan zijn Grand Tour begon de stoommachine uitgevonden, maar in Europa en zeker in Italië had deze revolutionaire uitvinding nog nauwelijks effect. Het zou nog ruim veertig jaar duren voordat de eerste spoorverbindingen er kwamen. Reizen over land ging hoofdzakelijk nog per postiljon. Het is aardig om te lezen hoe dat in die tijd ging en Goethe geeft daar soms gedetailleerde informatie over. Zo schrijft hij dat hij het eerste traject, van Karlsbad naar Regensburg (ruim 180 km), in 31 uur aflegt. Dat is gemiddeld dus in iets minder dan zes kilometer per uur!

Goethe in Rom
Goethes reis door Italië (1886-1888)

Ook moeten we in 1786 terug naar een totaal ander staatkundige situatie. Duitsland, Oostenrijk en Italië zoals we dat nu kennen, bestonden nog niet. In 1786 was Duitsland nog altijd een lappendeken van vorstendommen met als grootste het koninkrijk Pruisen, dat in Midden-Europa een nieuwe grootmacht was geworden. De Derde Silezische oorlog (1756-1763) tussen Pruisen (en bondgenoten) en het Habsburgse Rijk (en bondgenoten) lag nog tamelijk vers in het geheugen. Goethe was 13 jaar toen er in 1863 met de Vrede van Hubertusburg een eind kwam aan het zevenjarige conflict tussen Pruisen en Oostenrijk met de bodemschatten van Silezië als inzet. Maria Theresia van Oostenrijk was in 1780 gestorven en opgevolgd door haar oudste zoon Joseph II. Het huidige Oostenrijk vormde het centrum van het Habsburgse Rijk met haar veelheid van etnische groepen en gebiedsdelen. Zo vormden het huidige België en Luxemburg de Habsburgse Nederlanden en deze lagen gescheiden van het ‘moederland’. Andere gebiedsdelen zoals Hongarije, Zevenburgen (Transilvanië), Bohemen en Moravië vormden samen een cluster met Oostenrijk.

Beieren, Tirol en Venetië in 1786
Beieren, Tirol en de Republiek Venetië in 1786
inzet: het Heilige Roomse Rijk

Ook in Noord-Italië lagen Habsburgse rijksdelen en dit is ook het gebied waar Goethe doorheen trekt. Aan de zuidkant van de Brennerpas lag in Goethes tijd Zuid-Tirol met Bozen (het huidige Bolzano) als hoofdstad. Nog verder zuidelijker kwam je in Trentino bij het Gardameer. Aan de zuidzijde van dat gebied lag pas de taalgrens tussen het Duits en Italiaans en kwam je in de Republiek Venetië. Het Italië van tegenwoordig bestaat overigens pas sinds 1861 maar Trentino-Zuid-Tirol met zijn overwegend Duits-sprekende bergbewoners vormde nog tot 1918 een deel van Oostenrijk. Ondanks de veritalianisering in de twintigste eeuw was in 2001 nog bijna 70% van de bevolking van Zuid-Tirol Duitstalig.

Trentino-Zuid-Tirol
Na de Eerste Wereldoorlog werd het huidige Trentino-Zuid-Tirol, dat toen bij het Oostenrijkse Tirol hoorde, door Italië geannexeerd. De huidige provincie Zuid-Tirol was toen nog volledig Duitstalig, maar werd eveneens door Italië bezet zodat de waterscheiding op de staatsgrens met Oostenrijk kwam te liggen. Deze provincie werd in de daarop volgende decennia veritaliaanst, zowel door het Duits uit het openbare leven te bannen als door massale immigratie van Italianen. Onder het fascisme werden de Duitstaligen zelfs onder druk gezet om naar Oostenrijk te verhuizen. Onder internationale druk werd na de Tweede Wereldoorlog een verdrag gesloten tussen Italië en Oostenrijk (akkoord van De Grasperi-Gruber), waarin het gebied autonomie zou krijgen. In ruil daarvoor bleef het gehele gebied bij Italië. Deze autonomie garandeerde echter geenszins de rechten van de Duitstaligen, omdat zij in de regio Trentino-Zuid-Tirol nog altijd in de minderheid waren. Na gewelddadige acties van Duitstaligen in de jaren zestig besloot men daarom het zwaartepunt van de autonomie te verschuiven naar de provincies, zodat de Duitstaligen in Zuid-Tirol hun eigen beleid konden voeren. Door de grondwetswijziging van 2001 is deze autonomie nog verder uitgebreid. De bevoegdheden van de regio Trentino-Zuid-Tirol zijn hierdoor geminimaliseerd. Bron: nl.wikipedia.org

Tirol
Noord-Italië in Goethes tijd
Goethe begann seine Italienreise 1786, nachdem vorher bereits drei Anläufe zu einer solchen Reise abgebrochen wurden. Er reiste über Regensburg, Innsbruck und den Brenner zum Gardasee, nach Verona, Venedig, Ferrara, Bologna, Rom, Neapel und Sizilien. Dabei reiste er alleine, was zu seiner Zeit ungewöhnlich war. Der Fokus seiner Beschreibungen verschiebt sich im Verlauf des Werks. Im frühen Teil des Berichts dominieren meteorologische, botanische, geologische und geographische Beobachtungen (so suchte er etwa im Botanischen Garten von Palermo nach der “Urpflanze"). Ab seinem gut zweiwöchigen Venedigaufenthalt im Oktober 1786, der von Theaterbesuchen geprägt ist, treten jedoch kulturelle Themen in den Vordergrund.
 
Sein Hauptinteresse liegt dabei in der Antike. Mittelalterlicher und neuzeitlicher Kunst bringt er wenig Interesse entgegen, besonders, wenn sie christlich geprägt ist; so besucht er beispielsweise in Assisi nicht die Grabeskirche des heiligen Franz von Assisi mit den Fresken von Giotto, sondern vielmehr den in eine Kirche umgewandelten Tempel auf dem Hauptplatz der Stadt. Werke von Michelangelo und Raffael bewundert er zwar, beschreibt sie jedoch ausdrücklich nur unter ästhetischen Gesichtspunkten und unter Ignorierung des religiösen Hintergrunds.
 
Einen großen Raum nimmt Goethes eigene Malerei ein. Er verkehrt in Künstlerkreisen und trägt sich mit der Absicht, vom Literaten selbst zum Maler zu werden. Trotz intensiver Übungen scheitert dieser Plan jedoch letztlich. In seine italienische Zeit fällt die Fertigstellung und Veröffentlichung der Iphigenie auf Tauris, für die er von allen Seiten mehr Anerkennung erntet als für seine Versuche als Maler. Kontakte zu Einheimischen werden in der Italienischen Reise kaum dargestellt. Goethe spricht zwar über die Unterschiede zwischen der italienischen und der deutschen Mentalität, macht dies jedoch nicht an konkreten Bekanntschaften fest, sondern beschreibt eher seinen Eindruck von der Bevölkerung als Ganzes. Eine wichtige Rolle kommt etwa der Darstellung des römischen Karnevals zu, von dem er eher abgestoßen ist. Grundsätzlich steht er der italienischen Mentalität jedoch positiv gegenüber.
 
Bron: de.wikipedia.org

integrale tekst [ textlog.de ] | integrale tekst [ gutenberg.spiegel.de ]

donderdag 6 augustus 2009
Goethe’s Grand Tour [ 1 ]
aan het lezen in Reis naar Italië (1786-88) van Johann Wolfgang Goethe

Goethe in ItaliëHet is te lang geleden dat ik samen met mijn broer Italië van Noord tot Zuid (Milaan, Florence, Rome, Napels, Brindisi, Venetië) doorkruist heb. En omdat het er dit jaar niet meer van komt terwijl mijn heimwee naar Italië niet minder geworden is, heb ik besloten deze maand met het dagboek van Goethe in de zon, een ‘virtuele’ reis door het land van de antieken te maken.

De Grand Tour zoals de reis naar Italië ten Noorden van de Alpen genoemd werd, was voor kunstenaars al vanaf de zestiende eeuw bijna een verplicht nummer. Meestal had de reis Rome dan als doel waar ze geacht werden de klassieke kunst te bestuderen. Onderweg werd er ijverig geschetst en zo werd ook het Italiaanse landschap zélf een klassiek thema in de schilderkunst, meestal rijkelijk voorzien van eenzame zuilen en antieke ruïnes. Goethes Grand Tour was eigenlijk meer een vlucht dan een geplande reis. Het was zeker geen sabbatical die de net 37-jarige minister zichzelf veroorloofde, want zijn werkgever wist nergens van! Goethe kneep ‘m er in het holst van de nacht dus gewoon tussenuit…

Den 3. September 1786.
Früh drei Uhr stahl ich mich aus Karlsbad, weil man mich sonst nicht fortgelassen hätte. Die Gesellschaft, die den achtundzwanzigsten August, meinen Geburtstag, auf eine sehr freundliche Weise feiern mochte, erwarb sich wohl dadurch ein Recht, mich festzuhalten; allein hier war nicht länger zu säumen. Ich warf mich ganz allein, nur einen Mantelsack und Dachsranzen aufpackend, in eine Postchaise und gelangte halb acht Uhr nach Zwota, an einem schönen stillen Nebelmorgen. Die obern Wolken streifig und wollig, die untern schwer. Mir schienen das gute Anzeichen. Ich hoffte, nach einem so schlimmen Sommer einen guten Herbst zu genießen. Um zwölf in Eger, bei heißem Sonnenschein; und nun erinnerte ich mich, daß dieser Ort dieselbe Polhöhe habe wie meine Vaterstadt, und ich freute mich, wieder einmal bei klarem Himmel unter dem funfzigsten Grade zu Mittag zu essen.

Goethe in ItaliëEr wordt van alles beweerd over zijn vlucht. Vaak wordt aangenomen dat hij zijn relatie met hofdame Charlotte von Stein even wilde laten bekoelen. Maar het is ook aannemelijk dat hij in Italië de geest van zijn vader zocht, die vier jaar eerder was overleden. Johann Caspar Goethe maakt negen jaar voor de geboorte van zijn beroemde zoon op 30-jarige leeftijd een Grand Tour. Hij schreef een reisverslag in de vorm van 42 brieven, in het Italiaans opgesteld. Daar deed hij twintig jaar over. De jonge Goethe heeft zijn vader vaak over zijn Italiëreis horen vertellen. Italië was in de achttiende eeuw das Land deutscher Sehnsucht en voor Goethes vader was het zelfs het paradijs. Daarom is het aannemelijk dat de zoon na de dood van zijn vader op zoek gaat naar zijn geest in dat paradijs. Wat had zijn vader in Italië nu precies gevonden dat zijn ziel zo had opgewekt? In Reise durch Italien im Jahre 1740. Viaggio per l’Italia dat zoon Goethe uiteraard goed kende, is daar natuurlijk wel iets over te lezen, maar Italië is toch bovenal een ervaring en daarvoor moet je eerst de Alpen doorkruisen of in Marseille de boot naar Genua of Ostia (Rome) nemen. Goethe deed het eerste omdat hij uit Duitsland kwam en de geijkte route liep al sinds de oudheid vanuit Augsburg over de Brennerpas naar het Benacus meer (Gardameer). Bovendien was in 1777 op de Brenner het muilezelpad vervangen door een uitstekende weg die begaanbaar was voor postiljons.

kaart Noord-Italië
van München tot Venetië
6 - 28 september 1886

Brenner Pass
The Romans regularized the already traditional crossing. The first Roman road connecting Italy with the province of Raetia north of the Alps, Via Claudia Augusta, was finished in 46-47 AD, but it did not cross the Brenner. The road started in Verona and followed the Adige valley to the Reschen Pass from where it descended into the Inn valley and from there over the Fern Pass to Augusta Vindelicorum (Augsburg). Not until the 2nd century AD was a road over the Brenner Pass opened: coming through the Pustertal, the road crossed the Brenner and descended from there to Veldidena (today Wilten), where it crossed the Inn and then the Zirler Berg towards Partenkirchen and on to Augusta Vindelicorum. The Alamanni crossed the Brenner Pass southward into Italy in 268 AD, to be stopped in November at the Battle of Lake Benacus. The pass was a trackway for mule trains and carts until a carriage road was opened in 1777. The railway was completed in 1867 and is the only transalpine rail route without a major tunnel. Since the end of World War I in 1918, when international borders shifted, control of the pass has been shared between Italy and Austria. Until then, both sides of the pass had been within the Habsburg-ruled Austro-Hungarian Empire.

Bron: en.wikipedia.org

Reizen via een dagboek is reizen door de ruimte binnen de geest van de ander. Lezende in Goethes dagboek maakt tegelijkertijd dus duidelijk wie Goethe is en waarom je zijn geest als een wereld op zich kunt beschouwen. Een grote geest is een geest die zich zo wijd uitstrekt dat het een landschap wordt waar je met je eigen geest in kunt rondwandelen, zonder dat het saai wordt. Want eigenlijk is het niet één landschap, maar zijn het meerdere in elkaar geschoven werelden die Goethe met zijn waarneming openbreekt en onderzoekt. Het is alsof hij alles indrinkt wat hij op zijn reis ontmoet: de bergen en hun natuurlijke historie, de lucht en de weerkunde, de klederdrachten en de volkenkunde, de begroeiing en de plantkunde, de huizen en de architectuur. De zintuiglijke waarneming gaat daarin telkens voorop. Ergens op de eerste bladzijden van zijn Italiaanse dagboek, dat hij overigens pas rond 1813-1817 (30 jaar later!) herschreef, laat hij de lezer weten:

Mir ist jetzt nur um die sinnlichen Eindrücke zu tun, die kein Buch, kein Bild gibt. Die Sache ist, daß ich wieder Interesse an der Welt nehme, meinen Beobachtungsgeist versuche und prüfe, wie weit es mit meinen Wissenschaften und Kenntnissen geht, ob mein Auge licht, rein und hell ist, wieviel ich in der Geschwindigkeit fassen kann, und ob die Falten, die sich in mein Gemüt geschlagen und gedrückt haben, wieder auszutilgen sind.
Nun wurde es dunkler und dunkler, das Einzelne verlor sich, die Massen wurden immer größer und herrlicher, endlich, da sich alles nur wie ein tiefes geheimes Bild vor mir bewegte, sah ich auf einmal wieder die hohen Schneegipfel vom Mond beleuchtet, und nun erwarte ich, daß der Morgen diese Felsenkluft erhelle, in der ich auf der Grenzscheide des Südens und Nordens eingeklemmt bin.

Goethe over de Brenner

goethezeitportal.de | integrale tekst [ textlog.de ] | integrale tekst [ gutenberg.spiegel.de ]

zondag 19 juli 2009
revolutie in de schilderkunst
gelezen The Painter’s Eye (1951) van Maurice Grossman
Chapter Six: The Second Revolution
The Painter's Eye<The Academic tradition, as I have already pointed out, was principally concerned with the planned picture. All the academic devices of underpainting, color theory, composition, anatomy, drawing from nude models and painting from these drawings, historical research in costume, literary research in the classics, and so on, which are still taught at the Academie des Beaux Arts in Paris, had as their sole end the production of a planned picture with a subject. Even today in Paris, a student competing for the Prix de Rome in painting, is shut up ‘en loge’, in a studio with a bed, food, paints,canvas, access to books and models, and a subject (Ceasar on the Rubicon, Achilles in His Trent, The death of Cleopatra) and is expected to paint without help and in a given time a picture by which his merits as a painter can be judged. Since the acadmic devices were designed precisely for turning out these elaborately planned pictures with a subject, the planned picture could lend itself all to easily to anecdote and official poetry. And this, of course, it did. It is perhaps not the fault of the academies that official poetry of the nineteenth century went bad. But the academies did very little to prevent it. Even when such magnificent painters as David and Ingres were at the head of the Beaux Arts, the official poetry the Academy and the salon endorsed was none too good (like the official poetry of Napoleon’s coronation both of these painters illustrated).
 
After Ingres official poetry was atrocious. Noble romans, cardinals drinking wine, Fausts and Marguerites, Uncle Tobies and Widow Wadmans, Arab slave marts, coy nymphs and satyrs out on a spree, scenes of domestic life, of children, of dogs, of soldiers, that filled the official salons are not too good subjects for pictures, nor would it have been possible to have made good pictures from them. They have nothing to do with the painter’s private view of the world and his own mind, out of which alone good pictures canbe made. They are not even interesting as stories. Their sentimental Romanticism is as false and official as the sentimental Realism of our own movies. These, nevertheless, were the subjects of the pictures accepted by the salon and awarded prizes. For just as our own moviemakers believe that the middle-class life, when glamourized by photography, becomes in some mysterious way interesting, these painters were convinced that an anecdote, no matter how silly, could be dignified by painting into art.
It is on this account that ‘academic painter’ has come to mean ‘bad painter’, and it is here that the Impressionist revolt begins. It is the Impressionist revolution which is the source of all painting of the present day.

Maurice Grosser
The Painter’s Eye, 1951

We today have no ideas how bad these pictures were. We have not seen them. The museum which once bought or accepted them as gifts are ashamed to hang them, or even to admit they still preserve them in their cellars. When they come up at public auction they are knocked down for the dubious value of their gold and plaster frames. Few students of nineteenth century painting know them even as photographs. But what we all know is that after Ingres, no painter we admire today belonged to an official academy. The living tradition of our painting is the tradition of revolt. For us a painter who receives official sanction is under grave suspicion, because, after Corot and until Picasso, not a single paainter whose work has had any influence on our taste or painting received official recognition during his lifetime from these academic circles, or was anything but a scandal to them. It is on this account that ‘academic painter’ has come to mean ‘bad painter’, and it is here that the Impressionist revolt begins. It is the Impressionist revolution which is the source of all painting of the present day.
We are accustomed to think Impressionism as the theory of broken color, as a revolt against the brown sauces of the academic painters. But the Impressionist revolt was more profound than this. It was a revolt against the anecdote, and even against the planned picture itself.

Maurice Grosser
The Painter’s Eye, 1951

We are accustomed to think Impressionism as the theory of broken color, as a revolt against the brown sauces of the academic painters. But the Impressionist revolt was more profound than this. It was a revolt against the anecdote, and even against the planned picture itself. The Impressionists threw overboard the whole body of academic tradition. The great scandal of their painting was not that pictures were bright but that they were unpremediated.
 
Bron: The Painter’s Eye (1951) by Maurice Grosser
maandag 6 juli 2009
de pijn van het worden
gelezen in Beweging: In de aap gelogeerd door Jan Hoogland
en Zonder Begin is er niets van Ad Prosman in Letter & Geest, Trouw

Charles DarwinHet Darwinjaar is inmiddels halverwege en iedere week verschijnen er wel publicaties over de betekenis van Darwin’s evolutietheorie voor onze tijd. Natuurlijk speelt daarbij (gelukkig!) nog altijd de vraag ‘Evolutie of Schepping?’ Aanhangers van ID (Intelligent Design) of theïstisch evolutionisme menen dat het én-én is. Terecht krijgen zij kritiek van zowel degenen die van de evolutietheorie uitgaan als van degenen die trouw willen blijven aan het Scheppingsverhaal.

Afgelopen weekend stond in Letter & Geest (Trouw) een waardevolle kritiek op ID van de theoloog en predikant Ad Prosman. Eerder las ik in Beweging, een uitgave van de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte, een artikel van Jan Hoogland (’In de aap gelogeerd’) waarin hij het thema Schepping/evolutie als non-issue bestempelt. Beide auteurs gaan uit van het primaat van de liefdevolle Schepper die aan het begin en aan het einde staat. Jan Hoogland besluit zijn essay met het primaat van dit geloof, de keuze voor de Weg van Christus en de rijkdommen die het Scheppingsverhaal verbergt voor degenen die deze Weg willen gaan:

Volgens mij is de kern van het het christelijk geloof dat het een levenskeuze is: de keuze om een bepaalde weg te gaan. Bij het gaan van die weg behoren onvermijdelijk ook bepaalde noties of vooronderstellingen over de werkelijkheid. Die noties geven bijvoorbeeld antwoord op de vraag waarom het goed of belangrijk is om die weg te gaan en wat je ervan mag verwachten. In het geval van het christelijk geloof zijn bij het gaan van die weg tal van dat soort noties en vooronderstellingen van belang: dat het in het gaan van die weg gaat om de ander,de naaste; dat mensen vaak gericht zijn op zichzelf en de kracht van God nodig hebben om dat te doorbreken; dat zij door Christus verlost moeten worden van die gerichtheid op zichzelf; dat de navolging van Christus een weg is tot behoud; dat alleen het gaan van de weg achter Christus aan tot heil kan leiden.
 
Dat alles tezamen vormt de kern van het christelijk geloof. Het geloof is met andere woorden een levenskeuze om een weg te gaan in vertrouwen dat die weg ten goede leidt. Geloof is daarmee ook overgave aan de trouw en goede bedoelingen van God die je leven leidt. De Bijbel speelt voor het gaan van die weg een belangrijke rol als gids, een routebeschrijving, een handleiding, een bemoedigend woord. Om het die rol te laten spelen, zal de gelovige iedere keer weer voor de uitdaging gesteld worden om de betekenis van een bepaald gedeelte voor het eigen leven zichtbaar te krijgen. Dat lukt het beste wanneer hij daarbij niet gehinderd wordt door al te stellige opvattingen over wat die betekenis zou moeten zijn. Ook de eerste Bijbelhoofdstukken barsten van betekenis voor mensen die in navolging van Christus leven. Ook al hebben we geen flauw benul van de lengte van dagen die in deze hoofdstukken beschreven staan.
 
Bron: In de Aap gelogeerd? door Jan Hoogland in Beweging, zomer 2009

Ad Prosman kijkt in zijn artikel ‘Zonder begin is er niets’ (Trouw, zaterdag 4 juli) vooral naar de gevolgen van de evolutietheorie voor onze zingeving. Hij doet dat door te onderzoeken hoe één van de eerste en tegelijkertijd invloedrijkste Westerse filosofen het gedachtengoed van Darwin begon te verwerken. Zoals bekend verscheen Darwin’s ‘coming out’ (On the origin of Species) in 1859 en werd het direct gretig gelezen, niet alleen in Engeland, maar dankzij vertalingen ook in Frankrijk en Duitsland. Overigens is de eerste Duitse vertaling van de paleontoloog en zoöloog Heinrich Georg Bronn die al in 1860 verscheen geen betrouwbare gebleken. Bronn had bijvoorbeeld ‘bevoorrechte soorten’ consequent vertaald met ‘perfecte rassen’ en dat zegt genoeg. In 1867 verscheen tenslotte een verbeterde Duitse vertaling van de entomoloog en zoöloog Julius Victor Carus die daarna de Duitse standaardvertaling werd.

Friedrich NietzscheProsman meldt niet welke vertaling Nietzsche gelezen heeft, want over deze filosoof gaat het, maar wél dat hij in de jaren zestig van de negentiende eeuw de opkomst het darwinisme meemaakte tijdens zijn studie in Basel en dat hij er zeer door geschokt was. Je zou Nietzsche’s filosofie zelfs als een radicale geestelijke uitwerking van Darwin’s biologische evolutietheorie kunnen zien: het einde van de teleologische visie op de geschiedenis en ‘het begin’ van de grote nivellering die Nietzsche die ewige Wiederkehr deze Gleichen noemt en die nog altijd prima in staat is de bodem onder ons bestaan weg te slaan zodat we vervolgens in een zwart gat wegzinken. Het gaat hier om het nihilisme, dat in bedekte of onbedekte vorm altijd deprimerend is. Daar helpt geen lieve welvaart aan. Integendeel, we zijn welvarender dan ooit en slikken met z’n allen meer anti-depressiva dan ooit tevoren. Een wereld waaronder de bodem is weggeslagen, verzinkt in een depressie. Dat is wat Nietzsche voorzag. Als gewoon mens kon hij die gedachte niet (ver)dragen, dus ontwikkelde hij een filosofie om dat wél te kunnen. Door zijn concept van de Übermensch als ‘kroon op een doelloos (lees: zinloos) universum’ te gaan léven, wilde hij de zinloosheid kunnen trotseren.

Nietzsches Denkweg. Theologie - Darwinismus - NihilismusDe Duitse filosofe Edith Düsing schreef een dik boek over Nietzsche en de evolutietheorie, Nietzsches Denkweg. Theologie - Darwinismus - Nihilismus Daarin schrijft ze dat Nietzsche niet zozeer geschokt was door het evolutionaire feit dat de mens van het dier afstamt, maar juist wél over het feit dat de natuur ‘blind’ (zinloos en wreed) is. Düsing spreekt zelf van fysiocratie in plaats van theocratie. Niet God regeert, maar de natuur (het recht van de sterkste). Ook spreekt ze van ‘een vreselijke verdrijving’ van de mens uit zijn geborgenheid in God.

Vroeger probeerde men het gevoel van heerlijkheid van de mens te bereiken door op zijn goddelijke afkomst te wijzen: dit is inmiddels een verboden weg geworden, want aan de ingang ervan staat de aap, en ander gruwelijk gedierte, en laat vol begrip zijn tanden zien als om te zeggen: niet verder in deze richting!
 
Bron: Friedrich Nietzsche in Morgenrot

Nog steeds wordt niet voldoende beseft, wát het aannemen van de evolutietheorie (en wie doet dat eigenlijk niet, al dan niet in combinatie met het christelijk geloof?) precies betekent. Nietzsche was zich er pijnlijk van bewust.

Evolutie wil niet méér zeggen dan dat alles komt en vergaat, dat alles in beweging is en dat alles zich ontwikkelt. Maar er is geen doel. Alles ontwikkelt zich volgens de wetten van de natuur en tegelijk is alles toeval.

Zonder begin is er niets
Ad Prosman

De Darwin-shock opende Nietzsche de ogen voor het feit dat het Darwinisme niet alleen ingrijpende gevolgen had voor de wetenschap, maar voor alle sectoren van het leven. Evolutie wil niet méér zeggen dan dat alles komt en vergaat, dat alles in beweging is en dat alles zich ontwikkelt. Maar er is geen doel. Alles ontwikkelt zich volgens de wetten van de natuur en tegelijk is alles toeval. We hebben te maken met de woeste stroom van het worden (Heraclitus). De natuur wordt niet meer geleid, niet meer in toom gehouden., Voor Nietzsche werd het steeds duidelijker dat als God de natuur niet leidt, de mens dit zal moeten doen. De mens moet voorkomen dat het blinde toeval zal regeren. Om die reden ontwikkelde hij zijn gedachten over de Uebermensch.
 
Anders dan voor Nietzsche bestaat voor de christen de pijn van het worden uit het feit dat het de opheffing is van de geschiedenis. Het worden slaat een bodem daaronder vandaan. Want het begin van het worden is niet meer te achterhalen en er is evenmin een doel, omdat er geen midden is van waaruit oorsprong en doel bepaald kunnen worden. Dat gevoel van ontworteling is het ergste dat een mens kan overkomen en dat wordt niet goedgemaakt door bijna stiekem nog een plaatsje voor God te willen inruimen.
 
Bron: trouw.nl
Anders dan voor Nietzsche bestaat voor de christen de pijn van het worden uit het feit dat het de opheffing is van de geschiedenis. Het worden slaat een bodem daaronder vandaan .( … )
Dat gevoel van ontworteling is het ergste dat een mens kan overkomen en dat wordt niet goedgemaakt door bijna stiekem nog een plaatsje voor God te willen inruimen.

Zonder begin is er niets
Ad Prosman

bewegingonline.nl | zonder begin is er niets [ trouw.nl ]

donderdag 2 juli 2009
virtuoze streken [ 1 ]
gelezen in The Painter’s Eye van Maurice Grosser
Chapter 5: The Brush Stroke and the Photograph

The Painter's EyeMaurice Grosser (1903-1983) was een Amerikaanse schilder. In 1951 schreef hij The Painter’s Eye dat in 1956 als pocketbook verscheen bij Mentor Books. De laatste dagen lees ik daar veel uit. In het vijfde hoofdstuk beschrijft hij hoe zich in de tweede helft van de negentiende eeuw in de society schilderkunst twee stromingen ontwikkelden: een rechts conservatieve vleugel die bekend stond als ‘de salon van Monsieur Bourguereau‘ en een linker vleugel die bekend werd als de ‘brush stroke school‘. Belangrijkste representanten hier waren de Amerikaanse schilders John Singer Sargent, James McNeill Whistler en de Italiaanse schilder Giovanni Boldini. Zij schilderden meestal portretten van en voor de high society in vlugge, vlotte streken die daardoor een frisse en levendige uitstraling kregen. Het maniërisme van de ‘brush stroke school‘ met zijn soepele brede penseelvoering zou in de twintigste eeuw vooral door de Amerikaanse reclameschilders letterlijk breed nagevolgd worden.

Giovanni Boldini, zelfportretGiovanni Boldini (1842-1931) was an Italian genre and portrait painter, belonging to the Parisian school. According to a 1933 article in Time magazine, he was known as the “Master of Swish” because of his flowing style of painting. Boldini was born in Ferrara, the son of a painter of religious subjects, and went to Florence in 1862 to study painting, meeting there the realist painters known as the Macchiaioli. Their influence is seen in Boldini’s landscapes which show his spontaneous response to nature, although it is for his portraits that he became best known. He attained great success in London as a portraitist. From 1872 Boldini lived in Paris, where he became a friend of Edgar Degas. He also became the most fashionable portrait painter in Paris in the late 19th century, with a dashing style of painting which shows some Impressionist influence but which most closely resembles the work of his contemporaries John Singer Sargent and Paul Helleu. He was nominated commissioner of the Italian section of the Paris Exposition in 1889, and received the Légion d’honneur for this appointment. He died in Paris in 1931.

Bron: en.wikipedia.org

Boldini
Giovanni Boldini schilderde dit portret van de Amerikaanse schilder John Singer Sargent
Deze stond ook bekend om zijn virtuoze streken

John Singer Sargent [ en.wikipedia.org ]

maandag 8 juni 2009
‘grandioze troosteloosheid’
de woestijnervaring van een ‘ongelovige pelgrim’
Pierre Loti over zijn reis door de Sinaï (1895)

Pierre LotiAan het einde van de negentiende en het begin van de vorige eeuw maakte de Franse schrijver Pierre Loti lange reizen naar het Oosten: Sinaï en Palestina (1895), Brits-Indië (1902), China (1903) en Perzië (1904). Van zijn eerste reis deed hij verslag in drie delen Le Désert, Jérusalem en La Galilée. Deze zijn in het Duits vertaald en Michaela gaf mij op mijn verjaardag de eerste twee delen (Die Wüste en Jerusalem). Vooral het eerste deeltje dat loopt van 22 februari tot 25 maart 1895 is voor mij interessant, omdat Loti daarin vertelt over zijn reis door de Sinaï en zijn verblijf in het heilige Catherinaklooster aan de voet van de berg waaraan het schiereiland haar naam te danken heeft. De Arabieren noemen deze berg eenvoudig de djebel moesa (’de Berg van Mozes’). Ik maakte als pelgrim in oktober 2007 met een groep orthodoxe christenen een reis naar deze heilige plaats. Het was heerlijk nazomerweer en dat betekent in de Sinaï nog altijd temperaturen van dertig graden of zelfs nog hoger. Piere Loti reisde van 22 februari tot 3 mei 1895 door de Sinaï en het Heilig Land.

Catherina klooster
Catherinaklooster Sinaï
hier in 2007 gefotografeerd, maar sinds 550 wezenlijk niet veranderd

Op de Sinaï lag sneeuw en in het klooster was het toen bitter koud. Maar de woestijn en de berg moeten er in 1895 net zo hebben bijgelegen als in 2007 of als in de dertiende eeuw voor Christus toen Mozes van God op deze afgelegen maar heilige plaats de Wet ontving. Als een scherp waarnemer schildert Loti met woorden zijn woestijnervaring, bijvoorbeeld het vallen van de avond in woestijn zoals hieronder:

Sobald die Zelte aufgeschlagen sind, verstreuen sich unsere von ihrer schweren Last befreiten Kamele um das Lager auf der Suche nach spärlichem Ginster; unsere Araber, auf der Suche nach trockenem Reisig zum Feuermachen, gleichen Hexen in langen Röcken, die abends Kräuter für ihre Zaubergetränke zusammenlesen. Und für eine Nacht bringt unsere kleine Nomadenstadt den Schein von Leben an diesen verlassenen Ort, wohin sie niemals mehr kommen und wo morgen wieder Totenstille herrschen wird.
 
Je tiefer die Sonne sinkt, um so gradioser wird die Trostlosigkeit dieses Ortes. Ein riesiger Kessel, den verschüttete Stadte zu umgeben scheinen; ein Wirrwarr an umgestürtzten, zerborstenen Dingen, an Spalten und Hohlen. Und das Ganze - wie unsere Kamele, wie unsere Beduinen, wie der Erdboden und wie alles andere - ist von aschgrauem oder warmem braunen Farbton, der ewige Hintergrund, der neutrale und doch so intensive Hintergrund, auf dem de Wüste ihren Lichtzauber verbreitet.
 
Jetzt naht die Stunde des Sonnenuntergangs, die zauberische Stunde; auf den fernen Gipfeln zeigt sich für flüchtige Minuten glühendes Violett und flammendes Rot; alles scheint Feuer in sich zu bergen.
 
Jetzt ist die Sonne verschwunden, und obwohl sich alles verdunkelt, glimmt ein Feuer unter dem Aschgrau und dem Braun, den wirklichen Farben der Dinge, weiter. Dann ein Schauder, und plötzlich sinkt die Kälte herab, die unvermeidliche Abendkälte der Wüste.
 
uit: Pierre Loti, Die Wüste (1895) Deutscher Taschenbuch Verlag 2002, blz. 23
Catherina klooster
het Catherinaklooster zoals ik het in 2007 zag - 112 jaar nadat Pierre Loti er verbleef

Loti die zijn reis als ‘een pelgrimage van een zoekende’ beschouwt, is meer geïnteresseerd in zijn zieleroerselen dan in religie. Hoewel in zijn aanbevelingsbrief in het Arabisch staat dat hij de islam vereert, noemt hij zichzelf ‘een ongelovige’. De brief die door een zekere Omar is geschreven om vijandige bedoeïnenstammen gunstig te stemmen is dan ook geen geloofsbrief maar een diplomatenbrief. Op zondag 25 maart, na zijn reis door het schiereiland komt Loti in Gaza aan. Het is dan Pasen 1895. Was hij maar een paar dagen vroeger geweest, dan had hij in de Heilige Grafkerk in Jeruzalem misschien getuige kunnen zijn van het wonder van het paasvuur. Maar de ‘ongelovige pelgrim’ vindt daarna, tijdens zijn reis door het Heilige Land juist alleen maar meer twijfel in zijn ziel. Loti is eigenlijk al een typische twintigste eeuwer; een zoeker met een onvermogen om te vinden en daardoor met zijn eigen wanhoop geconfronteerd raakt. Evenals Nietzsche spreekt hij als een profeet van het nihilisme over de toekomst:

Het gevoel dat alles meer dan ooit aan het wankelen is,
dat de goden verslagen zijn,
dat Christus gestorven is
en dat niets onze afgrond meer verlichten kan, heeft zich nu
meer dan tevoren bevestigd

Pierre Loti, 1895

Zijn reisdagboek besluit hij met de profetische woorden:

Duidelijk zien we een troosteloze toekomst voor ons; duistere tijden zullen komen wanneer de hemelse visioenen vervlogen zijn, tiranieke, gruwelijke democratieën en de ongelukkigen zullen niet eens meer weten wat bidden is.”

Pierre LotiPierre Loti (pseudonym of Julien Viaud), born January 14, 1850 in Rochefort, Charente-Maritime and died June 10, 1923 in Hendaye, was a French novelist and naval officer. Loti’s education began in Rochefort. At the age of seventeen he entered the naval school in Brest and studied on Le Borda. He gradually rose in his profession, attaining the rank of captain in 1906. In January 1910 he went on the reserve list.
 
Bron: [ en.wikipedia.org ]

Sinaï [ nl.wikipedia.org ]

zondag 7 juni 2009
Pinksteren 2009
vandaag viert de Orthodoxe Kerk haar geboortefeest
Alain Badiou over Paulus: universalisme vs. differentie-denken

Vorig weekend schreef Willem jan Otten in Letter & Geest (Trouw) ter gelegenheid van (Westers) Pinksteren over de drie woorden van het Christendom : ‘Christus is verrezen’. Hij besprak o.a. het boek van de Franse filosoof en romancier Alain Badiou, Paulus -De fundering van het universalisme. Dit boekje is in een Nederlandse vertaling bij Ten Have in de Agora-reeks verschenen.

 

Pinksteren

Paulus -De fundering van het universalisme
Badious interesse in het universalisme is (…) geen religieuze. In de eerste plaats vindt hij in dit universalisme een alternatief voor het ‘differentie-denken’ dat decennialang bij Franse wijsgerige tijdgenoten zoals Deleuze en Derrida de boventoon heeft gevoerd. Dit denken benadrukt het belang van particularisme en differentie. Voor Badiou daarentegen zijn verschillen en particulariteiten het allergewoonste wat er is, zoals hij in het boekje De ethiek provocerend opmerkt. Alleen dat wat deze verschillen overstijgt en doorkruist en zo iedereen gelijkelijk aangaat vormt een uitzondering op dit doodgewone en verdient daarom met recht de kwalificatie ‘événement’.
Bron: bespreking Alain Badiou [ 8weekly.nl ]

Niet zozeer de gedachte, maar de trouw daaraan is zijn onderwerp. En hij maakt gaandeweg duidelijk dat deze trouw van Paulus
een vrij mens maakt.

Willem Jan Otten over Badiou

PaulusBadiou noemt Paulus bij herhaling, en met diepe sympathie, ’de geniale anti-filosoof’. Hij rekent af met iedereen die in Paulus een religieuze dwingeland of een alle vooruitgang blokkerende godsdienstfanaat ziet, speciaal met Nietzsche. Het boek heeft een postmodernistische agenda. Badiou wil iets zeggen over ’waarheid’. Die kan volgens hem nooit een kwestie van weten en kennis zijn, ook niet van herinneren, maar van al verkondigend trouw blijven aan een beseffende gebeurtenis, een ’evenement’.
 
Trouw blijven aan iets wat in je opkomt, en tegen alles ingaat wat je voorheen wist, en niet beredeneerd of gelegitimeerd kan worden – dat fascineert Badiou. Niet zozeer de gedachte, maar de trouw daaraan is zijn onderwerp. En hij maakt gaandeweg duidelijk dat deze trouw van Paulus een vrij mens maakt. Iemand die, om zijn eigen woorden (in de Galatenbrief) te spreken, „in de vrijheid stond waarin Christus u gelaten heeft”.
 
Badiou gaat neuriënd en schouderophalend voorbij aan de discussie waaraan moderne geloofscolumnisten en filmers verslaafd zijn: kan Jezus heus bestaan hebben? Was hij bezig met het stichten van een religie? Hij was Jood, kan hij zich dan Zoon van God genoemd hebben? Kan hij uit de dood zijn opgestaan?
 
Badiou gelooft niet, ook niet in ’Christus is verrezen’, en toch laat hij zijn hele betoog draaien om Paulus’ trouw aan deze woorden. En ik vraag me af of er een hedendaagse theoloog is die me dichter bij de mateloze betekenis van deze woorden zou kunnen brengen dan Badiou heeft gedaan.Volgens Badiou beweert Paulus met de drie woorden niets anders dan dat Christus in hem, Paulus, is verrezen.
 
Bron: de drie woorden van het Christendom [ trouw.nl ]
zaterdag 6 juni 2009
de langste dag
D-Day van Antony Beevor is in het Nederlands vertaald

Beevor, D-DayD-Day is vandaag 65 jaar geleden. Er is over de landing in Normandië al een bibliotheek volgeschreven. Toch heeft de Britse historicus Antony Beevor het aangedurfd een nieuw boek over D-Day te schrijven. Maar komt hij ook met nieuwe feiten en nieuwe interpretaties? Antony Beevor is toch wel iemand van wie je dat mag verwachten. Hij schreef al twee bestsellers over de Slag om Stalingrad en de Slag om Berlijn en vooral dat laatste boek bevatte veel nieuws omdat Beevor na het einde van de Sovjet Unie in de jaren negentig als een van de eerste toegang werd gegeven tot de archieven in Moskou. Ook wanneer dit boek weinig nieuws zou bevatten, blijft het een ervaring om Beevor’s toegankelijke, beeldende en nauwgezette stijl te volgen.

Beevor, D-Day‘Nooit eerder in de oorlogsgeschiedenis,’ schreef Stalin aan Churchill, ‘heeft zo’n onderneming plaatsgevonden.’ Het was inderdaad verreweg de grootste vlootinvasie ooit vertoond. De deelnemers aan de invasie over Het Kanaal – soldaten, zeelieden, piloten – zullen het beeld nooit vergeten, net zo min als de verraste Duitse verdedigers aan de Normandische kust. De schaal van de onderneming en de nauwgezette planning waren zonder precedent, maar hoewel de bruggenhoofden relatief snel waren aangelegd, was de volgende fase van de strijd veel moeilijker dan verwacht. Het Normandische heggenlandschap was ideaal voor de verdediging, en de Duitsers, in het bijzonder de divisies van de Waffen-SS, vochten meedogenloos voor hun laatste kans. Aan de hand van nooit eerder gebruikt materiaal uit meer dan dertig archieven in zes landen laat Antony Beevor zien hoe de Britse, Canadese en Amerikaanse troepen verzeild raakten in gevechten waarvan de hevigheid die van het Oostfront evenaarde. Het aantal slachtoffers groeide, evenals de spanning tussen de leiders aan gene zijde. Franse burgers raakten ongewild verstrikt in de gevechten en kregen groot leed te verduren. Zelfs de vreugde om de bevrijding had een keerzijde. De oorlog in Noord-Frankrijk drukte niet alleen een stempel op een generatie, maar op de hele naoorlogse wereld en had een bepalende invloed op de verhouding tussen Amerika en Europa. Net als in zijn eerdere bestsellers over Stalingrad en de bevrijding van Berlijn, maakt Antony Beevor de werkelijke ervaring van oorlog voelbaar.
 
Bron: amboanthos.nl

antonybeevor.com

zondag 24 mei 2009
de ultieme geur
vrijdagavond gezien: Perfume: The Story of a Murderer (2006)
naar het boek van Patrick Süskind

In 1991 las ik met rode oortjes Het Parfum van Patrick Süskind. Het zou twintig jaar duren voordat deze internationale bestseller onder producent Bernd Eichinger werd verfilmd. Samen met distributeur Constantin Film was Eichinger ook verantwoordelijk voor de productie Der Untergang in 2004, die een lieve 30 miljoen Euro kostte. Maar Perfume: The Story of a Murderer zou met 50 miljoen Euro de allerduurste Duitse filmproductie uit de geschiedenis worden.

Parfum
tijdens de opnamen van Perfume (2006)
Patrick Süskind vertelt het levensverhaal van Jean-Baptiste Grenouille die op 17 juli 1738 wordt geboren op de Parijse vismarkt. Zijn ongehuwde moeder probeert hem achter te laten tussen het visafval. Grenouille groeit op in een particulier weeshuis, en werkt later in een stinkende leerlooierij. Grenouille heeft geen eigen lichaamsgeur maar ziet die handicap gecompenseerd door een erg scherpe reukzin. Door het ontbreken van een eigen geur wordt hij vaak niet opgemerkt en kan hij zeer heimelijk zijn gang gaan. Op een dag wordt hij overvallen door de fijne geur van een meisje en in een poging de geur te bezitten, wurgt hij het kind. Dat voorval doet Grenouille beslissen om parfumeur te worden, “een schepper van geuren, niets minder dan de grootste parfumeur ter wereld". Hij treedt in dienst bij verschillende parfumeurs, eerst in Parijs en later in Grasse, waar hij de technieken aanleert om geuren te onttrekken aan bloemen en planten, zoals door middel van distillatie en enfleurage. Grenouilles levensdroom is echter het scheppen van een eigen lijfgeur. Hij ontziet niets of niemand om dat doel te bereiken en groeit uit tot een seriemoordenaar. Voor het scheppen van een eigen lijfgeur is het namelijk nodig de geur aan een mensenlichaam te onttrekken en dat te conserveren. Hij experimenteert om te ontdekken hoe dat moet, eerst op dieren, daarna op mensen. Het lukt hem tenslotte een allesoverweldigend parfum te maken waarmee andere mensen hem direct liefhebben. Aan het einde van het boek richt zijn levenswerk hem te gronde, zoals hij ook zelf iedereen ten gronde heeft gericht die met hem in aanraking is gekomen.
 
Bron: nl.wikipedia.org

parfum-fan.de

woensdag 20 mei 2009
A.D. 1506
aan het lezen: 1506 door Henk Boom (Uitgeverij Balans, 2005)

1506Na de film over Luther gekeken te hebben en na muziek over Johanna de Waanzinnige geluisterd te hebben, heb ik ’s avonds voor het slapen mijn tenten maar weer eens opgeslagen in de roerige tijd rond 1500. De journalist Henk Boom, buitenland correspondent in Spanje voor De Tijd en Het Financiële Dagblad, schreef in 2004 een boek over het jaar 1506. Hij doet dat op een originele manier, door zijn alterego en correspondent Hendrick Vandenzavel kriskras door Europa te laten reizen. Geert Mak avant la lettre dus. Hoe ligt Europa er bij in 1506? De journalist op het breukvlak tussen Middeleeuwen en nieuwe tijd heeft genoeg aan zijn pen te likken wanneer hij beroemdheden ontmoet als Machiavelli, Michelangelo, Dürer, Erasmus en Jeroen Bosch. Jammer wel dat Vandenzavel geen afspraak maakt met Lucas van Leyden, weliswaar nog een knaap, maar al wel een wonderkind. Honderd jaar voordat in Leiden de geniale molenaarszoon geboren wordt, is de jonge Lucas in zijn vaderstad al een plaatselijke beroemdheid. De twintig jaar oudere Albrecht Dürer zal hem later, tijdens zijn reis door de Lage Landen (1520-21), zelfs met een bezoek vereren.

De journalist Boom heeft bewust geen nieuw onderzoek gedaan; hij baseert zich volledig op de kennis die voorhanden is. Wel is duidelijk dat hij alle verhalen die rond 1506 spelen met plezier heeft geabsorbeerd, om ze in Vandenzavels kroniek terug te kunnen laten komen. Dat heeft geleid tot een leuke en vooral erg leesbare geschiedenisles, waarbij enige voorkennis wel gewenst is, maar met algemene kennis kom je al heel ver in 1506. Boom let er op zijn personages helder te introduceren, en legt mogelijke moeilijkheden uit in de noten. Dat doet hij echter zonder het geheel eenvoudig te maken; diepgaande filosofische beschouwingen kent 1506 misschien niet, maar een sterk inleidend karakter heeft het boek zeker.
 
Bron: 8weekly.nl

Juliana Stolberggebeurtenissen in 1506
18 april - de eerste steen voor de nieuwe Sint Pieter wordt gelegd
30 april - Philip van Bourgondië en Engeland tekenen een handelsovereenkomst
19 mei - Columbus kiest zijn zoon Diego als enige erfgenaam
7 oktober - Paus Julius II en Frankrijk bezetten Bologna
geboren in 1506
11 februari - Juliana van Stolberg de moeder van Willem van Oranje
gestorven in 1506
20 mei - Christoffel Columbus
13 september - Andrea Mantegna
25 september - Philips I (de Schone)

maandag 18 mei 2009
vernedering, angst en hoop
Dominique Moïsi : The Geopolitics of Emotion

De Franse denker Dominique Moïsi heeft een charmant alternatief gevonden voor Huntington’s botsende beschavingen. In plaats van de wereld in botsende machtsblokken te verdelen, kleurt hij de wereldkaart in met emoties. In de Westerse wereld overheerst angst, in de Arabische wereld vernedering (en als gevolg daarvan ook wrok en woede) terwijl in de Aziatische wereld de hoop domineert. In plaats van een polariserend beeld, schept hij zo het beeld van een wereld(ziel) die deze emoties ‘een plek’ moet zien te geven om tot een evenwichtigere wereld(ziel) te komen.

Dominique Moïsi: The Geopolitics of EmotionIn zijn boek The Geopolitics of Emotion gaat Dominique Moïsi in op de drie heersende culturen die het wereldpodium in zijn ogen op dit moment beheersen: The Culture of Hope, The Culture of Humiliation en The Culture of Fear.
 
Hierin wordt de eerste belichaamd door het Aziatische continent, de tweede door het Arabische en de laatste door het Westen. Moïsi betoogt in zijn boek dat de emoties die in de verschillende culturen leven, ontegenzeggenlijk leiden tot een krampachtige politiek van zelfbehoud en niet-willen-verliezen. Vanuit deze drie uiteenlopende culturen eindigt Moïsi zijn relaas op onheilspellende wijze. In het laatste hoofdstuk ‘The World in 2025‘ schetst hij – voor wetenschappers hoogst ongebruikelijk – een hypothese van een wereld die in de toekomst volgens hem niet onwaarschijnlijk geacht mag worden. ‘The Geopolitics of Emotion‘ mag gezien worden als een alternatief voor het polariserende ‘Clash of Civilisations‘ uit 1993 van Samuel P. Huntington.
 
Bron: vpro.nl

Dominique MoïsiAls zoon van Auschwitz-overlevende 159721, Jules Moïsi, is Dominique op dit moment een gezaghebbend wetenschapper en publicist in het vakgebied van de internationale betrekkingen. Zijn publicaties verschenen eerder in The Guardian, Foreign Affairs en op de website Project Syndicate. Daarnaast was hij één van de oprichters van het Franse instituut voor internationale betrekkingen het IFRI (Institut Français des Relations Internationales) en is hij verbonden aan het prestigieuze Sciences Po in Parijs (Bron: vpro.nl)

Dominique Moïsi: Geopolitiek van emotiesIn 1993 bood Samuel Huntingtons boek Botsende beschavingen een visie op een wereld die verdeeld wordt door culturele verschillen, nationale belangen en politieke ideologieën. Dominique Moïsi laat in Geopolitiek van emoties zien waarom sommige culturen eerder met elkaar in botsing komen dan andere. Moisi toont op overtuigende wijze aan dat zowel de VS als de Europese landen beheerst worden door angst voor ‘de ander’ en het verlies van hun nationale identiteit. Moslims en Arabieren, zo betoogt hij, hebben een cultuur van haat en vernedering gecreëerd door een combinatie van op het verleden gebaseerde wrok, beperkte toegang tot de wereldmarkt en religieuze conflicten (die zowel de thuislanden als de moslims in het westen in hun greep houden). Terwijl het westen en de moslimwereld zich opmaken om de degens te kruisen, bestaat in Azie, dat zich concentreert op een betere toekomst, juist een cultuur van hoop. Door de drijvende krachten achter onze culturele verschillen in kaart te brengen, biedt Geopolitiek van emoties een beter begrip van de wereld waarin we leven en wellicht zelfs een vreedzame oplossing voor de onwetendheid en verschillen die ons dwarszitten.
 
Bron: cosmox.nl

Dominique Moïsi [ fr.wikipedia.org ]

vrijdag 15 mei 2009
waarnemen in het kwadraat
de filosofie van Maurice Merleau-Ponty (1908-1961)

R.C.Kwant - de fenomenologie van Merleau-PontyDe Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty is een typische existentialistische denker uit het midden van de vorige eeuw. In de postmoderne tijd (na 1975) raakte hij in de vergetelheid. Op dit moment lees ik weer eens in De fenomenologie van Merleau-Ponty dat Prof. R.C.Kwant schreef kort na de tragische dood van Merleau-Ponty in 1961. Voor mij als schilder wint de existentiële fenomenologie die Merleau-Ponty ontwikkeld heeft, nog altijd aan actualiteit. Dat komt omdat deze mij bewust blijft maken van de wijze waarop ik de wereld waarneem.

Merleau-Ponty neemt het radicale empirisme van George Berkeley: ‘esse est percipi’ (’zijn is waargenomen worden’) en het kentheoretische kader van Immanuel Kant als zijn vertrekpunt. De mens neemt niet de dingen zélf waar, maar de vormen waarin deze door onze perceptie en receptie worden gegoten. Wat we waarnemen zijn dus mentale illusies van de dingen. Uit deze innerlijke waarneming kun je een ‘derde oog’ afleiden en wordt alle waarneming uiteindelijk een geestelijk proces. In de fenomenologie wordt de cartesiaanse dualiteit tussen lichaam en geest opgeheven. Het zgn. ‘lichaam-subject‘ gaat voor Merleau-Ponty aan deze door de ratio geconstrueerde ’subject-object’ tegenstelling vooraf. Met dit kernbegrip wil hij de diepe en geheimzinnige verstrengeling tussen lichaam en geest benadrukken.

CezanneMerleau-Ponty verwijst vooral naar de moderne schilders Cézanne, Klee en Delaunay, die het zien zélf probeerden te zien. Je zou kunnen zeggen dat ze in hun schilderijen het zien willen kwadrateren. De moderne schilderkunst probeert de vertrouwde verschijningsvormen te verbrijzelen om in hun essentie door te kunnen dringen. De kubisten gooien zelfs de ruimte op hun schilderij bewust aan diggelen om door de scherven heen in contact te kunnen komen met de essentie van al het zichtbare. Ze komen zo tot eigen (meta)visies: Volgens Cézanne bijvoorbeeld bestaat de zichtbare wereld uit kubussen, bollen en kegels, maar volgens Mondriaan liggen universele verhoudingen aan deze wereld ten grondslag. Moderne schilderkunst geeft niet het zichtbare weer, maar probeert de mogelijkheidsvoorwaarde van het zichtbare zichtbaar te maken.

Moderne kunst
geeft niet het zichtbare weer
maar maakt zichtbaar

Paul Klee

Maurice Merleau-PontyMerleau-Ponty’s filosofie, zeer sterk beïnvloed door Edmund Husserl (Merleau-Ponty voerde bepaalde aspecten van de fenomenologie van Husserl door in zijn eigen werk, dat voor een belangrijk deel o.a. was gebaseerd op onderzoek van Husserl’s manuscripten), moet gerekend worden tot het domein van de fenomenologie. Zijn twee belangrijkste werken zijn La structure du comportement (1942) en Phénoménologie de la Perception (1945). Hierin komt onder andere naar voren dat la perception (de waarneming) als uitgangspunt moet worden gezien in de filosofie, als een eigen actieve dimensie. Centraal daarin staat een verwerping van het cartesiaanse ‘cogito’, en daarmee van het (volgens Merleau-Ponty) misleidende onderscheid tussen het object en de ‘cogito’. Middels en vanuit deze verwerping poogt Merleau-Ponty een kritiek te formuleren op de reductionistische tendens die de wetenschappen beheerst. In zijn fenomenologie speelt het lichaam, als middel van zowel waarneming als expressie, een centrale rol: “mijn lichaam bepaalt het gemeenschappelijke weefsel van alle objecten en het is, in ieder geval wat betreft de waargenomen wereld, het algemene instrument van mijn begrijpen". Het werk van Merleau-Ponty heeft onder andere een sterke invloed gehad op de ‘heideggeriaanse’ contemporaine denker Hubert Dreyfus, die in zijn What computers still can’t do een evaluatie geeft van en fenomenologische reflectie op de gang van zaken binnen het vakgebied van de Kunstmatige intelligentie. Zijn werk krijgt ook enige aandacht binnen de neuropsychologie. Cognitiewetenschappers als Oliver Sacks en Antonio Damasio tenderen naar een bewustzijns-denken zoals dat bij Merleau-Ponty terug te vinden is.
 
Bron: nl.wikipedia.org
mijn lichaam bepaalt het gemeenschappelijke weefsel van alle objecten en het is, in ieder geval wat betreft de waargenomen wereld, het algemene instrument van mijn begrijpen

Maurice Merleau-Ponty

oog en geest [ 1996, Uitg. Ambo ] | de wereld waarnemen [ 2003, Uitg. Boom ]

donderdag 14 mei 2009
Bonny Johnny
John Adams biografie van David McCullough in het Nederlands vertaald
Ambo, Amsterdam. ISBN 9789026321795; 680blz. € 49,95

Ter gelegenheid van het 400-jarige jubileum van de betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten, is onlangs een Nederlandse vertaling verschenen van de dikke biografie over John Adams. Deze tweede president van de jonge Republiek van de Verenigde Staten had een bijzondere band met de Republiek der Verenigde Nederlanden.

John Adams biografieJohn Adams (1735-1826) ging in de zomer van 1780 naar Amsterdam om in de Republiek der Verenigde Nederlanden politieke en financiële steun te vinden voor de Amerikaanse opstand tegen de Engelsen. Zijn zonen John Quincy (13) en Charles (10) vergezelden hem. Aanvankelijk kreeg Adams weinig voet aan de grond in Holland, en in elk geval durfden de bankiers geen lening aan zonder sanctie van de Staten-Generaal. Wel stonden zij sympathiek tegenover het streven, terwijl de stadhouder Engelsgezind was. Adams begreep weinig van de Nederlandse verhoudingen. Toen het tij leek te keren ten gunste van de opstandelingen, was de Republiek bereid om na Frankrijk als tweede staat diplomatieke banden aan te gaan met de Verenigde Staten. Zo werd Adams op 19 april 1782 geaccrediteerd als gezant van de VS. In juni lukte het hem om een lening te krijgen van Amsterdamse kooplieden en bankiers met een waarde van vijf miljoen gulden, destijds een aanzienlijk bedrag. (Er is een syndicaat gevormd tussen de Staphorsten, de Willinks en De la Lande & Fijnje om een lening voor de Verenigde Staten te organiseren.) Het was de eerste buitenlandse lening aan de VS. In oktober 1782 ondertekende Adams namens de VS een vriendschaps- en handelsverdrag tussen zijn land en de Republiek. Na het tekenen van de vrede tussen de VS en Engeland in Versailles in 1783, waarbij hij aanwezig was, werd Adams de eerste gezant in Londen (1785), met Den Haag als bijpost. In 1788 keerde hij terug naar de VS. In 1987 werd het John Adams Institute opgericht, gevestigd te Amsterdam en gericht op culturele uitwisseling tussen Nederland en de VS.
 
Bron: nl.wikipedia.org

trailer van de miniserie over John Adams gebaseerd op de biografie van David McCullough

Nicknames of John Adams
The Duke of Braintree A sarcastic reference to his grandiose airs
His Rotundity Coined in response to Adams’ suggestion that President Washington be addressed as “His Majesty"; mocks Adams’ size.
The Atlas of Independence
The Colossus of Debate Given to him by Thomas Jefferson for his ability to argue a political case
Bonny Johnny
The Father of the Navy He built up the U.S. Navy during his presidency
Old Sink or Swim For the speech in which he vowed “To sink or swim; to live or die; survive or perish with my country”
Your Superfluous Excellency So called by Benjamin Franklin when Adams was vice president

miniserie John Adams [ imdb.com ] | miniserie John Adams [ hbo.com ]
recensie in Trouw

zaterdag 2 mei 2009
pacifistisch pamflet
gezien op DVD: All Quiet on the Western Front (1930)

poster - All Quiet on the Western FrontIm Westen nichts Neues verscheen 11 jaar na de Eerste Wereldoorlog en 11 jaar voor de Tweede Wereldoorlog. Hollywood volgde een jaar later met de verfilming All Quiet on the Western Front die in 1930 de twee belangrijkste Oscar’s won (beste film en beste regie). Onlangs zag ik een gerestaureerde versie op DVD. Het is in meer opzichten een opmerkelijke film: All Quiet on the Western Front is een van de eerste geluidsfilms, een van de eerste oorlogsfilms en een uniek tijdsdocument. Drie jaar later gingen in Duitsland het boek en de film al in de ban. De nazi’s voelden zich gebeten door Remarques bittere aanklacht. Nadat je het boek hebt gelezen of de film hebt gezien, is het onmogelijk om oorlog nog als een ‘laatste oplossing’ te zien. Toen de film werd ‘geschoten’ heerste er vrede en stonden de Duitse steden nog allemaal overeind. Maar nog geen 10 jaar later was het weer raak, goed raak. Dat maakt deze aanklacht extra bitter: blijkbaar kan oorlog niet erg genoeg zijn, om oorlog nooit meer als een ‘laatste oplossing’ te zien.

still uit All Quiet on the Western Front
beroemde scene uit de film
Paul heeft een Franse soldaat dodelijk verwond en verzorgt hem nog voordat deze sterft. Daarna smeekt hij hem om vergiffenis. Wanneer hij dit aan zijn wapenbroeders vertelt, zeggen zij dat hij geen schuldgevoel hoeft te hebben maar dat hij juist goed gehandeld heeft. Wanneer hij nog meer Franse soldaten doodt, kan hij zelfs een onderscheiding verdienen. Door het goedkeuren en aanmoedigen van moord bij beide partijen, worden de poorten van de hel wijd opengezet.

De anti-oorlogsfilm All Quiet on the Western Front (1930) verscheen in het interbellum als pacifistisch pamflet. In de Sovjet Unie werd het jonge medium toen al gebruikt voor propaganda en Duitsland zou enkele jaren later volgen. Pantserkruiser Potemkin (1925) en Triumph des Willens (1935) dienden respectievelijk communistische en fascistische idealen en riepen juist op tot overwinning, dus strijd. Die strijd zou tenslotte weer uitmonden in de waanzin die Erich Maria Remarque had beschreven.

Erich Maria Remarque (1898 - 1970) was een van de meest bekende en gelezen auteurs van Duitse literatuur in de twintigste eeuw.Zijn ouders waren Fransen en van bescheiden afkomst. Tijdens zijn studie aan de Universiteit van Münster werd hij in 1916 opgeroepen om zijn legerdienst te vervullen. Remarque vocht aan het Westelijk Front en werd verscheidene keren gewond. Na de oorlog volgde hij een leraarsopleiding, door de overheid aan oorlogsveteranen voorbehouden. ( … ) Op 31 januari 1929 verscheen zijn eerste echte roman, Im Westen nichts Neues. De eerste uitgever aan wie hij het boek aanbood, weigerde het te publiceren. Ondanks de enorme politieke controverse werden er het eerste jaar al 1,2 miljoen exemplaren van verkocht. Het vervolg, Der Weg zurück, verscheen in 1931. Zijn boeken werden in 1933 in het openbaar verbrand en zijn werk werd in Duitsland verboden. ( … )
Bron: nl.wikipedia.org

All Quiet on the Western Front [ imdb.com ] | AQotWF [ moviemeter.nl ]

maandag 27 april 2009
De heimweefabriek
gekocht: de heimweefabriek (2008) van Douwe Draaisma

De heimweefabriekEen jaar of vijftien geleden kocht ik bij De Slegte Het Verborgen Raderwerk (Over Tijd, Machines En Bewustzijn) van de toen nog tamelijk onbekende Douwe Draaisma. Tegenwoordig liggen zijn boeken niet meer bij De Slegte, want Douwe Draaisma is een bestsellerauteur geworden die oplagen haalt van meer dan 100.000 exemplaren. Ook heeft hij zijn weg naar het buitenland gevonden met vertalingen in het Engels, Frans, Duits, Italiaans en Pools. Dit succes heeft hij enerzijds te danken aan zijn expertise en schrijftalent. Aan de andere kant aan de overweldigende belangstelling voor het zogenaamde ‘autobiografische geheugen’, een collectieve behoefte die ook Geert Mak de afgelopen tien jaar tot een bestsellerauteur heeft gemaakt. De individualisering doet ons op een persoonlijke manier naar de geschiedenis kijken: niet meer vanuit de kronieken, lijstjes met jaartallen of chronologieën die zich achteraf en van bovenaf gevormd hebben, maar van binnenuit. De Duitse familiekroniek Heimat van Edgar Reitz die vijfentwintig jaar geleden op de VPRO-televisie te zien was, is daar een goed voorbeeld van. De grote geschiedenis gezien vanuit een boerendorpje op de Hunsrück. In de jaren negentig volgde in Nederland het enorme succes van De eeuw van mijn vader en Hoe God verdween uit Jorwerd. Inmiddels wordt deze vorm van kleine en persoonlijke geschiedschrijving breed nagevolgd.

Douwe DraaismaDouwe Draaisma voegt nog iets toe aan deze belangstelling voor geschiedenis vanuit het persoonlijke perspectief. Als hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie is hij geen historicus als Geert Mak (maar Mak is op zijn beurt natuurlijk ook geen academisch gevormde historicus zoals bijvoorbeeld Johan Huizinga, Pieter Geyl of Jan Romein dat waren.) Zijn vakgebied is het menselijk brein en in het bijzonder het geheugen. Draaisma kijkt niet naar de geschiedenis zelf maar naar het instrument waarmee we deze geschiedenis, die in de eerste plaats onze eigen geschiedenis is, ordenen, interpreteren en begrijpen. Het geheugen raakt ons allemaal omdat we zo geneigd zijn ons met het geheugen te identificeren. Maar er komt nog iets bij: door de vergrijzing komt er voor steeds meer Nederlanders tijd vrij voor creatieve hobbies, lezen, reizen of genealogisch onderzoek. En al die jongere en oudere senioren zijn bijzonder vertrouwd met verschijnselen waar Draaisma over schrijft: vergeetachtigheid bijvoorbeeld. Of de vraag waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. Draaisma schrijft de bevindingen uit de wetenschap toegankelijk op en weet daarbij effectief te citeren. Bijvoorbeeld Confucius: “de bleekste inkt is beter dan het voortreffelijkste geheugen". Of Cees Nooteboom: “De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil.”

De herinnering is als een hond
die gaat liggen waar hij wil.

Cees Nooteboom in Rituelen

De wijsheid komt met de jaren. Maar vergeetachtigheid gaat haar voor. En daarom zetten we alles in om ons geheugen scherp te houden, van braintraining tot vitaminepreparaat. Maar is het zinvol al die hersengymnastiek? Douwe Draaisma neemt het op voor het oude geheugen. Met oog voor detail ontzenuwt hij de gemeenplaatsen over het brein en vertelt op liefdevolle wijze het ware verhaal over de dingen die voorbij gaan. Over de ongrijpbaarheid van de herinnering, de markt van het grote vergeten en over de heimwee naar de wereld die alleen nog in de herinnering bestaat. Maar ook over de onverwachte genoegens van een ouder wordend geheugen, zoals het zogenaamde reminiscentie-effect,dat maakt dat herinneringen aan de jeugd soms met nieuwe kracht terugkeren. De Heimweefabriek maakt duidelijk dat de tijd niet alleen iets doet met het geheugen, het geheugen doet ook iets met de tijd.
 
Bron: historischeuitgeverij.nl

douwedraaisma.nl | recensieweb.nl

maandag 30 maart 2009
this is Miroslav Sasek
Miroslav Sasek (1916-1980) was een Tsjechische illustrator

Retro uit de jaren vijftig staat weer zo in de belangstelling dat er niet alleen volop knipogen gemaakt worden naar de vormgeving uit die jaren, sommige uitgevers besluiten zelfs tot herdruk. Een goed voorbeeld is de herdruk van de klassieke stedenboeken This is, geïllustreerd door de Tsjech Miroslav Sasek. Tsjechië heeft een rijke traditie op het gebied van illustratie en animatie en Sasek is beslist een van de invloedrijkste illustratoren geweest, wiens stijl vooral in het Westen is nagevolgd. Hij geeft je een bril op die de wereld ongecompliceerd maakt, een wereld waar het kind in ons naar terugverlangt: eenvoudig, overzichtelijk en kleurrijk.

Parijs
Miroslav Sasek Parijs 1959
…toen de parkeergarage nog niet bestond…
Miroslav Sasek produced 18 books in the This is series, as well as three other books which he wrote and illustrated: Benjamin a tisíc morskych dasu Kapitána Barnabáse (1947), Stone is Not Cold (1961) and Mike and the Modelmakers (1970). He also illustrated at least four other books: Eduard Petiska’s Sedm mamlasu (1950), Willhelmina Femmster Jashimski’s Letters from Pompeii (1963), Max Colpet’s Zoo ist Das Leben (1974) and a 1967 pamphlet by Effie Lee Morris called See the city! A beginner’s guide to San Francisco. There may well be other books, so if you know of any please get in touch. I also read somewhere that he worked for a publishing house in Prague early in career so presumably he was an illustrator before he became an author in his own right.
 
Bron: miroslavsasek.com
Parijs en San Francisco
Miroslav Sasek covers uit de reeks This is

This is
This Is Paris (1959, reissued 2004)
This Is London (1959, reissued 2004)
This Is Rome (1960, reissued 2007)
This Is New York (1960, reissued 2003)
This Is Edinburgh (1961, reissued 2006)
This Is Munich (1961)
This Is Venice (1961, reissued 2005)
This Is San Francisco (1962, reissued 2003)
This Is Israel (1962, reissued 2008))
This Is Cape Canaveral/This Is Cape Kennedy (1963)
This Is Ireland (1964, reissued 2005)
This Is Hong Kong (1965, reissued 2007)
This Is Greece (1966, reissued 2009)
This Is Texas (1967, reissued 2006)
This Is the United Nations (1968)
This Is Washington, D.C. (1969)
This Is Australia (1970, reissued 2009)

Parijs
voor Taschen illustreerde Olaf Hayek twee jaar geleden een reeks stedenboeken met een knipoog naar de late jaren vijftig
maandag 23 maart 2009
weer een lekker boek [ 5 ]
zaterdag gekocht: The Illustration Handbook
door Nick and Tessa Souter, Eagle Editions 2007

The Illustration HandbookA guide to the world’s greatest illustrators, zoals de ondertitel van deze uitgave luidt, is vooral een anglo-amerikaanse selectie geworden, ook als we bedenken dat de periode die dit boek bestrijkt (1850-1990), wordt gedomineerd door Engelse en Amerikaanse illustratoren. Nick en Tessa Souter hebben het boek in vier perioden ingedeeld: 1850-1899, 1900-1939, 1940-1969 en 1970-1990. Op dit moment interesseren mij vooral Europese poster artists die in het interbellum (1918-1939) werkzaam waren, zoals Emil Cardnaux (1870-1939), Edoard Elzingre (1880-1966), Carl Moos (1878-1959), Fred Taylor (1875-1963), A.M.Cassandre (1901-1968), Noel Rooke (1881-1953), Otto Ernst (1900-1939) en Noel Fontanet (1898-1982).

Maar ook de Amerikaanse illustratoren uit the golden age of advertising (1945-1970) spreken mij zeer aan: Al Parker (1906-1985), Jon Whitcomb (1908-1988), Austin Briggs (1909-1973), Coby Whitmore (1913-1988), Thornton Utz (1914-1999) en Bob Peak (1928-1992). Voor wie meer over deze zgn. midcentury illustraties wil weten, verwijs ik naar het mooie en uitgebreide overzicht van Leif Peng.

boek bestellen bij amazon.com | Jon Whitcomb & Coby Whitmore | Bob Peak

zondag 22 maart 2009
weer een lekker boek [ 4 ]
gisteren gekocht: Vector Graphics and Illustration
door Jack Harris en Steven Withrow

Vector Graphics and IllustrationVorig jaar kocht ik uit deze serie Secrets of digital illustration over de combinatie tussen traditionele en digitale media. Vector Graphics and Illustration beperkt zich tot de wereld van de vector graphic. Dat is een digitale tekening die is opgebouwd uit Bézier curves. Iedereen die wel eens werkt met digitale tekenprogramma’s als Adobe Illustrator of Corel Draw is vertrouwd met deze manier van tekenen. Vector Graphics hebben een heldere en strakke uitstraling die uitstekend past bij Web 2.0. Je komt ze daarom op internet steeds vaker tegen. Ook in dit (engelstalige) boek worden tutorials afgewisseld met kunstenaarsprofielen, waaronder die van Von Glitschka en Jon Burgerman. Voor de tutorials wordt gebruik gemaakt van Adobe Illustrator CS3. Achterin het boek bevinden zich een referentiegids en een glossarium.

In Vector Graphics and Illustration vestigen Jack Harris en Steven Withrow de aandacht op deze zeer herkenbare en populaire techniek. In een rijk geïllustreerd en praktisch handboek worden het hoe, wat en waarom van Vector Art uitgelegd door te laten zien welke gedachteprocessen en keuzes er door ervaren kunstenaars worden gemaakt bij het gebruik van deze techniek. Het opgenomen werk toont het gehele spectrum van creatief gebruik en de implementatie op velerlei gebied zoals illustraties, personageontwerp, information graphics, type design, animaties en interactieve ontwerpen.
 
Bron: librero.nl
maandag 16 februari 2009
the center cannot hold…
gezien met Michaela: Agnes und seine Brüder (2004)
en Elementarteilchen (2006) van Oskar Roehler

Vrijdagnacht zond de VPRO de Duitse verfilming uit van Les particules élémentaires (1998) van Michel Houellebecq. Elementarteilchen werd bewerkt en verfilmd door Oskar Roehler met Moritz Bleibtreu, Martina Gedeck, Franka Potente en Nina Hoss en werd geproduceerd door Bernd Eichinger. De top van de hedendaagse Duitse cinema was dus bij deze film betrokken. Maar Michel Houellebecq was helemaal niet over Elementarteilchen te spreken. Eerder op de avond zagen we het Franse enfant terrible in de documentaire laatste woorden aan het werk tijdens de de verfilming van La possibilité d’une île die hij stevig in eigen hand houdt.

Elementarteilchen is volgens velen een feel good versie van Houllebecq’s roman. Bij Oskar Roehler balanceert de film op het randje van satire of zwarte komedie. Ook al viel er soms goed te lachen, Elementarteilchen gaf me zeker geen aangenaam gevoel. Het boek dat ik niet gelezen heb, zal ongetwijfeld zwaarder zijn dan de film. Er wordt vaak gezegd dat in les particules élémentaires het failliet beschreven wordt van de libertijnse maatschappij die bij de generatie van ‘68 was ingezet. Het boek zou als een soort pamflet gericht zijn tegen deze generatie. Houllebecq toont daarbij geen uitzicht op een betere wereld, we zijn op een dieptepunt beland om daar te blijven. De titel Les particules élémentaires is goed gekozen. In Engeland verscheen het boek onder de titel atomised en dat drukt nog preciezer uit waar het verhaal over gaat: over de ziekte van het isolement waaraan de laat-twintigste eeuwse mens lijdt. Dat isolement zou een gevolg zijn van doorgeslagen liberalisering en individualisering.

Elementarteilchen

De film begint met de afscheidsbrief van de wetenschapper Michel (Christian Ulmen), een van de hoofdpersonen. Hij neemt ontslag bij het genetisch laboratorium omdat hij zijn queeste wil volgen. Hij wil weten wat deze wereld werkelijk bij elkaar houdt. Dit begin is essentieel voor het verhaal: we volgen iemand die naar de cohesie zoekt, omdat ‘de zaak’ anders uit elkaar dreigt te vallen. Ik moest onmiddellijk denken aan het beroemde citaat van Yeats: ‘Things fall apart; the centre cannot hold…’ Individualisering heeft een tegenwerkende en bindende kracht nodig, anders valt de samenleving in losse atomen uit elkaar. Individuele zelfontplooiing is in de afgelopen veertig jaar onze heilige graal geworden en we zijn de samenleving steeds meer gaan opvatten als een optelsom van ‘ikken’ die hun eigen individuele projecten nastreven.

Things fall apart
the centre cannot hold…

William Butler Yeats

Juist in het liefdesleven wordt het drama van radicale individualisering in al zijn aspecten pijnlijk zichtbaar. Want liefde is alleen mogelijk binnen een relatie en als relaties verdwijnen, verdwijnt ook de liefde. Of als de liefde verdwijnt, verdwijnen duurzame relaties. Wat overblijft, is vluchtig contact en (inwisselbare) seks. Voor ‘het atomische ik’ kan dat een valkuil worden. In Michel’s halfbroer Bruno (Moritz Bleibtrue) die aan seks verslaafd is, komen we zo’n ‘atomisch ik’ tegen. Bij Roehler krijgt Bruno soms een hoog Mister Bean-gehalte; met name zijn bezoek aan de ’spirituele’ camping levert hilarische scenes op. Bruno’s seksuele uitspattingen die in het boek gedetailleerd beschreven zijn en in de film tamelijk expliciet getoond worden, zorgden destijds voor het nodige tumult. Houellebecq toont een soort ‘laatste mens’ , iemand die uitgehold is door zijn eigen begeerten. In Frankrijk reageerde vooral de linkse 68′ers verontwaardigd. Alsof hun idealen hadden geleid tot deze morele uitholling.

Houellebecq toont een soort ‘laatste mens’, iemand die uitgehold is door
zijn eigen begeerten

Agnes und seine Brüder maakte Oskar Roehler twee jaar eerder. Net als in Elementarteilchen speelt Moritz Bleibtrue hier al de rol van seksverslaafde sukkel. Er zijn nogal wat parallellen tussen beide films en dat komt vooral door de hand van Roehler , die het scenario van beide films voor zijn rekening nam. In beide films gaat het over ongewone familie(relatie)s. Een realistische zedenschets is Agnes und seine Brüder niet geworden, wel een tamelijk bizarre, zwarte komedie.

DVD Agnes und seine Brüder 2004Agnes en haar broers hebben weinig gemeen, behalve een excentrieke oude vader, relatieproblemen waardoor hun leven een puinhoop is geworden en de voor de hand liggende mogelijkheid dat de problemen met elkaar verbonden zijn. Hans-Jorg verbergt zijn sexuele frustratie door zijn libertijnse voorkomen. Hij is enorm sexverslaafd, maar zijn leven dreigt te veranderen als hij een kanalisatie voor zijn libido heeft gevonden. Werner is succesvoller in het politieke debat dan in gezinsdiplomatie. Zijn wisselende relatie met zijn saaie vrouw Signe zit hem huizenhoog en ook zijn wiet-telende zoon is een bron van ergernis. Agnes wordt achtervolgd door de moeder die ze nooit kende en is misschien ook nostalgisch over haar verleden als man. Ondanks haar pogingen om een volledige vrouw te zijn, voelt ze zich gechanteerd door haar bazige vriendje. De relatie staat behoorlijk onder druk.
 
Bron: moviemeter.nl

agnes-derfilm.de | elementarteilchen.film.de | houellebecq.info | Agnes und seine Brüder [ recensie Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung ]

zaterdag 14 februari 2009
de grimlach van Voltaire
Nederlandse vertaling van Dialogues d’Euhémère (1777)
het nut van filosofie door Voltaire

Voltaire met grimlach door HoudonWanneer Voltaire in deze tijd geleefd zou hebben, dan was hij waarschijnlijk columnist of stand-up comedian geweest. Maar in het galante tijdperk was zijn bijtende spot ongewoon. Zo werd hij in 1716 op 22-jarige leeftijd al tot 11 maanden Bastille veroordeeld wegens een satire op de monarchie. Tien jaar later was het weer raak. Voltaire had een machtige edelman, de Chevalier de Rohanwerd beledigd en werd weer veroordeeld, ditmaal werd hij voor drie jaar verbannen naar Engeland. Toen hij in 1729 terugkeerde, kon hij zich een paar jaar inhouden maar in 1734 moest hij alweer zijn biezen pakken wegens zijn kritiek op de overheid en vertrok hij naar Nederland. Voltaire ’s sarcasme is onsterfelijk geworden en vooral bij de katholieke kerk maakte hij zich voor altijd gehaat. Zo lees ik in het katholieke Leerboek der Algemeene Geschiedenis, Uitgeverij Malmberg uit het begin van de vorige eeuw, het volgende over deze Franse filosoof:

Hij was de vader van het lichtzinnige spotzieke ongeloof
en met een deamonischen haat
tegen het christendom bezield
Voltaire was opgegroeid in de hoogere kringen der maatschappij en daarin behoorde lichtzinnige, niets ontziende spot tot den modetoon. Hij was de vader van het lichtzinnige spotzieke ongeloof en met een deamonischen haat tegen het christendom bezield. “Escrasez l’ infame". Als mensch en als karakter stond hij zeer laag.” (Bron: Leerboek der Algemeene Geschiedenis, door Jos Kleijntjes S.J.)

de tombe van Voltaire in het PantheonToen Voltaire in 1778 stierf, mocht hij niet in kerkelijke grond begraven worden vanwege zijn kritiek op de Kerk. Het schijnt dat de bisschop van Parijs gezegd zou hebben dat zijn lijk maar op de mesthoop moest worden gegooid. Tijdens het revolutionaire bewind was Voltaire een van de helden van de revolutie geworden en in 1791 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar het Pantheon in Parijs, dat inmiddels een tempel van de Rede was geworden. Toen het Pantheon in 1815 weer een kerk werd, liet koning Lodewijk XVIII Voltaire daar rusten, omdat het volgens de reactionaire koning “hem goed zou doen om af en toe een mis te horen".

Onlangs verscheen bij Uitgeverij Van Gennep een Nederlandse vertaling van Dialogues d’Euhémère uit 1777 dat behoort tot het laatste wat hij aan zijn enorme literaire en essayistische productie heeft toegevoegd. Meer dan 700 werken verschenen in druk en het doornemen van zijn volledige bibliografie neemt op zich al uren in beslag. Deze dialogen kunnen misschien beschouwd worden als Voltaire’s filosofische testament. Net als in Candide uit 1759 voert hij een personage op die door zijn vele reizen wereldwijs is geworden. Bij Voltaire gaat wereldwijsheid samen met verbittering. “Ik heb de halve wereld rondgereisd, en ik heb niets anders gezien dan waanzin, ellende en misdaad.” zegt de hoofdfiguur Euhémère in de dialogen. Voltaire had in zijn beroemde gedicht (1756) over de aardbeving in Lissabon al de goedheid van God betwijfeld en in Candide (1759) stak hij de draak met LeibnizTheodicee die ervan uitgaat dat God de beste van alle mogelijke werelden geschapen heeft. In de Dialogues d’Euhémère draagt hij zijn verbittering tenslotte met een ferme grimlach.

Ik heb de halve wereld rondgereisd, en ik heb niets anders gezien dan waanzin, ellende en misdaad

uit: Dialogues d’Euhémère

Er zijn in deze twaalf dialogen van Euhemeros twee hoofdlijnen te vinden. De eerste zes gaan over vraagstukken van metafysische aard: of er zoiets als een ziel is; of God bestaat en zo ja wie er dan verantwoordelijk is voor alle ellende op aarde. En de laatste zes dialogen gaan over fysica: wat we weten of denken te weten over de kosmos, de aarde, het ontstaan van bergen, over voortplanting en het zich vormen van nieuw leven.
 
Bron: trouw.nl
il faut cultiver son jardin
(je moet je tuin onderhouden)

uit: Candide

Chateau Voltaire te Ferney Voltaire laat zijn hoofdpersoon uit Candide concluderen ‘dat we onze tuin moeten onderhouden’. Toen Candide 250 jaar geleden gepubliceerd werd, was Voltaire juist op een landgoed komen te wonen bij het dorpje Ferney, even ten Noorden van Genève. Door allerlei beleggingen was hij rijk geworden en de seigneur van Ferney liet het bestaande landgoed uitbreiden met akkers en wijngaarden. Dus wist hij zeer goed dat we onze tuin moeten onderhouden. De dorpsbewoners profiteerden van zijn aanwezigheid en honderd jaar na zijn dood zou het plaatsje uit eerbetoon worden omgedoopt in Ferney-Voltaire

Voltaire [ nl.wikipedia.org ] | 533 citaten van Voltaire [ franstalig ] | Institut et Musée Voltaire [ ville-ge.ch ] | Voltaire Foundation | voltaire-integral.com

woensdag 11 februari 2009
epicurische wereldverklaring
De Rerum Natura van Lucretius
nieuwe Nederlandse vertaling van Piet Schrijvers bij Historische Uitgeverij

Morgen wordt uitgebreid stilgestaan bij de 200e geboortedag van Charles Darwin. Zijn evolutieleer volgens het principe van natuurlijk selectie die hij 150 jaar geleden voor het eerst beschreef in On the Origin of Species is nog steeds hét algemene aanvaarde wetenschappelijke verhaal over het ontstaan van het leven op aarde. Alle religieuze scheppingsverhalen worden sindsdien door de wetenschap als mythologie ontmaskerd.

Daarenboven zagen ze, dat de hemelverschijnselen en de verschillende jaarseizoenen in een vaste orde evolueerden en ze waren niet in staat uit te vorsen door welke oorzaken dit gebeurde. Dus hadden ze als toevlucht alles toe te schrijven aan de goden en te maken dat alles door een knik van hen werd gestuurd.
 
Bron: De Rerum Natura, boek V - 1183 [ koxkollum.nl ]

Ruim 2000 jaar geleden was het Lucretius die met zijn leerdicht De Rerum Natura een einde wilde maken aan het bijgeloof van zijn tijd en aan de macht van de goden.
In het vijfde boek van De Rerum Natura behandelt Lucretius het ontstaan van aarde, zon, maan en sterren, van planten en dieren. Ook komt hij met een uitvoerige beschouwing over de evolutie van de mens en zijn cultuur. Onlangs is een nieuwe Nederlandse vertaling van Piet Schrijvers verschenen.

LucretiusOver Lucretius‘ leven is heel weinig bekend. Zijn kennis van de Griekse en Romeinse letterkunde en filosofie getuigt van een degelijke opvoeding. Uit zijn werk blijkt dat hij goed op de hoogte was van het leven in Rome, maar zijn vertrouwdheid met het platteland wijst erop dat hij niet steeds in Rome woonde. Lucretius’ cognomen Carus verwijst mogelijk naar een Keltische afkomst (uit Noord-Italië?). Hij was waarschijnlijk bevriend met enkele vooraanstaande aristocraten. Aan één van hen, een zekere Memmius (praetor in 58 v.Chr., wellicht dezelfde die ook door Catullus wordt genoemd), heeft hij zijn bewaard gebleven werk opgedragen. ( … ) Zijn werk De Rerum Natura is, behalve om de inhoud, ook om zijn literaire kwaliteiten van grote betekenis, en werd door toedoen van Cicero, die zelf allerminst een aanhanger van Lucretius‘ leer was, postuum uitgegeven.
( Bron: nl.wikipedia.org )

Lucretius’ leerdicht De Rerum Natura (Over de natuur der dingen) beschrijft in zes boeken (in totaal 7400 verzen, dactylische hexameters), de verschijningsvormen van de natuur en hun ontstaan. In het werk predikt hij de levensbeschouwing van de Griekse filosoof Epicurus, die voor zijn fysische verklaringen teruggreep naar de atoomtheorie van Democritus, en stelt zich tot doel de lezers op die manier te bevrijden van de angst voor en het bijgeloof aan de macht van de goden.
 
In de eerste twee boeken toont hij met de atoomtheorie aan dat de traditionele opvattingen dat de natuur door een scheppende godheid zou zijn ontstaan, totaal onwetenschappelijk zijn.
In het derde boek zet hij uiteen dat de atoomtheorie ook van toepassing is op de mens, op zijn ziel zowel als op zijn lichaam. Van onsterfelijkheid is helemaal geen sprake.
In het vierde boek heeft hij het over de betrouwbaarheid van onze waarnemingen. Wanneer er fouten optreden, komt dat doordat onze geest deze waarnemingen onjuist interpreteert. De waarnemingen vormen ook de grond van onze indrukken van smart en genot, en van de dromen, instincten en driften, inclusief de seksuele. Dit boek eindigt met een satirische schildering van de liefde in al haar verschijningsvormen.
Het vijfde boek behandelt het ontstaan van aarde, zon, maan en sterren, van planten en dieren, en eindigt met een uitvoerige beschouwing over de evolutie van de mens en zijn cultuur.
In het zesde boek worden bijzondere meteorologische verschijnselen besproken en vanuit de atoomtheorie verklaard. Extreme weersomstandigheden en natuurrampen ontstaan via natuurlijke weg, en hebben niets met goddelijke ingrepen te maken. Het boek eindigt abrupt met de evocatie van de pest te Athene: het is duidelijk dat de dood Lucretius heeft verhinderd de laatste hand aan zijn werk te leggen.

recensie in Trouw | recensie in NRC | Lucretius [ koxkollum.nl ] | Lucretius Links

dinsdag 10 februari 2009
filosoferen met je broer(tje)
gelezen: meesters in de filosofie door Maarten en Frank Meester

Meesters in de filosofieDe gebroeders Meester zijn twee mediagenieke filosofen. Als een Maarten van Rossum of een Midas Dekkers maken ze hun vakgebied toegankelijk voor een breed publiek en dat doen ze dus meestal met flink wat ironie. Dat ze een duo vormen, is ideaal want daardoor is er een voortdurende dialoog en dat is dé klassieke manier om te filosoferen. Natuurlijk verschillen de twee broers voortdurend van mening. Maarten is de rationalist, Frank de mysticus-romanticus. Dat botst. De plagerige toon is soms wat geforceerd, maar het levert in ieder geval wel grappige gesprekjes op en dat is natuurlijk uitstekend voor een breed publiek. Voor vakfilosofen zullen de gesprekken in meesters in de filosofie meestal de diepgang van een pannenkoek hebben, maar voor de lezers voor wie dit een eerste kennismaking met de filosofie is, kan het een uitnodiging zijn om meer te gaan lezen. De kadertjes tussendoor met wat achtergrondinformatie over de betreffende filosoof kunnen hiertoe ook een aanzet geven. Het boekje is verre van volledig en de geschiedenis van de filosofie wordt met zevenmijlslaarzen genomen. Maar het werkje is dan ook tamelijk pretentieloos. De Meesters hebben er vooral plezier in om met filosofie bezig te zijn en hun gesprekken werken erg aanstekelijk.

Maarten: Ken jij de Engelse filosoof John Locke, de vader van het empirisme? Hij heeft duidelijk bewezen dat we geboren worden als een tabula rasa, een onbeschreven blad. In eerste instantie weten wij niets. Alle kennis die we hebben, krijgen we via zintuigelijke indrukken, door de empirie, van daar de naam ‘empiristen’.
 
Frank: Ja maar Maarten, wat moet je met die ervaringen? Hoe weet je dat die kloppen? Misschien zitten we wel in de matrix.
 
Maarten: Waarin?
 
Frank: Ik was vergeten dat je te snobistisch bent voor films. The Matrix is een film van Andy en Larry Wachowski. Je zou ervan gehoord moeten hebben want denkers als Hubert Dreyfus, een Amerikaan, en hier in Nederland Jos de Mul en Maarten Coolen hebben er artikelen aan gewijd omdat die film filosofisch zo interessant is. Hij gaat over Neo, die gespeeld wordt door een knappe acteur, Keanu Reeves - sommige mensen zeggen dat ik op hem lijk.
 
Maarten: De inhoud, Frank. Niets dan de inhoud.
 
Uit: Meesters in Filosofie, blz 67-68

Gebroeders Meester | serie essays over The Matrix [ dick.wursten.be ]

maandag 9 februari 2009
manager van zijn eigen levensloop
gelezen in Letter & Geest [ Trouw ] van afgelopen weekend:
Het dictaat van de zelfverbetering van Frits de Lange
Wie de lat te hoog legt
voor zichzelf,
gaat er gemakkelijk
aan onderdoor

Loesje

NietzscheVorige week schreef ik hier iets over het verband tussen individualisme en depressie in het kader van het communitarisme van de Canadese filosoof Charles Taylor. Depressie lijkt volksziekte nummer één aan het worden. Frits de Lange schrijft in Het dictaat van de zelfverbetering (afgelopen weekend in Trouw ) dat er in 2006 ruim één miljoen Nederlanders anti-depressiva gebruikten, ruim 6% van de bevolking. Tussen 1993 en 1998 nam het aantal depresssieve stoornissen toe met 63% en het aantal recepten voor antidepressiva met 278%. Tussen 1999 en 2006 is het gebruik van anti-depressiva nog eens verdubbeld. In zijn essay probeert hij een verklaring te vinden voor deze depressiegolf. Daarin verwijst hij enkele malen naar het boek De depressie-epidemie van Trudy Dehue (zie kader onder) en naar Nietzsche :

Nietzsche riep de twintigste-eeuwer op om na de dood van God het heft van zijn bestaan in eigen hand te nemen. ’De dood van God’ stond bij hem voor de afrekening met de illusie van een morele wereldorde, waarin de zin van ons leven zou zijn voorgegeven. De zin van het leven is niet een zaak van ontdekken, maar van scheppen. Rondom het lege midden van het Niets moeten we ons heroïsch een robuuste identiteit construeren. Maar het moderne ik blijkt in werkelijkheid weinig om het lijf te hebben. Het is een kaartenhuis boven de afgrond.
 
Bron: trouw.nl
Rondom het lege midden van het Niets moeten we ons heroïsch een robuuste identiteit construeren.

Frits de Lange
het dictaat van de zelfverbetering

Het feit dat ieder zelf verantwoordelijk is om zichzelf tot iemand te maken die in de ogen van anderen en van zichzelf iets voorstelt, is misschien wel de depressogene factor bij uitstek. Elk individu wordt vandaag geacht zijn eigen onderneming te zijn, de manager van zijn eigen levensloop. Initiatiefrijk, energiek, gemotiveerd, flexibel, stressbestendig, communicatief, risico nemend – het zijn niet meer de ideale eigenschappen om in het midden- en kleinbedrijf te slagen, maar de minimale voorwaarden voor iedereen om het te redden in het leven. Het cultuurideaal van het maakbare individu schept een nieuwe tweedeling tussen winners en losers. De losers zijn zij die bezwijken onder de pressie zichzelf te worden. Zij vormen het groeiende leger dat noodgedwongen een beroep doet op de geestelijke gezondheidszorg. De GGZ als de schaduweconomie van de performancecultuur.
 
Bron: trouw.nl
Self-enhancement is
de categorische imperatief
van het soevereine individu.
Hij moet onophoudelijk
’aan zichzelf werken’.

Frits de Lange
het dictaat van de zelfverbetering

De Lange wijst aan het slot van zijn essay twee wegen aan die uit de depressie kunnen voeren: 1. onszelf verliezen in de ander en 2. zelfacceptatie. Als ethicus verplicht hij zich binnen een humanistisch kader en reikt ook een oplossing aan die binnen onszelf ligt. Dat is mijns inziens een zwak punt. Bij de eerste weg uit de depressie wijst hij naar datgene wat van buiten op ons afkomt, in het bijzonder degene die wijzelf niet zijn, kortom de ander, als mogelijke oplossing. Want “iets of iemand anders moet ons toch uit de baan om die zwarte zon kunnen stoten?” De doorbraak uit het ik naar de ander wordt door hem terecht als een weg uit de depressie aangewezen. Maar wanneer deze ander nooit de Ander wordt, blijven we binnen de horizon van het menselijke . Je breekt misschien wel uit de eigen gevangenis, maar tenslotte kom je bij een andere mens in zijn cel, misschien wel iemand die aan een nog ernstigere depressie lijdt, of gaat lijden. Van de regen in de drup. De ‘dood van God’ stond bij Nietzsche voor ‘de afrekening met de illusie van een morele wereldorde’ schrijft De Lange. Hier ligt een kans om de Ander binnen te laten, niet als ‘de illusie van een morele wereldorde bij Nietzsche‘, maar als de Weg, de Waarheid en het Leven. Maar dat is waarschijnlijk te dwingend geformuleerd voor de heroïsche identiteit.

De depressie-epidemie