“paranoia strikes deep” [ 2 ]

gelezen: hoofdstuk 23, 24 en 25 van De fantoomterreur (2015)

de fantoomterreurTwee jaar geleden begon ik in De Fantoomterreur van Adam Zamoyski. Ik deed toen hier verslag van de eerste hoofdstukken. “Revolutiedreiging en de onderdrukking van de vrijheid” is de ondertitel van dit boek die de periode 1789-1848 beslaat. In de eerste zeven hoofdstukken beschrijft Zamoyski hoe de Franse Revolutie zich over heel Europa verspreidt en hoe de antirevolutionaire krachten daarop inwerken. Na de definitieve val van Napoleon in juni 1815, begint de Restauratie waarbij Europa weer monarchistisch wordt. De angst voor de revolutie blijft echter bestaan en na enkele incidenten verandert vooral Midden=Europa door de Besluiten van Karlsbad in een politiestaat die vecht tegen wat Zamoyski treffend “de fantoomterreur” noemt.

Na het boek ruim anderhalf jaar lang terzijde te hebben gelegd, ben ik er afgelopen week weer in verdergegaan. Hoofdstuk 23 (Contrarevolutie) begint met de troonsbestijging van Karel X van Frankrijk in september 1824. Hij was een jongere broer van de in 1793 onthoofde koning Lodewijk XVI en van zijn voorganger Lodewijk XVIII die in 1814, nadat Napoleon naar Elba verbannen was, koning werd. Wikipedia schrijft over zijn koningschap:

Karel XNadat Karel X in 1824 zijn broer Lodewijk XVIII was opgevolgd, liet hij zich op 29 mei 1825 te Reims zalven tijdens een indrukwekkende plechtigheid volgens de middeleeuwse tradities, en regeerde daarna als een autoritair vorst, met de steun van hoge adel en hoge geestelijkheid, alsof er nooit een revolutie had bestaan. Met een paar antiliberale wetten probeerde hij het Ancien Régime te herstellen, maar kwam daarbij in botsing met de Kamer. Zijn benoeming van de ultra-royalistische prins de Polignac tot eerste minister (in augustus 1829) was een regelrechte uitdaging aan de liberale Kamermeerderheid. In plaats van toe te geven, verstarde Polignac nog in zijn houding: zonder goedkeuring van de Kamer vaardigde hij zijn Ordonnanties van 26 juli uit. Deze schending van de grondwet betekende zonder meer een staatsgreep, waarop dan ook onvermijdelijk de Julirevolutie volgde, die de koning binnen drie dagen tot troonsafstand dwong (31 juli 1830). Karel X vluchtte naar het buitenland.
 
Bron: nl.wikipedia.org

Op de provocatie van 26 juli 1830, volgde onmiddellijke reactie. De Julirevolutie van 1830 was totaal anders dan de revolutie van 1789. De oppositie was compleet verrast en wist niet goed te reageren. Het beroemde schilderij De vrijheid leidt het volk van Delacroix geeft een heroïsch beeld van een volk dat weet wat het wil. Maar in werkelijkheid was het een rommelige opstand. De liberalen haastten zich om de revolutie toe te eigenen, maar een van hen sprak eerlijk van “een anonieme overwinning”.

Delcaroix
Eugène Delacroix de vrijheid die het volk leidt

De Julirevolutie zou een enorme invloed hebben op Europa. Opnieuw was de geest uit de fles. Metternich, de kanselier van Oostenrijk, die toch al paranoïde was, reageerde panisch en meende dat een oorlog de enige manier was om de revolutie tegen te houden. Want, zo zei hij, “zoals op de pest de hongersnood volgt, zo volgt op de revolutie de oorlog.” In de hoofdstukken 24 (Jupiter Tonans) en 25 (Schandalen) beschrijft Zamoyski de reactie op de Julirevolutie tot 1835 in Engeland, Oostenrijk, Pruisen, Rusland, Polen en Italië. Dat doet hij op een heldere manier met krachtige metaforen: “Hoewel ze (de Engelse middenklasse) met geweld dreigden (…), gebruikten ze de arbeidersklasse als potentiële dreiging, als een hond aan de riem die elk moment kon worden losgelaten, maar die men stevig vasthield.”

“paranoia strikes deep” [ 1 ]

Russische landschappen [ 2 ]

De Russische schilder Mykola Pymonenko (1862-1912)

De tentoonstelling peredvizhniki in het Drents Museum in Assen is nog twee weken te zien. Eerder liet ik al enkele landschapsschilderijen zien die op deze tentoonstelling aanwezig zijn. Een schilderij dat helaas niet in Assen te zien is, is het onderstaande van Mykola Pymonenko. Het schilderij hangt in het Одеський художній музей in Odessa en is wat mij betreft een iconisch landschapsschilderij dat veel meer bekendheid mag genieten.

Pymonenko
Mykola Pymonenko Brod, 1901

Russische landschappen [ 1 ]

thuiskomst

gelezen: De chartreuse van Parma (1839) van Stendhal
en Heimkehr (1923) van Franz Kafka

De chartreuse van Parma speelt zich zo’n tweehonderd jaar geleden af. Hoofdpersoon Fabrizio del Dongo wordt in 1798 geboren in een adellijke familie, maar verwekt door een Franse soldaat die onder Bonaparte in Noord-Italië gelegerd is. In 1815 laat hij zich in jeugdige idealisme meesleuren en vertrekt naar het Koninkrijk der Nederlanden om voor Napoleon te vechten tijdens de Slag bij Waterloo. Een doodzonde voor iemand die van adel is. Zijn broer verraadt hem en Fabrice moet hals over kop vluchten omdat de Oostenrijkers, die Noord-Italië dan weer bezet houden, hem als staatsgevaarlijk zien.

Stendhal
Ik ben begonnen in de vertaling van Elisabeth de Roos uit 1948. Omdat ik deze vertaling toch te verouderd vond, ben ik halverwege overgestapt op de vertaling van Theo Kars uit 2004.

Na een studie in Napels en een verblijf in Parma bij zijn tante Gina, de hertogin van San Severina, keert hij in hoofdstuk XVII kortstondig terug naar zijn ouderlijk huis, het kasteel van zijn vader in Grianta aan het Comomeer. Omdat iedereen zijn signalement heeft, moet Fabrice zich schuil houden op zolder bij zijn leermeester abbé Blanès zijn tweede vader en de enige die hij vertrouwen kan. Vanuit de kerktoren kijkt hij neer op de binnenplaats van het kasteel en zijn jeugd. Het voelt vertrouwd en vreemd tegelijk.

Het dubbele gevoel van Fabrizio tijdens zijn heimelijke terugkeer in zijn ouderlijk huis, beschrijft ook Franz Kafka in een kort fragment uit 1923 getiteld Heimkehr.

Ich bin zurückgekehrt, ich habe den Flur durchschritten und blicke mich um. Es ist meines Vaters alter Hof. Die Pfütze in der Mitte. Altes, unbrauchbares Gerät, ineinander verfahren, verstellt den Weg zur Bodentreppe. Die Katze lauert auf dem Geländer. Ein zerrissenes Tuch, einmal im Spiel um eine Stange gewunden, hebt sich im Wind. Ich bin angekommen. Wer wird mich empfangen? Wer wartet hinter der Tür der Küche? Rauch kommt aus dem Schornstein, der Kaffee zum Abendessen wird gekocht. Ist dir heimlich, fühlst du dich zu Hause? Ich weiß es nicht, ich bin sehr unsicher. Meines Vaters Haus ist es, aber kalt steht Stück neben Stück, als wäre jedes mit seinen eigenen Angelegenheiten beschäftigt, die ich teils vergessen habe, teils niemals kannte. Was kann ich ihnen nützen, was bin ich ihnen und sei ich auch des Vaters, des alten Landwirts Sohn. Und ich wage nicht an die Küchentür zu klopfen, nur von der Ferne horche ich, nur von der Ferne horche ich stehend, nicht so, dass ich als Horcher überrascht werden könnte. Und weil ich von der Ferne horche, erhorche ich nichts, nur einen leichten Uhrenschlag höre ich oder glaube ihn vielleicht nur zu hören, herüber aus den Kindertagen. Was sonst in der Küche geschieht, ist das Geheimnis der dort Sitzenden, das sie vor mir wahren. Je länger man vor der Tür zögert, desto fremder wird man. Wie wäre es, wenn jetzt jemand die Tür öffnete und mich etwas fragte. Wäre ich dann nicht selbst wie einer, der sein Geheimnis wahren will.
 
Bron: gutenberg.spiegel.de