God en de details

dinsdag gezien in het Rijksmuseum Twenthe in Enschedé:
Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de ontdekking van de wereld

De tentoonstelling Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de ontdekking van de wereld die deze week in het Rijksmuseum Twenthe in première is gegaan, dompelt de bezoeker onder in de late middeleeuwen. Zelfs als je, zoals wij, vanuit de expositie Rubens, Van Dyck, Jordaens – De Vlaamse Barok komt, is de overgang groot. Tussen de wereld van Rubens en die van Van Eyck gaapte er al een kloof. Maar als je beter kijkt, zie je ook allerlei overgangen. Langs die overgangen wordt de wereld van Jan van Eyck en Rogier van der Weyden toegankelijker.

Sinds Jan van Eyck is de natuur niet wezenlijk veranderd. Wijzelf, dat wil zeggen, ons mens- en wereldbeeld, zijn veranderd.

Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de ontdekking van de wereld maakt de verschuiving van het middeleeuwse naar het moderne wereldbeeld aanschouwelijk. In iedere zaal is er een korte toelichtende tekst bij het mens- en wereldbeeld van de laat-middeleeuwse mens. Daarbij worden telkens een-tweetjes gemaakt tussen de 21e en de 15e eeuw. Zo kunnen we Jan van Eyck op ooghoogte bereiken. De tentoonstellingsmakers hebben met “de ontdekking van de wereld” voor een goede subtitel gekozen, al stond de 15e eeuw ook in het teken van “de ontdekking van de mens.” Maar met “de wereld” wordt de extraverte geest benadrukt. De aandacht richtte zich naar buiten. Niet alleen met ontdekkingsreizen naar andere werelddelen, maar ook met het bestuderen van de wereld dichtbij, de wereld van de details. Om dit te illustreren zijn er waarschijnlijk geen betere voorbeelden dan de schilderijen van Jan van Eyck en Rogier van der Weyden.

Jan van Eyck
Jan van Eyck 1439
De Madonna bij de fontein … het topstuk van de tentoonstelling is een schilderijtje ter grootte van een ansichtkaart. De detaillering en het licht zijn verbluffend. Voor het eerst werden mensen met fotografische precisie geconfronteerd …

Met deze aandacht voor details belanden we bij een paradox. Voor de laat-middeleeuwse mens zat God in de details. In elk haar, grassprietje, takje, wolkje, overal werd God gezien. Niet alleen had Hij als Schepper overal Zijn handschrift achtergelaten, Hij was ook Zelf aanwezig als “Fontein van het Actuele”. Niets kon bestaan zonder God.

Niet alleen had God als Schepper overal Zijn handschrift achtergelaten, Hij was ook Zelf aanwezig als “Fontein van het Actuele”. Niets kon bestaan zonder God.

Toch zien we, naarmate de mens zich op de details gaat richten, dat hij God uit het gezicht gaat verliezen. Details blijken geen poorten meer naar God, maar verdwijnpunten. De moderne wetenschap die zich uit deze extraverte geest gaat ontwikkelen, verliest zich in de details. Tweehonderd jaar na Van Eyck zijn er telescopen en microscopen waarmee voorheen ongeziene details plotseling zichtbaar worden. De wetenschappelijke mens die alles opensnijdt en ontleedt, wordt geboren in de tijd die tussen Van Eyck en Rubens ligt. God zoals Van Eyck Hem nog kende, verdwijnt steeds meer uit het oog.

“Vanuit een oprecht religieus gevoel werd de wereld verkend, maar in die wereld blijkt God finaal nergens te bespeuren. Een grasspriet is gewoon een grasspriet, geen kosmisch teken van een onzichtbare God. In die zin zetten van Eyck en de zijnen onbewust de eerste stap naar de secularisering van de wereld.”
 
Bron: rijksmuseumtwenthe.nl

Hoe kende Van Eyck God eigenlijk? Hij zag toch dezelfde wereld als wij? Ja en nee. Sinds Immanuel Kant weten we dat onze geest zich niet richt naar de wereld, maar dat de wereld zich richt naar onze geest. Zo geloofde de mens in de late middeleeuwen dat de wereld door God geschapen was, dat de mens de kroon op de Schepping was en dat Adam en Eva écht bestaan hebben. Wij geloven in de evolutie, dat de mens een zoogdier is dat ontstaan is uit uitgestorven diersoorten. Dat is onze waarheid. Toch is de natuur sinds Van Eyck niet wezenlijk veranderd. Wijzelf, dat wil zeggen, ons mens- en wereldbeeld, zijn veranderd.

Vanuit onze waarheid (God is een concept dat door ons bewustzijn wordt geproduceerd) kijken we naar de waarheid van Van Eyck en zijn tijdgenoten (God is onze Schepper en een Vader die zijn kinderen liefheeft) Dat doen we ook vanuit ons referentiekader. In een van de toelichtingen aan de muur las ik de zin “De middeleeuwer surft mee op de golven van de heilsgeschiedenis en hoort zijn leven te leven in een voortdurend besef van het Einde.” Een duidelijk voorbeeld van het openbreken van andere belevingswereld met een sleutelwoord uit onze eigen belevingswereld.

Ik vind het woord “surfen” hier niet goed gekozen. Wanneer wij over het net surfen, voelen we ons misschien vrij omdat we alle kanten op kunnen, maar tegelijkertijd zijn we de gevangenen van een digitaal leven. We hebben ons laten inspinnen in een wereldwijd web. Door wie eigenlijk? Microsoft? Google? een Big Brother die nog geen naam heeft? Surfen geeft op korte termijn plezier maar als we aan de lange termijn denken, krijgen we een gevoel van onbehagen. Welke kant gaan we met ons verknoopte, digitale leven eigenlijk uit?

Zoals wij over het net surfen, zo surfte de middeleeuwer zeker niet mee op de golven van de heilsgeschiedenis. De middeleeuwer geloofde in de Verlossing van Christus en in het Koninkrijk de Hemelen vanuit een diepe innerlijke ervaring. Hij voelde zich aan alle kanten onvrij, geketend aan het lot van een zwaar leven in een harde wereld. Maar in zijn hart kon de middeleeuwer zich innerlijk vrij voelen, in gebed en verlangen naar de verlossing van zijn Heer. Wanneer deze ervaring ontbreekt, enerzijds van gevangenschap en anderzijds van hoop, geloof en liefde dan klinkt een zin als “Wie leeft naar Christus’ voorbeeld, zal na het Laatste Oordeel worden beloond met een plekje in de hemel: het herstelde Paradijs.” als dressuur: het klontje als beloning na het getoonde kunstje.

De bijschriften bij deze tentoonstelling zijn geschreven door rasechte 21e eeuwers: “Middeleeuwers waren religieuze fundamentalisten: wat in de Bijbel stond, was zonder meer waar.” Bij “religieuze fundamentalisten” denken we aan de eerste plaats niet aan onszelf maar aan mensen die een potentiële bedreiging vormen voor onze “vrije” westerse wereld.

Een bezorgde mama en een liefhebbende God
Daarbij is de geschilderde God is niet langer een strenge heerser, Maria geen afstandelijke Madonna meer. Ze verandert in een liefhebbende, vertederde en bezorgde mama, en later een intens treurende vrouw. Christus zelf wordt een man van vlees en bloed, die bloedt, zweet, en helse pijnen lijdt. De confrontatie met de menselijkheid van Jezus en zijn Moeder maken het de gelovige makkelijker om zich in te leven in het mysterie van het geloof. Maar tegelijk krimpt zo de kloof tussen hemel en aarde. Dat gevoel wordt nog versterkt door de gedachte dat alles op aarde – van de hoogste boom tot de kleinste boterbloem – is geschapen door God. Maar God openbaart zichzelf ook in de glans van een parel en in het goddelijke licht dat wordt weerkaatst in een edelsteen. Precies daarom wordt het vanaf de 15de eeuw zo belangrijk om de werkelijkheid tot in het kleinste detail weer te geven in de schilderkunst.
 
Bron: rijksmuseumtwenthe.nl

Vlaamse barok in Enschedé

gezien in Enschedé: Rubens, Van Dyck, Jordaens – de Vlaamse barok
Jan van Eyck en de ontdekking van de wereld

Nu het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen (KMSKA) de komende jaren is gesloten wegens een verbouwing, reizen delen van de collectie langs andere musea. Het Rijksmuseum Twenthe in Enschedé brengt dit jaar maar liefst drie tentoonstellingen rondom deelcollecties uit het KMSKA. Tot einde 2014 zijn dit achtereenvolgens: Permeke en de Vlaamse expressionisten (voorbij), Rubens, Van Dyck , Jordaens – de Vlaamse barok (t/m 28-9-2014) en Jan van Eyck en de ontdekking van de wereld (14-9-2014 t/m 4-1-2015). Een groot deel van de werken is nog nooit eerder te zien geweest in Nederland. Gisteren profiteerden René en ik van de overlap tussen de laatste twee tentoonstellingen. Tot 28 september zijn er in Enschedé twee topexposities te zien, de een met de nadruk op de eerste helft van de zeventiende eeuw, de ander met de nadruk op de vijftiende eeuw. Na 28 september is Jan van Eyck en de ontdekking van de wereld nog tot 4 januari 2015 te zien.

Vanuit de entree van het museum dat in 1930 geopend werd om de collectie van de textielfabrikant Jan Bernard van Heek te huisvesten, betraden we eerst de linker vleugel waar de tentoonstelling Rubens, Van Dyck , Jordaens – de Vlaamse barok te zien is. Daarna bezochten we helemaal achterin het gebouw de tentoonstelling Jan van Eyck en de ontdekking van de wereld. Tenslotte kwamen we via de gobelinzaal in de rechtervleugel waar gastcurator Atte Jongstra in twaalf zalen de tentoonstelling Paden naar het Paradijs heeft samengesteld uit een deel van de vaste collectie.

Rubens, Van Dyck , Jordaens – de Vlaamse barok
Langs dit traject werden we dus eerst ondergedompeld in de zeventiende eeuw. Peter Paul Rubens (1577-1640), Anthoon van Dyck (1599-1641) en Jacob Jordaens (1593-1678) zijn de Grote Drie van de Vlaamse Barok. De tentoonstelling brengt topstukken uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen en is een expositie van wereldklasse. Naast deze grote namen zijn ook iets minder grote namen als Cornelis de Vos (1584-1651) en Frans Snyders (1579-1657) en Lucas van Uden (1595-1672) vertegenwoordigd.

bewening 1614
Pieter Paul Rubens 1614
de bewening van Christus

Al deze schilders werden in het laatste kwart van de zestiende eeuw geboren en waren in de eerste helft van de zeventiende eeuw werkzaam in Antwerpen, de belangrijkste handelsstad van de Spaanse Nederlanden. Doordat de Noordelijke Nederlanden officieel tot 1648 met Spanje in oorlog waren en voor de Reformatie hadden gekozen, was er een scheiding gekomen die tot op de dag van vandaag voelbaar is. Boven de grote rivieren is alles overwegend protestants, daaronder alles katholiek. In de eerste helft van de zeventiende eeuw was het verschil in life style enorm groot. De rijke protestantse burgerij gaf de voorkeur aan sobere, kleine schilderijen, de rijke katholieke burgerij koos juist voor grote uitbundige schilderijen.

Anthoon van Dyck 1635
de bewening van Christus … Van Dyck toont zich hier met kleurenschema en mise-en-scène een duidelijke navolger van Titiaan …

Antwerpen was aan het einde van de zestiende eeuw, samen met Venetië een van de meest welvarende handelssteden ter wereld. De Venetiaanse schilders Titiaan, Tintoretto en Veronese die de weg hadden bereid voor een grootse wereldse schilderkunst, werden in Antwerpen nagevolgd. Na het Concilie van Trente (1545-1663) ging er een nieuwe wind waaien die we de Contrareformatie noemen. Het was het antwoord van de katholieke kerk op de Reformatie die door Luther in 1517 in gang was gezet. De kunst werd ingezet om het volk bij de katholieke kerk te houden of weer terug te brengen. Het was een ander soort kunst als de Renaissancekunst, die na 1520 langzaam maar zeker was overgegaan in het maniërisme. De voorstellingen waren donkerder geworden, complexer, tegenstrijdiger en onzekerder. Het was de afspiegeling van een onzekere periode die gekenmerkt werd door godsdienstoorlogen.

De dochters van Cecrops vinden het kind Erichthonius
Jacob Jordaens 1617
De dochters van Cecrops vinden het kind Erichthonius … ook Jordaens schilderde Rubensvrouwen …

In het laatste kwart van de zestiende eeuw loopt het maniërisme over in een niet minder dramatische stijl die we barok zijn gaan noemen. Maar de barok is evenwichtiger dan het maniërisme. De kunstenaars leken zich door de Contrareformatie van de katholieke kerk in de rug gesteund en werden zelfverzekerder. De Venetiaanse schilders overdonderden met hun reusachtige doeken en het genie van Caravaggio voegde iets toe wat nieuw was: dramatische belichting. Gewapend met deze theatrale middelen imponeerden de schilders van de barok hun publiek. Met de beeldenstorm (1566) hadden de katholieke kerk en de katholieke kunst een enorme klap moeten incasseren. Maar rond 1600 stond het er voor beide weer goed voor. De Contrareformatie was als politiek programma aangeslagen dankzij de verbluffende theatrale kunst van schilders en beeldhouwers, met Caravaggio voorop. De barok had zijn intrede gedaan.

Met het maniërisme en de barok was er wel “iets” verloren gegaan. Wat dat precies was, illustreert de tentoonstelling Jan van Eyck en de ontdekking van de wereld. Daarover morgen meer.

Themazalen
Aan de hand van themazalen neemt deze tentoonstelling de bezoeker mee naar het Antwerpen van de 17e eeuw. Uiteraard zijn er de grote altaarstukken en grootste mythologische taferelen. Maar ook intieme taferelen uit de burgerwoningen krijgen een plek, net als ontroerende familieportretten, bidprentjes en stillevens, als herinnering aan de vergankelijkheid van het bestaan. De evocatie van een 17e-eeuwse ‘kunstkamer’, van de vloer tot het plafond volgestouwd met schilderijen, maakt het plaatje compleet. Het laatste woord is echter voor Rubens zelf. Want tenslotte was ook de grote meester een man van vlees en bloed: een flamboyant en zelfzeker man, maar ook een kunstenaar die schetste, tekende en probeerde, en die zijn medewerkers op de vingers keek, totdat ze precies maakten wat hij wilde.
 
Bron: rijksmuseumtwenthe.nl

Rubens, Van Dyck, Jordaens – de Vlaamse barok
Jan van Eyck en de ontdekking van de wereld

de verontwaardigde Volkskrant

De Volkskrant besteedt op haar manier aandacht aan het feit
dat Jozef van den Berg 25 jaar geleden stopte met theater maken
De Volkskrant
journalist Rob Gollin schreef op zich wel een respectvol artikel, maar het venijn kwam van de koppenmaker op de redactie. De kop “God betere het” moet de toon zetten.
God betere het
een vloek, die oorspronkelijk als vrome wens gebruikt is bij de vermelding van een ramp of een tegenspoed in de zin van God betere het, God herstelle, vergoede het; later als uitroep van verontwaardiging en eindelijk als een soort vloek, soms zonder enige betekenis, gebezigd, evenals God helpe me, Godhelp, God beware me.
 
Bron: etymologiebank.nl

Jozef van den Berg – van poppenspeler tot acteur van Christus [ lannoo.be ]

hopeloos achterhaald

gelezen in Letter & Geest: Het magische drieletterwoord
door de Vlaamse filosoof Maarten Boudry

In 1996 haalde een hoogleraar natuurkunde aan de universiteit van New York een grap uit die bekend geworden is als de Sokal affaire. Hij wist een onzinartikel geplaatst te krijgen in het postmoderne tijdschrift Social Text. Sokal bracht het academische postmodernisme in verlegenheid. Twee jaar geleden zette de Vlaamse filosoof Maarten Boudry met een soortgelijke hoax de Vrij Universiteit voor schut. Hij schreef een zogenaamd theologisch artikel in grammaticaal correcte onzin, doorspekt met holle frasen en theologisch jargon en bood dat aan bij de redactie van een programmaboek van een wetenschappelijk congres over de scheppingsorde. Het stuk werd geplaatst. Met deze satirische schelmenstreek bewees hij dat doelbewuste onzin moeilijk van postmoderne theologie valt te onderscheiden.

Postmoderne theologie is net als de hedendaagse kunst bijzonder vatbaar voor “gebakken lucht”. Dat komt waarschijnlijk omdat de sleutelwoorden uit de theologie (theos=God) en de hedendaagse kunst (kunst) alles en niets kunnen betekenen. Het zijn a.h.w. fantomen geworden die door onze taal en ons denken spoken. In navolging van Wittgenstein zet Boudry de filosofie in om de beheksing van het denken door de taal te bestrijden.

God
God buiten de Bijbel, in het woordenboek

Boudry schrijft in een superieure stijl en kiest zijn voorbeelden goed. Toch weet zijn artikel mij niet te overtuigen. Een van de boeken waarnaar hij verwijst is The Experience of God van de oosters-orthodoxe theoloog David Bentley Hart. Deze noemt God “de Grond van alle Zijn” en “de Fontein van het Actuele”. Alle beelden die we van God kunnen maken, lijken hiermee overstegen. Toch, constateert Boudry dat de auteur van The Experience of God niet helemaal losgeweekt is van oude godsbeelden. Want hij blijft de Grond van alle Zijn aanspreken als “een Hij”. Zou Bentley Hart, zo vraagt Boudry zich af, in de opstanding van Christus geloven? En in de menswording van de Grond van alle Zijn? Vreemd dat Boudry naar de bekende weg vraagt. Natuurlijk gelooft een oosters-orthodox theoloog dat.

Zijn ene gelaat is intellectueel en verfijnd maar weinig aanlokkelijk: dat zijn de ijle abstracties waarmee theologen zich vermeien.

Maarten Boudry

Iets verderop schrijft hij: “De theïstische God lijkt soms op de Romeinse godheid Janus. Zijn ene gelaat is intellectueel en verfijnd maar weinig aanlokkelijk: dat zijn de ijle abstracties waarmee theologen zich vermeien. Zijn andere gezicht is vertrouwd en menselijk, maar hopeloos achterhaald.” Boudry spreekt hier over Christus, want binnen de twee andere monotheïstische religies, jodendom en islam, is God volledig transcendent. Alleen in het christendom is God mens geworden in Christus en heeft Hij een menselijk gezicht gekregen dat ons naderbij komt in de icoon. Maar dat is volgens de filosoof achterhaald. Hopeloos achterhaald. Punt. Er komt geen onderbouwing. Blijkbaar verwacht Boudry hier de onmiddellijke bijval van zijn lezer en draagt hij daarom geen enkel argument aan.

Hoe zou zijn constatering overkomen op de oosters-orthodoxe theoloog David Bentley Hart? Als je de christelijke God hopeloos achterhaald noemt, noem je impliciet degenen die in Hem geloven ook hopeloos achterhaald. Is dat niet hopeloos arrogant?

VU voor schut met namaakartikel [ filosofie.nl ]