brombeer

gisteren gezien in Focus: Mr. Turner (2014) van Mike Leigh
vandaag is de 163e sterfdag van Joseph Mallord William Turner

Mr. TurnerMr. Turner begint met een lang openingsshot van een molen aan de dijk bij een opkomende magere zon. Er beweegt nauwelijks iets. Het lijkt alsof we naar een schilderij van de Haagse School kijken. Dan maken zich uit de verte twee gestalten los die langzaam naderbij komen. Mike Leigh laat zijn cameraman rustig wachten, niet bang om zijn film te laten beginnen met een “Tarkovskyshot” van langer dan een minuut. De gestalten blijken twee meisjes in Hollandse klederdracht. Als ze ons genaderd zijn, gaat de camera met hen meebewegen. De ruimte wordt zichtbaar. We horen ze in het Nederlands kouten over een of andere vrijer. Dan gaat de camera iets omhoog en zien we langs de dijk een man met een hoge hoed, die in een klein schetsboekje de molen in het ochtendlicht staat te tekenen. We weten dat hij het is. Mike Leigh wil ons niet belasten met data en plaatsnamen en laat een onderschrift weg. Maar als je iets over het leven van Turner gelezen hebt, weet je dat we in het jaar 1825 zijn, toen hij zijn tweede reis naar Holland en het Rijndal maakte.

I did find myself wondering about the magical opening sequence of the film, though. We’re in the Netherlands (there’s a windmill), with two women in white lace caps advancing towards us down a lane, chatting volubly in 1820s Dutch.

Turner expert Andrew Wilton over de opening sequence

Het openingsshot is eigenlijk het establishmentshot voor de hele film die het leven van Mr. Turner tussen zijn vijftigste en zijn dood in 1851 op 76-jarige leeftijd kabbelend volgt. Geen bijzondere gebeurtenissen in het leven van de niet bepaald innemende hoofdpersoon. Valt daar nog wel een genietbare film van te maken? Mike Leigh laat zien dat het kan. Maar je moet dan wel houden van historisch drama, traagheid en mooie beelden. Mike Leigh wist bij voorbaat dat Mr.Turner een film voor een select publiek zou worden, zeker buiten Engeland. In eigen land is Turner nog steeds een beroemdheid die dezelfde postuur heeft als Rembrandt bij ons.

Mr. Turner
Turner’s aquarel de schilder en zijn bewonderaars inspireerde de production designers om het interieur na te bouwen. In plaats van halve bogen werd gekozen voor rechte ruiten, zodat er over de vloer een schaduw van horizontale en verticale lijnen valt.

Het dagelijks leven van Turner is niet veel bijzonders. Zijn vader William (1745-1829) woont in bij zijn zoon die ongetrouwd is, maar het net als Rembrandt met zijn huishoudster houdt. Naast zijn atelier is een tentoonstellingsruimte waar zijn vader het handeltje drijft. Er gebeuren geen grote dingen maar het drama van een ongelukkige jeugd heeft zich als een langgerekte schaduw over Turner´s persoonlijkheid geworpen. Hij is een naar binnen gekeerde knorrepot en gromt eerder dan dat hij praat.

Turner is een naar binnen gekeerde knorrepot en gromt eerder dan dat hij praat

Timothy Spall heeft zich erg goed in zijn personage ingeleefd o.m. door veel over hem te lezen. Toen Turner tien jaar oud was, begon zijn moeder tekenen van waanzin te vertonen. Na zeventien jaar haar gekte in huis verdragen te hebben, besloten vader en zoon haar in 1802 tenslotte naar het krankzinnigengesticht te brengen. De zoon bleef zich daar altijd schuldig over voelen. Het heeft zijn leven voorgoed getekend. Dit wetende komt de ongenietbare brombeer toch wat dichterbij.

Mr. Turner
J.M.W.Turner goes C.D.Friedrich

Mr. Turner zit vol prachtige landschappelijke filmbeelden. Soms lijkt het alsof we een reis maken door zijn schilderijen: de krijtrotsen van Dover in avondgloed, de woeste hoogten in Zwitserland en de dampige straten van Londen. Van een van zijn beroemdste schilderijen, The Fighting Témeraire is een tableau vivant gemaakt. We zien het houten oorlogsschip door een stoomboot naar zijn laatste rustplaats gesleept worden. Turner ziet in het spektakel een machtige metafoor van afscheid terwijl zijn metgezellen opmerken dat er voor het schip vijfduizend eiken geveld moesten worden en dat deze nu gerecycled worden in tafels en stoelen.

Turner en Monet
details uit The Fighting Témeraire (1838) van Turner en Impression: soleil levant (1872) van Monet. Turner wordt vaak als een wegbereider van het impressionisme gezien, maar eigenlijk stond hij ver van de impressionisten af. Monet liet met zijn opkomende zon een nieuwe optimistische wereld van licht en kleur zien, terwijl Turner met zijn zonsondergang veel eerder melancholisch terugblikte op het verleden.

Mr.Turner en zijn tijd
 
Er worden in de film geen jaartallen genoemd, maar er zijn wel een paar verwijzingen naar historische gebeurtenissen.
 
Aan het begin van de film komt Turner thuis van zijn reis door Nederland, België en Duitsland en spreekt hij over de ontploffing van het buskruitmagazijn in Oostende. Er vielen twaalf doden en de schade in de omgeving van de kazerne was aanzienlijk. Deze gebeurtenis vond plaats op 19 september 1826.
 
Aan het einde van de film vertelt Turner hoe in Hyde Park het Crystal Palace van Paxton in aanbouw is voor de wereldtentoonstelling van 1851. Deze opende op 1 mei. Turner stierf op 19 december en maakte The Great Exhibition aan het einde van zijn leven dus nog mee.
 
Er zijn ook historische onjuistheden. Als dokter Price uit Margate de doodzieke Turner in London bezocht heeft, zegt hij dat hij met de trein terugreist vanaf Charing Cross. Maar dit station werd pas in 1864 geopend, 13 jaar na Turner’s dood.

Cinematography: Dick Pope – Production Design: Suzie Davies – Art Direction: Dan Taylor – Set Decoration: Charlotte Watts – Costume Design: Jacqueline Durran

De officiële website van Mr. Turner gaat vandaag in de lucht | Mr. Turner [ imdb.com ]
recensie van Peter Bradshaw in The Guardian

wildromantische Turner

Joseph Mallord William Turner en de Rijnromantiek

De Engelse landschapsschilder Joseph Mallord William Turner maakte vele reizen door Europa. Hij reisde telkens weer naar Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië. Ook bezocht hij Nederland en België. Tussen 1840 en 1845 reisde hij jaarlijks naar Europa. Hij was toen de zestig al gepasseerd. Het spoorwegennet begon zich in de jaren veertig te ontwikkelen, maar Turner reisde nog op de traditionele manier. De industrialisering was in volle gang en het middeleeuwse verleden werd geromantiseerd. Aan de Rijn leefde de Rijnromantiek. Ook Turner werd hierdoor aangetrokken. Hij bezocht in 1817, 1825, 1834 en 1840 het romantische Rijndal en maakte er vele tekeningen en aquarellen.

J.M.W.Turner
Festung Ehrenbreitstein bij Koblenz
afgelopen zomer en gezien door Turner in 1840
J.M.W.Turner
Burg Gutenfels en Kaub in 1840

Maar zo wildromantisch als Turner het zich allemaal voorstelde, was en is het toch niet, al blijft het Rijndal nog altijd een van de mooiste plekken van Duitsland. Turner dramatiseerde het landschap: het dal werd veel dieper, de rotsen hoger en de burchten imposanter. Net als in een fantasyfilm.

J.M.W.Turner
de Lorelei
afgelopen zomer en gezien door Turner in 1817
J.M.W.Turner
Burg Rheinfels
In 1817 the English painter made the first of many trips to the Rhine. Within two days he hiked from Koblenz to Bingen. I calculate the distance: That’s about 60 kilometers (37 miles)! I’m happy that in this summer heat, Armin Thommes and I only have a short stretch to go. From St. Goar, we’ll follow the banks of the Rhine to the southern end, where Turner painted a view of the Lorelei. St. Goar is located diagonally across from the famous cliff.
Bron: dw.de
J.M.W.Turner
Burg Katz en St. Goar
afgelopen zomer en gezien door Turner

Through the eyes of a painter [ dw.de ]

Zweedse aristocraat

Alexander Roslin. Portrettist van de aristocratie
in het Twents Museum, Enschedé tot 12 april 2015

De Zweedse schilder Alexander Roslin (1718-1793) is niet echt bekend in Nederland, maar geldt toch als een van de grootste portretschilders uit de achttiende eeuw. Zijn portretten zijn gepolijst en qua afwerking vergelijkbaar met die van zijn tijdgenoot Pompeo Batoni (1708-1787). Beiden werkten ze voornamelijk voor aristocraten en andere welgestelde opdrachtgevers. Ik maakte onlangs een olieverfstudie van het portret dat hij schilderde voor de Zweedse koopman en politicus John Jennings (1729-1773).

Alexander Roslin
Alexander Roslin 1769
portret van John Jennings (detail)

Dit portret is nu voor het eerst in Nederland te zien op de tentoonstelling Alexander Roslin – Portrettist van de aristocratie in het Twents Museum in Enschedé.

Roslin glossy
Ter gelegenheid van deze bijzondere tentoonstelling geeft het Twents Museum een decadente glossy uit die de aristocratie uit de achttiende eeuw op haar hoogtepunt laat zien. De Franse Revolutie die een einde maakte aan het feestje voor de happy few, maakte Alexander Roslin net nog mee. Hij stierf in 1893 op 75-jarige leeftijd.
Roslin vereeuwigde de heersende klasse op het hoogtepunt van haar rijkdom en macht. Hij was de chroniqueur van de decadentie van de late 18de eeuw. Maar deze rijkdom en decadentie waren, zo blijkt achteraf, ook een laatste stuiptrekking van een klasse die spoedig haar macht en aanzien zou verliezen. Het waren roerige tijden: er heerste politieke en sociale onrust en deze bereikte een hoogtepunt met de Franse Revolutie in 1789. Vele door Roslin geschilderde vorsten en edellieden verloren tijdens de Revolutie hun posities en daarmee hun status. Sommigen verloren zelf letterlijk hun hoofd onder de guillotine of kwamen anderszins op gewelddadige wijze om het leven. Dat Roslin zelf, als representant van de gehate klasse van het Ancien Régime, wonderwel de Revolutie overleefde komt waarschijnlijk omdat hij niet van Franse komaf was.
 
Bron: rijksmuseumtwenthe.nl

Alexander Roslin. Portrettist van de aristocratie [ rijksmuseumtwenthe.nl ]

de laatste grote portrettist

John Singer Sargent (1956-1925)

De Amerikaanse schilder John Singer Sargent beschouw ik, samen met de Rus Ilya Repin (1844-1930), als de laatste grote portretschilder in de klassieke traditie. Net als Velazquez was hij een meester in “bravoure painting” en wist hij met een virtuoos gebaar en verbluffende trefzekerheid tot de ziel van de geportretteerde door te dringen. Als schilder van de late 19e eeuw maakte hij de revolutie van het impressionisme mee. Nooit eerder was het a la prima schilderen zo losjes en schetsmatig geweest.

Na 1900 zien we ook bij Singer Sargent duidelijk de invloed van het impressionisme. Zijn coloriet wordt kleurrijk en zijn toets nog wat losser. Maar anders dan bij de impressionisten, die in de eerste plaats landschapsschilders waren en in de open lucht schilderden, bleef Singer Sargent portretschilder die meestal in opdracht werkte. Hij was dus bedreven in het genre waarbij het verschil vaak op de millimeter zit. De vormen zie je bij hem dan ook zelden verwateren.

John Singer Sargent schilderde meestal in opdracht van de high society tijdens de Amerikaanse Gilded Age. Hieronder zien we het portret van Elizabeth Allen Marquand, de vrouw van de Amerikaanse kunsthistoricus Allan Marquand (1853–1924). In compositie en kleurgebruik doet het denken aan een Hollands portret uit de 17e eeuw.

John Singer Sargent
Elizabeth Allen Marquand 1887 (Princeton University Art Museum)

Het portret van Henry Cabot Lodge uit 1890 is ook nog donker van toon, maar het gelaat is nu helemaal a la prima geschilderd.

John Singer Sargent
Henry Cabot Lodge 1890 (Smithsonian’s National Portrait Gallery)

Ook in het portret van Elizabeth Winthrop Chanler uit 1893 is er nog niets van de invloed van het impressionisme te zien. Hoewel het een informeel portret is, heeft Singer Sargent het op een klassieke wijze opgebouwd. Hij dringt met zijn blik door in de doordringende blik van Elizabeth Winthrop Chanler, waardoor hij een psychologische diepte bereikt.

John Singer Sargent
Elizabeth Winthrop Chanler (Mrs. John Jay Chapman) 1893 (Smithsonian American Art Museum)

Het dubbelportret van Mrs. Fiske Warren (Gretchen Osgood) en haar dochter Rachel toont duidelijk de invloed van het impressionisme. Singer Sargent werkte aan het begin van de twintigste eeuw in een soort mix van impressionisme en neo-barok.

John Singer Sargent
Mrs. Fiske Warren (Gretchen Osgood) en dochter 1903 (Museum of Fine Arts, Boston)

Nog duidelijker is de impressionistische invloed te zien in de kleding en de handen. Het is eerder een olieverfschets dan een uitgewerkt portret, maar op afstand lijkt het een gedetailleerd barok portret.

John Singer Sargent
detail uit Mrs. Fiske Warren (Gretchen Osgood) en dochter 1903 (Museum of Fine Arts, Boston)

In het portret van Lady Helen Vincent is goed te zien dat Singer Sargent een society schilder was. Lady Helen houdt de afstandelijkheid van een diva. Dit glamourportret herinnert mij aan zijn beroemde Portrait of Madame X uit 1884.

John Singer Sargent
Lady Helen Vincent, Viscountess d’Abernon 1904 (Birmingham Museum of Art)

In de stofuitdrukking zien we picturaal vuurwerk dat een optelsom lijkt van Velazquez en het impressionisme.

John Singer Sargent
detail uit Lady Helen Vincent, Viscountess d’Abernon 1904 (Birmingham Museum of Art)

Het duidelijkst zien we de invloed van het impressionisme in de schilderijen die Singer Sargent in de open lucht schilderde. Aan het begin van de twintigste eeuw werkte hij graag in Italië. De levendige kleuren en het frisse a la prima doen mij denken aan zijn Spaanse tijdgenoot Joaquín Sorolla (1863-1923).

John Singer Sargent
The Fountain, Villa Torlonia, Frascati, Italy 1907 (The Art Institute of Chicago)

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was Singer Sargent 58 jaar oud. In 1918 werd hij door het Britse Ministerie van Informatie gevraagd om taferelen uit de Eerste Wereldoorlog te schilderen. Het grote schilderij Gassed is daar een voorbeeld van.

John Singer Sargent
Gassed 1919
John Singer Sargent
detail uit Gassed 1919

John Singer Sargent [ en.wikipedia.org ]

de ultieme rite de passage

gezien bij VPRO Boeken: Wim Brands in gesprek met Willem Jan Otten

droomportaalWillem Jan Otten (Amsterdam, 1951) werd dit jaar onderscheiden met de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza. Vandaar dat hij in deze aflevering van Boeken de enige gast van Wim Brands was. Het gesprek ging al gauw over het boek My Bright Abyss (Mijn heldere afgrond) van de Amerikaanse dichter en essayist Christian Wiman. Otten raakte deze zomer gefascineerd door dit boek en herlas het telkens weer. Wiman beschrijft in dit boek wat er met hem gebeurt wanneer hij van zijn arts zijn doodvonnis gehoord heeft: hij blijkt te lijden aan een zeldzame combinatie van mergkankers, die hem letterlijk uitmergelen.

In het essay bijna-levenervaring dat Otten op 26 oktober j.l. in Letter & Geest (Trouw) publiceerde, beschrijft hij wat het aangrijpende boek van Wiman voor hem betekend heeft. Als intellectueel die zich tot het katholicisme bekeerd heeft, wordt Otten diep aangesproken door de manier waarop de agnostische Wiman zich tot de dood verhoudt en in het bijzonder in zijn wil om zich voor te stellen wat er na de dood met hem gebeurt. Wiman drukt de dood niet weg door deze dood (dood=dood) te verklaren, maar hij probeert te naderen tot het onvoorstelbare.

Wiman drukt de dood niet weg door deze dood (dood = dood) te verklaren, maar hij probeert te naderen tot het onvoorstelbare.
Wiman is door alle wetenschappelijke, journalistieke, sceptische wateren gewassen. Hij weet dat de gedachte aan ‘na dit leven is er Niets’ – geen hiernamaals, geen eeuwigheid – een verlokkelijke, fatale kennis is, die een soort ‘existentialistisch heldendom’ met zich meebrengt. Hij treft deze nihilistische heroïek aan bij de twintigste-eeuwse Helden van de Geest – Beckett, Camus, Kafka (als hij een Nederlandse schrijver was zou hij wellicht toegevoegen: W.F. Hermans, Rudy Kousbroek) – en kan die ook bewonderen, maar het leidt uiteindelijk, als de schijnbaar zo soevereine opvattingen tot dogma’s verstarren, ook tot een cultus van het isolement. “Je voelt je thuis in de wereld door je nooit helemaal thuis te voelen.” Van God verlaten zijn, het schept een vreemde band, een soort stoere verongelijktheid die soms voor ‘existentiële moed’ wordt aangezien. Je hoort deze neostoïcijnse toon vooral bij fundamentalistische atheïsten die, na een bijna-doodervaring, met een soort triomfje zeggen “dat ze God niet zijn tegengekomen”.
 
Bron: trouw.nl

Otten is geïnteresseerd in de rite de passage en de dood is ongetwijfeld de ultieme “rite de passage.” Toch wordt de dood steeds meer als een eindpunt gezien. Het hiernamaals is vervangen door het hiernumaals, het “gedenk te sterven” door “nu samen genieten”. Daardoor is het leven volkomen binnenwereldlijk geworden. De economisering en technocratisering van de politiek, het consumentisme en het morele verval hebben allemaal te maken met onze grondhouding tegenover leven en dood.

Door het sterven als een “rite de passage” te zien en de dood dus als een nieuw begin, komt het leven in een totaal ander perspectief te staan. Het christendom met zijn laatste oordeel, hemel en hel heeft voor de meesten van ons afgedaan. Dood is dood. Maar My bright Abyss laat volgens Otten zien dat er vanuit de existentiële ervaring van het afgrondelijke een helder licht kan schijnen. Voor de katholiek Otten is dat Christus. Aangeschoven bij de VPRO aan tafel houdt hij het open, en dat is ook goed zo. Fundamentalistische atheïsten of agnosten die toch menen dat er na de dood niets is, zouden aan die open houding een voorbeeld kunnen nemen.

Schrijven als een vorm van denken en denken in de vorm van schrijven

uit het juryrapport van de P.C. Hooftprijs 2014
toegekend aan Willem Jan Otten

Wim Brands in gesprek met Willem Jan Otten [ boeken.vpro.nl ]