Napoleon & Josephine

aan het lezen in: Napoleon van Adam Zamoyski (2018)
aan het herlezen: Josephine van Kate Williams (2014)

Drie weken geleden begon ik aan de biografie over Napoleon van Adam Zamoyski. Ik vergeleek deze toen alvast met de biografie van Andrew Roberts. Beide Engelse historici hebben een heel verschillende benadering van Napoleon: Roberts tilt hem op het voetstuk waar veel Fransen hem zo graag zien en noemt zijn biografie zelfs Napoleon de Grote. Zamoyski , die behalve een wereldberoemd historicus ook graaf is en stamt uit een adellijke Poolse familie, probeert Napoleon in zijn juiste proporties te zien en zoekt de mens achter de mythe.

Dit was vooral de mythe die Napoleon rond zijn eigen persoon creëerde. Met dank aan imagebuilders als Jacques-Louis David, Antoine-Jean Gros e.v.a. De snelle opkomst van Napoleon na 1796 was niet alleen te danken aan zijn militaire successen maar ook aan zijn efficiënte overdrijving daarvan. Hij zag al snel het enorme belang van propaganda. Het Directoire, het vijfkoppige bestuur van Frankrijk dat tussen november 1795 en november 1799 regeerde, had de jonge generaal evenzeer nodig als dat men hem vreesde.

Napoleon en Josephine
Drie biografieën die ik permanent naast elkaar opensla: een over Josephine van Kate Williams en twee over Napoleon van Andrew Roberts en Adam Zamoyski

Tijdens het lezen van de biografie van Zamoyski heb ik er naast de biografie van Roberts nog een tweede biografie bij gepakt. Geen biografie over Napoleon maar over Josephine en geschreven door een vrouw, de Engelse historica Kate Williams. Deze biografie las ik in het voorjaar van 2015 nadat ik in het Hermitage Amsterdam de tentoonstelling Alexander, Napoleon en Josephine gezien had.

Napoleon heeft een gigantische correspondentie nagelaten, die in Frankrijk bezorgd wordt in een voortreffelijke uitgave van 28 kloeke delen. Het zijn 22 duizend brieven. Tel je daarbij dan nog de bevelen en decreten op, dan kom je uit op een totaal van 30-35 duizend brieven. We kunnen Napoleons leven dan ook van dag tot dag volgen. Dat geldt ook voor zijn relatie met Josephine de Beauharnais. Napoleon leerde haar in het najaar van 1795 kennen tijdens een etentje bij Barras, die de twee aan elkaar probeerde te koppelen. Met succes. Napoleon was onmiddellijk verkocht, hoewel Jospehine zes jaar ouder en zeker geen schoonheid was. Maar met haar charme maakte ze op iedereen indruk.

Hippolyte CharlesIn maart trouwden ze, maar Napoleon was razend druk met het voorbereiden van zijn veldtocht naar Italië. Het huwelijk was allang geconsumeerd. Dat de eerste huwelijksnacht geen succes werd, is dus dramatischer dan het lijkt. Desondanks ging Josephine , nadat haar kersverse man als opperbevelhebber van het revolutionaire Italiëleger was vertrokken, onmiddellijk vreemd met de dandy Hippolyte Charles. Vanuit Noord-Italië schreef Napoleon haar brieven waarin hij openhartig en, weliswaar verhuld door een sluier van romantiek, schaamteloos plat zijn lust voor haar beschrijft. Thuis maakt Josephine zich met haar vriendinnen en haar minnaar vrolijk om zijn geëxalteerde taalgebruik.

Zowel Kate Williams en Adam Zamoyski hebben veelvuldig gebruik gemaakt van de brieven van Napoleon en Josephine. Zelf schreef ze hem niet vaak en het waren zeker geen lange brieven. Ze was vooral bezig met haar minnaar. Voor Zamoyski moeten deze brieven aan Josephine die Napoleon aan het begin van hun huwelijk en tijdens de Italiaanse veldtocht schreef, vruchtbaar materiaal zijn geweest om ‘Napoleon de Grote’ terug te brengen tot zijn ware proporties. En deze brieven zijn beslist ook voer voor psychologen.

Matho Tonga

De klassieker Matho Tonga (1948-1954) van Hans Georg Kresse
verscheen opnieuw in stripweekblad PEP (1 t/m 29) van 1970

Matho TongaAf en toe blader ik weer eens door de PEP’s uit de jaren zeventig. Het jeugdsentiment ben ik dan meestal ver voorbij. PEP is een schatkamer van Nederlandse stripmakers. Een van de nog levende meesters Dick Matena (Den Haag, 1943) tekende al vanaf 1968 voor PEP. Eerst De Argonautjes (1968-1973) en Ridder Roodhart (1969-1971) naar scenario’s van Lo Hartog van Banda. Tussen 1971 en 1975 tekende en schreef hij de strip Grote Pyr. Na 1970 werd PEP uitgebreid van 32 naar 48 pagina’s en verschenen nog meer strips van Nederlandse makelij. Hans G. Kresse (1921-1992) tekende vanaf 1966 voor PEP. In 1970 verscheen zijn klassieker Matho Tonga – de laatste der Mandan’s met nieuwe belettering opnieuw in PEP.

Kresse tekende verschillende verhalen van Matho Tonga. Het derde verhaal, het geheim van dr. Dorian, verscheen in Nederland in 1955 in Jaargang 58 van De Wereldkroniek.

Matho Tonga
plaatje uit Matho Tonga (pagina 59)

Het aantrekkelijke van Matho Tongha is dat deze strip niet ingekleurd is. Het fenomenale tekenwerk komt zo veel beter tot zijn recht. In 1970 zou Hans G. Kresse starten met zijn indianenstrips. PEP publiceert daarvan de eerste verhalen: De wraak van Minimic [#36 1970], Mangas Coloradas – Woestijn van wraak [#43 1971 t/m #9 1972] en Wetamo – De heks van Pocasset [#40 1972 t/m #8 40 1973]. Deze strips zijn wel ingekleurd waardoor het tekenwerk lang niet meer zo mooi uitkomt.

Matho Tonga
laatste pagina van Matho Tonga in PEP
Matho Tonga
plaatje uit Matho Tonga (pagina 59)
Matho Tonga
In 1977 verscheen bij Uitgeverij Oberon een fraai album in zwart-wit van Matho Tonga – de laatste der Mandan’s. Daarna verscheen nog het tweede deel De strijd in de Zwarte Bergen

Matho Tonga [ depepsite.nl ] | Matho Tonga [ vlaamsstripcentrum.be ]

een gelovig wetenschapper

Op 5 december a.s. verschijnt bij de Deutsche Post een herdenkingspostzegel
t.g.v. de 250e geboortedag van Friedrich Schleiermacher

Veel uit de periode 1750-1850 heeft mijn bijzondere aandacht. Dat geldt zeker ook voor de theologie uit dit tijdvak. Na 1750 begon de wetenschap steeds grotere invloed uit te oefenen op het denken over mens en wereld. Natuurlijk werkte dit ook uit op het christelijke geloof. Friedrich Schleiermacher is een van de bekendste en invloedrijke theologen uit het begin van de negentiende eeuw. Daarom wordt hij wel eens de ‘de kerkvader van de 19de eeuw‘ genoemd. Hij leefde in een tijd dat de wetenschap de geloofswaarheden uit de Bijbel begon te ondermijnen. Deze ontwikkeling was tijdens de Verlichting al op gang gekomen en zette in de negentiende eeuw definitief door.

Schleiermacher Briefmarke
postzegel t.g.v. de 250e geboortedag van Friedrich Schleiermacher

Zo ontstonden er allerlei wetenschappen die de kennis op grond van de Bijbel in twijfel gingen trekken. De geologie kwam bijvoorbeeld op ramkoers te liggen met het Scheppingsverhaal. De Ierse bisschop James Ussher berekende in de zeventiende eeuw op grond van het scheppingsverhaal in Genesis dat de aarde op 22 oktober 4004 voor Christus moest zijn geschapen. De wetenschap kwam tot heel andere berekeningen. In de eerste dertig jaar van de negentiende eeuw werd de natuurlijke historie met miljoenen jaren opgerekt en ontstonden de namen van de geologische tijdvakken. Het rijtje Trias, Jura, Krijt klinkt de meeste scholieren nu bekender in de oren dan het rijtje Leviticus, Numeri, Deuteronomium. Wat Schleiermacher in zijn tijd meemaakte was een verschuiving van het christelijke, theocentrische wereldbeeld naar een wetenschappelijk, postchristelijk wereldbeeld. Op deze verschuiving, die natuurlijk ook een confrontatie was, reageerde Schleiermacher met zijn theologische geschriften. Zijn bekendste is Über die Religion. Reden an die Gebildeten unter ihren Verächtern uit 1799.

Schleiermacher worstelde met de in zijn tijd dringende vraag naar de verhouding tussen wetenschap en geloof, tussen de kennis van het hoofd en kennis van het hart. Hij vroeg zich af of het wel mogelijk is om tegelijkertijd een goed christen te zijn en een modern denkende wetenschapper, een vraag, die begrijpelijk is voor wie zijn levensgeschiedenis kent.
 
Bron: koinonia.kerkwinkel.eu

Maria de Medici

gisteren gezien op TV5 Monde: Secrets d’histoire
Maria de Medici – l’obsession du pouvoir (2018)

Het einde van de zestiende en begin van de zeventiende eeuw is niet mijn terrein, maar de aflevering over Maria de Medici (1575-1642) in de Franse reeks Secrets d’histoire wilde ik graag zien, vanwege twee kastelen die onlosmakelijk met haar naam verbonden zijn: het chateau de Blois en natuurlijk het Palais du Luxembourg in Parijs. Beide kastelen bezocht ik respectievelijk in 1981 en 2000 en het was in 1981 in Blois dat ik voor het eerst over haar hoorde.

Maria de Medici
Maria de Medici geschilderd door Rubens

De Franse reeks secrets d’histoire levert afleveringen van 100 minuten af. Dat is lang voor een historische documentaire op televisie maar het is ook gemaakt voor de liefhebber. Er komen experts aan het woord en om het verleden tot leven te brengen zit er veel reenactment doorheen gemixt. Maria de Medici wordt gespeeld door Jessica Morali die eigenlijk veel te mooi is, maar het is natuurlijk televisie. De reeks pretendeert geheimen te onthullen. En daar slaagt het programma zeker in.

Het mooiste geheim van de aflevering van gisteren, vond ik het aquaduct dat vanuit de Seine water aanvoert naar de Jardin du Luxembourg. Bij een aquaduct denk je meestal aan een brug waar water over stroomt, maar een aquaduct kan ook ondergronds zijn. Een schoon riool eigenlijk. Toen Maria de Medici tussen 1615 en 1627 door architect Salomon de Brosse het Palais du Luxembourg liet bouwen, werd een aquaduct aangelegd om de tuinen rond het kasteel van water te voorzien. Het ligt er nog steeds al merken de toeristen daar weinig van. Na vier eeuwen verkeert het nog altijd in prima staat en doet het nog steeds dienst.

Maria de Medici – l’obsession du pouvoir [ imdb.com ]

Ciao Bernardo

vandaag overleed Bernardo Bertolucci (77)

Bernardo BertolucciVandaag is een van de laatste maestro’s van de Italiaanse cinema ons ontvallen, Bernardo Bertolucci. Bij zijn naam denk ik vooral aan twee films: Novecento (1976) en Prima della rivoluzione (1964). Deze hebben op mij de meeste indruk gemaakt. Nog altijd vind ik het eeuwig zonde dat Novecento Engels gesproken is, maar de film blijft een monument in de Italiaanse cinema.

Prima della rivoluzione is een echte Italiaanse neorealistische film in de traditie van Rocco e i suoi fratelli. Het speelt zich af in Bertolucci‘s geliefde Parma, de stad van zijn voorvaderen en de stad van Stendhals beroemde roman de Kartuize van Parma. De pas 23 jarige Bertolucci baseerde in 1964 zijn film losjes op het verhaal van Fabrizio del Dongo en zijn tante Gina, de hertogin Sanseverina.

Het communisme en met name de kameraadschap speelt in beide films een centrale rol. Bertolucci werd geboren in een intellectuele familie. Zijn vader Attilio Bertolucci was kunsthistoricus en dichter en het marxisme kreeg hij met de paplepel ingegoten. In Novecento wordt de fascist iconisch en onvergetelijk vertegenwoordigd door Atilla (Donald Sutherland). De scène die door veel mensen die de film ooit gezien hebben als eerst genoemd wordt, is die met het katje. In Prima della rivoluzione wordt hoofdpersoon Fabrizio verscheurd tussen de liefde voor zijn non-conformistische tante Gina, waardoor hij voor het communisme kiest, en het kleinburgerlijke milieu van zijn familie.

Bertolucci werd geboren te Parma, als oudste zoon van Attilio Bertolucci, een kunsthistoricus en dichter. Ook Bernardo’s broer Giuseppe Bertolucci zou filmregisseur en scenarioschrijver worden. Bernardo Bertolucci begon met schrijven op zijn vijftiende, en ontving al snel belangrijke literaire prijzen zoals de Premio Viareggio voor zijn eerste boek. De achtergrond van zijn vader hielp hem bij zijn carrière: Bertolucci senior had de Italiaanse filmmaker Pier Paolo Pasolini geholpen bij het publiceren van diens eerste roman, en op zijn beurt gaf Pasolini de jonge Bernardo een baan als eerste assistent in Rome bij Accattone (1961). Maar Bertolucci’s talent was al herkend door anderen, zoals Sergio Leone, die hem vroeg de verhaallijn voor Once Upon a Time in the West te schrijven.
 
Bron: nl.wikipedia.org

dichterbij 1812

aan het lezen in: Naar Moskou! Naar Moskou! door Willem Oosterbeek
Memoires van een officier uit de Lage Landen in het leger van Napoleon

Naar Moskou! Naar Moskou!In de geschiedenis is het jaar 1812 bijgezet als het jaar van de veldtocht van Napoleon naar Moskou die het begin van zijn einde zou zijn. 1812 als opmaat naar 1815, het jaar van de Honderd Dagen, de Slag bij Waterloo en zijn definitieve einde. Nog altijd staat de uitdrukking ‘zijn Waterloo vinden‘ voor het lijden van een definitieve nederlaag. De Russische veldtocht van 1812 was dus het begin van het einde van Napoleon. De brand van Moskou, de Slag bij Borodino, de ijzingwekkende aftocht en de overtocht over de Berezina staan in het collectieve geheugen gegrift. De schoolplaten van vroeger zijn vervangen door interactieve kaarten en games.

In 1812 trekt Napoleon op naar Moskou, een veldtocht die een helletocht zou worden. Jean François Dumonceau is officier in la Grande Armée. Hij maakt deel uit van de Keizerlijke Garde, en verkeert in de nabijheid van Bonaparte. Als een van de weinigen overleeft hij de tocht. Aan het eind van zijn leven schrijft hij, in het Frans, zijn memoires. Die geven een huiveringwekkend beeld van een oorlog waarin honderdduizenden sneuvelen, maar ook schetsen ze zijn verbondenheid met Liesje, zijn paard, en zijn oppasser Jan. Willem Oosterbeek vertaalde Dumonceaus memoires en voorzag ze van historisch commentaar. Zo ontstaat een ooggetuigenverslag van een veldtocht die twee eeuwen later nog altijd tot de verbeelding spreekt. Bron: singeluitgeverijen.nl

Voor Nederland is Napoleons veldtocht ook belangrijk geweest omdat er in de Grande Armée, tot dan toe het grootste leger dat ooit op de been was gebracht, duizenden Nederlandse soldaten zaten. Macron en Merkel dromen van een Europees leger. Als dat leger er ooit komt, zal dat niet voor de eerste keer zijn, want de Grande Armée was een echt Europees leger dat bestond uit soldaten van vele nationaliteiten die onderling tientallen talen spraken, ook al was de taal onder de officieren Frans. Engeland en Rusland waren de enige Europese landen die niet in de Grande Armée vertegenwoordigd waren.

Willem Oosterbeek vertaalde in 2014 de (franstalige) dagboeken van Jean François Dumonceau, een Nederlandse officier die met Napoleon meereist naar Moskou. Hij is een van de weinigen die terug zullen keren. Oosterbeek heeft niet alles letterlijk vertaald en wisselt de dagboekaantekeningen af met historisch commentaar. Het is een zeer leesbaar, informatief en spannend boekje geworden dat mij na het lezen van 1812 – Napoleons fatale veldtocht naar Moskou van Adam Zamoyski toch weer allerlei nieuws bood. In intermezzo’s gaat Oosterbeek in op de politieke situatie van het Napoleontische Europa (hoofdstuk 3 sidderende machthebbers), op de organisatie en de dagelijkse realiteit van de veldtocht (hoofdstuk 7 een rugzak van koeienhuid) en op de wijze van oorlogvoeren (hoofdstuk 9 schreeuwende gewonden).

Willem Oosterbeek vertelt het verhaal van de veldtocht veel summierder dan Adam Zamoyski, aan de hand van een selectie uit het dagboek van de Nederlandse officier, maar toch kunnen we de tocht wel helemaal volgen: van Parijs, via Brussel, Maastricht, Münster, Osnabrück, Minden, Hannover, Braunschweig, Magdeburg, Potsdam en Stettin gaat het door het groothertogdom Warschau naar de oever van de Njemen, de grensrivier tussen het Napoleontische Europa en het tsaristische Rusland. Half juni, na drie maanden en 1800 kilometer dagmarsen van tussen de 20 en 25 kilometer, bereikt Dumonceau eindelijk het uiterste oosten van Napoleons vazalstaten en dus van zijn invloedssfeer.

Daarna gaat het naar Vilna, Vitebsk, Minsk naar Smolensk aan de Dnjepr. Daar zijn ze eindelijk op eigenlijke Russische bodem. Het Russische leger onder de Schotse opperbevelhebber Barclay de Tolly blijft zich terugtrekken en zuigt de Grande Armée zo het onmetelijke binnenland in, steeds verder van huis. Dumonceau wil dolgraag slag leveren, maar bij Smolensk gaan de Russen de confrontatie maar gedeeltelijk aan. De stad wordt in brand gestoken, een voorproefje van wat Napoleon te wachten staat in Moskou.

Omdat Dumonceau officier is van een regiment binnen de Keizerlijke Garde, is hij steeds in de buurt van Napoleon. Van de half miljoen soldaten die invasiemacht telt, vangen de meeste soldaten zelfs niet een glimp van de keizer op. Maar Dumonceau ziet hem regelmatig voorbij komen. Een nadeel van deze bevoorrechte positie in de Keizerlijke Garde is dat Napoleon deze in de praktijk als reservetroepen achter de hand houdt. Waarschijnlijk is dat ook een reden waarom Dumonceau de Russische veldtocht overleefd heeft. Hij hoeft geen slag te leveren, al ziet hij daar wel naar uit.

terugtocht in  1812
Napoleons terugtocht in 1812 door Adolf Northern

Oosterbeek schrijft dat van de twaalf soldaten die naar Moskou trekken, slechts twee overleven. Tien soldaten zullen uiteindelijk nooit terugkeren. Slechts een van de tien bezwijkt op het slagveld of later aan zijn verwondingen. Twee van de tien worden er gevangen genomen, dikwijls door kozakken die ze uitleveren aan boeren. Deze treffen het zwaarste lot omdat de boeren op verschrikkelijke wijze wraak nemen op de aan hen uitgeleverde gevangenen. Tenslotte zullen zeven van de tien die het niet overleven onderweg sterven. Naar Moskou! Naar Moskou! Is een verhaal over de waanzin van oorlog, over de discrepantie tussen een ambitieus plan en de weerbarstige werkelijkheid. In al zijn gruwelijkheid blijft het verhaal van de Russische veldtocht tot de verbeelding spreken en komt het voor de Nederlandse lezer door het dagboek van de Nederlandse officier Dumonceau dichterbij als in 1812 van Zamoyski.

Naar Moskou!Naar Moskou! [ singeluitgeverijen.nl ]