De graaf van Monte-Cristo

de eerste 40 hoofdstukken gelezen van De Graaf van Monte Cristo (1844)

De Graaf van Monte CristoDe Graaf van Monte Cristo behoort tot de beroemdste romanfiguren van de negentiende eeuw. Ik kende hem alleen nog van de film en zag dan Richard Chamberlain of Gerard Depardieu voor mij. Maar ik wilde Edmond Dantes zien zoals ik Julien Sorel, Fabrizio del Dongo, Jean Valjean of Raskolnikov kan zien: zoals Stendhal, Hugo en Dostojewsky hun personages oorspronkelijk gezien hebben. Dus besloot ik het boek toch maar eens te gaan lezen. Weliswaar veertig jaar te laat, want de roman van Alexandre Dumas is eigenlijk een jongensboek dat je op je vijftiende zou moeten lezen. Dumas schrijft met een sneltreinvaart en neemt geen tijd voor filosofische bespiegelingen zoals Hugo of voor fijne psychologische observaties zoals Stendhal en Dostojewsky. Het is geschreven met een behangerskwast.

Veel Franse romans uit de negentiende eeuw nemen hun aanvang bij Napoleon. De Kartuize van Parma (1839) begint met de intocht van Napoleon in Milaan op 15 mei 1796, Les Miserables (1862) begint in 1815. Ook De Graaf van Monte Cristo begint in 1815 en wel op 27 februari, vlak voor de landing van Napoleon in de Golfe-Juan op 1 maart 1815. Dumas gebruikt de geschiedenis als decor en lijkt daarin meer op Stendhal dan op Hugo. Hij probeert de geschiedenis niet te begrijpen en schetst in een paar streken de situatie. De graaf van Monte Cristo treedt pas veertien jaar na de aanvang van het verhaal naar buiten, waardoor het meeste zich eigenlijk pas na 1829 afspeelt. Maar je hoort Dumas niet over Louis-Philippe (1830-1848) of de politieke situatie in zijn land.

Alexandre Dumas (1802-1870) is niet geïnteresseerd in de sociale misstanden van zijn tijd zoals zijn leeftijdsgenoten Victor Hugo (1802-1885) en Eugène Sue (1803-1857). Hij houdt er meer van om de extravagante levensstijl van zijn hoofdpersonage, de graaf van Monte Cristo, te beschrijven. Ongetwijfeld een alter ego van zichzelf. De succesvolle Dumas liet voor zichzelf een kasteeltje bouwen, het Château de Monte-Cristo. Zijn fantasie was een beetje werkelijkheid geworden. Uiteindelijk zou hij door zijn roekeloosheid alles weer verliezen.

De graaf van Monte Cristo [ nl.wikipedia.org ]

capriccio

vandaag is het de 211e sterfdag van Hubert Robert

Hubert Robert door Elisabeth Vigee-LebrunWanneer je in Nederland vraagt een Franse schilder uit de achttiende eeuw te noemen, zal het antwoord meestal luiden: Jacques-Louis David, de grote classicistische schilder aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw die zo ernstig brak met het kokette rococo. Of men noemt Watteau, de Noord-Franse schilder helemaal aan het begin van de achttiende eeuw die Rubens weer tot leven wekte in een heel nieuwe en lichte vorm van barok die bekend zou worden onder de naam rococo, de stijl die de achttiende eeuw tussen 1730 en 1770 in zijn greep zou krijgen. Chardin, Boucher en Fragonard zouden eventueel nog genoemd kunnen worden. Maar de naam van Hubert Robert (1733-1808) hoor je in Nederland niet zo gauw. Toch behoort hij tot de grote Franse schilders van de achttiende eeuw.

Hubert Robert had een specialisme waar hij zijn bijnaam Robert des ruines aan te danken had: het schilderen van ruïnes. Halverwege de achttiende eeuw had hij dit geleerd in Rome waar hij van zijn 21e tot zijn 33e woonde (1754-1765). De eeuwige stad was toen naast Florence en Venetië de hoofdbestemming van de Grand Tour, de Italiaanse reis die rijke Engelsen graag maakten. De wieg van het moderne toerisme lag in de achttiende eeuw in Italië. Hier ontwikkelde zich toen al een toeristenindustrie, voornamelijk gericht op schatrijke Engelsen. Omdat er nog geen fotografische ansichtkaarten waren, was er veel vraag naar gravures van antieke ruïnes.

In Rome en Venetië ontstond een aparte bedrijfstak die zich bezighield met het tekenen en schilderen van ‘toeristenkiekjes’ de zogenaamde vedute. De allerberoemdste veduteschilder uit de achttiende eeuw is ongetwijfeld Canaletto. Hij was een van de honderden en waarschijnlijk duizenden veduteschilders die rond het midden van de achttiende eeuw werkzaam waren in Rome of Venetië.

Pannini
capriccio van Giovanni Paolo Pannini uit 1758

De jonge Hubert Robert heeft het schilderen van vedute afgekeken bij Giovanni Paolo Pannini (1691-1765). Oorspronkelijk was Pannini decoratieschilder. Door de toenemende vraag naar Romeinse stadsgezichten door Engelse toeristen stapte hij over op de lucratieve handel in vedute. Vanuit zijn ervaring als decoratieschilder nam Panini het niet zo nauw met de werkelijkheid. Hij gebruikte de ruïnes van het antieke Rome voor gefantaseerde taferelen, zogenaamde capricci.

Hubert Robert
capriccio van Hubert Robert

Capriccio of veduta?
Een capriccio is een gefantaseerde voorstelling met architectonische elementen die aan de werkelijkheid zijn ontleend. Een veduta is een stadsgezicht dat topografisch vaak correct is. De fantastische etsen van Piranesi zijn een schoolvoorbeeld van capricci terwijl de heldere en topografisch nauwkeurige stadsgezichten van Canaletto een goed voorbeeld zijn van vedute.

Urban gothic

aan het lezen in Les Mystères de Paris (1842) van Eugène Sue

Os Misterios de Lisboa (1854) van de Portugese schrijver Camilo Branco (1825-1890) was een van de vele roman-feuilletons halverwege de negentiende eeuw die gebaseerd waren op Les Mystères de Paris van Eugène Sue (1804-1857). In 1842-43 was dit feuilleton een enorm succes. Beïnvloed door de socialistische ideeën van zijn tijd beschreef Sue de dagelijkse ellende van de onderste klasse in Parijs. Twintig jaar later zou Victor Hugo met Les Miserables het feuilleton van Sue in bekendheid nog eens overtreffen.

gravure uit 1851
illustratie Les Mystères de Paris 1851

Les Mystères de Paris vond ook navolging in Engeland. In 1844 schreef George W.M. Reynolds de Mysteries of London. In de jaren veertig van de negentiende eeuw waren London en Parijs de grootste steden ter wereld en boden dus enorm veel stof voor verhalen over de sociale ellende van die tijd. Ook Dostojevski en Multatuli lieten zich inspireren door het sociaal-realisme van Eugène Sue.

Urban Gothic romans uit het City Mysterie genre
 
Les Vrais Mysteres des Paris by Eugene Vidocq
The Mysteries of London by G. W. M. Reynolds
The Mysteries of Lisbon by Camilo Branco
The Slums of St. Petersburg by Vsevolod Krestovsky
The Mysteries of New York by Ned Buntline

Les Mystères de Paris [ gallica.bnf.fr ]

het genot een ‘ik’ te zijn

gelezen: hoofdstuk 8 (Berlijn 1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer - 
de woelige jaren van de filosofieIn de zomer van 1811 stapt Arthur Schopenhauer over van de Georg-August-Universität in Göttingen naar de Humboldt Universität in Berlijn. Zijn motivatie is simpel: aan deze in het jaar daarvoor gestichte universiteit doceert de beroemde filosoof Johann Gottlieb Fichte. Voor Safranski weer een goede reden om een ‘filosofisch toneel‘ in zijn biografie in te bouwen.

In een terugblik beschrijft Safranski wat er in de jaren negentig van de achttiende eeuw had plaatsgevonden. Fichte was zo onder indruk van de filosofie van Immanuel Kant gekomen dat hij besloot om de beroemde filosoof in 1791 in Königsberg op te zoeken. Kant heeft het echter zo druk met het ontvangen van bezoek van heinde en verre dat Fichte niet binnenkomt. Om toch de aandacht van Kant te krijgen, schrijft hij een essay om zichzelf bij de meester aan te bevelen: Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Het werkt. Kant is zeer onder de indruk en laat het anoniem in Königsberg publiceren. Daarna wordt het in heel Duitsland besproken en als tenslotte uitkomt wie het geschreven heeft, is Johann Gottlieb Fichte de nieuwe rijzende ster aan het firmament van de Duitse filosofie.

Humboldtuniversiteit Berlin
De Humboldt Universität in Berlijn waar Schopenhauer van 1811 tot 1812 studeert.

Vanuit zijn bewondering en kritiek op Kant ontwikkelt Fichte zijn eigen filosofie van het Ich. Safranski vat dat prachtig samen. Zeker niet alles wat Safranski over Fichte schrijft, is makkelijk te begrijpen, maar als je het begrijpt, dan klopt het ook helemaal. Bijvoorbeeld: “Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.”

Het ‘ik’ is iets dat wij pas in het denken voortbrengen en tegelijkertijd is die voortbrengende kracht de onvoorstelbare ik-heid in onszelf. Het denkende en het gedachte ‘ik’ zijn opgesloten in een vicieuze cirkel van activisme.

Twee bladzijden verder schrijft Safranski in zijn ‘filosofisch toneel’: “Ik ben het ‘Ding an Sich’ – het zichtbare geheim van de wereld. Dit inzicht was voor Fichte die verblindende ‘bliksem’ die zijn filosoferen bleef verhitten. Die ‘bliksem’ was afkomstig uit de geladen geestelijke sfeer van het verlangen naar emancipatie, een sfeer die tot hier was doorgedrongen vanuit de Franse Revolutie. En de invloed van Fichte vloeide niet voort uit moeilijke deducties die zeer weinig mensen begrepen, maar uit datgene waaruit meteen munt geslagen kon worden voor de wisselkoers van het tot dusver ongekende genot een ‘ik’ te zijn.”

FichteDe kern van de filosofie van Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) wordt gevormd door zijn opvatting over de (menselijke) geest, het Ik. Volgens hem is de héle werkelijkheid hieruit te verklaren. Hiermee sluit hij niet aan bij Kant, die een dualisme aannam tussen de werkelijkheid zoals zij zich aan het “ik” voordoet en de onkenbare realiteit zoals zij werkelijk is. Fichte legt duidelijk de nadruk op de geest; zijn filosofie is een vorm van zuiver Idealisme en hijzelf daarmee een van de prominente vertegenwoordigers van het zogenaamde Duits Idealisme. Fichte ziet de individuele menselijke geest als een onderdeel van dat wat alles omvat, Het Absolute; hier in de vorm van het ‘absolute Ik’. Dit ‘absolute Ik’ is over alle bewustzijnen verdeeld. De diepste aard van alles wat bestaat is het goddelijke, absolute Ik. Daarachter kan men niet verder teruggaan, want het Ik “schept” of fundeert zichzelf. Het Ik schept niet alleen zichzelf, maar ook de natuur en de kosmos. Dit laatste noemt Fichte het ‘niet-Ik’, dat echter niet zelfstandig kan bestaan maar alleen in dialectische tegenstelling mét het Ik en in de ervaring als object dóór het Ik. Anders dan het Ik heeft het dus geen absolute maar slechts een relatieve werkelijkheid. Dit wordt door Fichte niet als een hypothese gezien maar als een noodzakelijke waarheid. (Bron: nl.wikipedia.org)

woelige jaren van de filosofie

gelezen: hoofdstuk 7 (1809-1811) uit Arthur Schopenhauer –
de woelige jaren van de filosofie
van Rüdiger Safranski (1988)

Arthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie was de tweede biografie die Rüdiger Safranski in 1988 schreef, nadat hij vier jaar eerder zijn eerste biografie had geschreven over E.T.A Hoffmann (1776-1822). Safranski voelt zich in de tijd rond 1800 als een vis in het water. Na zijn biografieën over Hoffmann en Schopenhauer verschenen een prachtige studie over de Duitse Romantiek en biografieën over Schiller en Goethe. Safranski mogen we internationaal rekenen tot een van de Grote Begrijpers van de zogenaamde Goethezeit, de periode 1770-1830.

Georg-August-Universität
De Georg-August-Universität in Göttingen waar Arthur Schopenhauer tussen 1809 en 1811 o.a. de filosofie van Immanuel Kant bestudeerde

Arthur Schopenhauer studierte von 1809 bis 1811 in Göttingen und besuchte vor allem historische und naturgeschichtliche Lehrveranstaltungen. Einer seiner wichtigsten Lehrer war dabei Johann Friedrich Blumenbach, der damals berühmteste Göttinger Naturforscher. Schopenhauer setzte die in Göttingen begonnenen naturwissenschaftlichen Studien auch nach der Entscheidung für eine Laufbahn als Philosoph und dem Wechsel an die neugegründete Universität in Berlin fort. Sein Interesse und seine Kenntnisse auf dem Gebiet der Naturwissenschaften und insbesondere der Physiologie sind ein wichtiger Schlüssel zum Verständnis seiner Philosophie.(Bron: univerlag.uni-goettingen.de)

Arthur Schopenhauer - de woelige jaren van de filosofieArthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie is een magistraal boek dat het uit eerbied verdient om nog eens herlezen te worden. Ik zit alweer een paar weken tot aan mijn oren in ‘de woelige jaren van de filosofie‘, bij mijn weten een term die door Safranski zelf gemunt is. Hij bedoelt hiermee de jaren 1781-1818, een iets ruimere interval dan het zo bekende tijdvak 1789-1815. De jaartallen die de woelige jaren van de filosofie begrenzen, vallen samen met het verschijnen van de Kritik der reinen Vernunft van Imanuel Kant in 1781 en Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer in 1818. De periode daartussen was voor de filosofie net zo stormachtig als de Franse Revolutie (1789-1799) en de Napoleontische tijd (1800-1815).

Wat was er gebeurd? Dit zou een zin van Safranski kunnen zijn. Daarna zou een zogenaamd ‘filosofisch toneel‘ volgen, een intermezzo dat Safranski’s biografieën voor mij zo bijzonder maakt. Elke biograaf zal een decor willen schetsen voor het leven van een bepaalde persoon dat hij wil beschrijven. Dat is vaak een tijdsbeeld of een geografische beschrijving. Maar het kan ook gaan om een geestelijk klimaat. Dat laatste is als decor waarschijnlijk het lastigste om te beschrijven. Maar Safranski is hier een meester in. Hij heeft het zeldzame vermogen om het ingewikkelde samen te vatten, zonder dat dit afbreuk doet aan diepte en complexiteit. Ieder die zich waagt aan het samenvatten van filosofie voor een breed publiek, bijvoorbeeld in een historisch overzicht, weet hoe zwaar het is een bevredigend evenwicht te vinden tussen toegankelijkheid/helderheid en complexiteit. Safranski heeft ook nog eens literair talent, waardoor hij schitterend proza aflevert.

Het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.

Een paar voorbeelden: “Het is alsof de onttroonde oude metafysica, eenmaal verdreven uit de onbegrensde ruimten van de kosmos, alle resterende kracht heeft vergaard en de geseculariseerde subjecten op het gemoed heeft gewerkt, waar ze danig rammelt en knelt.” Dit schrijft hij met betrekking tot de Categorische Imperatief, het centrale begrip uit de Kritik der praktischen Vernunft (1888). En met betrekking het centrale begrip uit de Kritik der reinen Vernunft (1781), het Ding an Sich, schrijft hij: “Kant liet ons een goed ingericht huis van rationele kennis na, maar het ‘Ding an Sich’ was net een gat waardoor een verontrustende tocht binnenstroomde.”

Het is precies deze ‘tocht’ die in het westerse denken een storm zou veroorzaken. Deze zou het Duitse idealisme van Fichte en Schelling, het optimisme van Hegel maar ook het pessimisme van Schopenhauer voortbrengen. We mogen daarom gerust spreken van ‘de woelige jaren van de filosofie’.

Saudade [ 3 ]

opnieuw gezien: Os misterios de Lisboa (2010) van Raul Ruiz

Camilo Castelo BrancoVan Simon Vestdijk wordt wel eens gezegd dat hij niet geleefd maar geschreven heeft. Zijn literaire productie was zo buitengewoon groot dat er voor het echte leven maar weinig tijd overbleef. Bij de Portugese schrijver Camilo Castelo Branco (1825-1890) kun je dat moeilijk zeggen. Ook hij produceerde enorm veel (honderden romans, toneelstukken en essays) maar had daarnaast een veelbewogen leven. Os misterios de Lisboa, een van zijn bekendste romans, die oorspronkelijk in 1853 als feuilleton verscheen in een dagblad in Porto, liet al zien dat Branco ‘kleinmenselijk’ drama van binnenuit kende.

Met deze roman vestigde hij op 29-jarige leven zijn reputatie als romancier en had toen al een dramatisch verleden achter de rug. Op zijn vierentwintigste werd hij gearresteerd omdat hij zijn overleden jonge vrouw had opgegraven. Het zou niet de laatste keer zijn dat hij in de gevangenis belandde. Later werd hij opnieuw, en nu voor langere tijd, opgesloten omdat hij een affaire had met een getrouwde vrouw. Tijdens zijn tweede verblijf in de gevangenis schreef hij in 1861 Amor de perdição (Noodlottige Liefde), een van zijn bekendste romans. Samen met Eça de Queiroz (1845-1900) is hij de grootste Portugese auteur uit de 19e eeuw. Nog altijd is literatuur minnend Portugal verdeeld in twee kampen. Je bent Camiliaan of Eça-fanaat. Als je van de een houdt, hou je meestal niet van het werk van de ander. Branco is dan ook een verplicht nummer, vergelijkbaar met Multatuli in Nederland.

In 2010 werd Mistérios de Lisboa (1854) verfilmd door Raul Ruiz. Het is een weergaloze film geworden met adembenemende fotografie, met een heel eigen visie en superieur aan het gemiddelde kostuumdrama dat je op televisie ziet dat weliswaar degelijk gemaakt is, maar toch productiewerk is. Ruiz vertelt zijn verhaal rustig en is zeer spaarzaam met takes en camerabewegingen. Zo ontstaat een contemplatieve sfeer die bijzonder goed past in de laat-romantische traditie waarin Branco schreef en de vroege negentiende eeuw waarin de verhalen van Os misterios de Lisboa zich afspelen.

Os misterios de Lisboa
Angela en Pedro, de ouders van de jonge edelman die in Os Misterios de Lisboa op zoek gaat naar zijn identiteit en in een web van vervlochten levens verstrikt blijkt te zijn.
Raul Ruiz plaatst in navolging van Kubrick zijn acteurs vaak in bevroren poses in lange statische takes en vermijdt in dialogen close ups. Zo worden zijn beelden tableau vivants.

Toen ik deze film vier jaar geleden voor de eerste keer zag, moest ik al vaak denken aan Barry Lyndon (1975) het meesterlijke ‘kostuumdrama’ van Stanley Kubrick. Raul Ruiz plaatst in navolging van Kubrick zijn acteurs vaak in bevroren poses in lange statische takes en vermijdt in dialogen close ups. Zo worden zijn beelden tableau vivants. Maar omdat het film is, wrikken de acteurs zich langzaam los uit het “schilderij” waarin ze zich bevinden. Film op het randje van de schilderkunst. Wie van dynamiek houdt, zal deze statische beelden oervervelend vinden. Maar in onze tijd van hyper bewegelijke (virtuele) camera’s vind ik deze contemplatieve benadering een verademing. Laten we onze ogen weer eens echt gaan gebruiken en ons oefenen in ‘langzaam kijken‘.

Veel werk publiceerde Camilo Castelo Branco alleen om de rekeningen te betalen, maar hij bleef altijd origineel. Hij maakte sterke personages en Portugese types, waaronder de “brasileiro” (een teruggekeerde Portugese emigrant die rijk was geworden in Brazilië), de oude Fidalgo (een edelman uit het noorden van Portugal) en de priester uit Minho. Als gevolg van syphilis werd Branco blind en leed hij aan een chronische zenuwziekte. Op 1 juni 1890 pleegde hij zelfmoord met een revolver, terwijl hij in zijn beroemde houten schommelstoel zat. (Bron: nl.wikipedia.org)

Saudade [1] | Saudade [2]

de moord op Kotzebue

zaterdag was het 200 jaar geleden dat August von Kotzebue
door de patriot Karl Ludwig Sand in Mannheim vermoord werd

de fantoomterreurDe moord op de toneelschrijver August von Kotzebue (1761-1819) op 23 maart 1819 is een sleutelmoment in de eerste helft van de negentiende eeuw. Het gaat dan eigenlijk niet om de gebeurtenis zelf of de persoon van Kotzebue (hij schreef overigens 211 toneelwerken, was bij het gewone volk veel populairder dan Goethe en Schiller en in zijn tijd was zijn werk al over de hele wereld verspreid, o.a. in Russische bibliotheken op de Aleoeten.) maar om de gevolgen van deze moord.

De moord was immers een politieke moord en om de impact te begrijpen, moeten we iets weten van de politieke situatie na 1815.

Nu is er weer volop belangstelling voor de Restauratie zoals de periode tussen 1815 en 1848 genoemd wordt. Historicus Adam Zamoyski schreef in 2014 Phantom Terror (in 2015 verschenen in een Nederlandse vertaling onder de titel De fantoomterreur). En Beatrice de Graaf schreef Tegen de terreur waarmee ze net als Zamoyski inzoomt op de bestrijding van politieke vijanden en de organisatie van veiligheidsdiensten tijdens de Restauratie.

Karl Ludwig Sand, de martelaar
In Arthur Schopenhauer – de woelige jaren van de filosofie beschrijft Rudiger Safranski in hoofdstuk 18 dat er na de moord op August von Kotzebue een cultus rond zijn moordenaar Karl Ludwig Sand ontstond: “De verering die men met name in Heidelberg voor Sand had, was hier jaren later nog te bespeuren. Van de planken en balken van het schavot waarop Sand was terechtgesteld, bouwde scherprechter Braun (…) een huisje in zijn wijngaard bij Heidelberg. Daar plachten corpsleden in het geheim samen te komen. In Heidelberg tierde ook de handel in relikwieën. Men vocht om de met bloed van de martelaar bespatte houtkrullen, en men kon hier pijpen en koffiekopjes met het portret van Sand kopen”.

Bij de moord op August von Kotzebue gaat het niet om de schrijver en ook niet om zijn moordenaar Karl Ludwig Sand, maar om de zogenaamde Besluiten van Karlsbad die het gevolg waren van deze moord. De impact van deze besluiten kunnen moeilijk onderschat worden. Ten eerste kwam er een algemene censuur van de pers en een verbod op Burschenschaften (Duitse studentenverenigingen). Revolutionair gezinde docenten werden ontslagen. Er kwam staatstoezicht op universiteiten. Tenslotte werd er onderzoek ingesteld naar revolutionaire activiteiten door een centrale commissie in Mainz. Met andere woorden: Er ontstond een politiestaat.

Nadat in juni 1815 het Congres van Wenen was afgesloten en Napoleon defintief verslagen was, ontstond er een “nieuw” Europa dat bij elkaar gehouden werd door een politiek systeem waarvan Metternich de architect was. Om dit systeem in stand te houden, was repressie nodig van liberale bewegingen. Doordat Napoleon praktisch heel Europa had aangestoken met de idealen van de Franse Revolutie, was de vonk overgeslagen. Vooral naar Duitsland. De Duitsers bleken zeer ontvankelijk voor liberale hervormingen. Duitsland werd het hartland van nationalisme, identiteit en volkswil. En zo begon het Duitse volk zich bewust te worden van zijn eigen identiteit en te verlangen naar een Duitse eenheidsstaat. Dit verlangen botste met de politieke werkelijkheid, want na 1815 werd de traditionele Kleinstaaterei in Duitsland gewoon hervat. De liberale beweging leefde vooral onder studenten. Om de verspreiding van het liberalisme te voorkomen stelde Metternich de zogenaamde demagogenvervolging in.

Doordat Napoleon praktisch heel Europa had aangestoken met de idealen van de Franse Revolutie, was de vonk van het liberalisme overgeslagen. Vooral naar Duitsland.

Demagogen waren voor Metternich populisten, invloedrijke personen die op de onderbuik van het volk inspeelden. Tweehonderd jaar geleden waren de populisten echter niet rechts- maar linksgeoriënteerd. Ze waren liberaal en in de eerste helft van de negentiende eeuw stond liberaal voor links terwijl monarchistisch en conservatief voor rechts stond. Het liberalisme leefde vooral in de Burschenschaften, de studentenverenigingen, onder jonge mensen. Zij zagen de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap die de Fransen naar Duitsland hadden geëxporteerd, gesmoord in het monarchistische systeem van Metternich.

Karl Ludwig SandDe theologiestudent Karl Ludwig Sand (1795-1820) was een van de studenten die zich niet thuis voelden in het “nieuwe” Europa van Metternich. In 1817 nam hij deel aan het Wartburgfest bij de Wartburg in Eisenach. Dit was een patriottisch feest. Het Duitse nationalisme had nog niet zoveel te maken met het nationaalsocialisme ruim een eeuw later. Toch was er ook een duidelijke overeenkomst, de boekverbranding. Een van de boeken die in 1817 in Eisenach verbrand werden, was de Geschichte des deutschen Reichs van August von Kotzebue. De schrijver was immers een conservatief die op grond van de geschiedenis de monarchie verdedigde en het liberalisme afwees. Heinrich Heine zou in 1820 schrijven: “wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen”.

Wartburgfest 1817
DDR herdenkingspostzegel

Het Wartburgfest was een opmaat naar de moord op Kotzebue op 23 maart 1819. Er ontstond polarisatie en de Burschenschaften en de verdedigers van de Restauratie kwamen steeds meer tegen over elkaar te liggen. Kotzebue, die in 1817 meemaakte dat zijn boek verbrand werd, werd nog monarchistischer dan hij al was. Hij ging pleiten voor een verbod op de populistische Burschenschaften. Voor Karl Ludwig Sand was dat de aanleiding voor de moord. Met deze politieke moord bereikte hij het tegendeel. Vijf maanden later werden de Besluiten van Karlsbad van kracht.