Categorie archief: boeken

hoogste tijd

vrijdagnacht gezien op Nederland 2: Hoogste Tijd (1995)

Vanwege het overlijden van Rijk de Gooyer zond de AVRO vrijdagnacht onverwacht de speelfilm Hoogste Tijd uit van Franz Weisz naar een boek van Harry Mulisch en een script van Jan Blokker en met Rijk de Gooyer in de hoofdrol. De Gooyer won er dat jaar Het Gouden Kalf voor en deed zijn naam eer aan door het beeldje uit het raam van de taxi te gooien.

Rijk de Gooyer als Willem BouwmeesterMulisch’ roman Hoogste Tijd en Weisz’ film handelen rond de oude revue-artiest Willem Bouwmeester, voor vrienden Uli, een telg uit het grote acteursgeslacht van de Bouwmeesters. Een zwart schaap, die nimmer aan de verwachtingen kon voldoen, consequent de verkeerde keuzes maakte en zijn kansen verspeelde. Hij bleef hangen in het variété-werk, speelde in de oorlog als lid van de Kultuurkamer enkele grotere rollen in operettes waarvoor hij later opgepakt werd, en zag zijn bezigheden na de oorlog gereduceerd tot wat onbeduidende bijrolletjes, hoorspelen en figuratie. Met zijn zuster Berta (een sterke Kitty Courbois) slijt hij zijn oude dag in een slaapstad tot op een dag de regisseur (Josse de Pauw) en zakelijk leider (Mark Rietman) van het toneelgezelschap Het Auteurstheater zich melden. Bouwmeester krijgt de hoofdrol aangeboden in het stuk Noodweer, dat gaat over de gevierde acteur Pierre de Vries die zich in 1904 opmaakt voor een laatste optreden in zijn afscheidsvoorstelling De Storm van Shakespeare.
 
Bron: dbnl.org

Carl Otto Czeschka

de illustrator van Die Nibelungen (1908)

Die NibelungenDoor Die Nibelungen van Fritz Lang kwam ik het werk van de Oostenrijks-Tsjechische kunstenaar Carl Otto Czeschka op het spoor. In 1908 had hij illustraties gemaakt bij Die Nibelungen in de stijl van de Wiener Secession. Deze variant van de Jugendstil loopt door zijn geometrische patronen en strakke uitstraling vooruit op de Art Deco in de jaren twintig. De art directors van Die Nibelungen (1924) kozen Czeschka‘s illustraties als uitgangspunt voor de vormgeving van de filmset en de kostuums.

bladeren door Die Nibelungen 1908

het Nibelungenlied [ kunstgeografie.nl ]

Dem Deutschen Volke zu eigen

gezien: Die Nibelungen 2. Teil Kriemhilds Rache (1924)
gelezen: Die Deutschen und ihre Mythen (2010) van Herfried Münkler

Kriemhilds Rache Die Nibelungen werd opgenomen in de UFA studio in Neubabelsberg tijdens de hyperinflatie van 1922-1923. Toen de film in 1924 in de bioscoop verscheen, was de Weimar Republiek wat stabieler geworden. Kriemhilds Rache, het tweede deel van Die Nibelungen begint na de dood van Siegfried de drakendoder. Zijn vrouw Kriemhilde is vastberaden zich te wreken op Siegfrieds moordenaar Hagen Tronje. Deze is een vazal van haar broer, koning Günther van Bourgondië en wordt door hem beschermd. Om haar wraak te kunnen uitvoeren, trouwt ze met Etzel de koning der Hunnen.

Kriemhilds Rache begint met de tekst “Dem Deutschen Volke zu eigen”. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het Duitse volk hier vereenzelvigd wordt met Kriemhilde. Hoewel regisseur Fritz Lang nooit enige sympathie voor het nationaal socialisme heeft gehad en in 1933 zelfs het land verliet, was er in de jaren na de Eerste Wereldoorlog onder de Duitse bevolking een collectieve haat tegenover het Verdrag van Versailles. Velen meenden dat Duitsland in 1918 op het punt zou hebben gestaan de oorlog te winnen, maar door links was verraden. Ze spraken over de dolkstoot in de rug. Hier is een parallel met het Nibelungenlied waarin Siegfried door zijn eedgenoot Hagen met een speer in de rug wordt gedood. Kriemhilde is vastberaden om zich op Hagen te wreken.

Als wir versammelt waren, traf Ludendorff in unsere Mitte, sein Gesicht von tiefsten Kummer erfüllt, bleich, aber mit hocherhobenem Haupt. Eine wahrhaft schöne germanische Heldengestallt. Ich mußte an Siegfried denken mit der tödlichen Wunde im Rücken von Hagens Speer.

Oberst von Thaer, 1918

Margarete Schön als Kriemhilde
linksboven Hans Adalbert Schlettow als Hagen en Margarete Schön als Kriemhilde

Margarete Schön (1895-1985) speelt als Kriemhilde een ijzersterke rol doordat ze nauwelijks haar gezicht vertrekt. Met zwart omrande grote ogen lijkt ze versteend van haat. Het is een mythisch en krachtig beeld dat in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog onmiddellijk herkend werd. Herfried Münkler schrijft in Die Deutschen und ihre Mythen het volgende :

Die Dolchstoßlegende, wie man die Behauptung genannt hat, das vom Feind unbezwungene Heer sei durch die Revolution in der Heimat gemeuchelt worden, ist eine neue Wendung auf den Deutschen Nibelungenfluchs. Bereits am 1. Oktober 1918, also noch vor Beginn der Revolution in Deutschland, notierte Oberst von Thaer: “Als wir versammelt waren, traf L(udendorff) in unsere Mitte, sein Gesicht von tiefsten Kummer erfüllt, bleich, aber mit hocherhobenem Haupt. Eine wahrhaft schöne germanische Heldengestallt. Ich mußte an Siegfried denken mit der tödlichen Wunde im Rücken von Hagens Speer.”
 
Bron: Die Deutschen und ihre Mythen, blz. 97 (Rowolt Verlag, Hamburg 2010).
Kriemhilds Rache (1924)
Fritz LangOnterecht word Fritz Lang er dikwijls van beschuldigd nationalistische en zelfs fascistische ideologieën te verkopen in zijn vroege films. Zelf maakte hij er gedurende zijn hele leven een erezaak van dit ten sterkste te ontkennen, met als sterkste argument de Joodse afkomst van zijn moeder. Met zijn films uit de jaren ’20 wou hij naar eigen zeggen een drievoudig portret schetsen van de Duitser: ‘Met Der Müde Tod wou ik de romantische Duitser tonen, met Mabuse Der Spieler, de eigentijdse Duitser na de gruwel van de eerste wereldoorlog, en met Die Nibelungen de heroïsche Duitser. Maar nooit heb ik hiermee de Duitser tot een soort supermens willen uitroepen.’
 
Bron: kutsite.com

Die Nibelungen (I en II) integraal