Categorie archief: boeken

triest voor de tropen

Het Trieste der Tropen van Claude Lévi-Strauss
vandaag precies 23 jaar geleden kwamen we voor het eerst in de tropen

Peru, november 1986Twee weken geleden overleed de wereldberoemde Franse etnoloog en structuralist Claude Lévi-Strauss op 100-jarige leeftijd. Vandaag is het precies 23 jaar geleden dat in de bus van Cerro de Pasco naar Pucallpa een exemplaar van Het Trieste der Tropen gestolen werd. Nota bene op onze eerste dag in de tropen! Ik blik vandaag terug naar 12 november 1986. In navolging van Claude Lévi-Strauss die in 1935 een reis maakte door de binnenlanden van Braziliëen in zijn beroemde boek verslag deed van de half-geciviliseerde indianenstammen die hij daar aantrof, wilden wij ook de indianenstammen (o.a. de Shipiba) bezoeken die leefden in het stroomgebied van de Ucayali, een van de bronrivieren van de Amazone. We hadden ons voorbereid op een triest paradijs, op toeristenindianen, illegale krokodillenjacht, ronkende en diesel lekkende aggregaten… Maar het fotootje van Johan Neeskens dat we aantroffen in een van de hutten in een indiaans dorpje, moest je je daar als Hollandse jongen nu triest of trots bij voelen?

Pucallpa kaart
Brazilië heeft 23 jaar later de snelweg van Rio naar Lima (BR 364) al klaarliggen. Peru moet alleen nog een “stukje” (rood) doortrekken van Pucallpa naar de Braziliaanse grens. Goed voor de economie, triest voor de tropen…
Het trieste der tropenHet trieste der tropen
In dit literair meesterwerk doet de auteur omstandig verslag van zijn Braziliaanse reizen, het land waar hij na zijn studietijd een aanstelling kreeg als docent aan de universiteit van São Paulo. In dit boek schetst de auteur ook de intellectuele reis die hem via de filosofie naar de etnografie leidde. Dit boek is echter befaamd om de delen die de Lévi-Strauss wijdde aan de vier Braziliaanse indianenstammen bij wie hij in de jaren dertig van de 20ste eeuw etnologisch veldonderzoek deed met name de Caduveo, de Borõro, de Nambikwara en de Tupi-Kawahib, allen levend in de deelstaat Mato Grosso.
 
De gebruiken en de materiële cultuur van deze ondertussen bijna verdwenen stammen beschrijft en documenteert de auteur (via fotomateriaal en tekeningen) met mededogen en respect. Het westerse superioriteitsgevoelen is de auteur vreemd, maar evenmin is hij geneigd een geïdealiseerd beeld van “le bon sauvage” of de “nobele wilde” zoals Jean-Jacques Rousseau naar voren schoof, te etaleren.
 
Bron: nl.wikipedia.org
Peru, november 1986
Yarinacocha, aan de Ucayali
november 1986

Claude Lévi-Strauss [ nl.wikipedia.org]

Rembrandt spreekt

aan het lezen in Rembrandt spreekt (2006) door Rudi Fuchs

FuchsIn het Rembrandtjaar 2006 werden aan de Rembrandt-bibliotheek weer vele tientallen nieuwe uitgaven toegevoegd. Een daarvan was het boek Rembrandt spreekt van Rudi Fuchs. Uitgeverij De Bezige Bij heeft na afloop van het Rembrandtjaar de oplage naar De Slegte laten overbrengen en daar ligt het boek nu al een tijdje in de ramsj. Fuchs is misschien geen echte Rembrandt-kenner maar hij is wel iemand die zich goed kan inleven in Rembrandt‘s schilderijen en schrijft daar aanstekelijk over. Door aandachtig te kijken en de schilderijen als het ware te reconstrueren, slaagt hij erin contact te krijgen met de meester zelf.

Daarom heet zijn boek Rembrandt spreekt. Door scherpe waarneming probeert hij de gedachten van de meester af te luisteren en hem zo aan het woord te krijgen. Inmiddels heb ik twee hoofdstukken gelezen over de jonge Rembrandt. Aan de hand van Rembrandt‘s eerste historieschilderij De Steniging van Stefanus uit 1629 laat Fuchs zien hoe Rembrandt als 23-jarige zijn leermeester Pieter Lastman weliswaar nog volgt, maar zich tegelijkertijd begint los te maken met gedurfde keuzen die van zijn genie getuigen.

de Steniging van Stefanus 1629
De Steniging van Stefanus 1629
Er spookte van alles
in zijn hoofd – de prenten
van Rafaël en Michelangelo –
en toen kwam het idee van
het grote donkere silhouet
van een ruiter tevoorschijn

Rudi Fuchs – Rembrandt Spreekt

Ik kan alleen gissen naar het moment waarop Rembrandt op dat krachtige silhouet van ruiter en paard is gekomen. Hij is, denk ik, begonnen met de figuur van Stefanus en de stenengooiers vlak achter de martelaar: dat is de meest traditionele groepering van de figuren, het meest Lastman. Dat was ook precies zijn probleem. Als het schilderij zo verder ging, wist hij, zou het een kundige maar tamme bedoening worden, terwijl hij juist bezig was met een onderwerp dat hem zo veel gelegenheid bood tot drama. Maar wat voor drama dan? Bij Lastman, had hij vastgesteld, moest je de dramatiek er eigenlijk bij denken als je naar de zorgvuldig en gedegen geschilderde vertelling keek. In het schilderen zelf, in opzet en uitvoering, gebeurde niets explosiefs. Lastman had hem verteld van Caravaggio in Rome. Er spookte van alles in zijn hoofd – de prenten van Rafaël en Michelangelo – en toen kwam het idee van het grote donkere silhouet van een ruiter tevoorschijn. Door die figuur zo dwars en radicaal, bijna buiten proportie, tegen de rest aan te zetten, kwam het schilderij toch nog dramatisch tot leven.
 
Het was de beslissende wending. Dat markante moment was nog niet aanwezig, denk ik, in Rembrandt eerste ontwerp; hij vond het onderweg, toen zijn schilderij vast begon te lopen en hij moest iets verzinnen; toen hij het gevonden had, leek het of het al die tijd voor de hand had gelegen. Alles viel op zijn plaats. Ongeveer zo moet het zijn gegaan. De Steniging van Stefanus vond zijn uiteindelijke vorm in een vrijwel onontwarbare samenloop van ingevingen en toevalligheden. Het optreden van de donkere ruiter, zo nadrukkelijk op de voorgrond, maakte van de eigenlijke steniging een tweede tafereel, terwijl het tegelijkertijd dat drastische contrast in belichting introduceerde. Die noodgrepen hadden zeker een effect, maar ik denk dat Rembrandt zich ook moet hebben gerealiseerd dat de Steninging vooral maatwerk was.
 
Bron: Rudi Fuchs in Rembrandt spreekt blz. 89 en 90

Rudi Fuchs als schrijver over beeldende kunst
Vanaf 1962 is Fuchs tevens actief als kunstcriticus; in eerste instantie schreef hij voor het Eindhovens Dagblad. Vanaf 1967/68 was hij criticus en columnist voor De Gids en voor NRC Handelsblad. Fuchs heeft veel artikelen over Nederlandse en buitenlandse kunstenaars gepubliceerd. Hij is auteur van boeken over onder meer Karel Appel en over Rembrandt en de Nederlandse Schilderkunst. (Bron: nl.wikipedia.org)

het wereldlandschap

tentoonstellingscatalogi De uitvinding van het landschap (2004)
en Panorama op de wereld (2001)

Panorama op de wereld. Van Bosch tot RubensIn 2004 was in het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen de tentoonstelling De uitvinding van het landschap te zien. Drie jaar eerder zag ik in het Noord-Brabants Museum in ‘s-Hertogenbosch de tentoonstelling Panorama op de wereld. Van beide tentoonstellingen ben ik nu de catalogus weer eens aan het lezen. Op het eerste gezicht lijken deze twee grote landschapstentoonstellingen sprekend op elkaar omdat de ontwikkeling van de landschapsschilderkunst in de zestiende eeuw centraal staat.

Vlaamse landschapsschilderkunst van Patinir tot RubensVan Bosch tot Rubens was het in 2001 in ‘s-Hertogenbosch en Van Patinir tot Rubens was het in 2004 in Antwerpen. De Noord-Brabantse hoofdstad legde daarbij vanzelfsprekend de nadruk op Jeroen Bosch terwijl de Zuid-Brabantse hoofdstad de nadruk legde op Pieter Paul Rubens. Antwerpen was van 1500 tot 1585 het centrum van de wereld. Ook voor de kunst was de stad belangrijk, niet alleen als centrum maar ook als knooppunt tussen de kunst van het Noorden en de Italiaanse kunst.

Zo werden bijvoorbeeld de tekeningen die Pieter Brueghel de Oude (overigens geboren in Noord-Brabant) in 1554 van zijn reis naar Italiëmeebracht, door de Antwerpse graveur en drukker Hieronymus Cock onder de naam ‘twaalf grote landschappen’ als losse prenten verspreid en hadden veel invloed. Het zijn wereldlandschappen met een hoge horizon en een vogelvluchtperspectief. Tegelijkertijd lopen Brueghel‘s twaalf grote landschappen al vooruit op het naturalistische landschap van de zeventiende eeuw dat vooral in de Noordelijke Nederlanden tot grote bloei zou komen.

Pieter Brueghel de Oude
Pieter Brueghel de Oude Hieronymus
Dit is een goed voorbeeld van een panoramisch wereldlandschap waarin de kluizenaar rechtsonder een nietig figuurtje is.
De Vlaamse landschapsschilderkunst kende vanaf haar ontstaan op het einde van de 15e en begin 16e eeuw, een lange evolutie. De landschappen ontwikkelden zich van pittoreske of fantastische achtergronddecors tot zelfstandig meesterwerken waaronder zeestukken, dorpsgezichten, woudlandschappen en havenzichten. Omstreeks 1500 ontstaat het wereldlandschap. Dit type landschap ligt aan de oorsprong van de landschapsschilderkunst, Joachim Patinir en Henri met de Bles zijn pioniers van dit genre. Karakteristiek voor het wereldlandschap is haar gezichtspunt: de blik wordt langs bergen en rivieren naar de horizon geleid. De menselijke figuur verzinkt in dit weidse panorama.
 
Bron: codart.nl
Joachim Patinir
nogmaals Hieronymus in de woestijn
door Joachim Patinir

Goethe Landschaftliche Malerei (1818/1832)
Goethe schrijft hier over het zestiende eeuwse ‘wereldlandschap’ waarin je ergens in een hoekje een heilige Hieronymus of Maria Magdalena kunt ontdekken…