Categorie archief: boeken

De salon van 1879 [ 3 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansDeze reeks over de salon van 1879 wordt afgesloten met zes schilders: Edouard Manet, Pierre Auguste Renoir, Pascal Dagnan-Bouveret, Jules Bastien-Lepage, Jean-François Raffaëlli en Pierre Puvis de Chavannes. In zijn verslag maakt Joris-Karl Huysmans er geen geheim van dat hij een hekel heeft aan het werk van de salonschilders. Net als Diderot ruim honderd jaar vóór hem Boucher zag als dé vertegenwoordiger van de slechte smaak (Cet homme a tout, excepté la vérité), zo was Bouguereau voor Huysmans het levende bewijs van zielloze schilderkunst. “Ni muscles, ni nerfs, ni sang.”, oordeelt hij over zijn Venus, een van de pronkstukken van de salon van 1879.

Huysmans voelt zich wel thuis bij schilders als Degas, Manet en Renoir, die tijdens de officiële salon van 1879 vertegenwoordigd zijn. Hij deelt dus de moderne smaak die de onze is geworden. Nog steeds wordt onze visie bepaald door de tegenstelling salonschilders vs. impressionisten. De salonschilders zijn dan door kunstcritici zoals Huysmans al voorzien van labels van afkeuring: gekunsteld, kitsch, fake, glossy, enz… terwijl de impressionisten hun stempel van goedkeuring hebben.

Ooit was dat precies omgekeerd en viel de impressionisten een vette R (van refusées) ten deel. De revolutie die de impressionisten ontketenden had grote gevolgen voor de schilderkunst. In de loop van de twintigste eeuw zou de academische schilderkunst neerbuigend worden behandeld. Over de weergaloze techniek van Cabanel, Gérôme of Bouguereau werd helemaal niet meer gesproken, over het schandaal des te meer. De media gingen een allesoverheersende rol spelen in ons oordeel over kunst.

Manet
Edouard Manet 1879
Dans la serre (Nationalgalerie Berlin)

Op de salon van 1879 hing een schilderij van Edouard Manet dat een van zijn bekendste werken zou worden. Ik zag het voor het eerst in 1985 in de Nationalgalerie in Berlijn, waar het een van de highlights is. Manet was in 1879 al een beroemdheid. Op de salon van 1863 had hij op de Salon des Refusées een schandaal veroorzaakt met zijn Déjeuner sur l’herbe. Hij werd de hoop van een groep jonge schilders die later de impressionisten zouden gaan heten en die zich enorm aangesproken voelden door de directheid en frisheid van zijn werk. Ook Huysmans is geraakt door de frisheid van Manet: “C’est là une oeuvre moderne très attirante, une lutte entreprise et gagnée contre le poncif appris de la lumière solaire, jamais observée sur la nature.”

Renoir
Pierre Auguste Renoir 1879
Madame Georges Charpentier en haar dochtertjes
(Metropolitan Museum New York)

Ook Pierre Auguste Renoir was in 1879 met een schilderij vertegenwoordigd in de Salon. Zijn grote portret van Mme Georges Charpentier en haar dochtertjes hangt nu in het Metropolitan Museum in New York. “En somme, c’est l’oeuvre d’un artiste qui a du talent et qui, bien que figurant au salon officiel, est un indépendant”, besluit Huysmans. Renoir was als impressionist een onafhankelijke, maar voor verkoop deed hij gewoon mee met de officiële Salon (voor veel van zijn vrienden de vijand!) In 1881 zou hij tegenover de kunsthandelaar Paul Durand-Ruel bekennen: “In heel Parijs zijn er misschien vijftien kunstliefhebbers in staat een schilder te waarderen zonder de Salon. Maar er zijn er 80.000 die niets willen kopen van een schilder die niet op de Salon tentoongesteld heeft. Dat is waarom ik mijn portretten elk jaar stuur. Mijn bijdrage aan de Salon is volledig vanuit commercieel oogpunt. Het is net als met sommige medicijnen: baat het niet, dan schaadt het niet.”

Dagnan-Bouveret
Pascal Dagnan-Bouveret 1879
Une noce chez un photographe

Het schilderij van Pascal Dagnan-Bouveret is een eigentijds tafereel: een bruidegom en zijn bruid laten zich fotograferen bij de plaatselijke fotograaf. De familie is meegekomen, want in 1879 was een fotografie nog iets bijzonders en de fotograaf nog een soort tovenaar. Het schilderij lijkt in zijn alledaagsheid zelf wel een kiekje, maar Huysmans merkt terecht op dat het slecht geschilderd is: “J’avoue tout d’abord que c’est médiocrement peint.”

Bastien-Lepage
Jules Bastien-Lepage 1879
Portret van Sarah Bernhardt

Het portret van de actrice Sarah Bernardt door Jules Bastien-Lepage kan Huysmans niet echt bekoren: “M. Bastien-Lepage, dont le portrait de Mlle Bernhardt semble peint à la loupe et exécuté à petites lèches sur une plaque d’ivoire, ne ferait pas mal de regarder l’oeuvre de M. Fantin-Latour.”

Raffaëlli
Jean-François Raffaëlli 1879
Voddenman

Bovenstaande aquarelle-gouache van Jean-François Raffaëlli spreekt Huysmans erg aan. “Voilà donc enfin une oeuvre qui est vraiment belle et vraiment grande!” We weten uit een interview dat Jules Huret in 1890 met J-K.Huysmans had, dat hij in zijn werkkamer een aquarel van Raffaëlli aan de muur had hangen. Na zijn kennismaking tijdens salon van 1879 met bovenstaande Chiffonnier van Raffaëlli is hij mogelijk zijn werk gaan verzamelen of is hij met deze kunstenaar bevriend geraakt.

Puvis de Chavannes
Pierre Puvis de Chavannes 1879
Drie meisjes aan het strand

Tenslotte een werk van Pierre Puvis de Chavannes. Huysmans zou in de jaren tachtig veelal geassocieerd worden met het symbolisme waarvan Puvis de Chavannes een vertegenwoordiger was. Voor Gustave Moreau en Odillon Redon zou Huysmans meer waardering hebben, maar hij geeft toe dat Puvis de Chavannes talent heeft:“ça agace, comme d’habitude, avec ses prétentions à la naïveté et son affectation du simple; et cependant, si incomplet qu’il puisse être, ce peintre-là a du talent.”

Tot zover dit drieluik over de Salon van 1879. Een volgende keer de Salon van 1880, waar Huysmans ook verslag van deed. Deze verslagen werden in 1883 gebundeld in l’Art Moderne.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De Salon van 1879 [ 2 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

HuysmansJoris-Karl Huysmans had nog maar twee romans (Le Drageoir aux épices, Marthe) geschreven toen hij in 1879 verslag deed van de Salon de Paris. In zijn kunstkritieken, die in 1883 gebundeld werden in l’Art Moderne, kiest hij hartstochtelijk voor de modernen (de impressionisten en symbolisten) en keert hij zich af van de zogenaamde ‘salonschilders’, schilders die zich conformeerden aan de officiële smaak waarvan de Salon de Paris de uitdrukking was. De bijtende toon waarmee hij zijn afkeur uitspreekt, doet mij denken aan die van zijn latere alter ego Des Esseintes in zijn roman A Rebours (1884). Huysmans kon zijn walging met passie en vuur uitbraken.

In deze eerste rondgang door de Salon van 1789 zes schilders. Ze komen geen van allen in de canon van Janson voor: Ernest Duez, Léon Bonnat, Jean Béraud, Eva Gonzalez en Jules Lefebvre. William Adolphe Bouguereau is de enige schilder in het rijtje die bij breder publiek bekend is, maar voor Huysmans staat hij juist voor alles wat hij afwijst. De kunstcriticus was goed geïnformeerd. Hij kende meestal wel de beknopte bio van de betreffende schilder en wist in ieder geval door wie deze was opgeleid. Meestal brachten salonschilders weer nieuwe salonschilders voort. Bij Huysmans bemerk je een groot verlangen om uit dat salonsysteem te ontsnappen. Niet voor niets waren de impressionisten en de symbolisten zijn helden.

Duez
Ernest Duez 1879
De heilige Cuthbert (middenpaneel van een drieluik)

Het bovenstaande schilderij van Ernest Duez laat op het middenpaneel een episode uit het leven van de heilige Cuthbert zien. Huysmans merkt op dat deze schilder altijd hedendaagse voorstellingen had geschilderd, maar dat hij nu eens het religieuze genre heeft uitgeprobeerd. Hij zou daarvoor naar Gent en Brugge zijn gereisd om Van Eyck en Memling te bestuderen. Huysmans betreurt dat en besluit met: “Passons donc sur cet anachronisme sans doute motivé par un désir de médaille ou de commande; mais, de grâce ! que M. Duez revienne bien vite aux jolies parisiennes dont il a parfois rendu les élégances!”

Leon Bonnat
Léon Bonnat 1879
portret van Victor Hugo

Toen Léon Bonnat in 1879 dit portret schilderde, was Victor Hugo 77 jaar oud. Het is duidelijk bedoeld als een officieel portret van een gigant (Hugo zou in 1885 onder groot eerbetoon bijgezet worden in het Panthéon). We zien hem hier drie jaar nadat Ettiene Carjat de bekende foto van hem maakte met zijn handen op de knieën. De pose waarin Bonnat zijn model heeft geplaatst, is allesbehalve zo informeel als de foto uit 1876. Huysmans schrijft: “La pose elle-même est banale ; le coude appuyé sur un volume d’Homère donne une idée de l’esprit du peintre.”

Béraud
Jean Béraud 1879
De Hallen in Parijs

Met zijn impressie van De Hallen laat Jean Béraud een eigentijds straatgezicht zien. Het is geen impressionistisch schilderij dat plein air geschilderd is maar een atelierstuk. Huysmans lijkt dat te betreuren en is geen liefhebber van dit schilderij: “j’apprécie peu, oh ! très peu, sa Vue des Halles”.

Gonzalez
Eva Gonzalez 1879
Une logo aux Italiens

Dan komen we bij een schilderij van Eva Gonzalez en we denken onmiddellijk: Manet! Dat is natuurlijk ook niet vreemd want Gonzalez was een leerling van Manet en is dicht bij de stijl van haar leermeester gebleven. Het boeket links lijkt gejat uit de handen van de zwarte bediende van Olympia. Huysmans is opgetogen over het schilderij, al staat de donkere tint van de achtergrond hem tegen: “Cette toile, dérivé des Manet, a une certaine saveur amère et rêche qui nous console des écoeurantes sucreries auxquelles nous venons de goûter. C’est, en somme, une oeuvre qui, malgré sa teinte déplaisante, possède une belle tournure.”

Lefebvre
Jules Lefebvre 1879
Diana en nimfen

Het is niet verrassend dat Huysmans het schilderij van Jules Lefebvre afkeurt. Zijn voorstelling van Diane is representatief voor de smaak van de Salon. Al was het Tweede Keizerrijk in 1879 alweer 9 jaar ter ziele, de smaak van Napoleon III was niet van de ene op de andere dag verdwenen. “Comme peinture creuse et vide, ce n’est pas inférieur à du Bouguereau.” oordeelt de criticus.

Bouguereau
William Adolphe Bouguereau 1879
De geboorte van Venus

Bij la Naissance de Venus van William Adolphe Bouguereau kan Huysmans losbarsten: “De concert avec M. Cabanel, il a inventé la peinture gazeuse, la pièce soufflée. Ce n’est même plus de la porcelaine, c’est du léché flasque.” Dit is het toppunt van salonschilderkunst en dus valse schijn. Huysmans heeft totaal geen oog meer voor de fabelachtige techniek van Bouguereau. het enige wat hij ziet is nep, nep en nog eens nep. Het lichaam van Venus doet hem denken aan een opgeblazen ballon. “Ni muscles, ni nerfs, ni sang.” Huysmans lijkt zijn afkeer te overdrijven en beweegt met zijn kritiek zelfs in de richting van razernij wanneer hij schrijft: “C’est à hurler de rage quand on songe que ce peintre qui, dans la hiérarchie du médiocre, est maître, est chef d’école, et que cette école, si l’on n’y prend garde, deviendra tout simplement la négation la plus absolue de l’art!”

In het derde en laatste deel tenslotte nog zes schilders: Edouard Manet, Pierre Auguste Renoir, Pascal Dagnan-Bouveret, Jules Bastien-Lepage, Jean-François Raffaëlli en Pierre Puvis de Chavannes.

de Salon van 1879 | Huysmans [ nl.wikipedia.org ]

De Salon van 1879 [ 1 ]

gelezen in Écrits sur l’art van Joris-Karl Huysmans
L’Art moderne (1883), Certains (1889) en Trois Primitifs (1905)

Een van de aangename aspecten van de verleden tijd is voor mij de overzichtelijkheid. Het verleden lijkt tot stilstand gekomen en blijft onbeweeglijk voor mij liggen zodat ik het kan onderzoeken. Het ordenen en archiveren hebben anderen al voor mij gedaan. Daarbij is bijna alles onder de oppervlakte verdwenen en “vergeten”. Slechts een deel van de ontelbare namen uit het verleden is boven komen drijven, de rest is weggezakt in vergetelheid. De tijd heeft de bekende namen van de naamlozen geschift.

Toen ik in de jaren tachtig op de kunstacademie zat, gebruikten we bij kunstgeschiedenis A History of Art uit 1962 van H.W.Janson als naslagwerk. Dit boek presenteert een canon, een selectie van kunst en kunstenaars uit het verleden die in 1962 relevant of representatief werden gevonden voor historische periodes. De reikwijdte van mijn historische kennis en mijn visie op schilderkunst zijn in die jaren sterk door de canon van Janson bepaald. Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling. Een specifieke groep schilders uit de negentiende eeuw werd door Janson vooral gezien als wegbereider van de moderne kunst. Doordat hij door de bril van het modernisme naar het verleden keek, werden de kunstenaars uit de negentiende eeuw vooral beoordeeld op hun vernieuwende kwaliteiten.

Janson 1962
mijn Nederlandstalige uitgave van A History of Art van H.W. Janson kocht ik in 1986
Toen Janson in 1962 zijn overzicht publiceerde, heerste er nog een utopisch modernisme dat werd gezien als het eindpunt van een lineaire historische ontwikkeling.

Zo kwam er een scheiding tussen salonkunst en moderne kunst, waarbij de salonkunst gezien werd als de gevestigde orde die door een avant garde omvergeworpen moest worden. De impressionisten waren (en zijn nog altijd) helden vanuit de opvatting dat moderne schilderkunst nieuwe visies moet openbaren. Van het impressionisme werd het spoor tot in de eerste helft van de negentiende eeuw terug gevolgd. Turner, Corot en Jongkind zouden wegbereiders zijn geweest van een revolutie in de schilderkunst. En vanuit dat impressionisme werden lijnen doorgetrokken tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het expressionisme en tenslotte ook de abstracte schilderkunst zouden uit het impressionisme zijn voortgekomen.

Het internet heeft de laatste twintig jaar mijn uitzicht (en daarmee inzicht) op de historische schilderkunst enorm vergroot. Ik ontdekte tientallen schilders die in de canon van Janson ontbreken. En ik ontdekte hoe het werkt: laat een gezaghebbend instituut een selectie van namen maken, zodat dit merknamen worden en laat deze vervolgens door de industrie eindeloos rouleren: in kunstboeken, op reproducties, boekenleggers, placemats, kussenslopen, koffiemokken, enz… Het vermarkten van kunst is al zo oud als de kunst zelf, maar wat nieuw is in de moderne tijd, is de technische reproduceerbaarheid van het kunstwerk. In onze massacultuur is het kunstwerk een onderdeel van de massacultuur geworden.

Dan is het aardig om eens terug te gaan naar de jaren waarin het impressionisme, het zaadje van de moderne kunst, ontkiemde: de jaren zeventig van de negentiende eeuw. De gevestigde kunst hield vanaf 1834 (behalve 1858 en 1871) jaarlijks zijn feestje: de Salon de Paris. Wilde je als kunstenaar carrière maken, dan was de Salon de Paris dé plek waar je moest exposeren. Aanvankelijk was de selectie streng maar na de revolutie van 1848 was er een liberaler beleid en werden er minder kunstenaars geweigerd. Geweigerde kunstwerken werden gemerkt met een stempel met de letter R (van refusé). Wanneer een werk geweigerd was, was het voor een kunstenaar bijna onmogelijk om nog elders te exposeren. Om aan deze kunstenaars tegemoet te komen, werd in 1863 de Salon des Refusées in het leven geroepen. Daar vierden de impressionisten vanaf 1874 hun eigen feestje en werden ze wegbereiders van de moderne schilderkunst.

Huysmans - Écrits sur l'artDe Franse schrijver Joris-Karl Huysmans (1848-1907) was begin dertig toen hij zijn kritieken schreef over de Salons van 1879, 1880 en 1881. Deze werden in 1883 gebundeld onder de naam l’art moderne. Ook zijn verslaggeving van de Exposition des Indépendants van 1880 en 1881 (vanaf 1884 de Salon des Indépendants) is in Écrits sur l’art opgenomen. Zijn kritieken verschenen tussen 1879 en 1881 in le Voltaire, la Réforme en la Revue littéraire et artistique.

Voor de Salon van 1879 werden 5.895 kunstwerken ingezonden. De Salon was ook ‘s avonds geopend, dankzij de elektrische verlichting (voor de eerste maal). Huysmans doet in tien paragrafen verslag van deze tentoonstelling. Hij kwam zelf uit een familie van kunstschilders en was daardoor geïnteresseerd in schilderkunst. Als schrijver zou hij in 1884 doorbreken met zijn roman A Rebours dat een belangrijke betekenis zou krijgen voor de symbolisten en het l’art pour l’art aan het einde van de negentiende eeuw.

Huysmans a publié trois ouvrages de critique d’art : L’Art moderne (1883), Certains (1889) et Trois Primitifs (1905), composés à partir d’articles parus dans la presse. Après s’être essayé, dans L’Art moderne, au compte rendu de la visite des salons officiels et des expositions impressionnistes, il propose, dans Certains, l’inventaire de ses goûts personnels, en s’attachant à l’étude de peintres – Pierre Puvis de Chavannes, Gustave Moreau, Odilon Redon, Félicien Rops… – et de thèmes particuliers : ‘ Le fer ‘, ‘ Le monstre ‘, etc. Dans Trois Primitifs, enfin, il s’attarde sur des artistes jusque-là négligés : constitué d’une monographie de Mathias Grünewald et du récit de la visite de l’Institut Staedel de Francfort, ce texte apparaît comme un retour sur l’origine même de son intérêt pour les arts plastiques. Souvent ironiques et pleins de verve – ‘ Il peint à la bile, comme d’autres à la gouache, à l’encaustique ou au pastel ‘, écrivait Charles Maurras -, ces écrits présentent un double intérêt : outre qu’on y découvre les peintres de prédilection de Huysmans, de Degas à Caillebotte, en passant par Renoir, Monet et Hokusai, ils éclairent aussi, par ricochet, les romans de l’auteur et la fonction singulière qu’y assument les œuvres d’art.

In de volgende afleveringen wil ik samen met Huysmans gaan kijken naar een aantal schilderijen die op de salon van 1879 te zien waren. Een paar namen (Manet, Renoir, Puvis de Chavannes) zijn gecanoniseerd, de anderen zijn (tamelijk) onbekend.

de Salon van 1879

annus horribilis [ 3 ]

deze week uitgelezen: 1793 van Victor Hugo

1793De meeste historici markeren de Franse Revolutie tussen twee dagen: 14 juli 1789 en 18 Brumaire van het jaar VIII ofwel 9 november 1799. Deze twee data staan voor de Bestorming van de Bastille en de Staatsgreep van Napoleon die een einde maakte aan het directoire. Victor Hugo werd geboren in 1802, twee jaar na het einde van de Franse Revolutie. Zijn hele leven heeft hij nagedacht over de betekenis van de Revolutie voor zijn land en voor de wereld. Pas aan het einde van zijn leven – in 1874 – schreef hij een roman waarin hij zijn gedachten over de Revolutie bundelde. Deze roman heet Quatrevingt-Treize (93) en Hugo’s tijdgenoten wisten precies waar dat getal op sloeg. Het was een getal zoals Nine Eleven. Quatrevingt-Treize gaat over 1793, het annus horibilis van de Franse Revolutie.

De koning van Frankrijk, Lodewijk XVI was op 21 januari 1793 onthoofd. Voor de revolutionairen was hij citoyen Capet (“meneer Capet”) geworden of men sprak triomfantelijk over Lodewijk de Laatste. Zijn terechtstelling had grote gevolgen voor het revolutionaire Frankrijk dat nu alle omringende monarchieën als vijand kreeg. Frankrijk werd ingesloten door vijanden. De dreiging kwam aanvankelijk uit het Oosten, van Oostenrijk en Pruisen. Maar na het onthoofden van de koning 1793 kwam er voor het revolutionaire Frankrijk een nieuwe vijand bij die zich binnen de landsgrenzen bevond. In de Vendée en Bretagne brak burgeroorlog uit doordat de royalisten in opstand kwamen.

marat
illustratie uit 1793

De royalisten waren voor de revolutionairen opstandelingen, maar ze zagen zichzelf juist als de getrouwen van de koning en het koningschap. Daarbij konden ze op sympathie van Engeland rekenen. De Franse Revolutie, waarin Parijs het centrum vormde, werd serieus bedreigd omdat de royalisten de Engelsen in Bretagne wilde laten landen om samen de revolutionairen te verslaan. Het werd hard tegen hard. Er volgde een verschrikkelijke, meedogenloze strijd en nog steeds loopt er in Frankrijk een debat of er tijdens de Opstand in de Vendée van genocide kan worden gesproken. Als dat het geval is, dan hebben beide partijen zich schuldig gemaakt aan genocide.

Dieu le RoiVictor Hugo koos bewust de Opstand in de Vendée als decor voor zijn roman over de Franse Revolutie. Het is een historisch decor maar tegelijkertijd een mythologisch decor. Twee partijen zijn geradicaliseerd en overschrijden de grenzen van menselijkheid. Bij de geradicaliseerde jakobijnen worden in naam van de Republiek en bij de geradicaliseerde royalisten worden in naam van God en de koning de meest smerige wreedheden begaan. De eerste kiezen voor de Rede, de laatsten voor het hart. 1793 is een verhaal over radicalisering. Hoe kunnen mensen in de overtuiging het goede te dienen in staat zijn tot zoveel kwaad?

En hoe is de spiraal van geweld te doorbreken?

Hugo laat zien dat geradicaliseerde partijen dat niet meer kunnen. Alleen een wonder, een goddelijk ingrijpen, kan de menselijkheid weer terugbrengen in de hel van een burgeroorlog. In de ingenieuze plot van Hugo zijn het drie kleine kinderen die het licht in de duisternis doen schijnen. 1793 leest soms als een sprookje vol metaforen en toch gaat het ook helemaal over de Franse Revolutie, een gebeurtenis die niet alleen achter ons ligt, maar nog dagelijks doorwerkt in onze gedachten over mens en samenleving. ‘Boven het revolutionaire absolute, bevindt zich het menselijke absolute.’ is het inzicht waarmee Hugo zichzelf en de lezer boven de strijdende partijen kan plaatsen.

guillotine
illustratie uit 1793

annus horribilis [ 1 ] | annus horribilis [ 2 ]

messidor architectuur

gelezen in 1793 van Victor Hugo

Toen Victor Hugo de zeventig gepasseerd was, schreef hij zijn laatste roman 1793. Zijn hele leven had hij al een roman willen schrijven waarin hij zijn gedachten over de Franse Revolutie kon uitwerken. Hij koos voor het jaar 1793, het annus horribilis van de Franse Revolutie, waarin een verschrikkelijke burgeroorlog woedde in Bretagne en de Vendée en het jaar waarin de beruchte Loi des suspects van kracht werd, waardoor het schrikbewind op een dieptepunt kwam.

1793 is een roman én geschiedenisboek. Het tweede deel is een soort intermezzo met o.a. een uitgebreide beschrijving van de Convention Nationale. Hugo geeft een lange opsomming van namen die hij vaak van voetnoten heeft voorzien. Na 180 bladzijden zijn er al 375 voetnoten voorbijgekomen. Voor de romanlezer kan dat storend zijn, maar voor degene met interesse voor geschiedenis van de Franse Revolutie, is het een bonus.

Convention Nationale
het kale interieur van de Convention Nationale
c’était quelque chose comme Boucher guillotiné par David.
Het was alsof Boucher door David was geguillotineerd.

Hugo over het interieur

Vooral de beschrijving die Hugo geeft van het interieur van de Nationale Conventie vind ik boeiend. De sobere, uitgeklede variant van het classicisme, wordt in Frankrijk l’architecture messidor genoemd. Hugo schrijft: “Na de overweldigende orgiën van vorm en kleur in de achttiende eeuw, ging de kunst op dieet, en alleen nog de rechte lijn was toegestaan. Een dergelijke ontwikkeling mondt uit in lelijkheid. Je krijgt een kunst die gereduceerd is tot skelet. Dat is het nadeel van een dergelijke zedigheid en onthouding; de stijl is zo sober dat hij schraal wordt.”

Convention Nationale
Hugo geeft een beschrijving van het spreekgestoelte. Links de Déclaration des droits de l’homme uit 1789 en rechts de grondwet.
Tout cet ensemble était violent, sauvage, régulier. Le correct dans le farouche; c’est un peu toute la révolution. La salle de la Convention offrait le plus complet spécimen de ce que les artistes ont appelé depuis ‘l’architecture messidor’ c’était massif et grêle. Les bâtisseurs de ce temps-là prenaient le symétrique pour le beau. Le dernier’ mot de la Renaissance avait été dit sous Louis XV, et une réaction s’était faite. On avait poussé le noble jusqu’au fade, et la pureté jusqu’à l’ennui. La pruderie existe en architecture. Après les éblouissantes orgies de forme et de couleur du dix-huitième siècle, l’art s’était mis à la diète, et ne se permettait plus que la ligne droite. Ce genre de progrès aboutit à la laideur. L’art réduit au squelette, tel est le phénomène. C’est l’inconvénient de ces sortes de sagesses et d’abstinences; le style est si sobre qu’il devient maigre. En dehors de toute émotion politique, et à ne voir que l’architecture, un certain frisson se dégageait de cette salle. On se rappelait confusément l’ancien théâtre, les loges enguirlandées, le plaforid d’azur et dé pourpre, le lustre à facettes, les girandoles à reflets de diamants, les tentures gorge de pigeon, la profusion d’amours et de nymphes sur le rideau et sur les draperies,toute l’idylle royale et galante, peinte, sculptée et dorée, qui avait empli de son sourire ce lieu, sévère, et l’on regardait partout autour de soi ces durs angles rectilignes, froids et tranchants comme l’acier; c’était quelque chose comme Boucher guillotiné par David.
 
Bron: Quatre-vingt-treize, deuxième partie, livre troisième: la convention
Convention Nationale
een bladzijde met een illustratie van de Conventie uit de oorspronkelijke uitgave van Quarte-vingt-treize (1874)

Nationale Conventie [ nl.wikipedia.org ]

oppervlakkige cultuur

gezien: Les Misérables (2012)
aan het lezen in: Les Misérables (1862) van Victor Hugo

In Beschaving na de cultural turn (2011) doet Joris van Eijnatten de volgende uitspraak: “lage cultuur ontstaat daar waar mensen niet reflecteren.” De musicalfilm Les Misérables is voor mij de jongste bevestiging van deze uitspraak. Alessandro Baricco stelde in zijn essaybundel De Barbaren (2010) dat massacultuur het onderscheid tussen hoge en lage cultuur doet vervagen. Dat is niet erg, meent hij, want we leven in een tijd van transformatie waarbij een onderscheid aan het verdwijnen is dat toch altijd al arbitrair was. Zo gold aan het begin van de twintigste eeuw het medium film voor het elitaire theaterpubliek als plat volksvermaak, nu wordt het algemeen als een kunstvorm beschouwd. En ooit beschouwden we de roman eerbiedig als het ultieme kunstwerk van de literator. Maar als BN’ers romans gaan schrijven, komt er onherroepelijk inflatie. Wat lage cultuur was, werd hoge cultuur en omgekeerd. Voor de markt bestaat er tenslotte geen hoge of lage cultuur. Daar gelden alleen kijk- en verkoopcijfers. U vraagt, wij draaien.

De ellendigenVan Eijnatten schrijft: “Lage cultuur ontstaat wanneer aanzien en gezag worden misbruikt en populaire sentimenten boven het bezonnen oordeel wordt geplaatst.” En Baricco noemt “de tirannie van ratings en top tien lijstjes” die de collectieve smaak gaan aanvoeren. Marketing heeft niet alleen de massacultuur maar ook de hoge cultuur in zijn greep. En zo werd er in 1980 een musical gemaakt van Les Misérables. Overigens was deze roman (mede door een uitgekiende reclamecampagne) in 1862 een enorm verkoopsucces, terwijl de literaire kritiek niet erg positief was. Maar De ellendigen wordt nu algemeen wel als een van de grote Franse romans uit de negentiende eeuw beschouwd. Dit literaire werk werd dus het slachtoffer van de musicalindustrie. Er zat een liefdesverhaal in, de innerlijke strijd van een bekeerde boef, spektakel en een personificatie van het maatschappelijk gezag. Genoeg ingrediënten voor een avondje uit met het hele gezin.

Lage cultuur ontstaat wanneer aanzien en gezag worden misbruikt en populaire sentimenten boven het bezonnen oordeel wordt geplaatst.

Joris van Eijnatten

Les Misérables DVDDe musicalfilm uit 2012 en het boek uit 1862 zijn producten van de populaire cultuur. Er ligt 150 jaar tussen. Wat is er veranderd in die anderhalve eeuw? In de eerste plaats de factor tijd: die lijkt schaarser geworden. Maar waarschijnlijk komt dat omdat wijzelf ongeduldiger zijn geworden. Oorspronkelijk telde Les Misérables 1200 bladzijden. De versie die ik nu aan het lezen ben, is een ingekorte versie (ruim 400 bladzijden) die rond 1962 in pocket verscheen. In 1862 waren 1200 bladzijden voor het toenmalige publiek geen bezwaar. Honderd jaar later werd de roman teruggebracht naar eenderde van de oorspronkelijke lengte om het grote publiek nog te kunnen bereiken. En in 1980 verscheen de musical die de roman tenslotte terugbracht naar een avondje uit. Het inkorten of verfilmen van een roman vraagt altijd offers. Meestal gaat dat ten koste van de diepte en complexiteit.

C’est de la physionomie des années que se compose la figure des siècles

Les Misérables Tome I – En l’année 1817

Doordat de tijd wordt ingekort, wordt dus ook de diepte aan betekenis minder. Hoe meer de blik gericht wordt op de spectaculaire oppervlakte, hoe minder deze onder de oppervlakte kan kijken. Om terug te komen bij de uitspraak van Van Eijnatten: “lage cultuur ontstaat daar waar mensen niet reflecteren.” De arbeiders die in 1862 twintig stuivers inlegden om samen een exemplaar van Les Misérables te kunnen kopen, kregen dus wél wat de kosmopolieten die voor veel geld de musical zien, niet krijgen: reflectie.

Het einde van de musicalfilm lijkt mij een verkrachting van de boodschap van Les misérables. Vanaf de barricaden bezingt men de nieuwe wereld, een soort loflied op de socialistische heilstaat. Maar de boodschap die de bisschop van Digne op de hoofdpersoon (Jean Valjean) overbrengt, gaat helemaal niet over maakbaarheid van een betere wereld, maar over medelijden met de behoeftigen en verdrukten: de ellendigen.

Hij (de bisschop van Digne) wendde zich tot wat leed en boette. Het heelal kwam hem voor als één grote ziekte; overal speurde hij de koorts en tastte hij lijden en zonder te trachten het raadsel op te lossen, zocht hij de wond te verbinden. De schrikwekkende aanblik van het geschapene wekte vertedering in hem: steeds was hij erop uit de beste manier van deernis en verlichting te vinden en deze aan anderen te leren. Het bestaande was voor deze milde en uitzonderlijke priester het voorwerp van blijvende droefenis, die vertroost wilde worden. Er zijn mannen die goud delven: wat hij dolf was barmhartigheid. De ellende in al zijn vormen was zijn mijn. Hebt elkander lief, dat was zijn volledige leer.
 
uit: De Ellendigen, eerste hoofdstuk

Als Alessandro Baricco gelijk heeft wanneer hij schrijft dat we in een overgangstijd leven waarin het verschil tussen hoge en lage cultuur aan het verdwijnen is, dan is dat maar zo. Als het verschil tussen oppervlakkigheid en diepgang maar gezien blijft worden. Want als cultuur alleen nog maar over de toppen van de golven scheert, raakt ze los van haar oorsprong.