Categorie archief: boeken

een misdadig volkje

aan het lezen in: Memoires van over het graf (1848)
van François-René de Chateaubriand

Memoires van over het grafWanneer je zoals ik alles wilt weten over de Franse Revolutie en meer nog, jezelf zou willen verplaatsen naar het hart van de Franse Revolutie, Parijs in het begin van de jaren negentig van de achttiende eeuw, dan lees je bij voorkeur getuigenverslagen. Het is mooi om Edmund Burke te lezen of het dagboek van Goethe dat hij bijhield tijdens de Pruisische veldtocht in Noord-Frankrijk in september 1792. Maar wat François-René de Chateaubriand in het negende boek van Memoires van over het graf over de Franse Revolutie schrijft, overtreft voor mij alles.

Toen Chateaubriand 22 jaar oud was, dreef zijn avontuurlijke geest hem naar de Nieuwe Wereld. In het zesde, zevende en achtste boek schrijft hij over zijn verblijf in de piepjonge Verenigde Staten en Canada. Maar dan valt in het najaar van 1791 zijn oog op een vette kop in een Engelse krant: Flight of the King. Daaronder leest hij over de vlucht van Lodewijk XVI naar Varennes in juni 1791. Hij schrijft:“Er vond op slag een ommekeer in mij plaats (…) Dit was meteen het einde van mijn tocht. Ik zei bij mijzelf: terug naar Frankrijk!”

In het voorjaar van 1792 is hij weer terug in Frankrijk, nadat zijn schip vlak voor de kust van Bretagne bijna vergaan is. De Franse Revolutie is in de zomer van 1792 drie jaar oud en heeft wortel geschoten. Hij beschrijft de grimmige sfeer: “Parijs bood in 1792 een geheel andere aanblik dan in 1789 en 1790; de revolutie stond niet meer in de kinderschoenen, dit was een volk dat in een roes zijn lot tegemoet marcheerde, dwars door afgronden en langs dwaalwegen. Het volk had niet meer dat rumoerige, nieuwsgierige, geestdriftige over zich; het had iets onheilspellends gekregen. Op straat zag je alleen nog maar bange of schuwe gezichten, van mensen die vlak langs de muren van huizen slopen, om maar niet op te vallen, maar je had er ook die juist op zoek waren naar een prooi: er waren angstige en neergeslagen blikken die zich van je afwendden, of juist felle blikken die je fixeerden en je trachtten te doorgronden en te doorboren.”

Het verbranden van de troon in 1792
Het verbranden van de troon in 1792 was de opmaat naar de koningsmoord in 1793

Meer nog dan een film plaatsen zijn woorden mij in een tijdcapsule. In een film zijn de beelden gegeven en is er geen ruimte meer voor de verbeelding. Wanneer je het verslag van Chateaubriand leest, word je een voorbijganger in de straten van Parijs. Dan schrijft hij: “Onder de Parijse bevolking had zich een uitheemse bevolking gemengd van ongure types uit Zuid-Frankrijk; dat was de voorhoede van de Marseillanen, die Danton naar de hoofdstad haalde voor de dag van de tiende augustus en de Septemberbloedbaden, een volkje dat herkenbaar was aan zijn lompen, zijn gebruinde gelaatskleur, zijn laffe, misdadige uiterlijk, maar dan wel een misdadigheid die gerijpt was onder een andere zon: in vultu vitium, in het gezicht de slechtheid.”

…een volkje dat herkenbaar was aan zijn lompen, zijn gebruinde gelaatskleur, zijn laffe, misdadige uiterlijk, maar dan wel een misdadigheid die gerijpt was onder een andere zon: in vultu vitium, in het gezicht de slechtheid.

Dergelijke notities zouden tegenwoordig discriminerend, ja zelfs racistisch genoemd worden. Maar Chateaubriand heeft het scherp gezien. Simon Schama bevestigt het in Citizens: “Hoe groot de verleiding ook is voor een historicus om (…) het geweld af te doen als een minder prettig ‘aspect’ van de Revolutie dat niet mag afleiden van de verworvenheden ervan, het zou naïef zijn om dat te doen. Vanaf het allereerste begin – de zomer van 1789 – was geweld de motor van de Revolutie.”

Mémoires d’outre-tombe [ fr.wikisource.org ]
Memoirs from beyond the tomb [ books.google.nl ]

de stem van een dode

aan het lezen in: Memoires van over het graf (1848)
van François-René de Chateaubriand vertaald door Frans van Woerden (2000)

Memoires van over het grafWaarom ik meestal boeken van dode schrijvers lees, weet ik niet precies. Waarschijnlijk heeft het alles te maken met het mysterie van de dood. Een schrijver die mij over zijn graf heen aanspreekt, lijkt te hebben bewezen dat het leven niet ophoudt met de dood. Dat geldt zeker voor François-René de Chateaubriand (1768-1848). Zijn autobiografie Les Mémoires d’outre-tombe is indrukwekkend persoonlijk. Je leert een vriend kennen. Chateaubriand begon in het najaar van 1811 aan zijn memoires. Hij was toen 43 jaar oud en had net een huisje gekocht in La Vallée-aux-Loups bij Aulnay waar hij rustig kon schrijven. Pas na zijn dood in 1848 werd zijn autobiografie gepubliceerd.

Het bestaat uit 44 boeken die werden geschreven tussen oktober 1811 en november 1841. Er is steeds een mooie afwisseling tussen de “tegenwoordige tijd” (tussen 1811 van 1841) en de tijd waar hij op terugkijkt. Doordat het verleden voor hem steeds dichterbij komt, schakelt hij met steeds kortere tussenpozen terug. Uiteindelijk bevindt hij zich net als een dagboekschrijver in de tegenwoordige tijd.

Chateaubriand had een zeer avontuurlijk leven. Maar wat zijn autobiografie voor mij zo boeiend maakt, is de combinatie van zijn eerlijkheid en meesterlijke stijl. Openhartig vertelt hij over een zelfmoordpoging op jeugdige leeftijd. Hij had zich met een oud jachtgeweer teruggetrokken op een afgelegen plek. Daar stak hij de loop van het geweer in zijn mond en probeerde de trekker over te halen. Toen er een boswachter naderde, stelde hij zijn suïcide uit. “Had ik me toen van het leven beroofd”, schrijft hij “dan was alles wat ik nu ben geweest in het graf verdwenen.”

En dan spreekt hij zijn lezer over het graf heen expliciet aan: “Wie nu echter door deze scènes van de wijs raakt en wellicht in de verleiding komt ook zelf van dat soort dwaasheden te begaan, wie, mij gedenkend, ook mijn hersenschimmen zou willen gedenken, moet goed beseffen dat hier slechts de stem van een dode te horen is. Lezer, ik zal u nimmer kennen, maar vergeet één ding niet: niets is er overgebleven; het enige dat er van mij rest is datgene wat ik nu ben in handen van de levende God die mij geoordeeld heeft.”

Chateaubriand
François-René de Chateaubriand schrijver en staatsman op een Franse postzegel uit 1948
Lezer, ik zal u nimmer kennen, maar vergeet één ding niet: niets is er overgebleven; het enige dat er van mij rest is datgene wat ik nu ben in handen van de levende God die mij geoordeeld heeft.

François-René de Chateaubriand

Chateaubriand was de laatstgeborene van een Bretonse landedelman en kende een vrij onrustige jeugd die zich afspeelde tussen de Bretonse colleges (hij studeerde onder andere te Dol en te Rennes) en zijn ouderlijk kasteel te Combourg. Hij aarzelde lang tussen zijn priesterroeping en een carrière op zee (die in de lijn van de familie lag). Uiteindelijk gaf hij toe aan de eerste en ging hij studeren aan het college van Dinan. Toch besefte hij al vlug dat dit niet zijn ware roeping was en keerde hij terug naar het familiedomein. Het was op het ouderlijk kasteel dat hij de eerste aanroepingen van de muze voelde. Hij fantaseerde vaak met zijn zus Lucile over geëxalteerde dromen in een verlaten landschap.
Bron: nl.wikipedia.org

Les Mémoires d’outre-tombe [ bibliotheek.nl ]

rauw

opnieuw gezien: The Revenant (2015)

The RevenantDe natuur is wreed, meedogenloos en onverschillig. De natuur is onze vijand. Toch denkt de verstedelijkte mens vaak dat de natuur mooi, zacht en rustgevend is. De vijand van vroeger lijkt nu een hulpeloze baby die onze bescherming nodig heeft. The Revenant laat het vijandige gezicht van de natuur opnieuw zien door ons te laten kijken door de ogen van pelsjagers tweehonderd jaar geleden in het gebied rond de bovenloop van de Missouri, het huidige South Dakota.

Rond 1820 maakte South Dakota deel uit van de Lousiana Purchase. In 1803 hadden de jonge Verenigde Staten hun grondgebied verdubbeld met de aankoop van het zogenaamde Louisiana Territorium van Frankrijk. Ruim twee miljoen vierkante kilometer ten oosten van de Mississippi werden aan de Verenigde Staten toegevoegd. Dit gebied bestond uit eindeloze prairies en wildernis en werd bevolkt door honderden inheemse indianenstammen.

Al in de achttiende eeuw trokken pelsjagers, trappers en mountainmen door de eindeloze wildernis van Noord-Amerika. Hun werk was levensgevaarlijk omdat ze altijd omringd waren door vijanden: wilde dieren, vijandige indianenstammen en niet zelden: elkaar. Maar de grootste vijand was meestal de natuur zelf. De ongerepte natuur van de Amerikaanse wildernis, die door de schilders van de Hudson River School verheerlijkt werd, was in de eerste plaats de natuurlijke vijand van deze pioniers. Wat voor de stadsmens ‘pittoreske landschappen’ zijn, zijn voor de pelsjagers een wrede arena waarin mens en dier een bikkelharde strijd om het bestaan moeten leveren. Het natuurschoon blijft passief, volmaakt onverschillig tegenover alles dat leeft, overleeft, gedood of vermoord wordt.

Albert Bierstadt
In de schilderijen van Albert Bierstadt is de (Amerikaanse) wildernis een soort mystieke vriend(in). In The Revenant is de wildernis onze natuurlijke vijand nummer één.

The Revenant is een verhaal over wilskracht en drang tot overleven. Het is eigenlijk een ongeloofwaardig verhaal maar ondanks deze ongeloofwaardigheid, spreekt het de ziel toch diep aan. Net als de heldenmythe. De drijvende kracht bij hoofdpersoon Phil Glass is de wil tot wraak. Zijn zoon is gedood door een onbetrouwbare bondgenoot. Phil Glass lijkt vanuit zijn voornemen zijn zoon te wreken bovenmenselijke kracht te ontvangen om te overleven. Nadat hij door een grizzlybeer is aangevallen, overleeft hij de verwondingen, de honger, de koorts, een verdrinkingsdood, een ontmoeting met een wilde, de koude, een val met zijn paard in de afgrond en nog wel meer. Kortom: hij is een kat met negen levens. Maar de wil tot wraak houdt hem in leven.

Nadat hij door een grizzlybeer is aangevallen, overleeft hij de verwondingen, de honger, de koorts, een verdrinkingsdood, een ontmoeting met een wilde, de koude, een val met zijn paard in de afgrond en nog wel meer. Kortom: hij is een kat met negen levens.

Tenslotte, de film duurt 156 minuten, komt de confrontatie met de moordenaar van zijn zoon. Wrok zuigt de mens in een geweldsspiraal die alleen te doorbreken is door af te zien van wraak. Maar Phil Glass doet dit niet en vindt dezelfde lotsbestemming als zijn vijand. Voor de a-morele natuur lijkt het allemaal niet uit te maken. De dood als grote gelijkmaker. De indianenwijsheid dat wraak voorbehouden is aan het Opperwezen, stijgt boven de fysieke natuur uit en verbindt ons met de geestelijke natuur, die juist niet de schouders ophaalt voor goed en kwaad. Indianen blijken ongeneeslijk religieus. Maar zijn bleekgezichten dat ook?

The Revenant [ imdb.com ]

Op de barricaden

gelezen in Les Misérables (1862) van Victor Hugo

Place Charles de GaulleDe revoluties van 1789, 1830 en 1848 in Parijs gingen steeds gepaard met gevechten op de barricaden. Het Tweede Keizerrijk (1852-1870) wilde daar voortaan een einde aan maken. Dus werd besloten tot een grootschalige verbouwing, waarbij de oude infrastructuur van Parijs met smalle bochtige straten die nog uit de late Middeleeuwen dateerde, plaats moest maken voor een stervormig netwerk van brede avenues die allemaal samenkwamen op de Place de l’Etoile (sinds 1970 Place Charles de Gaulle) met de Arc de Triomph als stralend middelpunt.

Dit ambitieuze stedenbouwkundige plan had twee doelen: prestige en veiligheid. Onder baron de Hausmann (1809-1891), de perfect van het departement van de Seine ging Parijs in de jaren vijftig van de negentiende eeuw op de schop. Parijs heeft sindsdien een belangrijk deel van haar allure te danken aan deze stadsvernieuwing. La plus belle avenue du monde, de Avenue des Champs Elysées, werd oorspronkelijk dus niet aangelegd voor de jaarlijkse finale van de Tour de France of voor de jaarlijkse militaire parade op 14 juli. Samen met de andere boulevards heeft ze als doel om Parijs overzichtelijk te houden, waarbij de Place de l’Etoile het oog in een stedenbouwkundig panopticum vormt.

Les MisérablesVoor de rigoureuze stadsvernieuwingen tijdens het Tweede Keizerrijk had de Rive Droite (met name het achtste arrondissement) een heel ander karakter. Het was een labyrint van straatjes, een ideale biotoop voor revolutionairen. In het vierde deel van Les Misérables beschrijft Victor Hugo (naar hem is overigens een avenue in het 16e arrondissement genoemd) de junirevolutie van 1832. Hij was daar zelf getuige van (zie helemaal onder) en beschrijft tot in de details hoe het “in de barricade” was (zie onder). De revolutie van 1832 was een volksopstand en in feite een (mini)burgeroorlog.

“Franse revolutie!”
“Vuur!” werd er gecommandeerd.
Een rosse flits verlichtte de gevels aan de straat, alsof de deur van een oven werd geopend en snel weer gesloten. Het salvo daverde over de barricade. De rode vlag stortte neer. De kogels waren in een zo dichte regen neergekomen dat de stok was stuk geschoten. De eerste charge maakte diepe indruk in de barricade. De aanval was fel genoeg om de moedigsten tot nadenken te stemmen. Er leek minstens een regiment voor de barricade te staan.

uit het vierde deel van Les Misérables

Schnetz
Het schilderij van Jean-Victor Schnetz (Combat devant l’hôtel de ville) is veel minder bekend dan de beroemde allegorie ‘de vrijheid die het volk leidt’ van Eugène Delacroix maar geeft wel een realistischer beeld van de julirevolutie van 1830

Victor Hugo, who was thirty years old at the time, was in Tuileries Gardens writing a play on June 5, 1832. He heard the sounds of gunfire coming from the area of Les Halles and had to have the park-keeper let him out so he could leave the gardens. Hugo decided not to hurry back to his home and instead followed the sounds of the rebellion through Paris’s empty streets. He stumbled upon the barricades near Les Halles, unaware that much of his city had fallen into the control of the rebels for the short period of time. Hugo kept going north to rue Montmartre then towards Passage du Saumon. He ended up near rue du Bout du Monde, where he saw grilles on either side of the alleyway slammed shut. Surrounded by the many barricades, he hid himself between columns in the street where he stayed for about a quarter of an hour as the rebels and the French troops shot at each other.
Bron: historythings.com

De vrijheid van 1830 [ Woest & Vredig ]

Boekenwijsheid

gelezen in Les Misérables (1862) van Victor Hugo

Les MisérablesIn de twintigste eeuw begint het woord God uit de literatuur te verdwijnen. Een zin als “God had gewild, dat Cossette een liefde leren kennen, die haar redde.” zul je in de literatuur na 1945 niet meer zo snel tegenkomen. Of het moet in een streekroman zijn. Maar streekromans worden niet tot de literatuur gerekend en dus ook niet zo serieus genomen.

Bij de literaire reuzen uit de negentiende eeuw, zoals Dostojewsky, Tolstoi en Hugo, hoort God er nog helemaal bij. Ik hou van romans met levensbeschouwelijke overdenkingen en uitspraken die mijn leven verdiepen en die niet met een wijde boog om God heenlopen. Natuurlijk kunnen schrijvers die met aforismen strooien zoals standup comedians met harde grappen, pedant overkomen. Maar bij Hugo heb ik dat niet, ook al is hij een van de kampioenen van het aforisme in de Franse literatuur van de negentiende eeuw. Google maar eens op ‘Victor Hugo quotes’

La pensée est le labeur de l’intelligence, la rêverie
en est la volupté.

uit: Les Misérables

Voor mij zijn Hugo‘s aforismen vaak snoepjes die je onderweg van hem krijgt en waar je lang mee kunt doen. Gisteren las ik in het vierde deel van Les Misérables deze: “De gedachte is het werk van het brein, de droom is het genot ervan. Wie het denken nalaat ter wille van het dromen, neemt een vergif in plaats van voedsel.”(La pensée est le labeur de l’intelligence, la rêverie en est la volupté. Remplacer la pensée par la rêverie, c’est confondre un poison avec une nourriture)

Daar kan ik dan heerlijk over mijmeren. “De fijne uurtjes van de geest” noemde Schopenhauer dat en hij verkoos het in zijn jonge jaren boven de leut in de kroeg. Natuurlijk moet je er wel voor waken dat het mijmeren en reflecteren weer geen dromen wordt. De ‘aformismejunk‘ die in wijsheden vlucht maar de praktijk schuwt, mist uiteindelijk het belangrijkste: de levende ervaring. Het inzicht dat het aforisme of de wijsheid voortbrengt, is als een flits, een heldere ervaring ondanks onszelf. Hugo zal deze ogenblikken vaak beleefd hebben.

Aimer une autre personne,
c’est voir le visage de Dieu.

uit: Les Misérables

Geschiedenis volgens Hugo

gelezen in Les Misérables (1862) van Victor Hugo:
Quelques pages d’histoire

Les MisérablesDe filosofische en politieke beschouwingen over de geschiedenis van Frankrijk zijn voor mij een van de aangename kanten van de romans van Victor Hugo. In zijn latere romans Les Misérables en Quatre-Vingt-Treize worden deze als intermezzo aan het verhaal toegevoegd. Zo begint het vierde deel van Les Misérables met Quelques pages d’histoire. Wanneer je niet echt thuis bent in de episodes van de Franse geschiedenis waar Hugo op reflecteert of als deze achtergrond je weinig kan schelen, dan zijn deze historische beschouwingen juist de gedeelten die je liever of dan maar gewoon overslaat.

In ieder geval mis je dan een belangrijk deel van wat Hugo ons wil vertellen. In de jaren veertig van de negentiende eeuw was hij op het allerhoogste niveau actief in de politiek. In de periode 1843-1851 zou hij vrijwel niets publiceren, al kwam dat niet alleen door zijn politieke carrière maar vooral ook door diverse familiedrama’s. Zijn eerste roman na Claude Gueux (1834) liet bijna dertig jaar op zich wachten. Toen Les Misérables in 1862 eindelijk verscheen, Hugo was inmiddels zestig, was dat een enorm commercieel succes. Zijn roman heeft sterk het karakter van een politiek pamflet en de historische, filosofische en politieke beschouwingen dragen daartoe bij.

Tweet 1832
In het vierde deel van Les Misérables speelt de opstand van 1832 in Parijs een belangrijke rol. Victor Hugo kon hier nauwkeurig over schrijven omdat hij als 30-jarige ooggetuige was.

La restauration avait été une de ces phases intermédiaires difficiles à définir, où il y a de la fatigue, du bourdonnement, des murmures, du sommeil, du tumulte, et qui ne sont autre chose que l’arrivée d’une grande nation à une étape. Ces époques sont singulières et trompent les politiques qui veulent les exploiter. Au début, la nation ne demande que le repos ; on n’a qu’une soif, la paix ; on n’a qu’une ambition, être petit. Ce qui est la traduction de rester tranquille. Les grands événements, les grands hasards, les grandes aventures, les grands hommes, Dieu merci, on en a assez vu, on en a par-dessus la tête. On donnerait César pour Prusias et Napoléon pour le roi d’Yvetot. « Quel bon petit roi c’était là ! » On a marché depuis le point du jour, on est au soir d’une longue et rude journée ; on a fait le premier relais avec Mirabeau, le second avec Robespierre, le troisième avec Bonaparte, on est éreinté. Chacun demande un lit.
Uit: Les Misérables – Quelques pages d’histoire

Les Misérables [ fr.wikisource.org ]

Huilen om Rousseau

La lapidation de Môtiers september 1765

Voor huilen met Rousseau zijn we tegenwoordig te nuchter, maar huilen om Rousseau moet met een beetje goede wil wel lukken. Zeker als je in zijn (auto)biografie leest hoe hij in 1765 uit Môtiers verdreven werd, een episode die bekend staat als de steniging van Môtiers.

Môtiers
Michaela naast een silhouet van Rousseau voor zijn woning in Môtiers (12 juli 2018)

Wat was er gebeurd? Na het succes van Julie in 1761 was Rousseau in één klap de beroemdste schrijver van Europa. Julie werd de best gelezen roman van de achttiende eeuw. Rousseau wilde voor zijn vijftigste zijn schrijverschap afsluiten; dat deed hij niet met één maar met twee invloedrijke boeken: een boek over opvoeding (Émile, ou De l’éducation) en een boek over de maatschappij (Du contract social). Zijn ideeën waren inmiddels tot volle rijping gekomen. Beide boeken sloegen in als een granaat. Zijn opvattingen over het christelijk geloof in Emile waren ondermijnend voor het kerkelijk gezag. Maar nog explosiever was zijn idee van de volonté general in Du contract social.

Rousseau wilde voor zijn vijftigste zijn schrijverschap afsluiten; dat deed hij niet met één maar met twee invloedrijke boeken.

Rond 1760 was het heel gewoon wanneer boeken anoniem verschenen. De schrijvers van de Verlichting wisten dat hun opvattingen controversieel waren en hadden geen behoefte hun naam op het titelblad te laten drukken. Vaak durfde de uitgever in Frankrijk het niet aan en werden Franstalige boeken in de Republiek gedrukt. Emile werd uitgegeven in Parijs maar Du contract social bij Marc-Michiel Rey in Amsterdam. Deze uitgever had geen privilege aangevraagd en het boek werd vervolgens door de Staten-Generaal der Nederlanden verboden. In Frankrijk werd het clandestien verspreid. Toen de boodschap eenmaal was doorgedrongen, en lang duurde dat niet, barstte de storm los.

Op 9 juni 1762, vlak voor zijn vijftigste verjaardag, moest Rousseau hals over kop het land uit. Hij vluchtte eerst naar zijn oude vriend Roguin in Yverdon aan het meer van Neuchâtel in Zwitserland. Een maand later vestigde hij zich in het dorpje Môtiers in de Val de Travers, twintig kilometer ten noordwesten van Yverdon. Zijn levensgezellin Thérèse Levasseur volgde hem enkele weken later. Ze waren bannelingen geworden. Beter gezegd: politieke vluchtelingen, ook al bestond dat woord tijdens het ancien régime nog niet. Ze zouden tot begin september 1765 in Môtiers blijven wonen.

Môtiers gedenksteen
Gedenksteen in Môtiers

Het drama komt na de publicatie van Lettres écrites de la montagne in 1764. Hierin doet Rousseau een politieke aanval op zijn vaderstad Genève en was daarbij zo naïef niet te voorzien dat dit gevolgen zou hebben voor zijn verblijf in Môtiers. In de ruim drie jaar dat hij hier woonde, had hij geen goed contact met de lokale bevolking al ontving hij tientallen vrienden uit Frankrijk en Engeland. Dat waren over het algemeen intellectuelen uit de hogere klassen waar de eenvoudige boeren in Môtiers met afkeuring naar keken.

Rousseau kwam in het voorjaar van 1765 tenslotte tegenover zijn pastor Montmollin te staan. Deze stond onder toenemende druk disciplinaire maatregelen te nemen tegen Rousseau die weliswaar bij hem naar het avondmaal ging, maar desondanks ketterse opvattingen verkondigde. Toen dat niet helemaal lukte en Montmollin gezichtsverlies dreigde te gaan leiden, begon hij de calvinistische bevolking in Môtiers tegen Rousseau op te zetten. Op 1 september hield hij een opruiende preek die grote gevolgen had. Rousseau werd eerst op straat uitgejouwd en toen ging het van kwaad tot erger. Op 3 september vloog de eerste steen door de ruit. La lapidation de Môtiers was begonnen…

In zijn Bekentenissen schrijft Rousseau: J’allais sortir de ma chambre, écrit la victime, pour aller dans la cuisine, quand un caillou traversa la cuisine après avoir cassé une fenêtre, tomba au pied de mon lit, de sorte que si je m’étais pressé d’une seconde, j’avais le caillou dans l’estomac. Je vais à la cuisine, trouve Thérèse tremblante.’

Môtiers
Een tekening uit de tijd dat Rousseau en Thérèse in Môtiers woonden op de eerste verdieping. De waterput links op de voorgrond is er nog steeds.

Op 8 september vluchtten Rousseau en Thérèse het dorp uit. De waranda lag vol met keien. ‘Het lijkt hier wel een steengroeve!’ riep een van Rousseau‘s vrienden verschrikt uit. De volgende dag werd er bij de nabijgelegen waterput een pop gevonden die Rousseau moest voorstellen.